2.19.337 Inventaris van het archief van Stichting 1940-1945: District Noord-Holland

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Zoekhulpen bij dit archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Op 13 oktober 1944 werd de oprichtingsakte van Stichting 1940-1944 ondertekend door 6 personen van verzetsorganisaties die het hele spectrum van het verzet tegen de Duitse bezetter vertegenwoordigden. Het doel van Stichting 1940-1944 (later: 1940-1945) was om te zorgen voor verzetsdeelnemers die invalide waren geworden en voor gezinnen van ten gevolge van het verzet overleden verzetsdeelnemers.Stichting 1940-1945 begon direct na de bevrijding met de feitelijke hulpverlening aan verzetsdeelnemers die materiële of immateriële hulp nodig hadden en de gezinnen van de overledenen. De Stichting kreeg heel diverse hulpvragen: van verzoeken om kleding of een fiets, financiële hulp voor het afronden van een opleiding, bemiddeling bij een medische behandeling, hulp bij opname in een herstellingsoord, een voorschot op het misgelopen salaris tot een verzoek om te bemiddelen bij het vinden van werk. Ook bood men vaak een luisterend oor.Stichting 1940-1945 zag het als haar belangrijkste taak om te zorgen dat de invalide verzetsdeelnemers en nabestaanden van omgekomen verzetsmensen konden blijven leven op dezelfde voet als men altijd had gedaan. Dit in de vorm van een periodieke betaling. Spoedig werden overal in het land lokale en regionale afdelingen van Stichting 1940-1945 opgericht. Naast het hoofdkantoor kreeg de Stichting in de eerste maanden de beschikking over een vijftiental districtskantoren met eigen directeuren.
Als een verzoek voor hulp werd ingediend, werd een persoonsdossier aangelegd. In 1947 kwam de Wet buitengewoon pensioen tot stand. In het kader van die wet werd aan Stichting 1940-1945 een belangrijke taak toegekend. Het onderzoeken van het verzet en de waardigheid van de aanvrager, het adviseren van de beslissende instantie (de Buitengewone Pensioenraad, en later de Pensioen- en Uitkeringsraad), alsmede het uitbetalen van het buitengewoon pensioen indien dit werd toegekend. Het grootste deel van de persoonsdossiers is aangelegd in het kader van een aanvraag die invalide verzetsdeelnemers en hun direct nabestaanden konden doen op grond van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945. Men had recht op een buitengewoon pensioen indien men invalide was geworden en het inkomen dientengevolge een knik te zien gaf. Echtgenoot/echtgenote en minderjarige kinderen van de verzetsdeelnemer/verzetsdeelneemster of ouders van de verzetsdeelnemer/verzetsdeelneemster konden vaak een weduwen-, weduwnaars-, wezen-, of kostwinnerspensioen ontvangen indien de verzetsdeelnemer was overleden ten gevolge van het verzet of indien de buitengewoon pensioengerechtigde overleed.
Het grootste gedeelte van de persoonsdossiers is aangelegd in het kader van een aanvraag Wet buitengewoon pensioen. Die dossiers bevatten de weerslag van het onderzoek naar verzetsdaden, de toen geldende situatie van de aanvrager, correspondentie tussen verschillende instanties en financiële stukken. Vanaf 1978 kunnen kinderen van verzetsdeelnemers en andere categorieën van personen, zoals genoemd in het Koninklijk Besluit van 8 juli 1978 (Staatsblad 1978, 422), die ten gevolge van het verzet ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt en in verband daarmee psychische problemen hebben gekregen, een aanvraag indienen. Een veel kleiner deel van de dossiers (uit de eerste jaren na de bezetting) is aangelegd na een individueel verzoek van de verzetsdeelnemer of nabestaande om een (eenmalige) financiële tegemoetkoming. Voor deze hulpvragen was Stichting 1940-1945 in eerste instantie opgericht.Inhoudelijk kunnen de persoonsdossiers erg van elkaar verschillen. Van een velletje met een verzoek om materiele ondersteuning uit de jaren ‘40, tot dikke pakken met getuigenissen over het verzetswerk, psychologische rapporten over diverse gezinsleden en rapporten van gezinsmaatschappelijk werk.
