Terug naar zoekresultaten

2.21.183.90 Inventaris van het archief van prof. H.J.L. Vonhoff, (1842) 1937-2001

Voer een zoekterm in
VorigeVolgende

Archief

Titel

2.21.183.90
Inventaris van het archief van prof. H.J.L. Vonhoff, (1842) 1937-2001

Auteur

H.H. Jongbloed, P. Brood, J. Grupstra

Versie

26-01-2026

Copyright

Nationaal Archief, Den Haag
2004, 2025 cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok

Collectie 265 H.J.L. Vonhoff
Vonhoff

Periodisering

archiefvorming: 1937-2001
oudste stuk - jongste stuk: 1842-2001

Archiefbloknummer

C24587

Omvang

406 inventarisnummer(s) 16,50 meter

Taal van het archiefmateriaal

Het merendeel der stukken is in het.
Nederlands

Soort archiefmateriaal

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, en fotomateriaal.

Archiefdienst

Nationaal Archief

Locatie

Den Haag

Archiefvormers

Vonhoff, prof. Hendrik Johan Lubert (1937-2001)

Samenvatting van de inhoud van het archief

Henk Vonhoff was een prominent VVD-er. Zijn archief bevat stukken over zijn politieke loopbaan beginnend in Partij van de Vrijheid van 1946 tot 1948) en stukken over de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie vanaf de oprichting van die partij in 1948. Er zijn stukken uit Vonhoff's tijd in de Tweede Kamer (1967-1974), de tijd dat hij staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk was (1971-1973), de periode van zijn burgermeesterschap in Utrecht (1974-1980) en zijn commissariaat van de Koningin in Groningen van 1980-1996. Verder bevat het archief wat persoonlijke stukken, zoals privé-correspondentie, archiefstukken van enkele familieleden, krantenknipsels e.d. Het archief bevat ook foto's.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer
Biografische schets van H.J.L. Vonhoff
( * Deze biografische schets verscheen eerder in Liber amicorum H.J.L. Vonhoff. Opstellen over politiek, bestuur en management (Den Haag 1996), maar is voor de periode 1996-2004 geactualiseerd. )
'Een gigant. Niet alleen door zijn verstand, zijn werkkracht, zijn kennis en zijn geheugen, maar bovenal door zijn persoonlijkheid. ... Daar heeft hij zijn werk verricht met de volle overgave van een gegrepene. Gegrepen vooral door zijn concrete taken die hij rondom zich ziet. ...Het vinden van organisatievormen waardoor de mens zich vrij kan ontplooien en tezelfdertijd de maatschappij daardoor het best in stand houdt, dat is het doel dat hij zich bij zijn arbeid voor ogen stelt.'
Zinsneden met een biografische lading, die op de persoon van Vonhoff van toepassing zijn. Maar in oorsprong hadden zij een ander tot subject. Sterker nog, ze zijn niet geschreven voor Vonhoff, maar door hem! Zijn adoratie betrof de staatsman prof. mr. P.J. Oud, burgemeester van Rotterdam en leider van de VVD. Zijn bewondering voor Oud dateert al van kort na de oorlog en is in de twintig jaren nadien geworden tot een relatie wijze, oude leermeester en jonge, ambitieuze leerling. Oud noemt Vonhoff in 1965 'mijn jonge vriend', een epitheton waar de laatste nog steeds trots op is.
Hun beider carrières vertonen opvallende gelijkenissen: voortgekomen uit een vrijzinnig en sociaal bewogen milieu, dezelfde middelbare school in Amsterdam bezocht, uitblinkers in het vak geschiedenis, met een links-liberale signatuur, jong in de actieve politiek werkzaam, Kamerlid, burgemeester van een grote stad, bijzonder hoogleraar. Wat hen onderscheidt is dat Oud gedurende anderhalf decennium invloedrijk was in de landspolitiek en Vonhoff eenzelfde periode het ambt van commissaris van de Koningin in de provincie Groningen bekleedde.
Een geboren Amsterdammer
Hendrik Johan Lubert Vonhoff werd op 22 juni 1931 geboren in Amsterdam als zoon van Lubert Vonhoff en Wilhelmina E.J. Schober. Zijn vader werkte op dat moment bij een accountantskantoor in Amsterdam. Zijn geboortehuis stond aan de Hoofdweg, maar daar woonde het gezin Vonhoff slechts kort. Op zoek naar werk verhuisde het in korte tijd naar Driehuis-Westerveld, Haarlem en weer terug naar Amsterdam. Op zijn vierde jaar kwam Vonhoff in de Pieter van der Doesstraat in Amsterdam-West, een nette etagewoning zoals er zovele waren in Amsterdam: een stoep met vier deuren naast elkaar, een trap, een portaal en twee woningen boven elkaar.
Lager onderwijs genoot hij aan de Coppelstokschool, waarna hij naar de Eerste Vijfjarige HBS aan de Keizersgracht ging. De Tweede Wereldoorlog maakte Henk Vonhoff dus mee als schoolkind en hbs-er. De herinneringen aan deze tijd staan hem nog voor de geest: in de eerste oorlogsjaren vreemde uniformen op straat, verduistering van de ramen, veel beweging en lawaai in de lucht. Vader Vonhoff, van huis uit socialist, werd actief voor de Nederlandsche Unie, hetgeen de jonge Vonhoff regelmatig tot slachtoffer van NSB-jongetjes maakte. Nog steeds is hij van mening dat de Unie in de geschiedschrijving te negatief behandeld is. De Unie was voor veel mensen de eerste stap naar verzet tegen de overheerser. Korte tijd heeft de familie een joodse onderduiker in huis gehad. Als schokkend herinnert hij zich het gedwongen ontslag van een joodse onderwijzeres op zijn school.
Precies op zijn tiende verjaardag viel Hitler Rusland binnen. Of deze samenloop zijn interesse in het wereldgebeuren stimuleerde is onduidelijk. Zeker is dat hij sindsdien samen met zijn zeven jaar oudere broer Jan krantenknipsels verzamelde over de oorlogsontwikkelingen; een collectie die hij nog steeds met zorg bewaart. Als jong HBS-er werd hij lid van de Nederlandsche Jeugdbond voor Natuurstudie, een van de weinige organisaties die niet door de bezetter verboden was. Hoewel de doelstelling van de bond zonder meer gericht was op de flora en fauna, kreeg de club toch door het karakter van zijn leden een andere lading. Doordat radicale jongeren als de latere communist Wim Klinkenberg, de latere commissaris van de Koningin Roelof de Wit en de bioloog Dick Hillenius lid waren, kon men gerust van een broeinest van verzet spreken. Vonhoff werd op voorspraak van De Wit ('hij is politiek betrouwbaar') toegelaten tot de vogelwerkgroep.
Hij behaalde zijn HBS-A-diploma aan de Eerste Openbare Handelsschool aan het Raamplein in 1949. Aan de Universiteit van Amsterdam studeerde hij enkele jaren sociografie, een vak dat volgens de progressieve Amsterdamse school sociale geografie was, maar neigde naar de sociologie. Ontevreden over dit vak maakte hij in 1952 de overstap naar de studie geschiedenis. Aangezien de militaire dienstplicht hem onder de wapenen riep, trachtte hij zich het vak geschiedenis door eigen studie meester te maken. Dat lukte niet, zodat hij zich inschreef bij de Vrije Leergangen van de Vrije Universiteit. In 1958 behaalde hij de MO-akte, waarmee hij de bevoegdheid kreeg algemene geschiedenis te doceren, het jaar daarop ook de vaderlandse geschiedenis. In feite deed hij dat al sinds 1957, toen hij als onbevoegd leraar aan de 2e Driejarige HBS in De Zocherstraat in Amsterdam was gaan werken.
