Terug naar zoekresultaten

2.18.29 Inventaris van het archief van de Nederlandse Spaarbankbond (NSBB), 1906-2000

Voer een zoekterm in
VorigeVolgende

Archief

Titel

2.18.29
Inventaris van het archief van de Nederlandse Spaarbankbond (NSBB), 1906-2000

Auteur

J. Schilt, M. van der Velden

Versie

11-06-2019

Copyright

Nationaal Archief, Den Haag
2004 (c)

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok

Nederlandse Spaarbankbond
Spaarbankbond

Periodisering

oudste stuk - jongste stuk: 1906-2000

Archiefbloknummer

I24

Omvang

3961 inventarisnummer(s); 102,70 meter

Taal van het archiefmateriaal

Het merendeel der stukken is in het
Nederlands

Soort archiefmateriaal

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften, foto's en publicaties.

Archiefdienst

Nationaal Archief

Locatie

Den Haag

Archiefvormers

Nederlandse Spaarbankbond (NSBB) Nederlands Spaarbank-bureau (NSBB)

Samenvatting van de inhoud van het archief

Het archief van de Nederlandse Spaarbankbond, opgericht in 1907 ter bevordering van de professionaliteit van de Nederlandse spaarbanken, omvat notulen en vergaderstukken van uiteenlopende instanties zoals het bondbestuur, de directie en staf van de Spaarbankbond, en een breed scala aan overlegorganen en spaarbanken. Ook is er een omvangrijke correspondentie tussen de bond en haar leden. De jaarverslagen van het Nederlandse Spaarbank Bureau en de Spaarbank Bond zijn in dit archief opgenomen. Voorts circulaires, statuten, reglementen, richtlijnen en voorschriften, bedrijfsformules, jaarrekeningen en rapportages over het financieel toezicht en de balanscontroles, stukken inzake overleg met de Nederlandse Bank, overnames en fusies van spaarbanken, maatregelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bijzondere stukken zijn o.a. de spaarbankgidsen, vakbladen, stukken over de automatisering in het spaarbankwezen en foto's.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer
1.1 Voorgeschiedenis
In 1817 werden in Workum en Haarlem de eerste spaarbanken opgericht. Het initiatief tot de oprichting kwam van plaatselijke departementen van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. De oprichting van deze spaarbanken ging vooraf aan een oproep van het Hoofdbestuur van 'het Nut' om over te gaan tot plaatselijke spaarbanken. In twee jaar tijd volgden nog eens 48 plaatselijke Nutsdepartementen het voorbeeld van Workum en Haarlem. A.J. Oostkamp, secretaris van het Zwolse Nutsdepartement introduceerde zijn Spaarbank met het noemen van de twee "onloochenbare nuttigheden: tijdelijk voordeel en zedelijk welzijn'. Voortaan zouden de Zwollenaren in geval van ongeluk of ziekte 'in staat zijn, om zich van hunne eigene bezittingen te kunnen voeden en onderhouden, zonder dat zij hunne vrienden en bekenden, of de eene of andere, algemeene of bijzondere Armenkas behoeven lastig te vallen, om zoo als men dit wel eens noemt, genade brood te moeten eten". ( Dankers, J. e.a. Spaarbanken in Nederland. Ideeën en organisatie, 1817-1990, t.a.p. pp.9-37 ) Spaarbanken moesten de arbeiders gelegenheid bieden om in tijden van voorspoed geld opzij te zetten om daarop terug te kunnen vallen in tijden van tegenspoed.
Vanaf 1835 ontstonden naast de Nutsspaarbanken ook gemeentelijke spaarbanken, die vaak een gezamenlijk initiatief waren van plaatselijke Nutsdepartementen en locale overheden. De spaarbanken maakten een gestage groei van inleggersaantal en inleggerstegoed door. Met betrekking tot bestuur, beheer en dienstverlening traden geleidelijke verbeteringen op. De Nutsspaarbanken en de Gemeentespaarbanken kregen overigens concurrentie van particuliere spaarinstellingen. In 1865 bestonden er al 182 spaarbanken. Na 1870 ontstond een snelle welvaartsstijging waardoor een sterke toename optrad van het aantal particuliere spaarbanken.
Met de oprichting door de overheid van de Rijkspostspaarbank in 1881 werd Nederland een fijnvertakte spaarbank rijker. Naast de Rijkspostspaarbank werden in het zuiden van het land ook Boerenleenbanken opgericht. Door deze verschillende initiatieven nam het spaartegoed fors toe. Ook de dienstverlening wijzigde van karakter. In eerste instantie waren de meeste spaarbanken slechts enkele uren per dag open. Aan het eind van de negentiende eeuw ontstonden spaarbanken die filialen hadden en acht uur per dag open waren, zoals de Spaarbank Rotterdam en de Spaarbank voor de Stad Amsterdam.
1.2 Oprichting van de Nederlandsche Spaarbankbond
De snelle groei van de Rijkspostspaarbank en van de Boerenleenbanken leidde tot een herbezinning op de eigen positie van de spaarbanken. In spaarbankkringen begon men zich te realiseren dat de oprichting van een vereniging voor spaarbanken belangrijke mogelijkheden bood voor de professionalisering van de spaarbanken. Op 19 december 1906 namen vertegenwoordigers van 15 spaarbanken deel aan een voorbereidende vergadering die tot de oprichting van een dergelijke vereniging moest leiden. Op deze vergadering constateerde mr. G.M. Delprat van de Spaarbank Rotterdam dat er veel verbeterd kon worden aan het Nederlandse spaarbankwezen en dat ook een uitbreiding van datzelfde spaarbankwezen wenselijk zou zijn. ,,Als men er van overtuigd is dat de bijzondere spaarbanken naast de Rijkspostspaarbank nog bestaansrecht hebben, dan is verbetering en uitbreiding van het spaarbankwezen een vereiste, te verkrijgen door onderlinge aaneensluiting en voorlichting'', aldus mr. Delprat. Tijdens deze vergadering werd een commissie ingesteld die zou moeten komen tot ontwerp-statuten. Naast Delprat speelde ook F. Walkate, bestuurslid van de Nutsspaarbank Kampen een belangrijke rol in deze commissie. ( Archief Nederlandse Spaarbankbond, inv.nr. 1 )
Op 8 juni 1907 volgde de oprichtingsvergadering van de Nederlandsche Spaarbankbond.
