Bezig met laden van scans...

2.19.160 Inventaris van het archief van de Vereniging van Waterbedrijven in Nederland (VEWIN), (1913) 1952-1995

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Ontstaan

Op 18 november 1952 werd te Amsterdam de Vereniging voor Waterleidingbedrijven (VEWIN) opgericht. Deze vereniging had ten doel "de bevordering van de belangen der openbare drinkwatervoorziening in Nederland in de ruimte zin"
Inventarisnummer 19.
. Zij trachtte dit doel te bereiken door haar leden te vertegenwoordigen bij de Overheid en andere openbare lichamen of personen, door samen te werken met andere nutinstellingen, door vakonderwijs te geven dan wel te ondersteunen en door nationale en internationale contacten te onderhouden op het gebied van de drinkwatervoorziening.
De Vereniging voor Waterleidingbedrijven kwam voort uit de Vakgroep Waterleidingbedrijven, die was ontstaan in 1941 naar aanleiding van een beschikking van Secretaris-Generaal van Handel, Nijverheid en Scheepvaart om een 'zelfstandige organisatie ter ontwikkeling van het bedrijfsleven' op te richten
ir. K.W.H. Leeflang, Ons drinkwater in de stroom van de tijd (Rijswijk 1974) 121.
. Het bedrijfsleven werd ingedeeld in Hoofdgroepen, die op hun beurt waren onderverdeeld in Bedrijfsgroepen en Vakgroepen. Onder de Bedrijfsgroep 'Krachtbedrijven' bevond zich de Vakgroep Waterleidingbedrijven, die alle bedrijven omvatte die deelnamen aan de openbare watervoorziening
Leeflang, Ons drinkwater in de stroom van de tijd, 121.
. In overleg met de Vereniging Waterleidingbelangen Nederland (V.W.N.) nam de Vakgroep de activiteiten op economisch terrein van die vereniging over. De V.W.N. werd tijdens de oorlog door de bezetter opgeheven, en na de oorlog heropgericht. Ondertussen werden de activiteiten van de V.W.N. in het geheim ondergebracht in een commissie van de Vakgroep.
Na de oprichting van het Keuringsinstituut voor Waterleidingartikelen (KIWA) door de Vakgroep en na de heroprichting van de V.W.N., werd het tijd de door de bezetter opgerichte Vakgroep op te heffen. Eind 1952 zette de Vereniging voor Waterleidingbedrijven de taken van de Vakgroep, die op 1 december 1953 werd opgeheven, voort. In het oprichtingsjaar van de VEWIN waren er in totaal 198 waterleidingbedrijven in Nederland, waarvan er 177 lid waren van de Vereniging. Hieronder bevonden zich 141 gemeentebedrijven.
De Vereniging had in 1952 een voorlopig karakter, omdat enkele grote gemeenten eisten dat statutair werd vastgelegd hoeveel zetels in het bestuur door beleidspersonen zouden worden bezet
Leeflang, Ons drinkwater, 138.
.