Inmiddels was Vonhoff al gehuwd man en vader. In 1953 was hij in het huwelijk getreden met Louise Luyendijk. Het gezin Luyendijk woonde in Limburg, omdat vader werkzaam was bij de Staatsmijn Maurits, maar het was van oorsprong afkomstig uit Holland en niet katholiek. Loes Luyendijk was in 1926 in Heerlen geboren. Haar vorming kreeg zij ook in Heerlen: eerst de middelbare school, daarna de opleiding tot huishoudkundige. In 1949 werd zij studente aan de sociale academie in Sittard, waar zij zich specialiseerde in het bedrijfsmaatschappelijk werk. Juist voor zij voor haar beroep -maatschappelijk werkster -naar Amsterdam zou gaan, ontmoette zij een studiegenoot van haar broer, Henk Vonhoff. Deze zorgde voor onderdak voor haar in Amsterdam. De meest praktische oplossing was: in het ouderlijk huis Vonhoff. Na haar opleiding functioneerde zij in verschillende bedrijven als maatschappelijk werkster.
Het huwelijk van Henk Vonhoff en Loes Luyendijk bracht drie kinderen voort: de dochters Yolande (1957) en Caroline (1958) en zoon Lubert-Jan (1961). Het gezin woonde eerst aan de Admiraal de Ruyterweg, verhuisde toen naar Amsterdam-Nieuwendam (Nibbixwoudstraat) en kreeg toen een woning aan de Willem Mollhof, een straat in Amsterdam-Slotervaart. Daarna woonden de Vonhoffs nog een klein jaar aan de Stadionkade in Zuid.
Te links voor de VVD
De politiek trok Vonhoff al vroeg. Gedurende de oorlogsjaren interesseerde hij zich oprecht voor de wereldgebeurtenissen. Zijn oudere broer Jan maakte hem enthousiast voor de politiek. Als jong HBS-er nam hij kennis van het plan-Bolkestein, een al uit 1939 daterend wetsontwerp van minister G. Bolkestein om het voortgezet onderwijs te herstructureren. Hij had hiertegen bezwaren en meldde zich in 1946 bij het secretariaat van de juist opgerichte Partij van de Arbeid. Daar werd hij de straat weer op gestuurd. Als vijftienjarige jongen -'mager, maar wel met die luide stem' -ging hij vervolgens naar de eveneens net opgerichte Partij van de Vrijheid. Het Kamerlid mevrouw A. Fortanier-De Wit zag wel wat in de jongeling en nodigde hem uit in haar huis in Amsterdam-Zuid. Het politieke vuur werd hem na aan de jonge schenen gelegd, maar mevrouw Fortanier nam hem serieus, hetgeen Vonhoff deed besluiten lid te worden van de Partij van de Vrijheid.
Prehistorie van de VVD
Voor een goed begrip van de naoorlogse situatie is enige kennis van de partijpolitieke verhoudingen in die tijd vereist. Vóór de Tweede Wereldoorlog waren twee partijen actief die hun kiezers zochten onder de niet-confessionelen en de niet-socialisten en die de vrijzinnigheid koesterden: de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) en de Liberale Staatspartij (LSP). De VDB was wat linkser georiënteerd dan de LSP. Al gedurende de oorlog waren in het gijzelaarskamp in St. Michielsgestel door de daar geïnterneerde politici (zoals dr. W. Banning -SDAP -, prof. mr. P. Lieftinck - CHU -, prof. dr, ir. W. Schermerhorn en mr. dr. A.M. Joekes -VDB - en de Nederlandsche Unie-leden prof. dr. J.E. de Quay en mr. L. Einthoven) ideeën ontwikkeld om na de herwonnen vrijheid te komen tot een doorbraak in de verzuilde politieke structuren. De gedachte was zelfs één nationale volksbeweging op te zetten, maar dit initiatief kreeg onvoldoende bijval.
Zowel de LSP als de VDB herstelden zich na de oorlog. De eerstgenoemde bleef een zeer behoudende koers varen, terwijl de VDB zich als progressief profileerde. De belangrijke voorman was de burgemeester van Rotterdam, mr. P.J. Oud. Na uitgebreide discussies besloot de VDB in 1946 met de SDAP een brede volkspartij te formeren, die de naam Partij van de Arbeid kreeg.
De LSP kwam aldus enigszins in een isolement, tot verdriet van met name de jongeren, verzameld in de jongerenorganisatie Bond van Jonge Liberalen (BJL). Op instigatie van vooral drs. H.A. Korthals werd mr. D.U. Stikker, directeur van de Heineken Brouwerij, benaderd om als vlag op een nieuw partij-schip te dienen: de Partij van de Vrijheid (PvdV). De LSP stemde in met de oprichting van deze nieuwe partij, die in maart 1946 zijn beslag kreeg. De oude liberalen hieven zich vervolgens zelf als partij op.
Bij de eerste naoorlogse verkiezingen in mei 1946 verwierf de nieuwe partij ruim 6% van de stemmen, ofwel zes (van de honderd) zetels in de Tweede Kamer. De eveneens nieuwe Partij van de Arbeid kreeg 29 zetels.
Van deze PvdV werd Vonhoff dus als zeer jong broekje lid. Al in 1947 werd hij op kadercursus gestuurd in het chique Americain-hotel.
In het najaar van 1947 stapte Oud uit de Partij van de Arbeid, die hem niet bracht wat hij ervan verwacht had. Hij zocht toenadering tot de PvdV, waar hij met open armen werd ontvangen. Een Comité tot voorbereiding van de oprichting van een Democratische Volkspartij, het Comité-Oud genoemd, en de PvdV gingen in onderhandeling, hetgeen op 24 januari 1948 resulteerde in de totstandkoming van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD). Voorzitter werd na enkele maanden Oud. De jonge Vonhoff ondersteunde deze ontwikkeling door zijn lidmaatschap van de VVD, evenals van de in 1949 opgerichte Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie (JOVD).
Eerste bestuursactiviteiten
In 1952, op zijn 21e jaar, werd hij verkozen tot bestuurslid van de afdeling Amsterdam van de VVD. Bij die gelegenheid ontmoette Vonhoff ook de VVD-voorman Oud voor het eerst. Oud kwam in Amsterdam enkele dagen vóór de verkiezingen speechen. Het verslag van zijn rede in Het Parool was echter zo slecht dat het de VVD eerder kwaad dan goed zou doen. In allerijl regelde Vonhoff, in overleg met Oud, een rectificatie, die nog juist op tijd gepubliceerd werd. Vanaf die tijd onderhielden beiden de contacten.
Het ging de VVD in de jaren vijftig voor de wind. Het ledental groeide van ruim 22.000 in 1948 tot ongeveer 35.000 in 1959 en het aantal zetels in de Tweede Kamer nam toe van 8 tot 19 (waarbij er rekening mee gehouden moet worden dat in 1956 er 150 in plaats van 100 zetels te vergeven waren). Ook de Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie (JOVD) groeide van 350 bij de oprichting tot zo 'n 2000 in 1960.