In de statuten werd de volgende doelstelling geformuleerd: behartiging van de gemeenschappelijke belangen van de bijzondere spaarbanken in Nederland en de verbetering en uitbreiding van het bijzondere spaarbankwezen in Nederland. De vereniging probeerde dit doel te bereiken door in haar vergaderingen aangelegenheden over het spaarbankwezen te behandelen, door over deze aangelegenheden te publiceren, door inlichtingen te geven en tenslotte door de vorming van een bibliotheek. Lid van de vereniging konden worden: spaarbanken die door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen zijn opgericht, overige in Nederland gevestigde spaarbanken en personen die grote belangstelling hebben getoond voor het Nederlandse spaarbankwezen. Eénmaal per jaar werd tijdens de zogenaamde Spaarbankdag een gewone Algemene Ledenvergadering gehouden; terwijl buitengewone Algemene Ledenvergaderingen konden worden gehouden op verzoek van het bestuur of van tenminste 6 leden. Rechtsgeldige besluiten werden genomen bij meerderheid van stemmen. De stemverhouding werd bepaald door het inleggerstegoed van de afzonderlijke lidbanken. De algemene vergadering beslisteover alles wat niet specifiek aan het bestuur was opgedragen. Het bestuur bestond uit minstens 5 leden. ( Archief Nederlandse Spaarbankbond, inv.nr. 2 ) De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen volgde inmiddels een parallelle weg. In 1912 nam het Hoofdbestuur het initiatief tot de oprichting van een accountantsdienst voor de Nutsspaarbanken. De Nederlandse Spaarbankbond was daar niet blij mee. De bondsvoorzitter stelde dat 'het Nut' probeerde om van ''de rijke spaarbanken gelden los te krijgen om in de nood van de [afzonderlijke] departementen te voorzien''. ( Buning, dr. J.R.A. Nederlandse Spaarbankbond 1907-1957. Een halve eeuw spaarbank-organisatie, pp. 21-22 ) Volgens hem wilde het Nut zich beperken tot de eigen leden, terwijl de Nederlandse Spaarbankbond werkzaam wilde zijn voor het hele Nederlandse spaarbankwezen. Gedurende een aantal jaren bleven Bond en Maatschappij ieder een eigen weg bewandelen. Pas in 1917 trad de 'Maatschappij tot Nut van 't Algemeen' toe tot de Nederlandse Spaarbankbond.
1.3 Spaarbank-Bureau
Op de Spaarbankdag van 1922 werden de plannen voor de oprichting van een controlerend orgaan ten dienste van de spaarbanken bekendgemaakt. Toenmalig secretaris mr. J.H. Lugt signaleerde drie ontwikkelingen die duidelijk maakten dat de tijd rijp was voor een hechtere organisatie van de spaarbankwereld. In de eerste plaats wilde een aantal spaarbanken een beroep kunnen doen op de van rijkswege ingestelde noodregeling. Op grond van deze maatregel konden spaarbanken die plotselinge liquiditeitsproblemen hadden, hun effecten belenen. ( Buning, dr. J.R.A. Nederlandse Spaarbankbond 1907-1957. t.a.p. pp. 124-125 ) In de tweede plaats werd in de wet op het levensverzekeringswezen een controle van overheidswege op de levensverzekeringmaatschappijen geïntroduceerd. In de derde plaats drong 'Het Nut' bij de regering aan op de invoering van een spaarbankwet. Door de oprichting van een dergelijk instituut hoopte de NSBB de regering een slag voor te zijn en daardoor minder van haar autonomie prijs te geven. Ook 'Het Nut' werd bij de voorbereidingen betrokken en dit leidde ertoe dat in 1924 het Spaarbank-Bureau daadwerkelijk van start ging. Het Spaarbank-Bureau controleerde jaarlijks de boeken van de aangesloten banken; de kosten daarvan werden bestreden uit de contributies en uit een vergoeding voor dit onderzoek.
In 1929 werd voorgesteld om Bureau en Bond verder te integreren. Voorgesteld werd om controle door het Spaarbank-Bureau voor leden van de Spaarbankbond verplicht te stellen. De integratie van Bureau en Bond zou echter niet zonder slag of stoot gaan; tegenover het streven van het bondsbestuur naar verdere concentratie stond het onder spaarbanken sterk levende particularisme. Na heftige discussie werd in 1930 statutair vastgelegd dat de Bond het toezicht op de leden en het geven van advies omtrent administratie, beheer en beleggingen opdroeg aan het Spaarbank-Bureau. Tevens werd uitdrukkelijk bepaald dat het Spaarbank-Bureau een orgaan was van de Bond. De directeur van het Spaarbank-Bureau was tevens secretaris van de bond. Bond en Bureau vonden in het pand Bothstraat 1 te Amersfoort een onderkomen.
Gaandeweg werd het takenpakket van het Spaarbank-Bureau uitgebreid; zo werd in 1933 verplicht gesteld dat de controle zich niet beperkte tot de balans, maar dat ook de winst- en verliesrekening gecontroleerd moest worden. Ook de verzending van saldobiljetten van hypothecaire leningen en andere debiteuren vond steeds vaker plaats via het Spaarbank-Bureau. Op andere terreinen nam de Nederlandse Spaarbankbond het initiatief: in de jaren dertig werden de collectieve verzekeringen tegen onder andere de risico's van fraude en inbraak geïntroduceerd. ( Buning, dr. J.R.A. Nederlandse Spaarbankbond 1907-1957. t.a.p. pp. 23-34 )
1.4 Beleggingen
Ook op het terrein van beleggingen wilde de Nederlandse Spaarbankbond een rol spelen. Op de spaarbankdag van 1926 bepleitte mr. J.L. Nierstrasz de oprichting van een 'centraal beleggingsorgaan' voor de spaarbanken. Naar aanleiding van de discussie op deze spaarbankdag werd door het Bondsbestuur een commissie in het leven geroepen, die concludeerde dat met name de kleinere banken behoefte hadden aan een Centrale die vergelijkbaar was met die van de boerenleenbanken. Dat wil zeggen dat de Centrale gemakkelijk overtollige kasgelden in deposito moest kunnen nemen, of de beleningsfunctie van De Nederlandsche Bank zou kunnen overnemen. De grotere spaarbanken hadden in het algemeen echter voldoende expertise in huis om de hen toevertrouwde gelden rendabel en veilig te kunnen beleggen. Een alternatief voor de Centrale was volgens de commissie dan ook de oprichting van een eenvoudig bemiddelingsbureau dat aan het Spaarbank-Bureau zou zijn verbonden en zich beperkte tot zuivere makelaarsdiensten. In 1932 