Organisatie

Als lid van de vereniging konden zich aanmelden alle publiekrechtelijke en privaatrechtelijke lichamen die een openbaar waterleidingbedrijf exploiteerden.
Het bestuur werd gevormd door een voorzitter met tenminste 8 en ten hoogste 14 andere leden, te kiezen uit de algemene vergadering. Voor alle bestuursleden gold de eis, dat zij de bevoegdheid moesten hebben om het waterleidingbedrijf waarbij zij waren betrokken in de vereniging te vertegenwoordigen.
Het bestuur vergaderde zo dikwijls als de voorzitter nodig vond, dan wel wanneer tenminste drie bestuursleden de wens daartoe kenbaar maakten bij de secretaris. De ledenvergaderingen werden gehouden zo vaak als het bestuur nodig achtte, dan wel wanneer tenminste een tiende deel van de leden een schriftelijk verzoek hiertoe indiende bij het bestuur.
De inkomsten van de vereniging bestonden uit de algemene jaarlijkse bijdrage van de leden, dan wel uit bijdragen voor bijzondere doeleinden, vergoedingen voor bewezen diensten en overige baten.
Al in 1954 werden zowel de naam als de statuten gewijzigd
Gedeputeerde Staten, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit d.d. 7 april 1954.
. Deze wijziging kwam niet onverwacht. Al tijdens de oprichtingsvergadering was mededeling gedaan van het overleg, dat over wijziging van de statuten werd gepleegd met een Commissie die door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de vier grootste gemeenten was ingesteld. Deze commissie moest bevorderen, dat in de statuten van de Verenigingen voor gas,- elektriciteit,- en waterbedrijven zodanige wijzigingen zouden worden aangebracht, dat daarin het bestuurlijke element, d.w.z. de invloed van de besturen der lichamen welke deze bedrijven exploiteren, tot uitdrukking zou komen
Inventarisnummer 19, Toelichting op het ontwerp van de Statuten.
. Het bestuur bestond uit een voorzitter, een eerste vice-voorzitter, een tweede vice-voorzitter en 8 andere leden. De naam werd veranderd in Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland.
Tevens werd in deze statuten bepaald, dat er een College voor Bedrijfsdirecteuren (CBD) zou worden ingesteld, dat een adviserende taak zou hebben ten opzichte van het bestuur. Dit College van Bedrijfsdirecteuren werd door de ledenvergadering gekozen uit de directeuren of waarnemend directeuren van de waterbedrijven. Hierbij werd bepaald, dat niet twee of meer leden (waarnemend) directeur van hetzelfde waterbedrijf mochten zijn.
In artikel 13 van dezelfde statuten werd tevens de mogelijkheid geschapen, permanente dan wel tijdelijke adviescommissies in te stellen. Hieronder waren bijvoorbeeld de Commissie Voorlichting, de Commissie (Leermiddelen) Vakopleiding en de Commissie voor de Tarieven.
Minder ingrijpende wijzigingen op de statuten vonden plaats in 1958, 1962, 1966, 1970, 1975 en 1979.
In 1958 werd als doelstelling van de vereniging genoemd (...)"de bevordering van een gezonde ontwikkeling van de openbare watervoorziening voor Nederland, onder andere met betrekking tot de uitvoering van de Waterleidingwet" (...). Tevens presenteerde men in 1958 voor het eerst een Reglement op de Commissies.
Conform het in de bestuursvergadering van 21 juni 1956 genomen besluit werd de samenstelling van het bestuur statutair gewijzigd. Het bestuur bestond uit zeven 'beleidspersonen', en vijf bedrijfsdirecteuren. Twee bestuursleden waren aan te wijzen uit de kring van de V.W.N.
Tevens werd in artikel 12 gestalte gegeven aan de wens nauwer samen te werken met de V.W.N. door in het College van Bedrijfsdirecteuren twee bestuursleden van de V.W.N. zitting te laten nemen.
In 1962 werd de verruiming van de herkiesbaarheid van bestuursleden in de statuten vastgelegd. Zo werden bestuursleden die voorgedragen waren voor een lidmaatschap van een voor de vereniging belangrijk college, in de gelegenheid gesteld na de zittingsperiode van vijf jaar eenmaal direct herkiesbaar te zijn in het bestuur. Hierdoor zou het aldus met het desbetreffende college opgebouwde contact niet meer snel verloren gaan. Tevens zou het de continuïteit binnen het bestuur bevorderen. Deze maatregel gold ook voor de leden van het College van Bedrijfsdirecteuren.

Activiteiten

In 1953 vervulde de VEWIN direct al een centrale rol in de herstelwerkzaamheden van de watersnoodramp
In archief nauwelijks neerslag hiervan te vinden.
. Het secretariaat van de VEWIN, dat werd bemand door zeven personen, diende toen als centrum voor onderlinge hulp van de waterleidingbedrijven.
De VEWIN hield zich in haar eerste jaren onder meer bezig met het effect van woningbouw op het waterverbruik, bemoeienis met het indienen van de Waterleidingwet (1955), regelgeving op het gebied van grondwateronttrekking (Grondwaterwet Waterleidingbedrijven 1954 e.v.), Zoutbelasting op de Rijn (v.a. 1955), en het ontwerp van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (1956). Ook stonden de verbetering van de collectieve samenwerking tussen andere organisaties op het gebied van water en het stijgende waterverbruik op de agenda van de VEWIN
Publicatie Het VEWIN-bureau door de jaren heen, (Rijswijk 1994), 10.
.