De bezielende en straffe leiding van Oud heeft deze gunstige ontwikkeling zeker gestimuleerd. Aan het einde van het decennium traden er echter krimpscheuren in de partij op, die al spoedig tot grote beroering leidden. Aanleiding was de diepe kloof tussen de voorzitter van de Eerste Kamerfractie en ondervoorzitter van de VVD, mr. Harm van Riel, en de voorzitter van de Tweede Kamerfractie en partijvoorzitter Oud. Van Riel wilde na de verkiezingen van 1959 wel minister worden, eventueel ook wel partijvoorzitter, maar Oud achtte dat een bijzonder ongewenste zaak. De tegenstelling tussen beide voormannen, gevoed door het verlies bij de Provinciale Statenverkiezing van 1962 en actuele politieke zaken als de Nieuw-Guinea-kwestie in 1962, deden de roep om verandering in de partij steeds luider klinken. Vernieuwingsgezinde partijleden (oud-leden van de JOVD en mensen rond Liberaal Reveil) onder aanvoering van dr. H.J. Roethof verenigden zich in het Liberaal-Democratisch Centrum. Ook de kamercentrales en afdelingen gingen zich met de gang van zaken bemoeien. Uit deze geledingen kwamen ook de vooruitstrevende nieuwlichters, zoals Vonhoff uit Amsterdam en mr. Frits Korthals Altes, die in Rotterdam werkzaam was.
Beide ambitieuze jonge mannen werden in die tijd beschreven als 'rebels' en 'links'. Vonhoffs thuisbasis, de afdeling Amsterdam, stond bekend als een conservatief bolwerk. Toen hij er in 1959 afdelingssecretaris werd, sprak men van een omslag naar 'links' die in Den Haag met argusogen werd bekeken.
De controverse Oud-Van Riel ging gaandeweg over in een tegenstelling tussen partijbestuur en kamercentrales, in welke laatste rebellen als Vonhoff en Korthals van zich lieten horen. De kamercentrales eigenden zich bij de opvolging van Oud meer macht toe dan waarop ze in wezen recht hadden. De cumulatie van functies die in het conflict tussen Oud en Van Riel zo bepalend was geweest, werd aangepakt en een reorganisatie van de partijstructuur werd in 1962 vastgelegd. De kamercentrales kregen een vaste vertegenwoordiging in het hoofdbestuur van de partij. Voorzitterschap van partij en kamerfracties werd onverenigbaar verklaard. Als opvolgers van Oud werd een beroep gedaan op mr. E.H. Toxopeus, die bereid bleek als lijsttrekker van de VVD in de verkiezingen van 1963 te willen optreden. Prof. dr. H.J. Witteveen werd genoemd als nieuwe partijvoorzitter, maar zover kwam het niet: zowel Toxopeus als Witteveen werden minister. Ir. K. van der Pols werd partijvoorzitter.
De jongeren uit de kamercentrales, Vonhoff en Korthals Altes, kregen als assessor in het dagelijks bestuur de kans om hun kritiek in daden om te zetten. Sommige leden als mr. H.P. Talsma en de oud-minister S.J. van den Bergh vonden vooral Vonhoff te links. Oud wilde echter ook de afdeling Amsterdam, in een paar jaren van conservatief tot roerig geworden, in het bestuur vertegenwoordigd hebben.
In de jaren 1963-1971 was Vonhoff lid van het dagelijks bestuur van de VVD. Het bestuur was vrijwel geheel vernieuwd. Lid waren onder anderen de partijvoorzitter Van der Pols, de burgemeesters jhr. mr. W.H.D. Quarles van Ufford en drs. J.A.F. Roelen, en mr. F. Korthals Altes.
Vonhoff en Korthals Altes kregen de handen vrij om de organisatie van de partij te verbeteren. Een enquête onder de leden had in 1965 duidelijk gemaakt dat dat gewenst was. Ledenwerving en propaganda werden dan ook meer gecentraliseerd en gemoderniseerd onder leiding van Vonhoff. Hij was ook secretaris voorlichting van de VVD. Direct in 1963 en 1964 richtte het bestuur een radio- en televisiecommissie en een landelijke propagandacommissie op, waarvan Vonhoff ook de leiding kreeg.
Dat een verjonging nodig was, bleek wel uit het feit dat een in 1966 opgerichte partij van jonge democraten veel leden van de VVD wegtrok. Misschien was de kritische generatie net te laat opgekomen om het succes van D66 te verhinderen. Dat het de partij wakker schudde, is duidelijk.
Op voorstel van Vonhoff in 1967 werd in 1969 besloten tot centralisatie van ledenadministratie en contributie-inning. Daarmee, en met contributieverhoging, trachtte het bestuur een eind te maken aan de moeilijke financiële situatie, waarin de partij verkeerde.
Daarnaast probeerde men het partijkader meer te activeren. Door regionale kadercursussen en een grotere doorstroming in landelijke commissies en plaatselijke besturen moest er meer leven in de brouwerij komen. Lastig element bleef voortdurend dat liberalen zich per definitie niet graag laten organiseren,
In 1969 werd de VVD de eerste politieke partij in Nederland met een vrouwelijke voorzitter. Als opvolgster van Van der Pols werd mevrouw Haya van Someren-Downer gekozen, een ervaren politica.
Auteur
Zijn (actieve) politieke belangstelling wist Vonhoff ondertussen te koppelen aan wat men van een in de geschiedbeoefening opgeleide verwacht: onderzoek en publicatie. Weliswaar was Vonhoff tot leraar geschiedenis gevormd en niet tot wetenschapper, toch beschouwde hij het als een uitdaging om van zijn belangstelling en zijn kunnen op schrift gewag te doen. In 1965 verscheen zijn boek De zindelijke burgerheren. Een halve eeuw Liberalisme bij uitgeverij Hollandia in Baarn. In deze studie verdiepte Vonhoff zich in het liberalisme in de eerste helft van de twintigste eeuw, de tijd dat de liberalen nog 'zindelijke burgerheren' waren, zoals de dichter Jan Greshoff ze beschreef. Burgerheren 'die geen flauwe notie hebben van wat werkelijk leeft bij "de mindere man"', aldus Vonhoff. Een tijd ook van schijnzekerheid, 'omdat de wezenlijke ontmoeting met de andersdenkende werd vermeden'. Daarmee toonde Vonhoff zijn links-liberale gezicht.
Een tweede boek verscheen in 1969: Bewegend verleden. Een biografische visie op prof. mr. P.J. Oud. Uitgever Samsom in Alphen aan den Rijn had Vonhoff na het overlijden van Oud in 1968 benaderd voor het schrijven van een biografie over deze liberale staatsman. In feite had Vonhoff al een basis hiervoor gelegd in een reeks gesprekken, die hij in 1967 en 1968 met prof. Oud had gevoerd. Oud was toen erevoorzitter van de VVD en Vonhoff lid van het dagelijks bestuur. Zoals te verwachten stak hij zijn bewondering voor Oud niet onder stoelen of banken. Toch vindt hij zijn boek geen hagiografie (de beschrijving van een heiligenleven), zoals hem wel eens verweten is. Oud was een persoon van onvergelijkbare statuur. Alleen al de periode waarin hij Kamerlid was (1918-1963, zij het niet onafgebroken) is niet geëvenaard.
Het gelijk der ketters
De voorspoedige ontwikkeling van de ambtelijke carrière van Vonhoff maakte dat zijn activiteiten voor de VVD een ander karakter kregen. Vanuit zijn persoonlijke belangstelling bleef hij eerst lid en werd hij in 1975 voorzitter van de Landelijke Onderwijscommissie in de partij. De opzet was de kamerfracties en het hoofdbestuur te adviseren over onderwijsproblemen. Vonhoffs werk bestond vooral uit de organisatie van de landelijke discussie. De LOC werd gevormd door een aantal secties voor de verschillende soorten onderwijs. Vertegenwoordigers van deze secties vormden met deskundigen en Kamerleden de plenaire commissie. In 1976 bracht de LOC de nota Om de vrijheid uit, een discussienota over het voortgezet onderwijs.