werd binnen het Spaarbank-Bureau de afdeling beleggingen opgericht, die onder leiding van J.R.A. Buning werd geplaatst. De nieuwe beleggingsafdeling begon haar activiteiten in een ongunstig klimaat. De crisis en de depreciatie van de gulden leidden tot een verlaging van de algemene rentestand, waardoor enerzijds de inleggersrente en anderzijds het rendement van de beleggingen onder druk kwamen te staan. Ter voorkoming van het laatste trad de Nederlandse Spaarbankbond in 1938 toe tot het zogenaamde 'Beleggingsaccoord', ook bekend als het 'Overleg in beleggingszaken' of het 'beleggingsfront'. Het Accoord, waartoe ook de Rijkspostspaarbank, de boerenleenbanken en de levensverzekeringmaatschappijen behoorden, moest voorkomen dat beleggers bij het totstandkomen van onderhandse leningen tegen elkaar werden uitgespeeld. ( Dankers, J. e.a. Spaarbanken in Nederland. Ideeën en organisatie, 1817-1990,t.a.p. pp. 161-166; p. 411; De Spaarbank, jrg. 64, nr. 8/9, september 1982, pp. 26-36 )
1.5 Spaarbankbond onder bezetting
In de bezettingsjaren werd door de Duitse bezetter de gehele economische ordening op een andere leest geschoeid. Op instigatie van de commissie-Woltersom werd een uitgebreide organisatie van hoofdgroepen, bedrijfsgroepen en vakgroepen in het leven geroepen, waarbij alle bedrijven zich moesten aansluiten. Ook het spaarbankwezen ontkwam niet aan deze ingrijpende reorganisatie. De Nederlandse Spaarbankbond kreeg de toevoeging 'Vakgroep Algemene Spaarbanken'. Voortaan moesten alle spaarbanken zich aansluiten bij de Nederlandse Spaarbankbond, waardoor de bond in 1943 341 leden telde. De bestuursstructuur ging fors op de schop: de leiding berustte bij de voorzitter, bijgestaan door een tweetal vice-voorzitters. Naast dit driekoppig bestuur stond een kleine Raad van Bijstand. De dagelijkse leiding bleef in de praktijk echter in handen van het secretariaat.
De positie van het spaarbankwezen werd wettelijk vastgelegd. Zo mochten alleen spaarbanken het woorddeel 'spaar-' in hun naam voeren. Ook waren spaarbanken vrijgesteld van de tijdens de bezetting ingevoerde vennootschapsbelasting, mits zij zich uitsluitend wijdden aan 'het bevorderen van het sparen door kleine spaarders of door het personeel eener onderneming'. De bond werd onderworpen aan een sterker overheidstoezicht, dat werd gedelegeerd aan De Nederlandsche Bank. In 1943 werd in het Eerste Uitvoeringsbesluit Banken verordend dat alle banken, dus ook spaarbanken, zich moesten inschrijven in het Bankenregister. Spaarbanken moesten regelmatig overzichten presenteren van hun bedrijfsvoering, en jaarlijks een balans en winst-en verliesrekening overleggen.
Op grond van het Deviezenbesluit van 5 juni 1940 werden alle Nederlanders verplicht om baar goud, gouden munten en buitenlandse betaalmiddelen te koop aan te bieden bij De Nederlandsche Bank.
Ook tegen de joodse bevolkingsgroep werden allerlei maatregelen genomen. Zo mochten spaarbanken vanaf oktober 1940 geen joods personeel in dienst hebben. In 1941 werd in de 'Verordening betreffende de behandeling van het joodsch geldelijk vermogen' bepaald dat joden hun vermogen moesten overmaken aan de bank Lippmann, Rosenthal & Co., Sarphatistraat te Amsterdam. De werkelijke bedoeling van deze 'roofbank' was om de joodse Nederlanders onder een legaal lijkende schijn te beroven.
Ten gevolge van oorlog en bezetting moesten veel mensen evacueren. Op initiatief van een aantal spaarbanken werd daarom de regeling van 'Elders Betaalbare' spaarbankboekjes in het leven geroepen, zodat geëvacueerden hun spaarbanktegoed niet alleen op hun eigen spaarbank, maar ook op de spaarbank van hun nieuwe vestigingsplaats konden opvragen.
Ten gevolge van de oorlogsomstandigheden werd de bedrijfsvoering van spaarbanken bemoeilijkt door het wegvoeren van medewerkers in krijgsgevangenschap en arbeidsinzet. Na de geallieerde invasie in juni 1944 namen de moeilijkheden voor spaarbanken toe. In september 1944 werd de 'Verordening Beperking Betalingsverkeer' afgekondigd. Hierin werd vastgelegd dat inleggers slechts 100 gulden per week mochten opnemen.
De communicatie van de Nederlandse Spaarbankbond met haar spaarbank-leden werd steeds sterker bemoeilijkt. In augustus 1944 kon het Vakblad niet langer verschijnen. De spoorwegstaking maakte een regelmatige controle van de aangesloten spaarbanken onmogelijk. Het merendeel van de spaarbanken bleef ook gedurende dit laatste bezettingsjaar open, al moesten de openings- of zittingsuren veelal tot een absoluut minimum worden teruggebracht.
In het bevrijde zuiden hervatten de spaarbanken zo goed mogelijk hun werk. De werkzaamheden van de spaarbanken beperkten zich tot inleg en terugbetaling; de girodienst functioneerde niet meer en beleggingsmogelijkheden waren vrijwel afwezig. Desondanks bleven spaarders trouw inleggen.
In maart 1945 werd een tijdelijk Bondsbestuur ingesteld, dat bij het Militair Gezag aandrong op een aantal rudimentaire beleggingsmogelijkheden, onder andere in schatkistpapier of als kasgeldleningen aan gemeenten. Na de bevrijding in mei 1945 werden de werkzaamheden van het tijdelijke Bondsbestuur overgedragen aan het reguliere bestuur.
1.6 Het spaarbankwezen tijdens de wederopbouw
Het secretariaat werd na de oorlog verdeeld in een viertal afdelingen, namelijk Algemene Zaken, Controle, Beleggingen en de Juridische afdeling. Naast de afdelingen bestonden ook nog een drie commissies, namelijk de Commissie van Toezicht (onderzoek van de interne controlerapporten), de Propagandacommissie (bevorderen van de spaarzaamheid) en de Commissie voor Opleiding van Spaarbankpersoneel. De Propagandacommissie was haar werkzaamheden reeds tijdens de oorlog begonnen en werkte in eerste instantie samen met de firma H.A.M. Roelants. In 1948 werd de Propagandacommissie omgezet in de Stichting Spaarpropaganda, die in Rotterdam werd gevestigd. Stichting Spaarpropaganda hield zich bezig met het vervaardigen van allerlei propagandamateriaal, zoals posters, advertenties, spaarbusjes enzovoorts. De Nederlandse Spaarbankbond was in het bestuur van de Stichting vertegenwoordigd.
