2.21.045 Inventaris van het archief van de familie Croiset en aanverwante geslachten, (1485) 1694-1961

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

1. Het geslacht Croiset

Een genealogisch overzicht bevindt zich0 in het jaarboek Nederlands Patriciaat, jrg. 22 (1935-1936), pag. 30-37. Nadere genealogische gegevens bevinden zich in de inventarisnummers 170 en 173.
Het hugenotengeslacht Croiset stamt af van Pierre Croiset, een handelaar in Lisi sur Ourq, nabij Parijs, die wellicht (doch niet aantoonbaar) verwant is met het adellijke geslacht Croiset in Franrijk. Zijn nakomelingen vestigden zich hoofdzakelijk in Sedan, enkelen vertrokken later naar Nederland. Zo ook Paul Croiset (1652-1711), een zoon van Henry Croiset en Rachelle le Blanc dite Piernay, die predikant werd in Maastricht. Hij kreeg twee zoons, Samuel (1692-1766) en Pierre Jacques (1702-1740). De eerste koos een militaire loopbaan, de tweede beoefende in 's-Hertogenbosch het koopmansvak van zijn voorouders.

2. De afstammelingen van Samuel Croiset

De militair Samuel Croiset, die vendrig was in het regiment van infanterie "Ivoy" op Holland, daarna diende in de regimenten Van Volkershoven, Van der Leythen, Van Heukelom en Villegas, bracht het in 1766 tot luitenant-kolonel. Hij stierf in hetzelfde jaar in Grave en moest posthuum in zijn rang beëdigd worden. Op 7 december 1715 huwde hij de katholieke Anne Catherine Rascart, die hem vijf kinderen schonk. Hiervan bleven twee zoons in leven, die beiden een militaire loopbaan volgden: Jean Guillaume (Jan Willem) Croiset (1721-1773) en Jean Louis Croiset (1730-1813). De eerste bracht het tot kapitein in Grave, de laatste tot kolonel. Jean Louis huwde op 2 januari 1750 Jeanne Madelaine Groenevelt, die hem drie zoons en twee dochters schonk. Alle drie de zoons volgden een militaire loopbaan, maar de oudste Arnoldus kwam hierin het verst.
Arnoldus Croiset
Een levensbeschrijving vindt men in P.C. Molhuysen en P.J. Blok, Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, deel III, Leiden 1914, kolom 268. Een dienststaat bevindt zich in de stamboeken van officieren, inventarisnummer 3139 fo. 1.
werd op 8 augustus 1753 in 's-Hertogenbosch geboren. Op twaalfjarige leeftijd kwam hij als cadet bij het Regiment de Villegas, maar tijdens zijn loopbaan legde hij zich, onder invloed van zijn oom Jean Guillaume Croiset, vooral toe op de genie-opleiding. In 1768 werd hij tot tweede luitenant-ingenieur aangesteld, en kreeg hij de supervisie in fortificatiën in Zeeuws-Vlaanderen en de Zuidnederlandse barrière-steden. In 1784 was hij belast met de fortificatie van Arnhem, een opdracht, die zich uitbreidde tot de gehele Beneden-Rijn en de IJssel. Zo maakte hij in januari 1795 het bombardement van Arnhem mee en werd hij na de capitulatie van de stad aan het Franse leger krijgsgevangen gemaakt. Onder het nieuwe bewind stelde het Comité te lande hem in hetzelfde jaar echter aan tot Directeur der Fortificatiën, waarbij hij zijn post behield. In 1797 werd hij bevorderd tot kolonel en kreeg hij diverse geheime opdrachten voor opmetingen van grensgebieden in verband met voorgenomen gebiedsuitbreidingen van "het territoir van den Staat". Door koning Lodewijk Napoleon werd hij in 1806 tot Staatsraad in buitengewone dienst in de sectie Oorlog benoemd en in 1807 bevorderd tot generaal-majoor. Hij werd tevens belast met de eerste directie der Fortificatiën van artillerie en genie in Amsterdam en had zo de supervisee over de landsverdediging van het gewest Holland.
Na de inlijving van het koninkrijk Holland bij het keizerrijk Frankrijk vestigde Croiset zich in Parijs, waar hij als brigade-generaal en inspecteur der Fortificatiën zitting had in het Comité Central der Fortifications. Op 8 april 184 verliet hij de Franse dienst, vaarna hij - slechts kort onder verlaagde rang - werd aangesteld als directeur van de vijfde fortificatie van het koninkrijk der Nederlanden, Tot 1830 was hij betrokken bij vernieuwingen van de vestingen Maastricht, Luik en Hoei, uiteindelijk in de rang van luitenant-generaal. Na in 1832 te zijn gepensioneerd, overleed hij op 10 december 1838 in Maastricht.
Arnoldus Croiset was op 16 maart 1784 gehuwd met Sara Cornelia van Beaumont. Hij kreeg twee in leven blijvende dochters, waarvan de jongste, Cornelie Esther (1787-1836) op 20 augustus 1818 huwde met Hendricus Wilhelmus Johannes Agathus van Uchelen (1790-1840). De oudste, Jeanne Louise Agathe Croiset (1786-1857) beheerde de goederen, die door haar vader Arnoldus Croiset werden nagelaten en liet ze op haar beurt na aan haar neef, Hendrik Willem Balthasar van Uchelen (1828-1883), die bij Koninklijk Besluit van 6 maart 1857, nr. 55 zijn naam mocht veranderen in Croiset van Uchelen.