Diezelfde belangstelling was er voor het jeugd- en jongerenwerk. Van de in 1974 opgezette Commissie Jeugd- en Jongerenwerk werd Vonhoff eveneens voorzitter. De commissie moest vooral het VVD-standpunt op dit terrein formuleren.
Het links-liberalisme is Vonhoff steeds blijven propageren binnen zijn partij. In 1975 voegde hij zich in de rij VVD-coryfeeën die toenadering tot de PvdA bepleitten. In de jaren zeventig waren dat vooruitstrevende liberalen als Keja, Jacobse, de jonge Nijpels en mevrouw Kappeyne van de Coppello. Deze progressieven uit de VVD kwamen in Hotel Des Indes geregeld bijeen met leden van PvdA en D66 om over actuele politieke zaken te spreken. Sinds Oud echter in 1959 verklaard had niet in één kabinet met de PvdA te willen zitten, zat de deur naar de socialisten hermetisch dicht. Het zou tot 1994 duren voordat VVD en PvdA elkaar in een kabinet vonden, hetgeen Vonhoff van harte toejuichte en in een 'paars' jubileumboek nog eens kracht bijzette onder de titel 'Het gelijk der ketters'.
Van leraar tot Commissaris
Ook al was Vonhoff in 1957 van beroep leraar geworden, de samenleving bood veel meer uitdagingen dan alleen jonge Amsterdammers inzicht in de geschiedenis te geven. De organisatie van het onderwijs bijvoorbeeld, waarmee hij zich als vijftienjarige al beziggehouden had, was zo'n uitdaging.
Gedreven door zijn politieke belangstelling bemoeide hij zich nadrukkelijk met de vernieuwingen in het voortgezet onderwijs. Zo was hij in 1965 betrokken bij de eerste experimentele HAVO in Amsterdam. De in 1963 in het Staatsblad verschenen 'Mammoetwet' bracht grote veranderingen in structuur en inhoud van het onderwijs. Tot 1968 was er de tijd om hiermee ervaring op te doen.
Vonhoffs -naar zou blijken -laatste middelbare school was de Osdorper Scholengemeenschap in de nieuwe woonwijk Amsterdam-Osdorp. Een slecht georganiseerde school, in zijn herinnering, die hij in 1967 zonder spijt verliet om zich volledig toe te leggen op het lidmaatschap van de Tweede Kamer.
Vonhoffs echtgenote was overigens politiek minstens even actief. Begaan, als maatschappelijk werkster, met verschillende misstanden werd haar al snel duidelijk dat veranderingen in de politiek gerealiseerd moesten worden. Haar werk, alsmede lidmaatschappen van Humanitas en het Humanistisch Verbond, waren uitstekende entrees in het gemeentebestuur. In 1966 werd zij voor de VVD gekozen in de gemeenteraad van Amsterdam. Haar engagement en het feit dat een moeder van drie kleine kinderen zich politiek wilde inzetten, zijn van doorslaggevende betekenis voor haar verkiezing geweest. In de gemeenteraad maakte zij hectische tijden mee (zoals het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus in 1966, de bezetting van de universiteit, de grote onrust die er in die jaren in de samenleving was) en boeiende mensen als burgemeester Van Hall, kabouter Roel van Duyn en (toen) VVD-voorman Hans Gruyters.
Tweede-Kamerlid
In 1967 werd Vonhoff in de Tweede Kamer der Staten-Generaal verkozen. Hij maakte deel uit van een groep nieuwelingen als mr. A. Geurtsen, mr. J.G. Rietkerk, mw. mr. E. Veder-Smit en H. Wiegel. Vonhoff kreeg de beleidsterreinen defensie, cultuur, recreatie en maatschappelijk werk alsmede onderwijs en de koninkrijkszaken in de portefeuille (zij het deels met andere Kamerleden).
Het waren niet de gemakkelijkste terreinen voor een volksvertegenwoordiger. Immers, in zijn termijn van vier jaren deden zich belangrijke ontwikkelingen voor in een toch al roerige tijd. Zo kreeg hij te maken met een onrustig Europa, met als dieptepunt de invasie van de Russen in Tsjechoslowakije in 1968. De slechte economische situatie op Curaçao leidde in 1969 tot heftige onlusten, die de Nederlandse regering slechts kon onderdrukken door de zending van mariniers. De dienstplichtige soldaten gingen mee in de revolutionaire stromen van die jaren en wensten hun superieuren niet te groeten en hun haren niet te laten knippen. De Vereniging van Dienstplichtige Militairen (VVDM) werd in die jaren een geduchte tegenstander.
Zijn debuut maakte hij met de behandeling van de Woonwagenwet in de Tweede Kamer. Later was hij ook woordvoerder in het omroepdebat met minister Klompé. Vanouds al hadden de media zijn belangstelling en in de VVD had hij baanbrekend werk verricht. Samen met mw. Van Someren-Downer en mr. H. van Riel had Vonhoff een belangwekkend rapport over de media geschreven: Radio en televisie. Uitdaging en hulpmiddel. Internationale ervaring deed hij op als lid van het NATO-parlement en op een 45-daagse studiereis in 1968 door Noord- en Midden-Amerika. Met zijn 1atere ambtsgebied Groningen kreeg hij te maken doordat hij zich sterk maakte voor de reconstructie van de vesting Bourtange en doordat CHU-Kamerlid H. Kikkert in Oost-Groningen een militair oefenterrein wilde vestigen.
Hoewel de jaren 1967-1971 in de geschiedenis als bijzonder roerig bekend staan, slaagden regering (het kabinet-De Jong) en parlement erin de gevolgen van deze periode soepel op te vangen. Openheid en democratisering deden alom hun intrede in de samenleving en de permissive society werd voltooid.
Zijn eerste periode als Kamerlid maakte Vonhoff duidelijk dat de volksvertegenwoordiging een zware baan is. De vele politieke vergaderingen vragen tijd en energie, maar ook de contacten met de individuele burgers en met de stands- en belangenorganisaties. De burger tracht zijn gelijk te halen door een Kamerlid voor zijn karretje te spannen, al was het maar om onder de dienstplicht uit te komen. De organisaties willen de door hen verdedigde en voorgestane belangen zo goed mogelijk gerealiseerd zien en volgen het daarvoor meest geschikt geachte Kamerlid bij wijze van spreken dag en nacht. De maandagen en vrijdagen waren de dagen waarop de spreekbeurten in het land gehouden werden. Met mw. Van Someren-Downer was Vonhoff de meest gevraagde spreker. Was het bovendien verkiezingstijd, dan waren 48 spreekbeurten in vier weken geen uitzondering. Zijn populariteit werd vergroot door de column, die hij twee jaar lang (1968-1970) in het Algemeen Handelsblad schreef en waarin hij de kans kreeg zijn politieke mening uit te dragen. Zijn privéleven moest hij echter afschermen met een antwoordapparaat op de telefoon.
Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk
Bij de Tweede-Kamerverkiezingen in 1971 kwam er een VVD-lijst tot stand met onder anderen De Koster, Vonhoff en Wiegel. In de coalitie van ARP, CHU, KVP en VVD bleken na de verkiezingen twee zetels tekort voor een meerderheid in de Kamer. DS '70 kreeg een sleutelpositie en trad toe tot het kabinet met harde eisen ten aanzien van sanering van overheidsuitgaven, loonbeleid en bestrijding van de inflatie. Het lukte formateur Biesheuvel op 6 juli 1971 een vijfpartijenkabinet tot stand te brengen, waarvan hij zelf de leiding zou nemen. Vonhoff werd, onder minister P.J. Engels, staatssecretaris op het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Zijn portefeuille omvatte Jeugdzaken, volksontwikkeling en sport; Natuurbehoud en openluchtrecreatie en Musea, monumenten en archieven. Op 28 juli 1971 werd hij benoemd. Zijn collega-staatssecretaris mw. S. van Veenendaal-Van Meggelen had vooral het maatschappelijk werk tot taak. In de Tweede Kamer werd H. Wiegel fractievoorzitter.