Afbakening werksferen

In de eerste jaren van het bestaan van de VEWIN werd met andere organisaties in de waterleidingwereld gesproken over afbakening van de werkterreinen. Met het KIWA N.V. en de V.W.N. werd overleg gepleegd over de onderlinge verhoudingen. In het verslag van het overleg stond: "de vereniging der bedrijven is het aangewezen orgaan voor centrale behandeling van juridische, sociale en bedrijfseconomische aangelegenheden en belangen der bedrijven respectievelijk de behandeling van al die kwesties welke verband houden met de bijzondere verhoudingen tussen de centrale overheid en de waterleidingbedrijven"
Inventarisnummer 50.
.
De V.W.N., die in 1899 al was opgericht, was veeleer een vereniging gericht op het onderlinge contact tussen personen met verantwoordelijkheid binnen de watersector, dus ook voor mensen buiten de waterbedrijven. Het streven van de V.W.N. was een "centrum van studie en gedachtewisseling"
Inventarisnummer 50.
voor beoefenaars van wetenschap of geïnteresseerden in de waterwereld te zijn. Om niet in het vaarwater van de V.W.N. te komen, werd het de VEWIN verboden excursies organiseren of andere activiteiten ontplooien die afbreuk zouden kunnen doen aan de doelstelling van de V.W.N.
In 1956 organiseerde de VEWIN een bijeenkomst voor het College van Commissarissen van het KIWA N.V., de directeur van het KIWA N.V., en het bestuur van de V.W.N. De nota 'Richtlijnen voor reorganisatie', opgesteld door de VEWIN, stond op deze bijeenkomst ter discussie. De richtlijnen konden in grote lijnen de goedkeuring van de aanwezigen wegdragen.
Het document handelde zowel over interne zaken betreffende de VEWIN, als over de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende organisaties. Het opende met het uitspreken van het besef dat een meer efficiënte organisatie van de waterleidingwereld noodzakelijk was. Het Bestuur van de VEWIN zou moeten bestaan uit technische én bestuurlijke leiders. Men had als doelstelling: 'De VEWIN bevordert de gezonde ontwikkeling van de openbare watervoorziening van Nederland, onder andere met betrekking tot de uitvoering van de Waterleidingwet. Met inachtneming van deze doelstellingen behartigt het bestuur de belangen van de individuele leden, zolang en voor zover deze in overeenstemming zijn te brengen met de in aanhef beoogde gezonde ontwikkeling'. Onder de taken van de VEWIN rekende men onder meer inspraak in wetsontwerpen ten aanzien van watervoorziening, de behandeling van algemene vraagstukken op het gebied van bijvoorbeeld tarieven en leveringsvoorwaarden, het verzorgen van een vakopleiding, het handhaven van een regeling voor erkende waterfitters, het verzorgen van statistieken, het verstrekken van voorlichting aan de leden en het steunen van instellingen en onderzoek op het gebied van watervoorziening.
Halverwege de jaren vijftig werden ook de eerste ideeën geboren voor een gezamenlijke huisvesting van de KIWA N.V., de V.W.N. en de VEWIN.

Samenwerking

In het jaar 1962 rees de vraag of een nadere samenwerking tussen de VEWIN, de V.W.N. en het KIWA N.V. mogelijk en wenselijk was. Men opperde het idee om de secretariaten van deze organisaties te bundelen, hetgeen werd onderzocht door een commissie van de VEWIN
Inventarisnummer 51.
. Zij kwam tot de slotsom dat een nauwere samenwerking een positief effect zou hebben op de drie organisaties. De meest zwaarwegende conclusie in dit verband was dat een "combinatie van de drie genoemde functies zal leiden tot een betere coördinatie van de bij de drie betrokken instellingen levende gedachten"
Inventarisnummer 51.
. Overige argumenten waren een meer efficiënte organisatie van het personeelsapparaat en de mogelijkheid tot gecombineerde huisvesting, een wens die de betrokken instellingen al langer koesterden.
Het oorspronkelijke idee om het bestuur van de VEWIN gelijk te stellen met het College van Commissarissen van het KIWA N.V. vond geen doorgang. De bezwaren van de kant van de KIWA N.V. betreffende de afhankelijkheid van de organisatie waren te groot. Na verschillende nota's over de samenwerking, werd naar aanleiding van een gezamenlijk overleg tussen de betrokken partijen de 'Nota betreffende de concentratie van het bestuur van de VEWIN en het college van Commissarissen van de N.V. Kiwa' opgesteld.
Er werd besloten de directeur van de KIWA tevens de secretaris van de het bureau van de VEWIN te maken. De secretariaten van de VEWIN en de KIWA zouden tevens nauw gaan samenwerking in het nieuwe onderkomen van de KIWA N.V. in Rijswijk, dat in 1964 door beide instellingen werd betrokken.
Inventarisnummer 51.
Ook werden de zittingsperioden van de bestuurscolleges van de betreffende organisaties beter op elkaar afgestemd. Voor de VEWIN hield dit in dat de zittingsperiode voor het bestuur van vijf in vier jaar gewijzigd werd, met de mogelijkheid tot eenmalige herverkiezing. In 1966 werd dit statutair vastgelegd.