3. De afstammelingen van Pierre Jacques Croiset

Pierre Jacques Croiset (l702-1740) trok als koopman door verschillende plaatsen in de Generaliteitslanden, alvorens hij in 's-Hertogenbosch overleed. Zo woonde hij in Breda, toen op 18 juli 1734 zijn zoon Samuel Egbert Croiset (1734-1816) geboren werd. Deze werd na een rechtenstudie aan de universiteit van Utrecht door de griffier van de Staten van Holland toegevoegd aan zijn neef Pierre Lyonnet (1707-1789), met wie hij zeer bevriend was
Over het secretariaat van het cijfer wordt uitgebreid geschreven in A. Ising, "Een dialoog in 1756", Haagsche schetsen, deel IV, Den Haag, 1795, pag. 236-308.
. Lyonnet was translateur en klerk tot het in cijfer stellen en ontcijferen der brieven en had een jaar tevoren het decodeersysteem ontdekt, dat Engelse diplomaten aanwendden om de geheime gezantschapsrapporten van andere mogendheden te ontsluiten. Croiset, die vanaf 20 oktoher 1771 ook secretaris van de commissarissen der Posterijen van Holland en Westfriesland was, kon hem assisteren door brieven te onderscheppen en te copiëren. In 1789 volgde hij Lyonnet op en werd hem de titel "secretaris van het cijfer" toegekend. Ofschoon hij als gematigd patriot bekend stond, was hij in de ogen van raadpensionaris Van de Spiegel onmisbaar. Tijdens de Bataafse omwenteling van januari 1795 nam hij als directeur-generaal der Posterijen onmiddellijk. contact op met Pichegru om de verzorging van de post te doen garanderen. Hij werd door de Provisionele Representanten van het volk van Holland en later door het Uitvoerend Bewind en Staatsbewind in al zijn functies gehandhaafd,totdat de inlijving van Nederland bij Frankrijk in 1810 zijn secretariaat overbodig maakte. Reeds was hij op 6 december 1803 door het Staatsbewind op eigen verzoek ontslagen als directeur-generaal der Posterijen.
Na lang aandringen werd hem door koning Willem I een pensioen toegekend voor zijn langdurige ambtelijke dienst. Hij was op 27 april 1779 gehuwd met Catharina Sara Evertsen Eckhart, die hem drie dochters en een zoon schonk. Op 3 juni 1816 overleed hij in Den Haag.
De zoon, Gauthier Theodore Benjamin Croiset (1789-1853) studeerde rechten aan de universiteit van Leiden en begon een ambtelijke loopbaan in het belastingwezen. Van ontvanger der registratie in Amsterdam werd hij verificateur in Noord-Brabant, Limburg en Oost-Vlaanderen. Bij Koninklijk Besluit van 17 augustus 1828, nr. 114, werd hij bevorderd tot inspecteur aldaar; na de afscheiding van België werd hij bij Koninklijk Besluit van 31 mei 1831, nr, 71, in deze rang in de provincie Overijssel geplaatst. Toen door onenigheid tussen de inspecteur der domeinen in Arnhem en zijn administrateur een overplaatsing noodzakelijk bleek, werd Croiset de vacante inspecteurspost toegewezen, wijl hij gold als "iemand, van wiens overdreven ijver men niets te vrezen had"