Gedreven ging Vonhoff aan de slag. In zijn ambtsperiode werd een nieuwe Bibliotheekwet ingediend bij de Kamer en kwam de Wet op de Bibliotheekraad tot stand. Hij gaf een eerste aanzet tot een concrete monumentenbescherming door de instelling van een nationale contactcommissie. Hij installeerde de Commissie Nationale parken en landschapsparken, die de regering moest adviseren over een natuurbeschermingsbeleid dat rekening hield met landbouw- en landschapsbelangen. Voor het eerst in de geschiedenis maakte Vonhoff, samen met de interim-minister van Landbouw J. Boersma, gebruik van het kapverbod door de gemeente Neede te verbieden bomen te rooien langs een bochtige verkeersweg.
Gedurende zijn periode werden de zo dramatisch verlopen Olympische Spelen van 1972 in München gehouden. Dramatisch was ook de samenwerking in het kabinet-Biesheuvel. In de zomer van 1972 stapten de DS'70 ministers Drees en De Brauw uit de regering, omdat zij zich niet in het beleid konden vinden. Achter de schermen bleken de controverses tussen de verschillende ministers (met als dieptepunt die van Boersma-De Brauw), de onervarenheid van de DS'70-bewindslieden en het weinig succesvolle leiderschap van Biesheuvel de ware redenen voor deze flop. Voor Vonhoff was de val van het kabinet - voor het bericht waarvan hij 's nachts uit bed gebeld werd - een enorme kater. Weliswaar bleef de regering vooralsnog zitten en werden nieuwe verkiezingen uitgeschreven, maar de aanpak van een daadkrachtig beleid werd hem als het ware uit de handen geslagen. Formeel tot 11 mei 1973 bleef hij in functie, waarna de uitslag van de verkiezingen de VVD in de oppositiebanken dwong en Vonhoff zich in deze situatie voegde.
Een troost was zijn onderscheiding in dat jaar tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.
Burgemeester van Utrecht
De burgemeester is voorzitter van de gemeenteraad en voorzitter van het College van Burgemeester en Wethouders, aldus de wet. In de raad heeft de burgemeester slechts een raadgevende stem, in het college stemt hij wel gewoon mee. De burgemeester wordt nog steeds benoemd door de Kroon. Achter deze schijnbaar eenvoudige regels schuilt bijna een bibliotheek aan staatsrecht. De opzet van de wet was namelijk ervoor te zorgen dat de burgemeester enerzijds - als lid van het college -verantwoording schuldig is aan de raad, maar anderzijds - als voorzitter van de raad en door de Kroon benoemd - boven de partijen staat. Vonhoff is het steeds van harte met deze opzet eens geweest en heeft zich altijd zeer legistisch opgesteld. Hij was een fervent tegenstander van de gekozen burgemeester.
Toch ging er aan zijn benoeming tot burgemeester van Utrecht in 1974 een nieuwigheid vooraf. Voor het eerst kreeg de gemeenteraad de mogelijkheid 'zijn gevoelens kenbaar te maken met betrekking tot de aan de te benoemen burgemeester te stellen eisen van bekwaamheid en geschiktheid', de profielschets dus. Bovendien werd voor de eerste keer de gelegenheid gegeven te solliciteren, hetgeen voor het ambt in een grote stad tot dan toe nooit gebeurde. Uit de belangstellenden voor de functie, zoals de toenmalige burgemeester van Zwolle Drijber, secretaris-generaal Nord en Eerste-Kamerlid Vergeer, kwam Vonhoff als eerste keus om burgemeester H.G.I. baron van Tuyll van Serooskerken op te volgen. De reacties waren niet direct enthousiast. Niet zozeer om de persoon van Vonhoff als wel om de partij waartoe hij behoorde, de VVD. Vonhoff had daar begrip voor, maar stelde de bevolking gerust met de woorden: 'ik zie het niet als mijn taak om de politieke signatuur van het stadsbestuur om te buigen in de richting van mijn inzichten'.
Boven de partijen staan, objectieve leiding, begrip zijn de kenmerken die Vonhoff als burgemeester ten toon gespreid heeft. Zelfs de enige communist in de raad, B.J. Schreuders, waardeerde hem als 'een vriendelijke man, die met de nodige objectiviteit leiding geeft aan de raad en het college' en 'nooit onderscheid maakt, wat zijn aandacht betreft, tussen grote en kleine fracties '. Een geobjectiveerde subjectiviteit, noemde Vonhoff het zelf in zijn installatierede op 19 augustus 1974.
Hij werd voor de Utrechtenaren een burgervader. De man die, toen een adjudant van politie door een RAF-terrorist werd doodgeschoten, zelf de zwangere echtgenote van de politieman ging meedelen dat de baby nooit een vader zou hebben. De man ook die persoonlijk een kraker uit het Utrechtse muziekcentrum verwijderde.
De zes jaren dat hij burgemeester van Utrecht was, waren voor de stad belangrijke jaren. Utrecht werd daadwerkelijk de vierde stad van Nederland, met alle lusten en lasten van dien. 'Utrecht is een grote stad en de Utrechters zullen aan die gedachte moeten wennen', zei hij meermalen. Utrecht ging deelnemen aan het vier-grote-steden-overleg, waarin gemeenschappelijke zaken als stadsvernieuwing, werkloosheid, minderhedenproblematiek, verslaving en vandalisme werden besproken en aan de regering voorgelegd.
De uitbreiding en vernieuwing van de stad kreeg voor een belangrijk deel zijn beslag in Vonhoffs periode. Het winkel- en kantorencentrum Hoog-Catharijne werd voltooid, de gemeentegrens werd verlegd ten behoeve van het universitaire centrum 'De Uithof' en er werd een begin gemaakt met de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk Lunetten. Het Muziekcentrum Vredenburg wordt gebouwd en het Domplein wordt autovrij. De raillijn naar Nieuwegein werd aangepakt. Binnen het gemeentelijk apparaat vinden grote reorganisaties plaats. Per 1 januari 1977 werden het Gemeentelijk Energie Bedrijf en het Gemeentelijk Vervoerbedrijf Utrecht ingesteld als twee afzonderlijke bedrijven. Een jaar later begon men aan de samenvoeging van de Gemeentelijke Dienst Openbare Werken en de Bouw- en Woningdienst tot de Dienstenstructuur ROVU. Ook in 1978 gaf de minister van Onderwijs toestemming tot de bouw van een nieuw Academisch Ziekenhuis.
Wat was nu de rol van de burgemeester in al deze zaken? Niet een individuele in elk geval, maar wel een aandeel in de gemeenschappelijke taak. Als initiator en coördinator was Vonhoff van belang om projecten op gang te krijgen of een extra zetje te geven. De weg naar Den Haag was voor Vonhoff geen onbekende en dat heeft Utrecht geen windeieren gelegd.