Direct na de oorlog werd door de overheid de geldzuivering doorgevoerd. Tijdens de geldzuivering werden spaarrekeningen geblokkeerd en werd onderzocht of rekeninghouders hun tegoeden op een rechtmatige manier hadden verkregen. De overheid maakte van de gelegenheid gebruik om een tweetal belastingen in te voeren, namelijk een vermogensheffing en een vermogensaanwasbelasting. De Commissie van Toezicht constateerde dat de geldzuivering had bijgedragen aan de modernisering van de werkzaamheden. Organisatorisch gezien bleef de nawerking van de oorlog tot 1953 merkbaar. In 1953 werd de Vakgroep Algemene Spaarbanken opgeheven. Een aantal spaarbanken traden uit de Nederlandse Spaarbankbond maar de meerderheid van de spaarbanken bleef lid.
In 1946 werd opnieuw een commissie ingesteld die de mogelijke oprichting van een spaarbankcentrale zou moeten onderzoeken. Doel van de op te richten centrale zou zijn om 'met vooropstelling van de autonomie van de aangesloten spaarbanken een nauwere samenwerking op beleggingsgebied tot stand te brengen'. De commissie kwam met de aanbeveling dat de oprichting van zo'n centrale wenselijk zou zijn en verwees naar de beide centrales van de Raiffeisenbanken en de Boerenleenbanken. Op de Spaarbankdag van 1947 ondervond het voorstel van de zijde van spaarbankbesturen echter zoveel tegenstand, dat het voorstel werd ingetrokken. Voorlopig zouden de spaarbanken hun beleggingen via plaatselijke handelsbanken blijven verrichten.
1.7 Wet Toezicht Kredietwezen
In mei 1952 trad de Wet Toezicht Kredietwezen (WTK) in werking. De Nederlandse Spaarbankbond had met de jaarlijkse controle van de boeken en de verwerking van statistische gegevens al een goed inzicht in de bedrijfseconomische situatie van de spaarbanken. Een wezenlijk verschil met de WTK was echter dat spaarbanken door toetreding tot de bond vrijwillig controle aanvaardden, terwijl die nu wettelijk verplicht werd. Ook werd de Bond belast met het bijhouden van hoofdstuk 4 van het Register van Bankinstellingen. De positie van de Bond ten opzichte van haar leden werd hiermee aanzienlijk versterkt.
In 1954 werden nieuwe Bondsstatuten vastgesteld, waarin bepalingen waren opgenomen inzake de uitvoering van de wettelijke controle.
De professionalisering van de spaarbanken zelf werd weerspiegeld in de reservering van drie bestuursplaatsen voor bezoldigde directeuren van spaarbanken. Alle spaarbanken die lid van de bond waren, werden automatisch ingeschreven en spaarbanken die geen lid waren, werden pas na het advies van de bond aan De Nederlandsche Bank ingeschreven.
De WTK bood De Nederlandsche Bank als centrale bank de mogelijkheid om voorschriften te geven met betrekking tot de liquiditeit en solvabiliteit waaraan (spaar-)banken moesten voldoen. Deze voorschriften begrensden de omvang van een aantal minder liquide beleggingen, zoals die in onroerend goed en in onderhandse leningen, en gaven richtlijnen voor de verhouding tussen verschillende beleggingscategorieën.
In de loop van de jaren vijftig begonnen de ontwikkelingen in de Spaarbankwereld uiteen te lopen. Kleinere plattelandsspaarbanken ondervonden sterke concurrentie van Raiffeisenbanken en Boerenleenbanken, terwijl de grotere stedelijke banken een zeer snelle groei doormaakten. De verschillen tussen de spaarbanken onderling werden groter en de rol van kleinere spaarbanken binnen de bond werd daardoor geleidelijk marginaler. De Bond probeerde op deze ontwikkelingen in te spelen door samenwerkingsverbanden te stimuleren. Zo werd in 1958 het Coöperatief Beleggingsfonds voor Spaarbanken (CBS) opgericht. Een ander voorbeeld is de oprichting van de Coöperatieve Administratiecentrale voor Spaarbanken (CAS) in 1965. Als uiting van de maatschappelijke tendens tot schaalvergroting begon een concentratieproces doordat veel spaarbanken onderling fuseerden. Het kwam echter voor dat onderlinge concurrentie of cultuurverschillen verregaande samenwerking in de weg stonden. ( Dankers, J. e.a. Spaarbanken in Nederland. Ideeën en organisatie, 1817-1990, t.a.p. pp. 244-274 ) In 1957 bestond de Nederlandse Spaarbankbond vijftig jaar. In de slotbeschouwing stelde de bond zich vooral dienstbaar op aan zijn leden, met volgens dr. J.R.A. Buning een drieledige taak: een voorlichtende, een controlerende en een bemiddelende. De meeste spaarbanken onderhielden nog steeds nauwe banden met plaatselijke departementen van 'Het Nut'. ( Buning, J. Nederlandse Spaarbankbond 1907-1957, t.a.p. pp. 243-244 ) De spaarbankdag 1967 stond in het teken van '150 jaar Bondsspaarbanken', waaruit blijkt dat er wel het een en ander veranderd was in de organisatievorm van de spaarbanken. In de loop van de jaren zestig waren er steeds meer spaarbanken die de nauwe banden met 'Het Nut' doorsneden. De Bondsspaarbanken zouden volgens bondsvoorzitter J.J.C.R. van der Bilt te maken krijgen met een belangrijke verandering in de werkwijze, namelijk de introductie van het girale geldverkeer. Volgens Van der Bilt moesten de spaarbanken zich sterk maken voor een uitbreiding van de dienstverlening, door bijvoorbeeld persoonlijke leningen, periodieke overboekingen en beleggingen in bijvoorbeeld aandelen of vastgoed mogelijk te maken. ( Spaarbankdag 1967; verslag van de huishoudelijke en de jubileumvergadering van de Nederlandse Spaarbankbond, t.a.p. pp. 28-37 ) De Nederlandse Spaarbankbond stond aan de vooravond van de verhuizing naar Amsterdam. Aan de Herengracht en het Singel had de NSBB het zogenaamde Van Gelder-complex gekocht en verbouwd tot Bondsspaarbankcentrum. In dit pand zouden alle centrale instellingen, met uitzondering van de Stichting Spaarpropaganda en het Gezinsbegrotingsinstituut een plaats vinden. Vanaf 1970 zou ook de Bank der Bondsspaarbanken daar zijn standplaats hebben. De bank was een voortzetting van het Coöperatief Beleggingsfonds voor Spaarbanken. In de tweede helft van de jaren zestig had het CBS het Nederlandsch Fondsen- en Administratiekantoor (Nefak) overgenomen. CBS en Nefak werden samengevoegd, waarna de Westdeutsche Landesbank en de Bank Mees & Hope een belang in de aldus ontstane Bank der Bondsspaarbanken namen. De Bank was erkend door de Vereniging voor de Effectenhandel en mocht dus op de Effectenbeurs handelen. ( Archief-Nederlandse Spaarbankbond, inv.nrs. 3280-3284 ) Daarmee werd een lang gekoesterde wens vervuld: spaarbanken konden rechtstreeks op de Effectenbeurs beleggen.
