Aanvragen Wet buitengewoon pensioen 1940-1945
Het merendeel van de dossiers is opgebouwd in het kader van een aanvraag op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945. Tot 1995 werd er dan zowel door het Districtskantoor als door het Hoofdkantoor een dossier aangelegd. Deze dossiers bevatten op belangrijke punten dezelfde informatie, maar kunnen wel degelijk complementaire stukken bevatten.
Indien er een sociaal dossiernummer (is altijd een dossier van het hoofdkantoor) is toegekend, is er in ieder geval een aanvraag op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 gedaan.
De aanvraagprocedure
De eerste aanvraag
Een eenvoudig briefje naar de beslissende instantie, de Buitengewone Pensioenraad (later: de Pensioen- en Uitkeringsraad, Raadskamer Wetten buitengewoon pensioen) was voldoende om een aanvraag op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 in te dienen.
Men ontving een aantal formulieren. Daarop konden bijvoorbeeld de verzetsactiviteiten, de gezondheidsklachten en het arbeidsverleden worden vermeld en een opgave van de inkomsten worden gegeven.
Bij de eigen opgave van het verzet ging het er om dat een duidelijk beeld werd verstrekt van het verzet en van de aard en omvang daarvan. Ook was belangrijk dat daarin namen werden genoemd van personen die het verzet uit eigen waarneming zouden kunnen bevestigen.
Op grond van de eigen verklaring werd door Stichting 1940-1945 een onderzoek ingesteld.
In het kader hiervan werden veelvuldig instanties als het informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis, het Ministerie van Justitie, het NIOD, gemeentelijke archieven en andere instanties aangeschreven.
Daarnaast werd de aanvrager zelf gehoord en werd getracht de door hem genoemde referenten te achterhalen en te benaderen en werd desgewenst literatuuronderzoek verricht. Alle verkregen informatie werd samengebracht in het zogenoemde ‘verzetsrapport’. Dat rapport werd aanvankelijk bekeken door een van de vijf door hoofdbestuursleden bemande commissies die samen het hele land bestreken. Vanaf 1948 bestond de mogelijkheid om tegen de beslissing van die commissie in beroep te gaan bij de Beroepscommissie.
Begin jaren ’50 werden die commissies vervangen door een Centrale Hoofdbestuurscommissie (CHBC), vanaf de jaren ’90 Centrale Bestuurscommissie (CBC) geheten. Deze commissie kreeg het verzetsrapport, voorzien van het advies van het Districtsbestuur over verzet en waardigheid, onder
zich en adviseerde de Buitengewone Pensioenraad (BPR)/ Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR) over het verzet en de waardigheid.
De CHBC voelde vanaf de jaren ’70 de behoefte om commentatoren in te schakelen die een preadvies gaven aan de CHBC, waarbij zij ingingen op de jurisprudentie en de volledigheid van het uitgevoerde onderzoek.
Vanaf 1995 werd de verzetsrapportage centraal vanuit het hoofdkantoor verzorgd. Hoewel de eerste jaren de regionale verzetscommissies nog de mogelijkheid werd geboden te reageren, werd ook het beoordelen van de verzetsrapportages al gauw een centrale aangelegenheid.
De procedure van de eerste aanvraag werd afgesloten met de beslissing van de BPR.
Gegevens over de procedure van de eerste aanvraag zijn in het algemeen opgenomen achter in het dossier. De omvang varieert sterk en is onder meer afhankelijk van de aanvraagdatum en complexiteit van de zaak. In de beginjaren trad het principe van ‘ons kent ons’ op de voorgrond, terwijl in latere decennia vaak een uitgebreid onderzoek nodig was. Soms behelst het verzetsrapport één A4-tje -in de beginjaren zelfs een half A4-tje-, terwijl het in andere gevallen tientallen bladzijden telt.
Bezwaar en beroep
Was men het niet eens met de beslissing van de BPR / PUR dan kon men in bezwaar gaan bij diezelfde instantie. In dat geval volgde een integrale toetsing en werd vaak een nader onderzoek ingesteld. Het bezwaar kon zich richten tegen de beoordeling inzake de verzetsdeelneming, maar ook tegen andere aspecten van de beslissing, zoals de vastgestelde pensioengrondslag of het vastgestelde invaliditeitspercentage.
Tegen de beslissing op bezwaar kon men ook nog beroep aantekenen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht. Dit rechterlijk college toetste de beslissingen van de BPR / PUR marginaal.