Zoals voor elke burgemeester gold voor Vonhoff de representatie als betekenisvolle 'eigen' taak, in al zijn variëteiten. Van het bezoeken van honderdjarigen tot het bijwonen in 1975 van het huwelijk van prinses Christina en Jorge Guillermo in de Dom. En natuurlijk de herdenking in 1979 van de Unie van Utrecht, een groots opgezet feest met een landelijke betekenis.
Op 12 december 1980 nam Vonhoff afscheid van de Utrechtse gemeenteraad, waarbij hij uit handen van wethouder Pot de zilveren stadsmedaille ontving.
Mevrouw Vonhoff was overigens ook niet stil blijven zitten. Na haar, door de verhuizing gedwongen, afscheid van de Amsterdamse gemeentepolitiek in 1974 kwam zij spoedig op de kandidatenlijst voor de Eerste Kamer. Bij de verkiezingen in 1978 veroverde zij een zetel in de senaat, die zij tot 1991 niet meer afstond. Weliswaar scheelde dat in 1987 maar een haartje, maar voorkeursstemmen van met name vrouwelijke Statenleden hielden haar op het pluche.
Commissaris van de Koningin in de provincie Groningen
De stap van Utrecht naar Groningen was voor Vonhoff niet gemakkelijk. Niet zozeer om Groningen als wel om Utrecht: hij en zijn familie hadden het er naar de zin en hij voelde er weinig voor de Utrechters al na zes jaren in de steek te laten. Maar toen de zittende Groninger commissaris Toxopeus per 1 november 1980 naar de Raad van State ging, werd een VVD-er van formaat gezocht om hem op te volgen. Toxopeus: 'Ik heb de minister geadviseerd: er moet hier een vent komen, die niet gemakkelijk van zijn stuk te brengen is.' De Friese commissaris Rijpstra en de Groninger burgemeester Buiter vonden dat Vonhoff de geschikte man was. Ook minister van Binnenlandse Zaken en partijgenoot Wiegel vond dat. Onder zware druk zwichtte hij tenslotte, mede gesteund door de bemoedigende woorden van de Utrechtse oud-commissaris Verdam: 'een burgemeester houdt zich bezig met kleine zaken, een commissaris met grote'. Met ingang van 15 december 1980 werd Vonhoff commissaris van de Koningin in de provincie Groningen. Het gezin verhuisde van de fraaie Utrechtse Koningslaan naar de stijve en wat verwaarloosde ambtswoning aan de Marktstraat in Groningen.
De positie van de commissaris van de Koningin in de provincie is vergelijkbaar met die van burgemeester in de gemeente. In die zin was de overstap die Vonhoff in 1980 maakte van Utrecht naar Groningen, niet zo'n grote. In feite is het een dubbelfunctie: rijksambtenaar en provinciaal bestuurder. 'Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn ambtseed, waarin hij belooft dat hij het belang van de provincie met al zijn vermogens zal voorstaan en bevorderen', aldus Vonhoff zelf. Voorzitter van provinciale staten met raadgevende stem, voorzitter van gedeputeerde staten met stemrecht. Een bijzondere taak gaf zijn instructie hem in geval van (dreigende) rampen. Verder moest hij de samenwerking tussen de in de provincie werkzame rijksambtenaren bevorderen, de gemeenten in de provincie regelmatig bezoeken en aanbevelingen doen bij burgemeestersbenoemingen. Maar misschien nog wel meer dan binnen de provincie lag het belang van de commissaris buiten de provincie: hij had de contacten in Den Haag, hij kreeg door zijn gewicht en reputatie deuren open die voor een gewone gedeputeerde gesloten bleven, hij had een nationaal en internationaal netwerk dat van pas kwam.
De wezenlijke taak van de commissaris is dus eigenlijk de coördinatie van werkzaamheden en de bevordering van samenwerking en een goede werksfeer. Dat dit geen loze kreten waren, merkte Vonhoff direct bij zijn aantreden al. De Staten hadden een hectische periode achter de rug, waarin in drie jaar drie verschillende colleges van gedeputeerde staten waren geformeerd. In 1978 was er een scheuring opgetreden in de PvdA en waren drie verontruste PvdA-Socialisten zelfstandig verder gegaan. De laatsten, met gedeputeerde mw. I. Martens, wilden wel het PvdA-programma uitvoeren, maar geen PvdA zijn. De PvdA-gedeputeerden weigerden in het college te stappen. De situatie werd uiteindelijk volstrekt onwerkbaar: 'toestanden die deden denken aan bananenrepublieken', aldus een Statenlid later. In september 1980 kwam een eind aan de CDA- VVD-VPS-coalitie. Spoedig waren CDA, VVD en PvdA het eens over een nieuw college, vlak voordat de nieuwe commissaris aan zijn taak kon beginnen.
Gegeven de moeilijke politieke verhoudingen probeerde Vonhoff een sfeer te creëren, waarin de persoonlijke relaties tussen de leden van gedeputeerde staten goed waren. Daarmee werd in elk geval een werkbare situatie bereikt waarin het college besluiten kon nemen.
De ontvangst in Groningen was hartelijk en -letterlijk -kleurig. Direct na zijn installatie werd Vonhoff vanaf de publieke tribune van de Statenzaal bekogeld met een verfbom van een verwarde actievoerder. Politiek Groningen verwachtte veel van de nieuwe commissaris. De sociaal-economische situatie in de provincie gaf ook alle aanleiding tot actie: grote werkloosheid, afnemende industriële bedrijvigheid, weinig structurele hulp uit Den Haag.
De zestien jaren van Vonhoff in Groningen hebben inderdaad een verbetering gebracht, zij het wellicht niet het rendement dat men verwacht had. De achteruitgang van de industrie is tot staan gebracht: de Avebe herstelde zich, ondanks het ongezuiverde afvalwater dat zich een weg door de Groninger kanalen zocht. Als 'dank' werd een grote waterzuivering tot stand gebracht. De sanering in de scheepsbouw werd voltooid. De industrie in Delfzijl (AKZO, Aldel) herstelde zich, Philips bleef in Groningen, nieuwe overheidsdiensten kwamen naar Groningen. Na de Rijksdienst voor het Wegverkeer in Veendam, de Centrale Archiefselectiedienst in Winschoten, de Informatiseringsbank in Groningen, zou de PTT de grootste vis worden die Groningen moest vangen.
Voor de verhuizing van (een groot deel van) de PTT in het kader van de spreiding van rijksdiensten heeft Vonhoff in de eerste jaren van zijn commissarisschap zijn nek uitgestoken. Toen partijgenote minister mw. Smit-Kroes in 1984 openlijk vraagtekens zette bij de wenselijkheid van deze operatie, aarzelde hij niet de bewindsvrouwe 'illoyaliteit en onbetrouwbaarheid' te verwijten. In de Tweede Kamer zei de minister zich beledigd te voelen en de uitspraken van Vonhoff niet te accepteren. Bemiddeling van de partijtop was nodig om beide VVD-ers weer tot elkaar te brengen.
De verplaatsing van de PTT is doorgegaan mede dankzij het gewicht van de Groninger commissaris. 'Ik geloof dat de volhardendheid van Groningse kant in deze zaak een breder belang heeft gediend dan alleen het Groningse. Dat mag best eens gememoreerd worden. Je moest wel volhouden, al was het maar om aan te tonen dat bestuur - gecontroleerd bestuur - in Nederland nog altijd de dienst uitmaakt.' Het belang dat Vonhoff eraan hechtte was zelfs een van de redenen waarom hij in 1986 niet inging op de uitnodiging om minister van Defensie te worden in het kabinet-Lubbers.
