Biografie (1)
Dr. C. Nooteboom, (21 September 1906 Rotterdam - 4 Mei 1967 Rotterdam), lager onderwijs en H.B.S te Rotterdam. Na een jaar in het bedrijfsleven [in het schildersbedrijf van zijn vader] Indologische studie te Leiden (1926-1932). Tijdens voorbereiding voor het doctoraal examen bijzondere aandacht voor het keuzevak algemene ethnologie (zoals destijds in het academisch statuut de sociale anthropologie werd genoemd), een aandacht, die zo groot werd dat dit vak in die jaren hoofdzaak werd boven de andere vakken, te weten taal- en letterkunde van Maleis en Javaans. Voor het candidaats examen was reeds bestudeerd staatsrecht, economie, adatrecht, publiek en privaatrecht alsmede geschiedenis van Indonesië. Kort na het doctoraal examen in 1932 promotie in de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte op proefschrift getiteld "De Boomstamkano in Indonesië".
Nog in datzelfde jaar 1932 uitzending als bestuursambtenaar naar Indonesië, waar tot 1939 actief gediend. In deze periode anthropologisch onderzoek van verschillende aard waaruit later een aantal publicaties ontstond. Met name mogen worden genoemd een aantal op zich zelf staande onderzoekingen op Oost-Soemba, die afgerond met een diepgaand literatuur onderzoek in 1940 in een publicatie werden samengevat. In deze jaren intensieve aanraking met elementair en meer gevorderd onderwijs.
Tijdens Europees verlof voorbereiding voor een ambtelijke opdracht voor sociaal anthropologisch onderzoek op de Kleine Soenda Eilanden, die echter wegens dreigend oorlogsgevaar werd ingetrokken. Als bestuursambtenaar met verlof (en later wegens verbreking der verbindingen op non-activiteit) wetenschappelijk medewerker bij het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden van 1 Januari tot 19 Juli 1940. Van laatstgenoemde datum tot 17 September 1944 geïnterneerd door de bezettende overheid. Na terugkeer uit de internering levensgevaarlijk gewond bij bombardement [van Leiden op 11 December 1944], waarvan een lichte invaliditeit overbleef, die aanleiding werd tot afkeuring voor de overzeese bestuursdienst. In 1945 en 1946 als overzees ambtenaar gedetacheerd op het Ministerie voor Overzeese Gebiedsdelen. In October 1946 benoeming tot conservator bij het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden. In 1949 wetenschappelijk hoofdambtenaar bij genoemd Museum en in September van genoemd jaar Directeur van het Museum voor Land- en Volkenkunde en Maritiem Museum "Prins Hendrik" te Rotterdam.
Lid van het Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde, van het Oosters Genootschap in Nederland, het Instituut Kern te Leiden, bestuurslid van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap en van het Nederlands Genootschap voor Anthropologie, foreign fellow van de American Anthropological Association.
Biografie (2)
Nooteboom, Christiaan (Chris)
(21 September 1906 Rotterdam - 4 Mei 1967 Rotterdam)
Geboren 21 September 1906, te Rotterdam, waar lager onderwijs en H.B.S . Na HBS vijfjarige cursus in Rotterdam, Libanonstraat (examen 4 Juli 1925) en een jaar werk in het schildersbedrijf van zijn vader (waarbij hij de ANWB borden in Rotterdam en omgeving schilderde) volgde de studie Indologie Leiden sinds 1926: staatkundig candidaatsexamen Indologie ??datum; taalkundig doctoraal examen in de Indologische studie te Leiden op 21 April 1932; in het zelfde jaar volgde de promotie (Leiden 7 October 1932).Hij bedankt in het voorwoord van zijn dissertatie C. van Vollenhoven als tweede, J.P.B. de Josselin de Jong als eerste, wiens colleges hij vier jaar lang, sinds 1928, volgde, tevens de juridische hoogleraren D. van Blom, G. André de la Porte en J.H. Carpentier Alting [die 1925-26 van Vollenhoven verving] en de archeoloog N.J. Krom, “wier colleges ik voor het candidaatsexamen volgde; in de latere jaren dank ik mijn taalkundige vorming aan de professoren Ph.S. van Ronkel [Maleis, sinds 1921] en C.C. Berg [Javaans sinds 1929], en volgde ik Makassaars bij de lector R.A. Kern [sinds 1927]”; hij bedankt tevens W.H. Rassers en J.W. van Nouhuys, de heer H.F. Tillema en Dr. Pigeaud te Solo. Al voor zijn vertrek naar Indië was hij een fanatiek zeiler in tjotters en friesche jachten op de Kralingse Plas en lid van de Rotterdamse Zeilvereniging; hij restaureerde ca. 1930 zelf een tjotter voor de vader van zijn toenmalige verloofde.