Rapport van de minister van Financiën aan de koning, archief van het Kabinet des Konings, exh. 1848 la. E 5 geheim.
. De aanstelling geschiedde bij Koninklijk Besluit van 7 november 1836, nr. 45. Een reorganisatie van de dienst der Domeinen leidde echter tot zijn ontslag (Koninklijk Besluit van 22 maart 1841, nr. 13), doch onmiddellijk verd hij aan het hoofd van het Algemeen Zegelkantoor in Den Haag geplaatst, een bureau, dat slechts werd gehandhaafd omwille van zijn levensonderhoud! Eerst bij Koninklijk Besluit van 14 September 1849, nr. 97, werd dit kantoor opgeheven. Zoals verderop zal blijken, heeft Croiset deze lucratieve loopbaan te danken aan de verkoop van de archieven van zijn vader.
Croiset was gehuwd met Henriëtte van Irhoven van Dam (1798-1868), die hem één zoon schonk: Guillaume Egbert Catharine Croiset (1817-1877). Deze volgde zijn vader aanvankelijk in een loopbaan in het belastingwezen: hij begon als surnummerair in Overijssel, waar hij in 1841 ontvanger werd (standplaats Oldenzaal). In 184 was hij ontvanger in Woerden, vanaf 1852 hypotheekbewaarder in Amersfoort, waar hij sedert 1863 tot aan zijn pensionering in 1872 ook plaatsvervangend kantonrechter was, Croiset genoot enige bekendheid als schrijver onder het pseudoniem W. Rehburg. In 1837 debuteerde hij met een novelle "De graaf en zijn raad op de Sint Jansavond", waarna diverse schetsen en romans volgden. Ook publiceerde hij essays over artistieke en politieke onderwerpen in tijdschriften als "De Recensent en Nederland. Onder eigen naam publiceerde hij op latere leeftijd reisbeschrijvingen van het Alpengebied
Gegevens werden mij medegedeeld als afkomstig uit de eerste druk van de Winkler Prins Encyclopaedie.
.
Croiset was driemaal gehuwd: met Justina Klinkhamer (1822-1859), Johanna Wilhelmina Constantia Eekhout (1819-1861) en Angelique Cornelia Brunsvelt van Hulten (1827-1910). Uit het eerste huwelijk werden vijf in leven blijvende dochters geboren en een zoon, uit het tweede huwelijk één dochter.
Croisets enige zoon, Arnold Jean Louis (1856-1913)
De sporadische gegevens verden aangetroffen in inventarisnummer 94, 96, en vervolgens ontleend aan het bevolkingsregister van de gemeente Hilversum.
schreef zich in 1874 in als vrijwilliger bij de huzaren. In 1879 moest hij om gezondheidsredenen worden gepasporteerd; hij was toen wachtmeestertitulair. Hierna vijdde hij zich aan het onderwijs: in 1886 behaalde hij zijn akte van bekwaamheid. Hij ws leraar geschiedenis aan de Bijzondere Handelsschool in Amsterdam en van 1892 tot 1908 ook in Hilversum. Hier nam hij deel aan het openbare politieke leven, waarin hij zich liet gelden als een naar de vrijzinnige democratie tenderende liberaal en een voorstander van drankbestrijding. In 1908 vestigde hij zich in Utrecht. Hij was gehuwd met Maria Croiset van der Kop, die hem een zoon schonk: Egbert Guillaume Catharine Croiset (1896-1975).

