Opleiding en rechterlijke macht
Mr. Henri Willem (Harry) van Doorn, geboren op 6 oktober 1915, groeide op in Den Haag en Voorburg in een rooms-katholiek gezin. Hij bezocht in Den Haag de lagere school en het Sint Aloysius-college van de paters jezuïeten. Na het behalen van het gymnasiumdiploma ging hij studeren in Leiden. Hij begon met klassieke talen, maar stapte na een jaar over op de rechtenstudie, die hij op 21 oktober 1940 afrondde met het doctoraal examen Rechtsgeleerdheid. Daarna was hij enige tijd werkzaam in de zaak van zijn vader. Na zijn huwelijk op 17 maart 1942 met Hans de Jager, die hij tijdens zijn studie had leren kennen, werd hij in oktober van datzelfde jaar klerk, later waarnemend ambtenaar en in 1944 gewoon ambtenaar bij het openbaar ministerie te Rotterdam. In deze kwaliteit werd hij na de oorlog in 1945 belast met de leiding over de Politieke Opsporingsdienst (POD) te Rotterdam. Deze dienst had tot taak het in vrijheid stellen van daarvoor in aanmerking komende politiek geïnterneerden. Op 1 oktober van dat jaar werd hij militair commissaris voor inbewaringstelling en vrijlating en per 15 november hoofd van de Politieke Recherche Afdeling (PRA) te Rotterdam. Dat duurde tot 1947, toen hij werd benoemd tot advocaat-fiscaal bij het Bijzonder Gerechtshof te 's-Gravenhage. In het proces tegen de oorlogsmisdadiger Anton van der Waals trad hij op als advocaat-fiscaal.
Inv. nrs. 31-40. Voor Van der Waals zie: L. de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de tweede wereldoorlog, deel 12, epiloog, eerste helft, (Leiden 1988), p. 590-593 en A. Kok, De verrader: leven en dood van Anton van der Waals (Amsterdam 1995).
Hij eiste de doodstraf en was op diens verzoek in 1950 aanwezig tijdens de laatste uren van Van der Waals en ook bij de voltrekking van het vonnis. Al in 1947 en 1948 pleitte hij voor terugkeer naar de gewone rechtspleging. Een van de argumenten die hij daarbij aanvoerde was dat hij het eisen van de doodstraf, mede gezien zijn leeftijd (hij was 32 ten tijde van het proces Van der Waals), als bezwaarlijk ervoer. Uiteindelijk werd hij in 1949 eervol ontslagen bij de bijzondere rechtspleging en werd hij benoemd tot waarnemend substituut-officier van justitie bij het parket van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam en bij de arrondissementsrechtbank te Middelburg. In 1951 volgde de aanstelling als substituut-officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te Rotterdam, een functie die hij tot 1968 zou houden, zij het sinds 1956 met buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging. Vanwege zijn organisatorische kwaliteiten werd Van Doorn in 1951 gedetacheerd bij het ministerie van Justitie ter ondersteuning van de directeur-generaal, hoofd van de afdeling Politie. Later adviseerde hij de minister ook over diverse aspecten van het vreemdelingenbeleid.
Inv. nr. 45.
De belangstelling voor de rechterlijke macht heeft Van Doorn heel zijn leven, ook bij zijn vele andere functies, gehouden. Toen hij net benoemd was tot voorzitter van de KVP heeft hij nog actief belangstelling betoond voor de functie van procureur-generaal bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (daarbij speelden overigens ook financiële motieven een rol - hij had een gezin met zes kinderen).
Inv. nr. 25.
Een sollicitatie naar het lidmaatschap van de Centrale Raad van Beroep kon niet doorgaan vanwege zijn politieke activiteiten.
Inv. nr. 24.
Na het beëindigen van zijn Kamerlidmaatschap in februari 1968 werd Van Doorn in juli van dat jaar benoemd tot lid van de sectie gevangeniswezen van de Centrale Raad van Advies voor het gevangeniswezen, de psychopatenzorg en de reclassering. Hij werd later voorzitter van de sectie en algemeen voorzitter van de Raad, functies die hij, vanwege zijn ministerschap in 1973 weer moest opgeven. Na zijn ministerschap werd hij in 1979 parttime rechter plaatsvervanger in de arrondissementsrechtbank te Utrecht. Deze functie heeft hij uitgeoefend totdat hij in 1985, op zeventigjarige leeftijd, met pensioen ging.