Voorlichting

In het midden van de jaren zestig werd voorlichting een steeds belangrijkere taak voor de VEWIN. Naast de oprichting van de Commissie Voorlichting Waterbedrijven werd in 1965 een functionaris in het bestuur aangesteld die het onderwerp voorlichting onder zijn hoede zou krijgen.
Onder de activiteiten op voorlichtingsgebied vielen bijvoorbeeld de deelname aan de publicatie 'Water'. Ook aan het consumentenblad 'Comfort in Huis', een gezamenlijke uitgaven van de waterleiding- en gasbedrijven, verleende de VEWIN haar medewerking. In 1967 nam de VEWIN niet langer deel aan de publicatie 'Water'. Op gezamenlijk initiatief van de VEWIN, de V.W.N., de NVA en het KIWA N.V. werd er een nieuw blad opgericht onder redactie van de voorlichtingsfunctionaris, H2O
Publicatie Het VEWIN-bureau door de jaren heen, 19-20.
. Vanaf 1968 verscheen daarnaast tevens de knipselkracht 'Water in de pers'.

Milieu

De zorg voor de drinkwaterbronnen en het tegengaan van verloedering van die bronnen was een onderwerp dat steeds meer in de belangstelling van de VEWIN kwam te staan aan het begin van de jaren zeventig. De roep om vastlegging van betere wettelijke bepalingen ten aanzien van waterbeheer werd steeds groter.

Planning

Met het oog op de toekomst werd in 1975 het Centraal Plancollege ingesteld. In het voorafgaande jaar werd de wens uitgesproken voor een 'centraal gecoördineerde planning van de toekomstige openbare watervoorziening en voor een centrale behartiging van de belangen van de bedrijfstak als geheel, bij het beheer en de winning van grond- en oppervlaktewater'
Inventarisnummer 23.
. Het bestuur stelde daartoe voor regionale werkgroepen en een Centraal Plancollege op te richten. Evenals het CBD zouden de leden van dat Plancollege bestaan uit directeuren en gekozen worden door de leden. De voorzitter van het Plancollege zou tevens in het Bestuur zitting nemen.
In de statutenwijziging van 1975 werd de oprichting van het Centraal Plancollege en de Regionale Werkgroepen bekrachtigd. De doelstelling van de vereniging werd uitgebreid. De vereniging stelde zichzelf ten doel: 'I. De bevordering van een gezonde ontwikkeling van de openbare watervoorziening van Nederland, onder andere met betrekking tot a) de wetgeving op het gebied van of verband houdende met de openbare watervoorziening, b) de totstandkoming en herziening van structuurschema's betrekking hebbend op de openbare watervoorziening, c) de opstelling van meerjarenplannen, als bedoeld in de sub b genoemde structuurschema's. II. De behartiging van de belangen van de individuele leden zolang en voor zover deze in overeenstemming zijn te brengen met de sub I bedoelde gezonde ontwikkeling'.
Het Centraal Plancollege bestond uit een voorzitter, een vice-voorzitter en 10 andere leden en had de bevoegdheid om commissies in te stellen. De voornaamste taak van het Plancollege was het bestuur te adviseren over de onder sub b) en c) van de doelstelling bedoelde activiteiten.
De Regionale Werkgroepen hadden tot taak door middel van studie en onderzoek en met steun van het planbureau tot planvorming te komen. Regelmatig werd er overleg gevoerd tussen de verschillende Regionale Werkgroepen. Het Centraal Plancollege beoordeelde de regionale plannen en voegde ze samen tot een 10-jarenplan. Het plan werd na goedkeuring door het bestuur en de algemene ledenvergadering voorgelegd aan de Minister.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Het historisch archief was ondergebracht in de kelder van het KIWA-gebouw te Rijswijk. Het was in hangmappen geborgen in dossierkasten. In de voorgaande jaren was het archief alreeds geselecteerd op vernietiging.

De verwerving van het archief

Het archief is door schenking verworven.