1.8 Debat over organisatievorm
Gedurende de jaren zestig hadden de Bondsspaarbanken veel energie gestoken in de uitbreiding van de dienstverlening, onder andere door ruimere openingstijden en het gebruik van (rijdende) bijkantoren. Om de herkenbaarheid te vergroten was in 1973 een nieuw logo gekozen, namelijk de rode spaarbank-S. Steeds meer spaarbanken kozen het herkenbare woorddeel 'Bondsspaarbank' in de naam. Niet alle banken gingen over tot zo'n naamsverandering: met name de grote spaarbanken, zoals de Spaarbank Rotterdam, de Spaarbank voor de Stad Amsterdam en de Nutsspaarbank Den Haag behielden hun eigen namen.
In 1969 was op voorstel van Bureau Berenschot een nieuwe bestuursstructuur ontworpen, waarbij tussen de Algemene Vergadering en het Bondsbestuur een tweetal nieuwe instituties werd gesticht: de Bondsraad en de Kringen. Op deze wijze hoopte men de invloed van kleinere spaarbanken op het beleid van de Spaarbankbond te waarborgen. De spaarbanken werden onderverdeeld in een aantal Kringen, die periodiek bij elkaar kwamen om de Bondsraad voor te bereiden. De Bondsraad was bedoeld als hoogste beroepsorgaan voor de Spaarbankbond en haar leden. De Bondsraad besprak ook onderwerpen die (nog) niet op de Algemene Vergaderingen konden worden behandeld. De stemverdeling van de Bondsraad was evenredig, terwijl de stemverdeling van de Algemene Vergaderingen gebaseerd was op het obligo van de bank.
Vanaf het begin van de jaren zeventig fuseerden steeds meer spaarbanken. In 1970 was het aantal spaarbanken teruggelopen tot 163 en zou naar verwachting nog verder teruglopen tot rond de 50. Dit fusieproces leek in 1973 met een mogelijke fusie van de NSBB met de gelddiensten van de PTT even te stokken. De nieuwe combinatie zou alle voordelen van de schaalvergroting combineren met een fijnvertakt kantorennetwerk. Binnen de NSBB ontstond een conflict tussen het bestuur en de leden, die bevreesd waren voor een te sterk staatsdirigisme. Op een Algemene Vergadering eind 1973 kreeg het bestuur zelfs het verwijt 'in de boot genomen te zijn door een overheid die tracht een 150 jaar oud stuk typisch particulier initiatief naar zich toe te trekken'. Uiteindelijk besloot het Bondsbestuur de plannen in te trekken.
De concurrentie om de spaargelden was zo hevig geworden, dat de spaarbanken zich gezamenlijk zouden moeten inspannen om hun marktaandeel te behouden. Twee daarvoor in het leven geroepen commissies, de commissie spaarbankprofiel en de structuurcommissie, kwamen met voorstellen die sterk leken op de inrichting van de centrale Rabobank-organisatie. De discussie over deze voorstellen werd echter bemoeilijkt door de positie van de Bank der Bondsspaarbanken. Als Bank en Bond geïntegreerd zouden worden, zou de samenwerking met Bank Mees & Hope ter discussie komen te staan, temeer omdat de effectentransacties via de BdB achterbleven bij de prognoses. Eind 1974 namen de spaarbanken het belang van Bank Mees en Hope over.
Binnen de Bond kwamen een twee organisatievormen tegenover elkaar te staan. Aan de ene kant bepleitte een aantal banken de vorming van één spaarbankbedrijf voor Nederland; daar tegenover stond een aantal banken die de regionaliteit van de bondsspaarbanken benadrukten en dus niet geporteerd waren voor de vorming van een dergelijk bedrijf. De stellingen waren betrokken en de beide stromingen kwamen niet echt nader tot elkaar. Eind 1975 presenteerde het Bondsbestuur een discussienota, waarin zes alternatieven voor een nieuwe structuur werden gepresenteerd. In 1977 werd de structuurdiscussie afgesloten met de aanbeveling om te streven naar regionale samenwerkingsverbanden waarmee het aantal spaarbanken werd beperkt en de verschillen in omvang verkleind.
In maart 1977 presenteerden de directeuren van de Friese Bondsspaarbank en van de Bondsspaarbank Gorinchem de nota 'Sleutel naar de toekomst', waarin zij de oprichting van de Coöperatieve Vereniging van Bondsspaarbanken bepleitten. Leden van de Coöperatie zouden naar buiten toe optreden als één spaarbank en intern zelfstandig blijven. De oprichting van de Coöperatie compliceerde de organisatiestructuur nog verder, evenals de positie van de vakbondsspaarbank Algemene Spaarbank Nederland en de Centrale Volksbank, met al zijn door het land verspreide agentschappen.
1.9 Centralisatie of lokale verbondenheid
In 1981 trad de herziene Wet Toezicht Kredietwezen in werking. De wetgever trok in deze wet de touwtjes nog wat strakker aan. Zo moest iedere spaarbank onder een minstens tweehoofdige leiding gebracht worden. De zogenaamde 'eenmansspaarbanken' werden niet langer getolereerd. De nieuwe wet stelde de verhoudingen binnen de spaarbankwereld verder op scherp. De concurrentie binnen de bankwereld nam sterk toe, mede doordat de Postbank (de verzelfstandigde Postcheque- en Girodienst en de Rijkspostspaarbank) een geduchte concurrent vormde voor de spaarbanken.
