2.20.26 Inventaris van het archief van het Nationaal Nieuw-Guinea Comité, (1928) 1949-1962 (1963)

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Oprichting

De Stichting "Het Nationaal Nieuw-Guinea Comité" werd op 22 december 1949 opgericht bij akte verleden voor F.M. Stael, notaris te 's-Gravenhage
Hiervoor en voor het hierna volgende zie inv.nrs. 48-50.
. De doelstelling van het Comité werd in de statuten aldus omschreven: "het verzamelen en bestuderen van gegevens benevens het verspreiden van kennis omtrent Nieuw-Guinea, inzonderheid Nederlands Nieuw-Guinea, zowel op cultureel als op economisch en hygiënisch gebied, alsmede het bevorderen van gemeenschappelijke belangen van Nederland en Nieuw-Guinea". In overeenstemming hiermee zag het Comité het geven van voorlichting in de ruimste zin des woords als haar eerste taak. Naar aanleiding van verzoeken om hulp uit Manokwari besloot zij echter al spoedig om daarnaast ook hulp te bieden aan de noodlijdenden op Nieuw-Guinea, zowel aan de daar inmiddels gevestigde kolonisten als aan de autochtonen.
Toen in 1957 tengevolge van het in werking treden van de wet op de stichtingen wijziging van de statuten noodzakelijk werd, breidde het Comité de omschrijving van haar doelstelling uit met de volgende zinsnede: "... het verlenen van materiële en morele steun op sociaal en cultureel gebied aan de inwoners van Nederlands Nieuw-Guinea ...". Een van haar eerste activiteiten in deze richting was in 1950 het plan tot de oprichting van de z.g. adoptiecomités in de verschillende steden in Nederland, welke steun zouden verlenen aan plaatsen op Nieuw-Guinea.

Verwezenlijking van de doelstellingen

Gedurende 1951 en het grootste deel van 1952 bood Nederland echter zeker niet het gunstige klimaat om de verwezenlijking van de doelstellingen der Stichting te bevorderen. De tussen de regeringen van Nederland en Indonesië gevoerde besprekingen over de status van Nieuw-Guinea, de onzekerheid over een blijvende Nederlandse souvereiniteit over dat gebiedsdeel, het bij buitenstaanders niet geheel duidelijke standpunt van enkele politieke partijen over dit vraagstuk, leidden tot een periode, waarin regering en volksvertegenwoordiging zich onthielden van een duidelijke uitspraak. Het is begrijpelijk dat handel en industrie onder die omstandigheden een afwachtende houding aannamen, terwijl de toch al zo geringe publieke belangstelling voor Nieuw-Guinea merkbaar afnam. Hierbij kwam dat de veelvuldig in de pers circulerende berichten omtrent op Nieuw-Guinea heersende misstanden ernstige twijfel deden rijzen bij het grote publiek aan de bekwaamheid van Nederland zijn taak te kunnen volvoeren. Al deze factoren veroorzaakten een terugslag op de morele en financiële steun, welke de Stichting voor de uitvoering van haar werkzaamheden zozeer nodig had. Eerst nadat in oktober 1952 de regering in de memorie van antwoord op de algemene beschouwingen over de rijksbegroting 1953 aan de Tweede Kamer medegedeeld had, dat zij geenszins dacht aan de afstand van Nieuw-Guinea door het koninkrijk of aan de beperking van de Nederlandse souvereiniteit over dat gebiedsdeel, dan wel aan het aanvaarden van een mandaat, kwam hieraan een einde.
Bij het nastreven van haar doel ging de Stichting uit van de grondwettelijke status van Nederlands Nieuw-Guinea als behorende tot het grondgebied van het koninkrijk der Nederlanden. Zij was de mening toegedaan zich daarmee buiten het politieke vlak te plaatsen. Diegenen die zich niet op het standpunt van een blijvende Nederlandse souvereiniteit over Nieuw-Guinea stelden, kenden de Stichting wel degelijk een politieke kleur toe. Dit gaf wel eens conflicten. Zo ging het adoptiecomité Den Haag-Hollandia in 1951 ten gronde omdat enkele leden niet onder de auspiciën van de Stichting wensten te werken en de Stichting bij het aanvaarden van deze mening zich - ten onrechte - een politiek etiket zou hebben opgeplakt en dus besloot het adoptieplan op te schorten tot een gunstiger tijdstip. De door de Stichting in 1951 ingestelde "Transmigratieraad" was vrijwel tot werkeloosheid gedoemd, omdat de regering nog geen stappen nam om de emigratie van Nederlanders naar Nieuw-Guinea te bevorderen.

