Geschiedenis van de archiefvormer
Steven Dassevael werd in januari 1771
Als zijn geboortejaar wordt nu eens 1770, dan weer 1771 genoemd. Volgens het doopregister der Ned. Herv. Kerk te Goes werd hij aldaar 24 Januari 1771 gedoopt (mededeeling van de heer J. de Kruijter, adviseur van het archief der gemeente Goes), zoodat 26 Januari niet langer als zijn geboortedatum kan gelden, tenzij men 1770 als geboortejaar aanneemt, in welk geval er tusschen geboorte en doop bijna een jaar verstreken zou zijn.
te Goes geboren als zoon van de griffier Johan Pieter Dassevael en diens eerste vrouw Levina Miseras. Na de vroegtijdige dood van zijn vader werd hij 12 mei 1790 ambtenaar bij het gewestelijk bestuur van Zeeland. Dankzij de voorspraak, die hij ontving van de Gecommitteerde Raden Lambrechtsen en Schorer
Aldus Siegenbeek in zijn 24 Juni 1838 uitgesproken openingsrede der jaarvergadering van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde (Handelingen, blz. 28-33). Wat Siegenbeek hier mededeelt is ook te vinden in het bericht van Dassevaels overlijden, opgenomen in de Algemeene Konst- en Letterbode van 16 Februari 1838, blz. 114.
, stelde hun college hem aan tot extra-ordinaris klerk ter Staten-griffie. Nadat er door een sterfgeval een vacature was gekomen, werd hij in mei 1795 bevorderd tot ordinaris klerk en in juli 1795 tot “commis notularis der Zeeuwsche Volksvertegenwoordigers”
Autografen-verzameling van Falck (nr. 34 van de inventaris-Fruin in de Verslagen 1913).
. Tot in maart 1798
De mededeeling van De Navorscher, dl III, blz. 170 (jaar 1853), dat hij in 1793 bevorderd zou zijn tot griffier der Staatssecretarie moet natuurlijk twintig jaren later gedateerd worden.
bleef hij die Zeeuwse betrekking bekleden, totdat hij door het Haagse Uitvoerend Bewind werd “op poene van Bannissement, gerequireerd, om, als deszelfs Algemeen Secretaris, te fungeeren”.
Bijna twee maanden lang, tot 30 april, bekleedde hij de gedwongen betrekking. Inmiddels was in Maart door de Constituante de grondwet voor de Bataafsche Republiek aangenomen en in April door de grondvergaderingen goedgekeurd. Nu bepaalde deze Staatsregeling, dat de algemeene secretaris van het Uitvoerend Bewind niet jonger dan dertig jaren mocht zijn; dientengevolge diende Dassevael 30 April bij het Uitvoerend Bewind zijn declaratoir in, dat hij de door de grondwet vereischte leeftijd nog niet had bereikt en dus om ontslag verzocht, teneinde tot zijn vroegere Zeeuwsche betrekking terug te kunnen keeren. Maar het rijk van Pieter Vreede neigde ten einde; het Voorloopig Uitvoerend Bewind
Dassevael had hiervan de geschiedenis willen schrijven; het is er niet van gekomen. Alleen schreef hij in 1821 een relaas van de “Gebeurtenissen van den 12 Juni 1798”, afgedrukt bij Colenbrander, Gedenkstukken, II, maar volgens dezen op blz. XIV “niet bijster veel zaaks”.
, dat in strijd met de constitutie door de Constituante definitief verklaard was, had sterk aan aanhang ingeboet, zoodat het meer oog had voor het behoud van eigen leven dan voor de ontslag-aanvrage van zijn secretaris. Bovendien was de grondwet al meer overtreden in een minder futiel geval. De omwenteling van 12 Juni stond toen reeds voor de deur, gelijk Dassevael zelf opgemerkt, en het door Daendels’ staatsgreep van die dag gevormde Intermediair Uitvoerend Bewind handhaafde de secretaris in zijn functie, onder kennisgeving aan het Wetgevend Lichaam, dat zijn leden hem “die onderscheidende continuatie in zijn functien hadden waardig gekeurd”.