Politiek en bestuur
Al in de jaren veertig was Van Doorn actief in de locale politiek. Van 1945 tot 1946 was hij lid van het bestuur van de kieskring Rotterdam van de Katholieke Volkspartij (KVP). Medio 1952 was hij opnieuw lid van de kieskring, ditmaal als voorzitter. Als zodanig was hij dan ook lid van het partijbestuur van de KVP. Toen in september 1953 W.J. Andriessen aftrad als voorzitter, waren er vrijwel geen serieuze opvolgers. Uiteindelijk werd Van Doorn, bij enkelvoudige kandidaatstelling (men had geen tegenkandidaten kunnen vinden) per 1 januari 1954 benoemd tot voorzitter van de KVP. Als voorzitter heeft hij zijn grootste verdienste gehad voor de partij als organisatie. Zo verving hij het wat log opererende Presidium door een werkoverleg van voorzitter, secretaris en penningmeester en zette hij zijn organisatorische talenten in voor ledenwerving en tijdens de verkiezingscampagnes. Binnen de partij ontspon zich in de jaren vijftig een discussie over de interne machtsverhoudingen. Van Doorn was, ook vanwege de daaraan verbonden bezoldiging, geïnteresseerd in het lidmaatschap van de Tweede Kamer, maar het Partijbestuur had in 1953 juist uitgesproken dat de functies van voorzitter en secretaris van de partij onverenigbaar waren met het Kamerlidmaatschap. Na de nodige discussie werd Van Doorn bij de verkiezingen van 1956 voor de KVP gekozen als Kamerlid. Binnen de partij ontstond een 'dualistisch machtsstrijd' tussen partijvoorzitter Van Doorn en de voorzitter van de Tweede Kamerfractie prof. dr. C.P.M. Romme, die naar het oordeel van de KVP-historicus Bornewasser pas na 1960, toen Romme de Kamer had verlaten persoonlijke trekken kreeg.
Inv. nr. 48; J.A. Bornewasser, Katholieke Volkspartij 1945-1980 (Nijmegen 1995-2000), in het bijzonder deel 1 p. 322-323 en deel 2 p. 51.
Van Doorn heeft in zijn archief de stukken die op Romme betrekking hebben altijd als een aparte eenheid bewaard.
Inv. nrs. 86-91.
In 1961 werd Van Doorn, als eerste niet-priester, gevraagd om voorzitter te worden van de Katholieke Radio Omroep (KRO). In die functie, die hij tot aan zijn ministerschap in 1973 zou vervullen, bracht hij ook daar verbeteringen aan in de organisatie, onder meer door het instellen van een programma-adviesraad. Hij hield echter op de voor hem kenmerkende wijze de touwtjes zelf in handen (pas onder zijn opvolger Th. Loerakker, verantwoordelijk voor de eerste ledenraadsverkiezing, zou de KRO democratiseren). Het onder druk van de Nederlandse regering aflasten van een uitzending van Brandpunt met daarin een interview met de Franse oud-minister Bidault (1963) en het ontslag van Brandpuntverslaggever Frits van der Poel (1968) zorgden voor de nodige publicitaire commotie.
G. Bidault, oud-premier van Frankrijk, tegenstander van de Algerijnse onafhankelijkheid, was vanwege een complot tegen de staat in Frankrijk veroordeeld; Van der Poel zou plannen hebben om naakt op de tv te vertonen. Over deze affaires zijn in het archief Van Doorn alleen krantenknipsels aanwezig (inv. nrs. 162, 178).
Vanwege het voorzitterschap van de KRO kwam er in 1962 na acht jaar een einde aan de, naar eigen zeggen, 'soms wat pittige leiding' van KVP-voorzitter Van Doorn. Hij werd opgevolgd door mr. P.J.M. Aalberse. Van Doorn bleef wel lid van het partijbestuur en zou tot 1968 Kamerlid voor de KVP blijven. Zonder problemen is dat niet gegaan. Bij het opstellen van de kandidatenlijst voor de verkiezingen van 1967 werd hij in eerst instantie op een onverkiesbare plaats gezet. Een verband met zijn opstelling in de nacht van Schmelzer (oktober 1966), toen hij met drie medefractiegenoten tegen een motie van zijn eigen partijvoorzitter drs. W.K.N. Schmelzer stemde, wat leidde tot de val van het kabinet Cals, werd altijd ontkend. Pas na de nodige discussie kreeg hij een verkiesbare plaats op de Brabantse lijst.
Na de nacht van Schmelzer wilde Van Doorn niet in een tv-uitzending verschijnen omdat hij zijn eigen omroep, de KRO, niet tot spreekbuis wilde maken van zijn politieke standpunten. Bornewasser, KVP, deel 1 p. 536-537; deel 2 p. 203, 217, 241-277; inv. nr. 72.
In de loop van de tijd schoof Van Doorn steeds meer op van de behoudende naar de progressieve kant van het politieke spectrum. Hij was een van de veertien KVP-leden die in 1967 een oproep deed aan de partij om voortaan een vooruitstrevend beleid te voeren. In datzelfde jaar speelde hij met de gedachte zijn Kamerlidmaatschap te beëindigen, maar hij liet zich overhalen te blijven omdat zijn vertrek een schadelijke uitwerking op de KRO zou kunnen hebben. Uiteindelijk verliet hij de Kamer in 1968 - in zijn eigen woorden: 'een hele overgang' - en zegde hij ook het lidmaatschap van de KVP op.
Inv. nr. 84.