Hij was bestuursambtenaar van eind 1932 tot 1942 [Regeeringsalmanak van Nederlandsch- Indië] (eind 1932-eind 1939) Hij huwde met de handschoen, op 15 Mei 1933 te Leiden, met Carolina Maria Teljeur (1908-2001). Uit het huwelijk zijn vier kinderen geboren(zie onder). Hij werd benoemd tot aspirant-controleur op Flores (Roeteng), vervolgens begin 1934 op Soemba (onderafdeeling Oost-Soemba, standplaats Waingapoe, dit ter vervanging van zijn voorganger die evenals ?alle andere Europeanen aan Malaria gestorven was). Volgens een brief van zijn vrouw aan haar ouders vertrokken zij op 4 October 1935 naar Makassar teneinde een benoeming als waarnemend controleur in Pinrang, 20 KM van Paré Paré te aanvaarden. Dat was 5 weken voor de uitgerekende bevalling van haar 2e zoon, JanJoost, die op 26 November te Makassar werd geboren. Daarna werd hij benoemd op Saleier (ten zuiden van Celebes) Maart 1936 tot 13 oct. 1937 (hier had hij de beschikking over een patrouille vaartuig, de Albatros, ten einde het gezag te kunnen vertegenwoordigen op de eilanden rondom). Hier werd hij op 6 Juli 1936 bevorderd tot controleur met een traktement f 334,38 per maand; vanaf 16 oct.1937 tot juli 1939 diende hij op Zuid Celebes, in Pangkadjene (50 km. van Makassar)
Intussen, na bijna zes jaar tropendienst, komt het eerste verlof (9 maanden) naar Europa. De familie komt daar aan in de zomer van 1939 en woonde aan de Rijn en Schiekade in Leiden. Wegens de oorlog dreiging gingen ze niet na 9 maanden terug en worden dan overvallen door de oorlog. Intussen was hij bezig met de voorbereiding voor een ambtelijke opdracht voor sociaal-ethnologisch onderzoek op de Kleine Soenda eilanden, die echter wegens dreigend oorlogsgevaar werd ingetrokken. Als bestuursambtenaar met verlof (en later wegens verbreking der verbindingen op non-activiteit) werkte hij ? als gast wetenschappelijk medewerker bij het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden van 1 Januari tot 19 Juli 1940. Op 19 Juli 1940 werd hij geïnterneerd door de bezettende overheid: Hij werd opgepakt als gijzelaar (als vergelding voor de internering van Duitsers in Ned.-Indië). Met 216 andere Indische ambtenaren heeft 2 jaar gezeten in Buchenwald bij Weimar, daarna in St. Michelsgestel [kamp Beekvliet], Haaren en Vught (met o.a. Pos, Schermerhorn, Drewes en J.P.B. Josselin de Jong). Hij werd vrijgelaten op Dolle Dinsdag (5 September 1944) Vervolgens moest hij via de Bieschbos de Merwede oversteken en kwam hij eind September 1944 vanuit Gouda op een fiets zonder banden naar huis. Bij bombardement op Leiden door Engelse vliegtuigen, tijdens aanval op het station van 11 December 1944, schuilend bij het Rijks Museum voor Volkenkunde werd hij levensgevaarlijk gewond. Tijdens een lang verblijf in het Elizabeth ziekenhuis schreef hij een boekje over Buchenwald en Beekvliet: “Onder de laars”, uitg. Sijthoff 1945 -. Hij hield aan zijn verwondingen een lichte invaliditeit over (knie), die aanleiding werd tot afkeuring voor de Overzeese bestuursdienst.