Het Constitutioneel Uitvoerend Bewind van 17 Augustus 1798 stelde een algemeen secretaris
Mr. C.H. Hultman, tot 1807 in functie (met onderbreking in 1802); zie prof. Brugmans in het N.N.B.W., VIII, 890-891.
aan en benoemde Dassevael tot “Griffier ter Algemeene Staats-Secretarij, belast met de algemeene directie van alle de werkzaamheden der bureaux, en met de redactie van alle zoodanige staatsstukken, als tot welker vervaardiging den Algemeenen Secretaris, door de continueele bijwoning der vergaderingen en conferentien, letterlijk den tijd ontbrak. In die betrekking heeft de ondergeteekende, door alle de veranderingen van het Publiek Bestuur dezer landen hem gecontinueerd; bij den Raadpensionaris onder den titel Griffier ter Staats-Secretarij en onder den Koning (Bonaparte) onder dien van Secretaris Archivist, tevens belast met de functien van algemeene secretaris van den Staatsraad; totdat eindelijk de ondergeteekende, in Augustus 1810, na het conquest van Holland door den Franschen keizer, is aangesteld
Siegenbeek zegt t.a.p. dat Dassevael na de inlijving de titel van Secretaris van het Bestuur der Hollandsche Departementen behield, en griffier werd bij een der Amsterdamsche vredegerechten. Dr. Molhuysen (N.N.B.W. IV, 496) en prof. Colenbrander (Gedenkstukken, dl. II, 1795-1798, blz. 508, noot 3) zwijgen over het eerste. Dr. Colenbrander deelt evenmin mede, dat Dassevael onder Willem I griffier-archivist der Staatssecretarie werd, een werkkring die toch niet ten achter stond bij het eveneens door hem bekleede secretariaat van de Algemeene Rekenkamer.
als Archivist van het Algemeen Gouvernement der Hollandsche Departementen”. In de bijna 24 jaren van zijn ambtelijk leven tot aan de geboorte van het Souvereine Vorstendom der Nederlanden, hield hij zich onledig met het verzamelen
Dr. Ebell herinnerde in dit orgaan, jaargang 1932-1933, blz. 163. De vrucht van deze nasporingen is het Geschiedkundig overzigt der Koninklijke voorschriften omtrent het beheer der Staatsuitgaven in Nederland (Den Haag-Amsterdam 1822; ook in het Fransch, Den Haag 1822). Jammer genoeg bracht zijn Administratief handboek; Tijdrekenkundige Plaatsaanwijzing der wetten, besluiten en verordeningen van het Fransche Keizerrijk, - betreffende het Koninkrijk der Nederlanden enz. het niet verder dan tot een “berigt van inteekening” (Amsterdam 1832).
van “stukken en bijzonderheden tot de menigvuldige onderscheidene materien van publiek belang behoorende, waardoor de ondergeteekende in staat is, om met betrekking tot alle mogelijke bijzondere materie, welke men zoude goedvinden te designeren, volledige historische notiën te suppediteren; waaruit de resultaten der Hollandsche Organieke en Administratieve Wetgeving, en de mate van mogelijkheid of onmogelijkheid van derzelver uitvoering, op eene zeer eenvoudige en duidelijke wijze zou kunnen blijken”.
Bij Souverein Besluit van 31 December 1813 no. 38 werd Falck tot Algemeen Secretaris van Staat benoemd, in welke hoedanigheid hij de directie zou hebben over de Algemeene Staatssecretarie, het leidinggevende regeeringscentrum in de nieuwe monarchie. Bij art. 7 van genoemd besluit werd tot Griffier
Dit woord verving het aanvankelijke “Secretaris”.
en Archivist dier Algemeene Staatssecretarie Steven Dassevael benoemd.
Bij K.B. van 27 September 1815 nr. 14, La. G. 5
Dit alleen door de Koning geteekende besluit werd te Brussel genomen; vandaar de dubbele indiceering, ter onderscheiding van de “Haagsche” stukken der Staatssecretarie, die alleen genummerd zijn.
, werd hij met ingang van 1 October benoemd tot Secretaris der Algemeene Rekenkamer op een jaarlijksch traktement van vijf duizend gulden. Tevens bleef hij bij voortduring belast met de administratie van het “Weduwen-Fonds der Geëmployeerden op de Bureaux van Algemeen Bestuur”; dit was een stichting van hem, die hij tijdens de Fransche overheersching in het leven had weten te houden, en waarvan hij tot aan zijn dood toe permanent bestuurder zou blijven. Buitendien werd hem, onder toezicht van de Secretaris van Staat, de redactie en de uitgave van de Koninklijke Almanak opgedragen.