Reorganisatie

In 1952 werd de Stichting gereorganiseerd. De bestuursleden werden ontlast van administratieve werkzaamheden. Deze werden verder verricht door een stichtingskantoor, dat als centraal punt van de organisatie zou fungeren. Ter bestrijding van de kosten hiervan werd een kleine contributie geheven. Het hoofdbestuur werd uitgebreid met de voorzitters der regionale en plaatselijke besturen. De bevoegdheden en verplichtingen van deze laatste besturen werden slechts in grote lijnen centraal vastgelegd, overigens werd hun de vrijheid gelaten de organisatie van het betrokken arbeidsveld naar eigen inzichten en behoeften te regelen. Alle over het gehele land woonachtige contributie betalende leden zouden in de plaatselijke regionale kringen worden opgenomen. Op deze manier verkreeg de organisatie een meer vertakte structuur en kreeg de Stichting meer dan voorheen een brede basis in het Nederlandse volk. Het onderscheid tussen comitéleden en contributiebetalende leden dat voordien had gegolden viel daarmee weg.
De reorganisatie van de Stichting maakte een herziening van de statuten en het ontwerpen van een huishoudelijk reglement noodzakelijk. In de gewijzigde statuten werd aan de omschrijving van de doelstelling toegevoegd in welke zin de Stichting zich voorstelde het doel te verwezenlijken en wel door:
  1. het doen houden van lezingen in al dan niet openbare vergaderingen,
  2. het uitgeven van periodieke en andere geschriften,
  3. het verlenen van materiële en culturele steun aan de inwoners van Nederlands Nieuw-Guinea,
  4. het bevorderen van de scholing van Nederlanders voor een toekomstige werkkring in Nederlands Nieuw-Guinea,
  5. het bevorderen van onderwijsmogelijkheden in Nederland voor de autochtone bewoners van Nederlands Nieuw-Guinea.

Activiteiten

In de loop van 1953 werd een intensieve propaganda gevoerd om de Stichting bij het Nederlandse volk bekend te maken, leden te werven en financiële steun te verkrijgen. Besprekingen werden gevoerd met de minister voor Uniezaken en Rijksdelen Overzee voor de verkrijging van subsidie. Al deze akties verliepen gunstig mede ten gevolge van de uitspraak van de regering over de status van Nieuw-Guinea in oktober 1952 en de effectieve nieuw organisatievorm met zijn voor propaganda-acties zo noodzakelijke steunpunten op plaatselijk niveau. Over het jaar 1953 werd voor het eerst overheidssubsidie ontvangen.
In september 1953 gaf het Comité het eerste nummer uit van het tijdschrift "Nederlands Nieuw-Guinea". Het reeds geruime tijd bestaande voornemen van het Comité om door het organiseren van lezingen bij de schooljeugd belangstelling te wekken, leidde tot de oprichting van de afzonderlijke Schooldienst, die op 1 september 1955 begon te functioneren. Er werd een beroep gedaan op de schoolbesturen van onderwijsinstellingen om van deze dienst gebruik te maken. Tevens werd in 1955 de kantoorruimte van het Comité een permanente tentoonstelling ingericht van etnografica, die voor een belangrijk deel door het Koninklijk Instituut voor de Tropen voor onbepaalde tijd in bruikleen waren afgestaan
Zie inv.nrs. 82-84.
.
Vanaf 1953 nam ook de steunverlening, "het sociale werk", een hoge vlucht. Het eerste grote project was het verlenen van een bijdrage in de bouwkosten van een kinderzaal in het gouvernementshospitaal te Manokwari. In overleg met de directeur van de Dienst van gezondheidszorg in Nederlands Nieuw-Guinea besloot de stichting in 1956 een actie in te zetten tot het verlenen van steun aan de afdeling leprabestrijding van deze dienst. Als doel werd gekozen de bouw van een ziekenhuisje in een nieuw leprozerie in de buurt van Sorong. Daarna droeg het Comité bij in de bouw van woningen voor een nieuw leprozerie bij Kaimana
Zie inv.nrs. 48, 159-166.
.

Statutenwijziging en naamswijziging

Als gevolg van de in 1957 in werking getreden "wet op de stichtingen" werd een wijziging van de statuten noodzakelijk
Hiervoor en voor het hierna volgende, zie inv.nrs.48, 50-51.
. Deze wijzigingen betroffen in de eerste plaats de organisatievorm. De wet immers stelde nadrukkelijk dat een stichting geen leden kent. Volgens de vigerende statuten was de Stichting ingedeeld in een comité, dat uit een onbepaald aantal leden bestond, en een hoofdbestuur. Alhoewel de comitéleden volgens deze statuten niet de bevoegdheden hadden, die de leden van een vereniging bezitten, werd om misverstanden uit te sluiten in de herziene statuten aan de organisatie de vorm van een stichting gegeven. De indeling in een hoofdbestuur en een comité werd verlaten, maar de mogelijkheid om de behartiging van de belangen der Stichting voor een deel te delegeren aan regionale en plaatselijke besturen bleef behouden. Van deze statutenwijziging werd tevens gebruik gemaakt om een kleine verandering aan te brengen in de naam van de Stichting: de in onbruik geraakte schrijfwijze Nieuw-Guinee Comité werd vervangen door Nieuw-Guinea Comité.

Ontbinding

Toen bekend werd dat Nederland westelijk Nieuw-Guinea aan de Verenigde Naties zou overdragen en het Comité inzag dat voor haar daarmee geen reden van bestaan meer was, ontbond zij zichzelf op 26 september 1962
Zie inv.nr. 52.
.

Geschiedenis van het archiefbeheer

De verwerving van het archief

Het archief is door schenking verworven.
Op 19 december 1962 werd het archief van de Stichting aan het Algemeen Rijksarchief (thans Nationaal Archief) geschonken. In de loop van 1963 werd hierop nog een aanvulling ontvangen.