4. De aanverwante geslachten

Het geslacht Croiset is nauw verwant met het geslacht Van der Kop
Een genealogie van het geslacht Van der Kop bevindt zich in het jaarboek Nederlands Patriciaat, jaargang 9 (1918), pag. 209-213.
. Door een huwelijk van mr. Henricus Christiaan van der Kop (1759-1829) met Anna Catharina Croiset (1755-1839), een dochter van Jean Louis Croiset. Henricus Christiaan van der Kop vestigde zich als notaris in Schoonhoven en zijn beide zoons bleven daar als koopman woonachtig. De oudste, Arnoldus Samuel (1797-1843), noemde zich Croiset van der Kop, de jongste, Henricus Johannes Elisa (1799-1879), noemde zich naar zijn grootmoeder Groenevelt van der Kop. De kleindochter van Arnoldus Samuel, Maria Croiset van der Kop (1856-1951), huwde op 12 oktober 1888 Arnold Jean Louis Croiset (1856-1913).
Belangrijker is echter de familierelatie van de echgenote van Gauthier Theodore Benjamin Croiset, Henriëtte van Irhoven van Dam. Zij is de dochter van Wilhelm van Irhoven van Dam (1760-1802). Deze was op 24 januari 1760 in Staphorst als zoon van de aldaar staande predikant geboren en werd, na een opleiding in het Frans op de kostschool te Schoonrewoerd (bij Leerdam) te hebben gevolgd, in 1772 geplaatst als klerk op het Amsterdamse handelskantoor Van Hemert. In 1776 ving hij een studie in de godgeleerdheid aan de Utrechtse universiteit aan, maar hij voorzag zich weldra in zijn bestaan als huisleraar
De voornaamste gegevens zijn ontleend aan G. Verberne, Geschiedenis van Nederland, deel VI, Amsterdam 1937 en S. Schama, Patriots and Liberators, New York 1977.
.
In 1782 begon hij in Amsterdam zijn carrière als publicist onder het pseudoniem Candidus; hij keerde zich hierbij niet alleen tegen het stadhouderlijk regime, maar ook tegen de prinsgezinde pamflettist Rijklof Michaël van Goens. In 1783 gaf hij een Courrier van Europa uit, die twee keer per week verscheen en staatkundig wereldnieuws bevatte. Aan zijn journalistieke activiteit kwam een eind door de inval der Pruisen en een overwinning der prinsgezinden in 1787, waardoor hij tijdelijk naar het buitenland uitweek. Hij bleef echter in contact met zijn vriend Henricus Aeneae, met wiens dochter Debora hij zich tijdens zijn vlucht verloofde. Op diens voorspraak promoveerde hij in 1789 in de rechten en werd hij in hetzelfde jaar als advocaat aan het Hof van Holland toegelaten. Dit was de voorwaarde, waarop Aeneae toestemming verleende voor een huwelijk, dat op 20 november 1789 plaats vond.
