Inhoud
Volgens de aanvankelijke, zeer summiere beschrijving bestaat de inhoud van het archief, thans beschreven in hoofdrubriek A, uit de stukken, die mr. Elout zou verzameld hebben als lid der commissies, welke in het tijdvak 1798-1809 belast zijn geweest met de samenstelling van een burgerlijk en een crimineel wetboek. Op de lijsten, bij de overdracht aan het Rijksarchief opgemaakt, vindt men echter geen enkele beschrijving, welke wijst op een zo grote verzameling. De lijst van de op 14 april 1853 op het Rijksarchief ontvangen stukken vermeldt alleen: "Een portefeuille met stukken betrekkelijk het Crimineel wetboek in 1804 aangeboden." Bij deze portefeuille heeft men vermoedelijk dan ook in de laatste helft der vorige eeuw stukken gevoegd, welke betrekking hebben op de vervaardiging der wetboeken, zodanig dat de oorspronkelijke verzameling nu niet meer te onderkennen is. Dit vermoeden wordt bevestigd, doordat hierbij stukken zijn aangetroffen, waarvan mag worden aangenomen, dat zij tot andere verzamelingen dan die van mr. C.T. Elout hebben behoord.
Deze stukken betreffen dus dezelfde aangelegenheden maar zijn hoogst waarschijnlijk afkomstig uit de verzamelingen van andere leden van de commissie. Daarvoor zijn eenige stellige bewijzen aan te voeren: 1e. de adresseering aan eenig ander lid, 2e. de eigenhandige aanteekeningen, door een ander lid op de stukken aangebracht. Maar er zijn bovendien ook nog niet rechtstreeksche bewijzen of beter vermoedens daarvoor, zooals: 1e. de aanwezigheid van een meer of minder groot aantal dubbelen van sommige stukken, 2e de aanwezigheid van stukken, betrekking hebbende op de behandeling van zaken in eene commissie, waarvan mr. C.T. Elout geen deel uitmaakte. Ze zijn terug te brengen tot twee delen: 1e. de stukken, die met meer of minder waarschijnlijkheid deel hebben uitgemaakt van een verzameling afkomstig van mr C.H. Gockinga, 2e. de stukken, waarvan dit niet met genoegzame zekerheid is vast te stellen.
Het aandeel van mr. Elout in de werkzaamheden der commissies en de omvang der geregeld gewisselde stukken zijn niet gering geweest; doch de bewaard gebleven stukken geven daarvan geen volledig beeld. Zoo goed als alle geschreven stukken hebben betrekking op verrichtingen van de commissie, die op 3 october 1804 haar laatste bijeenkomst hield. Van een enkel bestaat de mogelijkheid, dat het ook voor het werk der commissie van 1807 kan gediend hebben. Het verdient opmerking, dat bij de verzameling niet wordt aangetroffen o.a. een exemplaar van de notulen der commissie van 1807 tot 1808. Uit de verzameling stukken van het lid van deze commissie, Van Musschenbroek, bewaard in de Universiteitsbibliotheek te Leiden, blijkt, dat elk lid der commissie zulk een exemplaar heeft bezeten.
De stukken beschreven in hoofdrubriek B betreffen hebben betrekking op de activiteiten van C.T. Elout als jurist en bestuurder. Het gaat om de inlijving van het koninkrijk Holland bij Frankrijk in 1810, de voorbereiding van de Grondwetten van 1814 en 1815, de organisatie van het koloniaal bestuur in Nederlands-Indië in 1816-1819 en de onderhandelingen met Engeland over koloniale zaken in 1820 en 1824. Voorts is er een map met stukken betrekking op een curieus plan van een handelsexpeditie, te ondernemen naar de Zwarte Zee, in het jaar 1820 aanbevolen door den Belgische kolonel Rottiers. Tenslotte is er een tweetal brievenseries: een chronologisch geordend en de ander alfabetisch op naam van de correspondent.
De hoofdrubrieken C en D bevatten stukken die als een familiearchief beschouwd kunnen worden. Van een twintigtal personen zijn stukken aanwezig, veelal uitsluitend van persoonlijke aard. Van een ruimer belang zijn de stukken van Cornelis Pieter Jacob Elout (1795-1843) betrekking hebbend op de militaire expedities op Sumatra in de jaren 1819-1837 en de correspondetieseries van Jhr. mr. Pieter Jacob Elout van Soeterwoude (1805-1893) en van Raden Adipati Ario Tjokro Negoro (ca. 1803- na 1883).
Verantwoording van de bewerking
Bewerking in 1917
Van de onderscheidene aanwinsten zijn er reeds vroeger beschreven, als onderdeel van de aanwinstenlijsten. In 1917 werd bij de z.g.n. verspreide collecties nog een twaalftal portefeuilles aangetroffen, welke zouden bevatten papieren, afkomstig van mr. C.T. Elout. Daarvan was tot nog toe geen andere beschrijving gemaakt dan een zeer globale, welke nodig was, toen de archieven van het gebouw aan het Plein naar dat aan het Bleijenburg moesten worden overgebracht.
Er werden ook stukken aangetroffen, welke vermoedelijk van andere verzamelingen afkomstig zijn, terwijl het van sommige drukwerken aanwezige groote aantal exemplaren doet vermoeden, dat men hier heeft bijgevoegd de daarvan met verloop van tijd door het Rijksarchief verworven stukken uit verschillende verzamelingen, waarvan men de drukwerken heeft afgezonderd.