Toch vond hij een minstens zo groot resultaat de vergoeding die Groningen zou krijgen voor de bodemdaling ten gevolge van de aardgaswinning: 'dat is van een gigantische omvang'.
Behoud van werkgelegenheid was het thema dat de Groninger commissaris steeds bezighield. Ook het 'Herenakkoord' van 1989 past in dat kader. Bezuinigingen, vanuit 'Den Haag' opgelegd, maakten ingrepen in de noordelijke onderwijs- en cultuurwereld noodzakelijk. De uitkomst van veel gepuzzel en overleg was dat het landbouwonderwijs en de lerarenopleiding in Leeuwarden geconcentreerd zouden worden en culturele organisaties als het Noordelijk Filharmonisch Orkest in Groningen. Ook de colleges van GS waren hiermee akkoord, de commissarissen Vonhoff en Wiegel zouden het akkoord bekrachtigen. Ondanks vele protesten werden de afspraken in de eerste helft van de jaren negentig uitgevoerd.
Reorganisatie omwille van bezuiniging en vergroting van de effectiviteit kan men de gemeentelijke herindeling noemen, die in 1989 werd voltooid. De herindeling leidde in elk geval tot vermindering van het aantal burgemeesters, voor welke functionarissen de commissaris toch een speciale verantwoordelijkheid draagt. Het aantal gemeenten werd teruggebracht van 50 tot 25, de burgemeesters voor wie geen stoel meer was, kregen mede dankzij Vonhoffs inzet een nieuwe functie. Zoals Vonhoff in Utrecht een historische manifestatie opzette ter herdenking van de Unie van Utrecht, zo wilde hij dat ook in Groningen ter gelegenheid van '400 jaar Reductie van Groningen '. Aangezien Stad en Lande van Groningen in 1594 als gewest werden toegevoegd aan de Republiek der Verenigde Nederlanden, was een 'provinciale viering met landelijke uitstraling' op zijn plaats. Een reprise van 1979 in Utrecht werd het niet, onder andere door tegenwerking van 'Den Haag' waar men de landelijke betekenis van de Reductie niet kon inzien. De komst van de koningin bij de opening van de festiviteiten in mei 1994 maakte echter veel goed.
Heeft Vonhoff waar gemaakt wat de provincie van hem verwachtte? Latere geschiedschrijvers zullen het oordeel vellen. Zelf relativeert hij zijn rol: 'Een commissaris van de Koningin, en dat geldt ook voor mij, werkt meer op de achtergrond. Hij initieert meer. Zet langere lijnen uit. En als iets goed afloopt, als er iets rondkomt, dan geeft dat een geweldige arbeidsvreugde. Dat kan de vestiging van een nieuw bedrijf zijn, een financieringsregeling, of om een concreet voorbeeld te
geven het bezoek aan Groningen van de West-Duitse president Von Weizsäcker.
Zou Thorbecke tevreden zijn?
De carrière van Vonhoff vertoont, achteraf gezien en tot dit moment, een ordelijk verloop: leraar, Kamerlid, staatssecretaris, burgemeester, commissaris van de Koningin. Niet bepaald 'van 9 tot 5'-functies, eerder tijd- en energievretende ambten. Toch had Vonhoff daar niet genoeg aan. Al van jongs af werd hij 'gehinderd' door een grote nieuwsgierigheid en een brede belangstelling, die hij niet geheel kon bevredigen in zijn werk.
Al in de jaren vijftig combineerde hij (de opleiding tot) het leraarschap met activiteiten in de Amsterdamse VVD en onder andere de voetbalsport. In 1961 werd hij bestuurslid, in 1963 vice-voorzitter van de Consumentenbond, een sterk in opkomst zijnde organisatie die de belangen van de consument wilde behartigen. Daarnaast was hij ook bestuurslid van de Stichting Humanistisch Thuisfront en de Militaire Tehuizen. Zijn behoefte om 'schoolmeester' te zijn leefde hij tussen 1965 en 1970 uit bij de prof. Idenburgstichting (voor schooldifferentiatie en beroepskeuze-adviezen), bij de oprichting van de stichting Burgerschapskunde (bevordering van cursussen op het gebied van burgerschapskunde) en bij het Nutsseminarium van de Universiteit van Amsterdam (her- en bijscholing van leraren). Maar ook het Zuid-Afrika-comité, onder leiding van mede-Kamerlid Voogd, mocht op zijn actieve inzet rekenen.
Tijdens zijn staatssecretarisschap had Vonhoff museum en park De Hoge Veluwe van een faillissement gered door een meer zakelijke aanpak aan te bevelen. Deze redding werd nadien 'beloond' met de functie van voorzitter van de stichting Nationaal Park De Hoge Veluwe. Tegelijkertijd zocht de Vereniging Nederlandse Frisdrankenindustrie, waarin de concurrentie toen hevig was, een onafhankelijk voorzitter. Vonhoff liet zich paaien. Onder zijn voorzitterschap viel een enorme ledenterugval te constateren; niet uit onvrede, maar omdat de bedrijfstak van zo'n 300 fabrikanten vrij geruisloos inkromp tot ongeveer 20.
Zijn belangstelling voor de rijksoverheid kon hij uitleven in de Commissie Hoofdstructuur Rijksdienst, waarvan hij in 1978 voorzitter werd. Deze commissie kreeg de opdracht wegen aan te geven om de overheidsbemoeienis terug te dringen. In een aantal rapporten werd het functioneren van de rijksoverheid geanalyseerd, reacties hierop verwerkt en aanbevelingen gedaan om de departementale organisatie te verbeteren. Begrippen als kerndepartementen en scheiding van beleid en uitvoering dateren uit deze tijd. De rapporten zelf (1979-1981) kregen elk een van belezenheid getuigende titel en voorwoord van de commissievoorzitter: Zou Thorbecke tevreden te zijn?, Weinigen denken dat het goed gaat, Elk kent de laan die derwaarts gaat en Voordat de lade klikt.
Min of meer als vervolg hierop zat Vonhoff ook een Adviescommissie Sanering Planprocedures voor, die heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het rapport Carnavalstocht der planprocedures (1985).
De zaak van de rijksambtenaren had Vonhoffs belangstelling in de Advies- en Arbitragecommissie, de commissie-Albeda, waarvan Vonhoff vice-voorzitter is. Deze commissie trad op bij grote arbeidsrechtelijke geschillen, zoals in 1995 over de arbeidsvoorwaarden van het politiepersoneel. Ook is Vonhoff voorzitter van de Stichting Centrum voor Arbeidsverhoudingen Overheidspersoneel. Zijn inzet en ervaring op dit terrein leidden ertoe dat hij in 1995 de Albeda-leerstoel aan de Erasmusuniversiteit ging bekleden als bijzonder hoogleraar 'Arbeidsvoorwaardenvorming bij de overheid'. De titel van zijn oratie, uitgesproken op 12 april 1996, getuigt weer van de vervlechting van historische en ambtelijke belangstelling: 'Goddank dat ze weg zijn! Wat hadden we met ze moeten beginnen?' Het waren de woorden van secretaris-generaal dr. H.M. Hirschfeld na het vertrek naar Londen in 1940 van het kabinet. Met zijn bijzonder hoogleraarschap werd de fraaie lijn in Vonhoffs carrière bij de nadering van de pensioengerechtigde leeftijd niet afgebroken, maar voortgezet; of misschien wel teruggebogen naar zijn begin. Van leraar tot hoogleraar...