Uit dit benoemingsbesluit blijkt niet, dat hij toen nog Griffier-Archivist der Staatssecretarie was. Vermoedelijk was hem reeds toen als zoodanig ontslag verleend, hoewel een dergelijk besluit noch in het gewoon, noch in het geheim archief der Staatssecretarie teruggevonden is. Over de beweegredenen tot zijn ontslag tasten wij evenzeer in het duister als over de datum. Eenig houvast biedt brief nr. 323, die Falck 14 Februari 1816 aan de Koning zond (exhibitum van die dag, nr. 67), waarin sprake is van de “declaratie van den voormaligen griffier en archivist ter Staatssecretarie, S. Dassevael, wegens de door hem ten dienste der Staats-Posterij sedert 1 Juli tot 30 September 1815 gedane uitgaven”. Kort daarop werd bij K.B. van 20 Februari 1816 nr. 58 op (de niet teruggevonden) voordracht van de Algemeene Secretaris van Staat, “zoolang de post van Griffier en Archivist onvervuld zal blijven”, aan de Eerste Commies ter Staatssecretarie, Elias Schovel, een jaarlijksche gratificatie van zes honderd guldens toegestaan, betaalbaar “uit het tractement voor dezen post gecontenteerd”. Enkele jaren later, b.v. 26 Augustus 1819, was Elias Schovel waarnemend Griffier ter Staatssecretarie
Het doet daarom vreemd aan, dat hij b.v. een gelijktijdig afschrift van een 6 October 1817 genomen K.B. waarmerkte als “Griffier ter Staatssecretarie”. Reeds in Juli 1816 extraheerde hij in dezelfde hoedanigheid, zonder het provisioneel karakter van 1819. Vgl. het schrijven van de eerste secretaris van het Kabinet des Konings, De Mey van Streefkerk, van 18 Juli 1816 nr. 1837 in “Papiers de Louis van Gobbelschroy”, tweede band (A.R.A. Brussel). De verzameling “papieren, afkomstig van L.H. Elias Schovel (Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven, dl. XLVII, 1924, I, blz. 139) bevat als eerste nummer: “Stukken, onder hem berustende in zijne qualiteit van griffier en archivist ter Staatssecretarie. 1814 Mei 21 – 1835 Januari 1”. Men bedenke hierbij evenwel, dat dit meest losse aanteekeningen zijn (o.a. ook van Dassevael), die Schovel gedeeltelijk al als eerste commies maakte.
, welk ambt hij definitief
Nog in 1820 staat onder een renvoy vanwege de Koning: “ de Secretaris van de Algemeene Rekenkamer, belast met de waarneming van de Directie der Staats-Secretarie S. Dassevael”.
bekleedde, toen Dassevael 16 januari 1838 in Den Haag overleed als Secretaris van de Algemeene Rekenkamer .
Zijn werkzaamheden als archivist ter Staatssecretarie zijn moeilijk op juiste waarde te schatten voor wie niet de door hem verzorgde archieven van het algemeen bestuur van 1798-1810 door eigen gebruik kent. Wat daarentegen zijn werkkring als griffier betreft, zal iedere gebruiker van het archief der Staatssecretarie van Koning Willem Dassevael steeds dankbaar moeten zijn voor de eenvoudige opbouw van deze administratie en de punctueel bijgehouden agenda’s, klappers en indices, die – al zal hij deze niet zelf bijgehouden hebben, dan toch door zijn personeel onder zijn leiding liet vervaardigen – het onderzoek in dit uit zijn aard zeer omvangrijke en hoogst belangrijke archief zeer vergemakkelijken, in tegenstelling b.v. met het archief van de Brusselsche Staatssecretarie, die van 1 Augustus 1814 tot na de geboorte van het Vereenigd Koninkrijk daarnevens bestond, maar waarin de nasporingen alles behalve eenvoudig zijn.
In 1807 was hij lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde geworden, en later gekozen tot Directeur van het Zeeuwsch Genootschap. Lodewijk Napoleon had hem tot ridder in de Orde van de Unie benoemd, Willem I schonk hem de Nederlandsche Leeuw en stelde prijs op zijn secretariaat of lidmaatschap van Staatscommissies.
De bekendste Staatscommissie waarvan Dassevael deel uitmaakte, was de z.g. “Commissie T.T.”, ingesteld bij K.B. van 1 Augustus 1818 La T. T., om de Koning van advies te dienen bij de nieuwe inrichting der ministrerieele bureaux. Haar secreet rapport, nr. 2, door de voorzitter Repelaer van Driel, 21 Juni 1822 aan de Koning uitgebracht, leidde tot het Koninklijk Besluit van 4 September 1823, no. 7.
Auteur: J. Steur
Eerder gepubliceerd in:
Nederlands Archievenblad, 42 (1934/35), p. 36-47 .