Binnen de NSBB was langzamerhand het idee doorgedrongen dat niet zozeer sprake was van een structuurprobleem als wel van een samenwerkingsprobleem: de bereidheid van spaarbanken om samen te werken liep te ver uiteen. Met name met betrekking tot de regionale gebondenheid bestonden veel interne verschillen tussen banken. Via een samenwerkingsstructuur die projectmatig en gefaseerd tot stand moest komen, hoopte men uit de impasse te komen. Aan de spaarbanken die aan deze samenwerkingsstructuur wilden deelnemen, werden wel eisen gesteld ten aanzien van het dienstenpakket en de rentabiliteit, naast de wettelijke verplichtingen die de WTK al stelde. Waar De Nederlandsche Bank aan de ene kant de teugels aantrok, liet ze ze aan de andere kant weer vieren: onder invloed van de marktontwikkeling en van het Europees concurrentiebeleid werd het structuurbeleid verruimd, waardoor de grenzen tussen banken, beleggingsmaatschappijen en verzekeraars vervaagden. Deze beide ontwikkelingen zorgden voor een wederopleving van de fusiekoorts. Eén van de meest spraakmakende fusies vond plaats in 1981 toen de Centrumbank (Amsterdam-Utrecht) met de Spaarbank Rotterdam en de Bondsspaarbank Breda fuseerden. De naam Centrumbank werd in 1983 veranderd in Verenigde Spaarbank (VSB), maar beide namen maken duidelijk dat de nieuwe bank geen territoriale beperkingen kende. Doel van de spaarbank was door schaalvergroting te komen tot een volledige financiële dienstverlening aan particulieren en op termijn te komen tot vormen van zakelijke dienstverlening.
In 1981 vonden nog twee belangrijke fusies plaats: de Gelders-Utrechtse Spaarbank uit Wageningen fuseerde met de Gemeentespaarbank uit Arnhem en de Bondsspaarbank voor Midden- en Oost-Nederland uit Amersfoort fuseerde met de Bondsspaarbank voor Noord-Nederland uit Groningen tot de Bondsspaarbank voor Midden-, Noord- en Oost-Nederland met de vestigingsplaats Amersfoort. De Gelders-Utrechtse Spaarbank fuseerde in 1987 met de Spaarbank Limburg en vormde de Samenwerkende Nederlandse Spaarbanken (SNS).
Medio 1987 werd de bestuursstructuur aan een ingrijpende herziening onderworpen. De Bondsraad en de Kringen werden opgeheven. Het Bondsbestuur werd omgevormd tot een Dagelijks Bestuur, dat maandelijks bijeenkwam. Daarnaast werd het Algemeen Bestuur gevormd, dat één maal per drie maanden bijeenkwam. Naast de traditionele spaarbankdag kwamen er meer mogelijkheden om een Algemene Vergadering te houden.
In 1988 verkreeg de Verenigde Spaarbank het recht om de Visa credit-card exclusief te voeren. Het voornemen van de VSB Bank om zelfstandig televisie-reclame te gaan voeren voor de Visa-card zette de verhoudingen binnen de Nederlandse Spaarbankbond ernstig op scherp. In de ogen van veel leden betekende dit beleid een breuk met het territoriale uitgangspunt van de spaarbankwereld, door zelfstandig reclame te maken zou de VSB immers gaan concurreren met banken die buiten haar eigen invloedssfeer gevestigd waren. In 1989 leidde de controverse ertoe dat de VSB Bank, inmiddels gefuseerd met de verzekeringsmaatschappij Amev, van het lidmaatschap van de Nederlandse Spaarbankbond dreigde te worden ontheven. Met de fusie van de Samenwerkende Nederlandse Spaarbanken, de Spaarbank voor Midden-, Noord- en Oost-Nederland en de Spaarbank voor Centraal en Oostelijk Nederland ontstond een volwaardige tegenhanger van de VSB Bank: de SNS Bank (nieuwe stijl). In de jaren negentig sloten de meeste leden van de Coöperatie zich aan bij de SNS Bank.
1.10 Veranderingen in het controlemechanisme
Op verzoek van de Verenigde Spaarbank en de Nutsspaarbank Den Haag opende de NSBB met De Nederlandsche Bank onderhandelingen inzake de kredietverlening aan bedrijven. De Bank stelde in 1982 voor om een overgangsregime te creëren voor spaarbanken die beschikten over een goede infrastructuur en een verantwoord draagvlak van een balanstotaal van minimaal 1 miljard gulden. Niet alleen op het gebied van kredietverlening, maar ook op het gebied van controle waren veranderingen in de maak. Op 7 december 1984 liet het Minsterie van Financiën weten dat het toezicht aangescherpt werd. Naast de kwartaal- en jaarrapportage door de accountantsdienst van de Nederlandse Spaarbankbond, de voortzetting van de aloude afdeling Controle, moesten de spaarbanken voortaan één maal per jaar een maand- of kwartaalrapportage aanleveren, die was gecertificeerd door een externe accountant.
Tussen Bank en Bond tekende zich een meningsverschil af betreffende de sturing van deze ontwikkeling. De Bank sprak zich uit voor een meer gestructureerd gezamenlijk optreden van de spaarbanken. De Bond onderkende dat de spaarbanken niet een gezamenlijk hoofdkantoor of centrale kenden, maar stelde dat binnen de spaarbankwereld een keuze bestond om zaken zelf ter hand te nemen of gebruik te maken van centrale faciliteiten.
Medio 1988 liet De Nederlandsche Bank weten dat zij het materiële toezicht overhevelde van de Bond naar de Bank. Wel zou de Bond het formele toezicht blijven uitoefenen. In 1990 trok DNB ook het formele toezicht naar zich. ( Archief-Nederlandse Spaarbankbond, inv nr. 1805 )
1.11 Betalingsverkeer
Op één punt realiseerden de spaarbanken zich dat zij niet aan samenwerking ontkwamen: de automatisering die voortkwam uit de giralisering van het geldwezen dwong hen tot gezamenlijke initiatieven. De spaarbank voor de Stad Amsterdam introduceerde als eerste in 1965 een computer waar drie loketmachines on line mee waren verbonden. Eveneens in 1965 vond de oprichting plaats van de Coöperatieve Administratiecentrale voor Spaarbanken. Al in 1970 was 90 procent van de spaarbanken geautomatiseerd en verwerkte de computer 95 procent van de mutaties. De CAS was vooral bedoeld voor spaarbanken die de middelen ontbeerden om zelfstandig computers te exploiteren.
In 1972 werd in Woerden begonnen met de bouw van het Computercentrum Bondsspaarbanken. Het computercentrum verbond alle spaarbanken met elkaar in één netwerk. Mutaties konden nu on-line in real time worden uitgevoerd.