Ook na zijn 65e bleef hij actief voor de rijksoverheid. Zo was hij voorzitter van het algemeen bestuur van de Koninklijke Bibliotheek en voorzitter van de Raad voor het Landelijk Gebied.
Ook in de sportwereld bewoog hij zich graag: in zijn jonge jaren actief, als voetballer bij het Amsterdamse ZSGO (Zonder Samenspel Geen Overwinning) en scheidsrechter, later wat rustiger als trimmende burgemeester en fietsende commissaris. In 1985 werd hij voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité. In die hoedanigheid zette hij zich in om de Olympische Spelen weer eens, sinds 1928, in Nederland te organiseren. De buitenlandse overmacht was echter te groot. Ook de strijd met oud-judoka Anton Geesink verloor hij, namelijk om het lidmaatschap van het Internationaal Olympisch Comité. De Nederlandse schaakwereld bewees hij echter goede diensten door grote internationale toernooien naar Groningen te halen. In 1997 werd hij lid van de Raad van Commissarissen van de Eredivisie N.V.
De persoon Vonhoff
Het is niet eenvoudig - als besluit van deze biografische schets, die overigens meer schets dan biografie pretendeert te zijn - de persoon Vonhoff kernachtig neer te zetten. In vele interviews en artikelen is hij gekarakteriseerd als flamboyant, onstuitbaar, bloemrijk, Bourgondisch. Maar ook als ijdel, eigenzinnig, onbescheiden. Misschien heeft hij al deze eigenschappen, misschien ook ligt de waarheid in het midden.
Mijn conclusie is dat Vonhoff een geboren en van jongs af getogen politicus en bestuurder is, die op grond van zijn liberale overtuiging ieders individuele vrijheid propageert. Een man ook, die een grote nieuwsgierigheid koppelt aan een ijzeren geheugen en een grote belezenheid. Moeiteloos weet hij zijn gehoor - a prima vista - te boeien met herinneringen, verhalen en gedichten. Zijn brede belangstelling en grote nieuwsgierigheid maken het mogelijk om ervaringen in de ene discipline opgedaan, toe te passen in de andere. Een 'associatief denker', zoals hij zichzelf kenschetste. Maar ook een 'ordelijk voorzitter', een rol die hij van jongs af speelde. Het aantal besturen, commissies, raden en andere gremia die hij geleid heeft, is vrijwel ontelbaar.
Was hij in zijn jonge jaren 'rebels', op gevorderde leeftijd mag men hem eerder aristocratisch en regentesk noemen. Zoals hij in de jaren vijftig en zestig de gevestigde liberale orde wakker schudde, zo is hij - door de vervulling van de ambten van burgemeester en commissaris - een man geworden die gesteld is op decorum en traditie, én op een goede maaltijd met een glas wijn.
Literatuur
De belangrijkste literatuur voor de geschiedenis van de VVD, is:
  • W.J.A. van den Berg (red.), Kopstukken van de VVD. 16 biografische schetsen. 40 jaar liberalisme in Nederland 1948-1988. Houten 1988.
  • R. Koole, P. Lucardie, G. Voerman, 40 jaar vrij en verenigd. Geschiedenis van de VVD-partijor-ganisatie. Houten 1988.
  • G. Voerman, De geschiedschrijving van het politieke liberalisme. Bibliografie van de VVD en haar voorlopers. 's-Gravenhage 1992.
  • G. Voerman (red.), Het Liberalisme in Groningen. Groningen 1995.
  • H.J.L. Vonhoff, De zindelijke burgerheren. Een halve eeuw Liberalisme. Baarn 1965.
  • M.F. Westers, Mr. D.U. Stikker en de na-oorlogse reconstructie van het Liberalisme in Nederland. Amsterdam 1988.
  1. Bewegend verleden, p. 153.
  2. P. Th. F. M. Boekholt en E,P. de Booy. Geschiedenis van de school in Nederland. (Assen/ Maastricht 1987), p. 285.
  3. Interview Trouw 12 juni 1993.
  4. Voerman, Geschiedschrijving, p. 26,
  5. 40 jaar vrij en verenigd, pp. 85-86.
  6. 40 jaar vrij en verenigd, pp. 87-89.
  7. 40 ,jaar vrij en verenigd, p. 92.
  8. 40 jaar vrij en verenigd, pp. 102-103.
  9. Jaarverslagen van de VVD-secretaris over de diverse jaren. Collectie DNPP.
  10. 40 jaar vrij en verenigd, p. 123.
  11. 'Het gelijk der ketters', in: P.G.C. van Schie (red.), Tussen polarisatie en paars. De 100-jarige verhouding tussen liberalen en socialisten in Nederland (Kampen 1995), pp. 166-173.
  12. Nederland na 1945, Beschouwingen over ontwikkeling en beleid (Deventer 1980), p. 194,
  13. H.A. Groeneveld, De staatssecretaris in Nederland 1949-1988 (Deventer 1989), pp. 254-270.
  14. P. F. Maas, Kabinetsformaties 1959-1973 (Den Haag 1982), pp. 282-298.
  15. A. Graafhuis, De Utrechtse Heren XVII, p, 123.
  16. Interview in Accent, 6 november 1976, p. 51.
  17. Interview Nieuwsblad van het Noorden 1 maart 1986.
  18. Interview Nieuwsblad van het Noorden 1 maart 1986.
  19. Interview Vrij Nederland 5 oktober 1985.
  20. D. Bosscher, 'Een energieke provincie', in: P.Th.F.M. Boekholt e.a. (red.), Rondom de reductie. Vierhonderd jaar provincie Groningen 1594-1994 (Assen 1994), pp. 178-180.
  21. 40 jaar vrij en verenigd, p.147.
  22. Interview Vrij Nederland 5 oktober 1985.
  23. Interview Trouw 12 juni 1993.
  24. Interview Nieuwsblad van het Noorden 1 maart 1986.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Van het archief heeft Vonhoff op 26 februari 1973 een eerste gedeelte van 1,7 meter in bewaring gegeven. Een aanvulling daarop is in mei 1973 gearriveerd, een volgende (kleine) op 6 september 1974, waarna in 1997 een omvangrijke aanvulling is gevolgd. Tot en met 1997 beliep het archief een 7,5 meter. Tenslotte is er in oktober 2002 een grote aanvulling van 8 meter toegevoegd.
In 2015 en 2025 zijn twee kleinere aanvullingen verwerkt.
Inbewaringgeving van een particulier archief, niet in eigendom verkregen

Inhoud en structuur van het archief

Verantwoording van de bewerking
In de oorspronkelijke inventaris is de uiterlijke vorm niet vermeld. Bij de aanvullingen uit 2015 en 2025 is dit wel gedaan.
De aanvulling uit 2015 (inv.nrs. 317 t/m 350) was aanvankelijk toegevoegd als aparte rubriek. Bij de verwerking van de aanvulling uit 2025 (inv.nrs. 351 t/m 405) is ervoor gekozen om deze beschrijvingen en die uit 2015 te integreren in de oorspronkelijke inventaris.
Ordening van het archief
De inventaris van het archief Vonhoff is ingericht volgens een eenvoudige systematiek: persoonlijke stukken (jeugd en vorming), functies, gedeponeerde stukken.

Aanwijzingen voor de gebruiker

Openbaarheidsbeperkingen
Volledig openbaar.
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent geen beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van kwetsbare of slechte materiële staat.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
  1. Creëer een account of log in.
  2. Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
  3. Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Collectie 265 H.J.L. Vonhoff, nummer toegang 2.21.183.90, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, Vonhoff, 2.21.183.90, inv.nr. ...

Verwant materiaal

Beschikbaarheid van kopieën
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar

Archiefbestanddelen