Van Irhoven van Dam voerde een bloeiende advocatenpraktijk in Amsterdam en zette zijn patriottische activiteiten voort in een comité, dat zich via zijn kantoor in verbinding wist te stellen met Daendels, die zich op dat moment in het Franse leger in de Zuidelijke Nederlanden "bevond. Op 14 oktober 1794 was Van Irhoven van Dam met I.S.A. Gogel betrokken bij een revolutiepoging in Amsterdam; zij mislukte, beiden moesten tijdelijk onderduiken, maar in decemher reeds begaven zij zich als gedelegeerden van het revolutionair comité naar Parijs om aldaar voor Franse steun aan een zelfstandige Bataafse Republiek te pleiten, Mede door de radikaal-Jacobijnse standpunten van hun bemiddelaar in Parijs, J. Valckenaer, vonden zij weinig gehoor bij het Directoire. Van Irhoven van Dam geraakte weldra in onmin met zijn mede-delegués en verliet vroegtijdig de delegatie. In februari 1795 keerde hij terug naar Amsterdam, dat inmiddels het centrum van de Bataafse omwenteling was geworden; onmiddellijk nam hij zitting in het comité van Provisionele Representanten aldaar; samen met J. Goldberg en P. van Herzeele diende hij daar een voorstel in tot herziening van de geldmiddelen van Holland.
De staatsgreep van Midderigh, die leidde tot de val van zijn politieke tegenstanders Valckenaer en Blauw, was voor hem aanleiding om in maart 1798 zijn diensten aan te bieden aan het Comité tot de Zaken van West-Indische Coloniën. De contra-coup van Daendels op 12 juni 1798 leidde tot zijn arrestatie, maar reeds de dag daarop kwam zijn procedure tot vrijlating op gang en nog dezelfde maand herkreeg hij al zijn functies
Dit blijkt uit resoluties van het Staatsbewind, exh. 13 juni 1728, 20 juni 1798, nr. 40.
. Hij was de voornaamste inspirator van de grondwet van 1801, waarvoor hij het ontwerp opstelde. Ook zijn bemoeienissen met West-Indië zette hij voort, totdat hij in 1802 overleed.
Van Irhoven van Dams schoonvader, Henricus Aeneae
P.C. Molhuysen en Fr. K.H. Kossmann, Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, deel X, Leiden 1937, pag. 8-9.
, werd op 19 augustus 1743 in Oudenirdum (Friesland) geboren; na in Franeker te hebben gestudeerd begon hij een praktijk als wiskunstenaar in Dongjum, waarna hij zich als leraar in Amsterdam vestigde. In 1769 promoveerde hij Leiden op een dissertatie over bevriezing. Als patriot actief, vervulde hij geen openbare ambten vóór de Bataafse omwenteling van 1795. Toen werd hij lid van het comité van Marine met als bijzondere opdracht het geven van technische adviezen over de oorlogsvloot. Gelijkaardige functies bleef hij behouden, toen de Raadpensionaris hem in 1805 aanstelde tot commissaris-adviseur der Wis- en Natuur-, Scheien Werktuigkunde van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Belangrijk was hierbij zijn arbeid voor de invoering van het decimale stelsel, waarvoor hij in 1798 met Jean Henri van Swinden een reis naar Parijs maakte; de voorstellen van de beide Nederlanders hadden grote invloed op de vervolmaking van dit Internationale maatsysteem. Aeneae overleed op 1 november 1810.
Stamboom van het geslacht Van Der Kop:
Stamboom van het geslacht Croiset:

Geschiedenis van het archiefbeheer

a. De ambtelijke papieren van Samuel Egbert Croiset als secretaris van het cijfer

Ongetwijfeld zou, indien het familiearchief Croiset in zijn geheel bewaard zou zijn geweest, de secretaris van het cijfer, Samuel Egbert Croiset (1734-18l6), de belangrijkste archiefvormende persoon zijn geweest. Hij bewaarde namelijk zowel de door hemzelf opgemaakte ambtelijke stukken als die, afkomstig van zijn voorganger Pierre Lyonnet (1707-1789). Deze stukken bestonden uit cijfersystemen, te gebruiken ter decodering van onderschepte correspondentie en uit afschriften van ontcijferde, door postmeester Croiset onderschepte stukken.
In november 1822 benaderde zijn zoon Gauthier Theodore Benjamin Croiset de geheim secretaris van het departement van Buitenlandse Zaken D. Delprat om deze archivalia te overhandigen in ruil voor de orde van de Nederlandse Leeuw, een lucratief ambt bij de registratie of de buitenlandse dienst en de betaling van tractementsgelden, die volgens hem aan zijn vader waren onthouden. De koning besloot op 3 januari 1823 de afschriften van de ontcijferde stukken te accepteren, maar weigerde aan Croiset pensioenvordering te voldoen, omdat hierover reeds in 1818 negatief was beschikt; hij stuurde derhalve het codemateriaal terug. Wel benoemde hij Croiset tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en behandelde hij hem met voorrang bij bevorderingen in de belastingdienst
Een dossier inzake de aanbieding van deze archivalia bevindt zich in het archief van de Staatssecretarie van koning Willem I, exh. 3 januari 1823, nr. 94. Toespelingen op specifieke gunsten bevinden zich in het in noot 4) geciteerde stuk in het archief van het Kabinet des Konings, exh. 1848 la. E5 geheim. Het teruggezonden codemateriaal bevindt zich grotendeels in de inventarisnummers 18 en 21.
.
De afschriften werden overhandigd aan de Rijksgeschiedschrijver M. Stuart (1765-1826), die de vervolgen op de Vaderlandsche Historiën van Wagenaar redigeerde, jaarlijkse kronieken over de gebeurtenissen in Nederland tot aan 1795. Na zijn overlijden werden zijn in 1827 aan de Archivarius des Rijks overgedragen als een "verzameling van stukken .... waarvan geen bewijs is, dat zij aan vreemden toebehooren en waarvoor na gedane aankondiging in de nieuwspapieren is opgekomen"
Archief van de Staatssecretarie van Koning Willem I, exh. 8 oktober 1827, nr. 18.
. Met enkele aantekeningen van Stuart over zijn geschiedkundige arbeid vormen zij thans de collectie Stuart, die bij de Eerste Afdeling van het Algemeen Rijksarchief berust.
Een plaatsingslijst van de papieren Stuart bevindt zich in het archief van het ministerie van Binnenlandse Zaken, inventarisnummer 4366, Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, exh. 13 november 1827, nr. 3A. Correspondentie van het Algemeen Rijksarchief, 1827, nr. 182 (archief van het Algemeen Rijksarchief, inventarisnummer 6).

b. De persoonlijke papieren van leden van het geslacht Croiset

Het familiearchief Croiset, dat na de terugzending van de van Samuel Egbert afkomstige stukken door Gauthier Theodore Benjamin Croiset werd gevormd, bestond uit de papieren van leden van het geslacht Croiset en van Pierre Lyonnet. Zelf voegde hij hieraan de papieren van zijn schoonvader Wilhelm van Irhoven van Dam en diens verwanten toe.
Arnold Jean Louis Croiset (1856-1913) breidde deze collectie uit met stukken, afkomstig van leden van het geslacht Croiset.
Na het overlijden van Egbert Guillaume Catherine Croiset (1896-1975) besloot zijn schoondochter, mevrouw A.H.F. Croiset-Carels in De Bilt, de nalatenschap, die betrekking had op de geschiedenis van het voorgeslacht van haar overleden echtgenoot, aan verschillende instellingen te schenken. Enkele geschilderde portretten gingen met enige cijferstaten uit het codemateriaal van Samuel Egbert Croiset naar het Nederlands Postmuseum in Den Haag; de papieren van Pierre Lyonnet werden aan het Natuurhistorisch Museum in Leiden geschonken. In 1977 werd het restant van het familiearchief geraadpleegd door drs H. Boels, wetensehappelijk medewerker aan de universiteit van Groningen, voor een artikel over de griffie van de Staten-Generaal.
Door de bemiddeling van drs H. Boels, wetensehappelijk medewerker aan de universiteit van Groningen, vond de overdracht van dit restant aan de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief plaats
Correspondentie van de Tweede Afdeling, 1977 D 9.23; 9-63; 9-76; 9-136.
.
De rechtstitel is (nog) onbekend

De verwerving van het archief

Het archief is door schenking verworven.