In 1975 werd de Commissie Beleidsaspecten Betalingsverkeer (C.B.A.) opgericht. Deze commissie hield zich bezig met de behandeling van alle zaken die voortkwamen uit de ontwikkeling van het betalingsverkeer. In 1981 concludeerde de werkgroep Betalingsverkeer en Cards van de C.B.A. dat enige grote spaarbanken zich voortdurend moesten afvragen met welke middelen en op welke manier de gezamenlijke spaarbanken hun toch nog bescheiden aandeel in het betalingsverkeer konden verbeteren. Door ontwikkeling van eigen cards, legitimatiebewijzen zonder documenten voor de kaarthouder, zouden de spaarbanken hun positie in het betalingsverkeer kunnen versterken. De voorkeur van de commissie ging daarbij uit naar de introductie van een eigen Visa-card. ( Archief-Nederlandse Spaarbankbond, inv.nr. 3588 ) Zo ver was het echter nog niet. In 1984 concludeerde de interbancaire werkgroep toekomstige samenwerking betalingsverkeer dat aan het door de banken in het leven geroepen en onderhouden binnenlandse betalingsverkeer een openbare nutsfunctie moest worden toegekend. De werkgroep kwam tot de conclusie dat er uit hoofde van technologische en bedrijfseconomische overwegingen behoefte bleef bestaan aan een relatief zware vorm van samenwerking. ( Archief-Nederlandse Spaarbankbond, inv.nr. 3593 ) Op interbancair niveau werd in deze periode in drie projecten samengewerkt. Halverwege de jaren tachtig kwam de Samenwerkingsovereenkomst Geldautomaten tot stand. Banken die waren aangesloten bij de Bankgirocentrale stelden krachtens deze overeenkomst hun geldautomaten open voor geldopnames van cliënten die bij andere banken waren aangesloten. Enkele jaren later, in1987, werd door de Bankgirocentrale het zogenaamde Point-of-Sale-project geïnitieerd. In het kader van dit project werd een betaalautomaat ontwikkeld, die bij benzinestations en winkels kon worden geïnstalleerd. ( Archief-Nederlandse Spaarbankbond, inv.nr. 3601 ) In de periode 1987-1991 participeerden ook de Bondsspaarbanken in de zogenaamde Chipcardproef in Woerden, waarbij publiek en winkeliers een intelligente chipcard-betaalpas uitprobeerden. ( Archief-Nederlandse Spaarbankbond, inv.nrs 3615-3616 ) Ook binnen de spaarbankwereld werden de nodige initiatieven genomen ten aanzien van het betalingsverkeer. In de eerste plaats kwam het accent zwaarder te liggen op elektronisch betalingsverkeer door de geleidelijke beperking van verzilveringsfaciliteiten voor eurocheques en betaalcheques. In de tweede plaats werd de zogenaamde S-card ontwikkeld: een elektronische betaalpas met magneetstrip. ( Archief-Nederlandse Spaarbankbond, inv.nrs 3594-3596 )
Met het oog op de Europese eenwording werd in 1989 in Europees verband de European Savings Banks Financial Services Company (Eufiserv) opgericht. Men hoopte zo te bereiken dat pashouders ook in het buitenland gebruik zouden kunnen maken van de geldautomaten van spaarbanken. Met de aansluiting van deze netwerken op de servers van Europay/Mastercard en Swift waren de Nederlandse spaarbanken begin jaren negentig deel geworden van een omvangrijke infrastructuur met betrekking tot het Nederlands en Europees betalingsverkeer.
1.12 Opheffing
In 1986 werd het Nederlandse structuurbeleid geliberaliseerd, waardoor de schotten tussen bank en verzekeringswezen langzaamaan werden opgeheven. Ook konden spaarbanken door een wijziging in de Wet Toezicht Kredietwezen vanaf 1986 dividend uitkeren aan aandeelhouders. In 1987 schreef de Verenigde Spaarbank als eerste een obligatielening uit op de Amsterdamse kapitaalmarkt. In 1988 introduceerde de VSB Bank een Nederlandse versie van de Visa-card, een card waarmee ze zich behoorlijk kon profileren. In datzelfde jaar startten onderhandelingen tussen de VSB Bank en het verzekeringsconcern Amev. Het kantorennetwerk van de VSB en het net van verzekeringstussenpersonen waarmee de Amev werkte, sloten uitstekend op elkaar aan. Toen de fusie in 1990 haar beslag kreeg, was de kans op één grote geïntegreerde spaarbank vervlogen.
Eind 1991 bestonden er dan ook twee grote spaarbanken, elk met een duidelijke eigen identiteit en met eigen staven. De VSB Bank, inmiddels gefuseerd met de Bondsspaarbank West-Nederland en de Nutsspaarbank Den Haag, had een groot marktaandeel in Noord- en Zuid-Holland, alsmede in grote delen van Noord-Brabant. De SNS Bank had een groot marktaandeel in het noorden en oosten van het land, alsmede in het grootste deel van Noord- en Zuid-Limburg.
De overgebleven spaarbankcombinaties beschikten over uitgebreide stafdiensten die de taken die de NSBB voorheen vervulden, zelf ook wel konden vervullen. In 1991 werd dan ook besloten tot een herstructurering van de taken van de NSBB. De Bank der Bondsspaarbanken werd in 1991 overgenomen door de SNS Bank. In plaats van Algemeen en Dagelijks Bestuur kwam er één bestuur, een directie en een algemene ledenvergadering. Het personeelsbestand werd fors ingekrompen en de advisering inzake economische, juridische, arbeids- en marketingzaken werd beëindigd. Het Opleidingscentrum Bondsspaarbanken werd verzelfstandigd en tenslotte vertrok de Bond uit Amsterdam en vestigde zich te Haarlem.
Gedurende de jaren negentig nam door fusie het ledental nog sterker af. Toen in 2000 de laatst overgebleven spaarbank tot de SNS Bank toetrad, kon ook de NSBB worden opgeheven.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Het archief van de Nederlandse Spaarbankbond werd in 1989 bij het Nederlands Economisch-Historisch Archief gedeponeerd. In december 1999 begon het Gemeentearchief Amsterdam met de bewerking van het archief. In de loop van 2000 werd een grote serie balansrapporten opgeslagen in het NEHA-depot, toegevoegd aan het archief. In 2002 kwam er een aanvulling uit het SNS-archief, en in 2003 droegen de heren J.W. Offerhaus en N. Blom nog enkele meters archiefmateriaal over.
De verwerving van het archief
De rechtstitel is (nog) onbekend
Het archief is voor langere tijd in beheer, niet in eigendom verkregen.
De verwerving van het archief
Het archief is voor langere tijd in beheer, niet in eigendom verkregen.

