Geschiedenis van de archiefvormer
Henri Adrien Frederic de Vogel, die op 24 januari 1825 in Batavia werd geboren, stamde uit een geslacht van vooraanstaande Indische bestuursambtenaren
Zie: - Stamboeken van Oost-Indische ambtenaren, deel K nr. 131; - Nederland's Patriciaat 1924 deel XIV;- inventarisnummer 4.
. Zijn vader, Willem de Vogel, bekleedde de funktie van Direkteur van Kultures en - later - resident van Pasoeroean, de residentie waar de hoogste kultuurpercentages te verdienen vielen.
Na zijn opleiding in Nederland aan de Koninklijke Academie in Delft werd De Vogel bij KB van 20 augustus 1852 no. 57 benoemd tot ambtenaar der 2e klasse, bestemd voor de Indische dienst. Op Java aangekomen werd hij ingedeeld bij de Direktie der Kultures en per 5 januari 1853 als controleur der Landelijke Inkomsten en Kultures in de afdeling Demak van de residentie Semarang geplaatst. Hij was hier specifiek belast met het toezicht op de tabaks- en rijstverbouw. In januari 1854 werd De Vogel overgeplaatst naar de afdeling Bodjonegoro in de residentie Rembang, waar hij met dezelfde werkzaamheden te maken kreeg. Zijn slechte verstandhouding met resident Lawick van Pabst en de geringe inkomsten als controleur deden hem besluiten per juli 1859 ontslag aan te vragen uit de bestuurlijke dienst. Hij vestigde zich als partikulier tabaksplanter in Bodjonegoro op de onderneming Tawang-redjo. De verscherpte bepalingen op het verkrijgen van "vrije arbeid" voor partikuliere ondernemers, zoals die rond 1860 werden afgekondigd, maakten een sluitende exploitatie van de plantage blijkbaar niet haalbaar. Enige jaren later verbond De Vogel zich als administrateur aan de suikeronderneming Wringin Agoeng.
De Vogel overleed op 17 augustus 1899 in Leiden.
De Vogel heeft een belangrijke rol gespeeld in de z.g. Rembangse affaire
Zie over de Rembangse affaire: C. Fasseur, Kultuurstelsel en koloniale baten, Leiden 1975; pp. 136-149.
, die tot het ontslag van twee residenten, een behandeling van de zaak in de Tweede Kamer en tot een ministeriële crisis heeft geleid. Ten tijde van de discussies tussen liberalen en conservatieven in de Tweede Kamer over de positie van de vrije ondernemingslandbouw in Nederlands-Indië, maakte de partikuliere tabakskultuur op Java een periode van hoogconjunctuur mee. Met name was hiervan sprake in de residentie Rembang. De vraag of het systeem van vrije arbeidswerving hierbij wel zo "vrij" was, werd in het rapport van de inspekteur van kultures, W. Canneman, die in 1859 door de Indische regering met een onderzoek werd belast, in ontkennende zin beantwoord. Hij constateerde ambtelijke misbruiken en protektie door het binnenlandse bestuur jegens de tabaksondernemers ten nadele van de Javaanse bevolking. Inmiddels gaf de kwestie van de vrije arbeid aanleiding tot een uitgebreide brochurewisseling van voor- en tegenstanders. De Vogel mengde zich hierin met zijn in 1862 verschenen brochure "Hinderpalen, die vrijwillige arbeid en vrije kultuur op Java in den weg staan". De vele obstakels, die de ondernemers in de weg werden gelegd bij het aanwerven van arbeidskrachten moesten volgens De Vogel wel aanleiding geven tot onregelmatigheden en misbruiken.
In oktober 1861 gaf de kwestie binnen de ministerraad aanleiding tot een verschil van mening tussen de ministers Loudon en Van Zuylen van Nyevelt. De laatstgenoemde diende hierop zijn ontslag in toen bleek, dat de andere ministers de zijde van Loudon kozen. Het kabinet gaf hierna de Indische regering de opdracht het onderzoek te heropenen. De resident van Soerabaja, O. van Rees, hiermee in 1862 belast, kwam tot de conclusie, dat de ontslagen resident Bekking en diens opvolger de aanplant van tabak hadden aangemoedigd, maar dat er van vanbovenaf opgelegde dwang op de inlandse bevolking geen sprake was. Het omvangrijke rapport van Van Rees aan de Tweede Kamer is niet onbevooroordeeld te noemen. Dit kon gebeuren, omdat Van Rees in hetzelfde liberale kamp thuishoorde als de toenmalige gouverneur-generaal en minister van Koloniën.
De bezwaren, die De Vogel tegen het rapport uitbracht, waren volgens Van Rees te verklaren uit diens heimelijke voorkeur voor het kultuurstelsel. In een nota antwoordde De Vogel, dat hij het kultuurstelsel niet zou willen bestendigen "...verre van daar, maar daarin hebben we iets geregelds en kunnen we de middelen putten om daarnaast iets anders geregelds, dat nu sluimert, op te wekken, dat het kultuurstelsel verdringt en zijn natuurlijken dood doet sterven"
Zie inventarisnummer 27
.
In 1868 bracht De Vogel nog een brochure uit, die een denkbeeldige bijlage bij het rapport van Van Rees aan de Kamer zou moeten zijn. Het betrof de publicatie van een cruciale brief van de regent van Bodjonegoro, waaruit zou moeten blijken, dat het bestuur direkt betrokken zou zijn geweest bij de onregelmatigheden in de vijftiger jaren. Een hernieuwd onderzoek bracht echter geen duidelijkheid. Nog in 1870 zou over de kwestie in de Kamer gesproken worden, maar men kwam er niet uit.