Ofschoon een voorloopig onderzoek deed veronderstellen, dat een beschrijving dezer stukken niet veel tijd zou vorderen, bleek al spoedig, dat voor een eenigszins bevredigende beschrijving een vergelijking nodig zou zijn met een dergelijke verzameling stukken, afkomstig van professor mr. H.C. Cras, die indertijd met de bescheiden, door professor mr. J.M. Kemper nagelaten, in 1892 voor het Algemeen Rijksarchief verworven werd
Zie Verslagen omtrent ’s Rijks oude archieven XV, bladz. 9 en 44 (thans archiefinventaris 2.21.098).
.
In overleg met mr. C.C.D. Ebell werd de orde der stukken aangebracht, welke uit de hierachter volgende beschrijving blijken zal. Als beginsel van die ordening is aangenomen, dat men hier niet te doen heeft met een archief van de commissie zelf, maar met een verzameling van bescheiden, door een harer leden bijeengebracht en nagelaten. Daarom zijn steeds naar voren gebracht de stukken, die eigenhandig door dit lid zijn opgemaakt of van zijn eigenhandige aanteekeningen zijn voorzien. De verzameling is verdeeld in vier afdeelingen. De eerste bevat de stukken van algemeenen aard; zij betreffen zaken en aangelegenheden, waarover eerst de geheele algemeene commissie tot overeenstemming moest komen. De tweede bevat de stukken betreffende de totstandkoming van aan het Staatsbewind ingezonden ontwerpen. Ten opzichte van deze was de taak der commissie voleindigd. De derde bevat stukken betreffende de bewerking van onderwerpen, eigenlijk tot de taak van de civiele commissie behoorende, maar met onderling goedvinden opgedragen aan leden van de crimineele. Het zijn de stukken, die betrekking hebben op de behandeling in den boezem van de crimineele commissie. De vierde eindelijk bevat de stukken, welke met zeer groote waarschijnlijkheid niet tot de verzameling, afkomstig van mr. Elout, behooren maar vroeger of later daarbij zijn gevoegd. Er bestaat een ernstig vermoeden, bijna zekerheid, dat een groot deel daarvan afkomstig is van een verzameling van het lid mr. C.H. Gockinga, deel uitmakende van de civiele commissie; van een kleiner deel is het onzeker, of het ook daaruit afkomstig zou kunnen zijn. Eigenaardig is, dat het grootste deel van deze stukken betrekking heeft op onderwerpen, behoorende tot het civiele recht. Wel zouden de door de civiele commissie vastgestelde ontwerpen ter aggreatie en sanctie aan de leden van de crimineele worden toegezonden, om eindelijk door de algemeene te worden vastgesteld; maar tot nu toe is niet gebleken, dat een enkel ontwerp van de civiele de crimineele commissie heeft bereikt. Het bevestigt dus het vermoeden, dat dit alles eertijds behoort heeft aan een lid van de civiele commissie.
Mr. Ebell heeft ten slotte hier en daar de noten aangevuld of nieuwe bijgevoegd van meer juridischen aard.
Bewerking in 1990
De laatste aanvulling op het archief in 1989 maakte samenvoeging van de afzonderlijke delen van het archief van Elout wenselijk. Dat geschiedde door de archiefblokken achter elkaar te plaatsen en vervolgens de bestanddelen doorlopend door te nummeren. Het grootste bestanddeel (inv.nr. 1-174), de stukken betreffende de voorbereiding van de wetboeken, werd als eerste geplaatst, waardoor de afzonderlijke bestanddelen van dit archiefblok niet vernummerd behoefden te worden. De stukken uit de aanwinsten 1853 (restant), 1869, 1874, 1908 en 1939 werden achtereenvolgens genummerd 175-200. In de concordantielijst is de relatie tussen de oude nummering en de huidige weergeven.
De familiepapieren waaruit de laatste aanwinst uit 1989 bestond, is vervolgens als laatste deel beschreven en genummerd 201-361. De indeling der stukken is naar persoon, zoals bij familiearchieven gebruikelijk.
Bewerking in 2012
Bij een controle van de archiefinventaris van het archief Elout, bleek deze niet geheel overeen te stemmen met de beschikbare informatie uit de oudere oorspronkelijke archiefinventarissen. Om onduidelijke redenen zijn de uitgebreide, waardevolle toelichtingen bij de beschrijvingen van mr. C.C.D. Ebell uit 1917 niet mee overgenomen in de archiefinventaris van 1990. Deze zijn alsnog aan het eerste deel (hoofdrubriek A) van de archiefinventaris toegevoegd. De indeling in deze hoofdrubriek A is enigszins aangepast. Primair zijn de beschrijvingen ingedeeld naar de drie - vermoedelijke - archiefvormers: C.T. Elout, C.H. Gockinga en H.C. Cras.
De bestanddelen met de inv.nrs. 175-217, zijn alle afkomstig van C.T. Elout. De overzichtelijkheid van dit archiefdeel kon vergroot worden door de beschrijvingen in de archiefinventaris te herordenen naar de functies bij de uitoefening waarvan de bescheiden zijn ontstaan. De fysieke ordening der bestanddelen is hierbij ongewijzigd gelaten. Deze beschrijvingen vormen thans hoofdrubriek B.
De beschrijvingen van de familiepapieren werden in de hoofdrubrieken C en D geplaatst. Bij elk der personen van wie archiefbescheiden in het archief zijn aangetroffen, zijn enige beknopte biografische aantekeningen toegevoegd.