Inhoud en structuur van het archief

Inhoud
De Nederlandse Spaarbankbond was een branche-organisatie van spaarbanken, die zich bezighield met advisering, bemiddeling en controle. De inhoud van het archief weerspiegelt dat: men vindt op een groot aantal gebieden dossiers die licht werpen op voor de spaarbanken relevante ontwikkelingen. De uitwerking van al deze ontwikkelingen vindt men terug in de archieven van de afzonderlijke banken.
Selectie en vernietiging
Correspondentie met een routinematig karakter werd vernietigd.
Verantwoording van de bewerking
De kern van het archief werd gevormd door grote series correspondentie met plaatselijke spaarbanken en bestuursstukken, aangevuld met werkarchieven van functionarissen van de Nederlandse Spaarbankbond. De correspondentieseries werden tot ongeveer 1975 jaarlijks afgelegd, en daarna zodra een ordner vol was. Bij de bewerking bleven bewaard: correspondentie betreffende balansrapporten (voorzover in de brief inhoudelijk commentaar geleverd werd), correspondentie betreffende fusies, correspondentie betreffende kwesties en correspondentie betreffende bondsonderscheidingen.
Waar nodig werden dossiers gevormd uit de verschillende werkarchieven. Deze werden ontdaan van dubbelen, waarbij stukken met aantekeningen bewaard bleven en toegevoegd aan het dossier. De serie balansrapporten werd ontdubbeld. Bij de aanvang van de bewerking bedroeg de omvang 295 meter; met de aanvullingen bedroeg de totale omvang 350 meter. De omvang na afronding bedraagt 105 meter.

Aanwijzingen voor de gebruiker

Openbaarheidsbeperkingen
Deels openbaar, deels beperkt openbaar (A).
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent geen beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van slechte materiële staat.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
  1. Creëer een account of log in.
  2. Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
  3. Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Nederlandse Spaarbankbond, nummer toegang 2.18.29, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, Spaarbankbond, 2.18.29, inv.nr. ...

Verwant materiaal

Beschikbaarheid van kopieën
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar

Archiefbestanddelen