Geschiedenis van de archiefvormer
Op 2 april 1877 wordt in Utrecht uit het huwelijk van Wouter Cool en Wendelina Elisabeth van Manen een zoon geboren, Wouter genaamd. In 1894 gaat de jonge Wouter studeren aan de Polytechnische school te Delft en wordt hij lid van het Delftsch Studentencorps. De familie Cool is dan al verhuisd naar Den Haag (Balistraat 72) In 1897 wordt hij secretaris van het dispuut G.D.U. (Geef Dronkaards Ulevellen). In 1898 slaagt hij voor het examen van civiel ingenieur.
Zijn eerste funktie is die van ingenieur bij Gemeentewerken te Rotterdam. Op 12 september 1901 trouwt hij daar met Louise Maria Jarma, Uit dit huwelijk zullen twee zoons. Wouter en Hans, geboren worden.
In 1908 wordt hij bevorderd tot adjunkt-direkteur. Zijn arbeidsterrein aldaar strekt zich uit over alles wat een havenstad als Rotterdam in technische zin vereist, zoals kade-, bagger- en spoorwegwerken, havenloodsen, maar ook de oplossing van vraagstukken betreffende grondpolitiek, stadsuitbreiding, stratenaanleg, sociale woningbouw en arbeidsverhoudingen, het stichten van gebouwen voor Openbare Diensten, voor de bedrijven, voor de scholen en het oprichten van fabrieken voor gas, water en elektriciteit.
In 1914 vraagt hij ontslag aan uit deze betrekking, omdat hij door de minister van Koloniën benoemd is tot lid van de commissie Kraus-De Jongh, een commissie van advies ter oplossing van gerezen moeilijkheden bij de uitvoering van de grote havenwerken in Nederlands-Indië, Kort hierop volgt in 1915 zijn benoeming tot Algemeen Adviseur voor het Havenwezen in Nederlandsch-Indië en chef van de gelijknamige afdeling van het departement van Burgerlijke Openbare Werken aldaar. Zijn taak is de reorganisatie van het havenwezen daar, dat nog verre van modern te noemen is. Tevens krijgt hij de hoofdleiding bij het ontwerpen en uitvoeren van alle nieuwe havenwerken in de archipel, zoals de haven van Tandjong-Priok, Soerabaja, Makassar, Belawan-Deli, e.a. In 1920 wordt hij onder dankbetuiging voor de aan den lande bewezen diensten eervol uit 's lands dienst ontslagen. Er worden nog pogingen gedaan hem zover te krijgen dat hij nog langer als Algemeen Adviseur voor het Havenwezen wil werken, maar dit gaat om financiële redenen niet door. Direct na zijn ontslag reist hij met zijn vrouw naar Nederland terug. De reis loopt via Japan en Amerika, waar hij verschillende havens bezoekt
Op 1 april 1921, na inmiddels gescheiden en met Annie van Bijsterveld hertrouwd te zijn, aanvaardt hij de funktie van voorzitter van het Comité van Bestuur der Nederlandsch-Indische Spoorweg-Maatschappij te Semarang. Onder de uiteenlopende arbeid die deze funktie met zich meebrengt, valt de beginnende concurrentiestrijd met het autovervoer. In 1931 wordt hij op eigen verzoek ontslagen.
In 1931 keert hij voorgoed terug naar Nederland en gaat in Den Haag wonen. Hij wordt daar in 1932 algemeen secretaris en vice-president van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs en bovendien hoofdredakteur van het weekblad Be Ingenieur. Deze funkties vervult hij tot kort voor zijn dood op 30 januari 1947 te Den Haag.
Naast bovengenoemde funkties vervult hij nog andere, zoals gedeputeerde voor de provincie Midden-Java, curator van de Polytechnische school te Bandoeng, vice-president van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs in Nederlands-Indië, lid van de Semarangsche Havencommissie, voorzitter van een door de Zuiderzeevereniging gevormde commissie, lid van de technische commissie van de vereniging De Hollandsche Molen en in het bijzonder die van reserve-majoor voor speciale diensten van de Generale Staf en voorzitter van de Algemene Vereniging van Nederlandse Reserve-Officieren. Reserve-majoor is hij al vanaf de oprichting van het reservekader in 1897.
Zijn bekendheid als ingenieur beperkte zich niet slechts tot nationaal niveau. In 1913 werd hij begiftigd met de ordetekenen van Ridder in de Orde van de Kroon van Roemenië. Op congressen vertegenwoordigde hij zoals op het world Engineering Congress in 1929 te Tokyo, herhaaldelijk de Nederlandse en Indische regering. Ook bij de Volkenbond te Genève trad hij op als arbiter.
Literatuur
- Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in Woord en Beeld, Amsterdam, 1938.
- Delftse Studentenalmanakken, 1893-1899.
- Collectie stamboeken van ambtenaren in Indische Gouvernementsdienst, nummer Y 241.
- Collectie stamboeken van officieren van de Landmacht van ná 1813, inventarisnummer 600-16162.
- De Ingenieur, 7 februari 1947, nummer 6.