‘Deelnemers aan het verzet’ werd in de wet beschreven als: ‘zij die tijdens de vijandelijke bezetting van het Rijk in Europa door daad of houding hebben deelgenomen aan het binnenlands verzet, met inbegrip van hen, die deel uitmaakten van de Binnenlandse Strijdkrachten en daadwerkelijk hebben deelgenomen aan de strijd tegen de vijandelijke bezettende macht van het Rijk in Europa’.Ook na de inwerkingtreding van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 bleef Stichting 1940-1945 uit eigen middelen bepaalde voorzieningen verzorgen. Naast een suppletieregeling op het buitengewoon pensioen en financiën voor levensonderhoud, verstrekte de Stichting ook leningen en uitkeringen voor studie of uitkering en incidentele leningen of tegemoetkomingen in hoge kosten waarvoor verzetsdeelnemers zich geplaatst zagen. Enkele categorieën van personen die niet onder het begrip verzetsdeelnemer in de zin van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945 gebracht konden worden, konden vanaf 1952 op gelijke voet als de verzetsdeelnemers een uitkering krijgen via de ACBU-regeling (Adviescommissie Bijzondere Uitkeringen). Het betrof met name represailleslachtoffers, gijzelaars, Engelandvaarders, mensen die verzet hadden gepleegd in het buitenland, zij die in verband met het verzet van derden lichamelijk letsel hadden bekomen en zij die reeds voor de bezetting anti-nationaalsocialistische activiteiten hadden verricht vanuit Nederland en op grond daarvan vrijheidsberoving hebben ondergaan, zijn mishandeld of ter dood gebracht.
Deze regeling werd later in de wet opgenomen: artikel 1, tweede lid, der Wet jo. Koninklijk Besluit van 8 juli 1978, Staatsblad 1978, 422. Hierdoor kregen de genoemde categorieën een gewaarborgd recht en werden zij nader omschreven, terwijl ook een zogenoemde antihardheidsclausule werd opgenomen. De bekendste groep van personen die onder deze clausule werd gebracht, zijn de kinderen van verzetsdeelnemers die ten gevolge van het verzet ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt en in verband daarmee psychische problemen hebben gekregen. (Tot 2 juni 1993 was voor het toepassen van de antihardheidsclausule door de Buitengewone Pensioenraad / Pensioen- en Uitkeringsraad wel de instemming van de minister van WVC vereist.)Stichting 1940-1945 heeft overigens ook rapportages opgesteld in het kader van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 en de Wet uitkeringen burger-oorlogsgetroffenen. Deze dossiers zijn niet in dit persoonsarchief opgenomen, aangezien deze rapportages integraal zijn opgenomen in het persoonsarchief dat door de Pensioen- en Uitkeringsraad zal worden (of: is) overgedragen.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Door de tijd heen hebben er binnen de stichting organisatorische ontwikkelingen plaatsgevonden die van invloed zijn geweest op het archiefbeheer. De stichting begon klein en breidde uit nadat de stichting de taak kreeg om uitvoering te geven aan het uitkeren van het bijzonder pensioen. Regionale districtskantoren ontstonden en zijn ook weer afgebouwd. Daardoor zijn er (afgesloten) dossiers, die ontstaan zijn bij een districtskantoor later overgebracht naar het hoofdkantoor en terechtgekomen in één van de vier archieven daar (Sociaal Oud, Sociaal Lopend, Algemeen Lopend of in de serie Registratiedossiers). In 2018 zijn alle archieven met persoonsdossiers overgebracht naar het Nationaal Archief en zijn alle dossiers omgepakt in zuurvrije omslagen. Toen is ook een bestandsopname gemaakt van alle aanwezige dossiers. Het resultaat is de Nadere Toegang die één toegang vormt tot alle persoonsdossiers in alle archiefbestanden. Na bewerking in 2022 zijn de archieven formeel overdragen aan het Nationaal Archief.

De verwerving van het archief

Het archief is door schenking verworven.