Vervolgens werd hij als overzees ambtenaar gedetacheerd bij het Ministerie voor Overzeese Gebiedsdelen in1945-1946. Daarna werd hij conservator der afdeling Indonesië, Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden van 16 October 1946 tot 1 October 1949 (naast A.A. Gerbrands en J. Keuning), sinds 1949 als wetenschappelijk hoofdambtenaar. In die tijd was hij tevens hoofdredacteur van de Leidsche Post (na 1945, voor 1950). Op 16 September 1949 werd hij aangesteld als directeur van het Museum voor Land- en Volkenkunde en het Maritiem Museum 'Prins Hendrik' te Rotterdam met een jaarwedde van fl. 7800.- .Volgens besluit van de Gemeenteraad van 10 November 1960 werd hij per 1 Januari 1961 aangesteld als directeur van [alleen nog] het Museum voor Land- en Volkenkunde. Eind 1964 (58 jaar) krijgt hij eervol ontslag op verzoek) officieel vanwege gezondheidsredenen, maar mede i.v.m. strijd met het gemeentebestuur, i.h.b. de wethouder Kunstzaken, mej. Zeelenburg, over aankoopbudget, verbouwingen en de splitsing van het museum. Twee jaar later komt zijn overlijden op 60-jarige leeftijd 'geheel onverwacht' (2e hartinfarct, het eerste was door een cardiogram op de ochtend van zijn overlijden vastgesteld). Hij verrichtte van 1 September - 1 December 1962 een opdracht in Dahomey in dienst van UNESCO (Jaarverslag 1962); schreef de jaarverslagen van 1950 tot 1962 (na 1962 verschenen tot 1973 geen jaarverslagen).
Lid van het Bataviaasch Genootschap (23 Maart 1934), het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (vanaf 1958 bestuurslid), het Oosters Genootschap in Nederland, het Instituut Kern te Leiden; bestuurslid van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap en van het Nederlands Genootschap voor Anthropologie; foreign fellow van de American Anthropological Association. Ridder in de Orde van de Poolster (Riddare av Kungl. Nordstjärneorde), Stockholm (9 November 1960). Officier in de Orde van het Zuiderkruis (Brazilië). Archiefmateriaal over de jaren 1920-1949 in het Algemeen Rijksarchief (ARA), Den Haag (December 1994); foto's na 1945 in het RMV, Leiden, ook zijn er foto's van hem van scheepsmodellen e.d. in het Maritiem Museum, Rotterdam.
Kinderen: Hans Peter (2 Juli 1934), bioloog; Jan Joost (26 November 1935); Sibout Govert (19 April 1939), taalkundige (hoogleraar fonetiek, Utrecht); Christina Carolina (Ineke, 17 Sept. 1940). Zijn weduwe is overleden in 2001.
Directeuren van Museum voor Volkenkunde: Weruméus Buning (1885-1900), J.F. Snelleman (1901-15), J.W. Nouhuys (1915-34), G.W. Locher (1935-37), S. Hofstra (1938-49), C. Nooteboom (1949-65), J. Hurwitz (1965-77), J.A. van Gorkom (1977-80), F.A. Valk (1980-88), Henk Reedijk (1989-2001). The huidige directeur is Stanley Bremer (maritiem, zakelijk). In de begintijd van het Museum onder C. Nooteboom was Jansen, Johan Victor (19.. Kota Radja, géén dubbele naam) conservator Indonesië van het Museum Rotterdam, en juffrouw Liesbeth van der Sleesen-Dolk conservator Afdeling Afrika, zij werd opgevolgd door René S. Wassing per 7 November 1955. De laatste werd begin 1963, na het vertrek van Jansen, conservator Oceanië (diens opvolger voor Indonesië was Anneke Veldhuisen-Djajasoebrata van 1968 tot 2000).