Gegevens over de bezwaar- en beroepsfase vindt men bovenop die van de eerste aanvraag. Deze zijn in veel gevallen echter niet volledig. Medische gegevens zijn niet in het archief opgenomen, terwijl zeker niet alle financiële gegevens in het dossier zijn opgenomen. Ook is het beroepsdossier vaak niet in het persoonsdossier opgenomen.
Verzoek om herziening
Indien nadere gegevens over de verzetsdeelneming bekend werden, of bijvoorbeeld de verzetsgerelateerde klachten verergerden, was het mogelijk om een verzoek om herziening in te dienen. Ook van de beslissing op dit verzoek kon men weer in bezwaar en beroep gaan.
Gegevens over het verzoek (en de eventuele verdere procedure) vindt men bovenop de in het kader van de eerste aanvraag verzamelde gegevens.
Weduwenaanvraag
Is er na het overlijden van de verzetsdeelnemer door de weduwe / weduwnaar een aanvraag voor een buitengewoon weduwen- en of wezenpensioen ingediend, dan zijn de stukken hiervan op het dossier gevoegd dat in het kader van de aanvraagprocedure (en eventuele vervolgprocedures) is geproduceerd.
De in het kader van de aanvraagprocedure, verzoek(en) om herziening en weduwenaanvraag opgebouwde stukken, zijn in het algemeen in chronologische volgorde in het dossier opgenomen en worden aangeduid als sociaal dossier. In sommige gevallen is de chronologische volgorde echter niet consequent doorgevoerd, terwijl stukken soms ook in duplo in het dossier zijn opgenomen.
Op welke naam staat het dossier?
Hoofdregel is dat het dossier staat op naam van degene die de hulpvraag of de aanvraag heeft gedaan. Het archief bevat dus in principe geen dossier op naam van personen die in de oorlog zijn omgekomen of – in het algemeen – indien postuum een aanvraag is ingediend.
Mogelijk is wel dat een nabestaande een verzoek om hulp heeft gedaan of dat een nabestaande postuum een aanvraag heeft gedaan op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945. De wet kent naast de mogelijkheid van een eigen aanvraag van de verzetsdeelnemer ook de mogelijkheid van een weduwen-buitengewoon pensioen, een wezen-buitengewoon pensioen en een kostwinners-buitengewoon pensioen. In dat geval wordt dus niet de naam van de verzetsdeelnemer zelf op het dossier vermeld, maar draagt het dossier de naam van de weduwe, weduwnaar, wezen of ouders.
Dit maakt het zoeken soms moeilijk indien men niet geheel op de hoogte is van de familieomstandigheden.
Zo kan:
- een weduwe onder de eigen naam worden vermeld, onder de gehuwde naam (eerste huwelijk), maar is het ook mogelijk dat zij is hertrouwd en dat zij is te vinden onder die naam;
- een kind zijn vermeld onder de eigen naam, onder ‘kinderen…..’ of onder de naam van de voogd van het kind;
- het kostwinnersdossier op naam staan van vader of van moeder (terwijl zich hier ook weer de mogelijkheid kan voordoen dat de moeder hertrouwd kan zijn).
Met betrekking tot aanvragen in het kader van de Wet buitengewoon pensioen is er in de meeste gevallen zowel een sociaal dossier (hoofdkantoor) als een districtskantoor dossier.
Andere aanvragen
Naast persoonsdossiers die op grond van Wet buitengewoon pensioen zijn gevormd, bevat dit archief persoonsdossiers die in verband met een ander verzoek om hulp werden ingediend.
Stichting 1940-1945 begon direct na de bevrijding met de feitelijke hulpverlening aan verzetsdeelnemers die materiële of immateriële hulp nodig hadden en aan gezinnen van overleden verzetsdeelnemers. De Stichting kreeg heel diverse hulpvragen: van verzoeken om kleding, beddengoed of een fiets, tot verzoeken om te bemiddelen bij het vinden van werk of het afgeven van een zogenoemde emigratieverklaring indien men het voornemen had om te emigreren.
Deze persoonsdossiers zijn in het algemeen terug te vinden in de archieven van de verschillende districtskantoren, en zijn veelal van beperkte omvang. Indien -later- een aanvraag op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 werd gedaan, werden deze stukken in het algemeen opgenomen in het zogenoemde ‘sociaal dossier’.
Wanneer er alleen een districtskantoor dossier aanwezig is, heeft de betrokkene een andere vorm van hulp ontvangen. Hij/zij heeft geen aanvraag Wpb ingediend.