Van Doorn werd actief in de nieuw gevormde progressief katholieke partij PPR (Politieke Partij Radikalen). Daar was hij betrokken bij het opstellen van het partijprogramma. In 1973 werd hij voor de PPR in het kabinet Den Uyl minister van CRM. Het was de tijd dat het in 1965 opgerichte departement in het middelpunt van de belangstelling stond. Het kabinet wilde 'spreiding van inkomen, kennis en macht' en had de ambitie de maatschappij grondig te hervormen. CRM kon daarbij een sleutelrol vervullen; het budget was tussen 1970 en 1975 gestegen van 1 tot ruim 5½ miljard.
Ondersteund door twee politiek adviseurs, de jonge Rotterdamse socioloog prof. dr. Bram Peper (voor de minister) en drs. Paul Beugels (voor staatssecretaris Wim Meijer), produceerde het ministerie een stroom nota's, waaronder de Knelpuntennota Welzijnsbeleid (1974) en nota's over onderwerpen als sport (1974), massamediabeleid en draadomroep (1975), Adviesaanvraag Maatschappelijk Werk (1975) , Kunst en kunstbeleid (1976; met sectorale nota's over toneel, orkesten en cultuur) en Emancipatie (1976). Tijdens het ministerschap van Van Doorn leidde dat nauwelijks tot wetgeving - aangenomen werden de Tijdelijke verstrekkingenwet Maatschappelijke Dienstverlening (1975), de Wet waarbij de Raad voor de Kunst werd gemoderniseerd (1977) en de aanpassingen van de Telefoon- en telegraafwet 1904, waardoor radio- en tv-uitzendingen door stations buiten nationaal grondgebied (zoals door Radio Veronica vanaf de Noordzee) werden verboden.
I. de Haan. In het hart van de verzorgingsstaat: het ministerie van Maatschappelijk Werk en zijn opvolgers (CRM, WVC, VWS) 1952-2002 (Zutphen 2002) p. 104-146; H. Mulder, Laten we wel zijn. De glijvlucht van een ministerie (Zutphen 2002) p. 67-71.
Het is opvallend dat er zich in het archief van Van Doorn wel stukken bevinden over de kritiek op de benoeming van zijn partijgenoot mr. Eric Jurgens tot voorzitter van de NOS, terwijl die niet op de voordracht stond, en de daarop volgende negatieve publiciteit,
Inv. nr. 121.
maar niet over de commotie rondom het uitzendverbod voor de piratenzender radio Veronica en de rechtszaak waarmee Van Doorn vervolgens trachtte de pogingen van de Veronica Omroep Stichting (VOS) om een legale status te verwerven te dwarsbomen (1973-1974). Beide affaires hadden overigens voor Van Doorn persoonlijk onaangename bijeffecten. In het eerste geval in de vorm van berichten in de media over een vermeend oorlogsverleden - het ministerie spande naar aanleiding hiervan een rechtszaak aan tegen het weekblad Accent.
Archief van het ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (1910) 1962-1982 (1990), inv. nr. 1099. Het archief wordt in 2009 overgedragen aan het Nationaal Archief.
In het tweede geval werd er een aanslag beraamd op het zeiljacht van Van Doorn en moesten hij en zijn gezin zich enige tijd onder politiebescherming stellen. Ook over de acties van jonge Molukkers om een vrije republiek der Zuid-Molukken (RMS) te realiseren - de beide treinkapingen bij Beilen (1975) en De Punt en de bezetting van een lagere school in Smilde (1977) - ontbreken de stukken. Van Doorn was toen als 'Molukkenminister' (de zorg voor het welzijn van de Molukkers viel onder het ministerie van CRM) met de premier en de ministers van Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken en Justitie lid van het crisisteam. Met Den Uyl was hij tegen het gebruik van geweld bij het beëindigen van de tweede treinkaping. In het archief van Den Uyl, maar niet in dat van Van Doorn, bevindt zich een vertrouwelijk schrijven met de suggestie om de gijzelaars van de eerste treinkaping vrij te krijgen 'nadat een lid van het kabinet zich voor besprekingen, maar in feite ook als gijzelaar bij de terroristen heeft gevoegd. Zo'n lid van het kabinet zou de "Molukkenminister" kunnen zijn'. Vanwege een eerder verkondigde mening ('wie een vrije RMS wil, jaagt een fantoom na') en een oproep aan de Molukse gemeenschap om die wens te laten varen, ging hij in deze periode onder de schuilnaam 'Harry van Amerongen' door het leven. De stukken over het vervolg - de regeringsnota over de Molukse problematiek- zijn wel in het archief aanwezig.
P. Bootsma, De Molukse actie: treinkaping en gijzelingen 1970-1978 (Amsterdam 2000) p. 60-61, 291-298; A. Bleich, Joop den Uyl, 1919-1987: dromer en doordouwer (Amsterdam 2008), p. 327; Inv. nrs. 130-136.
Na de verkiezingsnederlaag van 1977 belandde de PPR in de oppositie. Vanwege het feit dat de partij steeds meer aansluiting zocht bij kleine linkse partijen als de Pacifistisch Socialistische Partij (PSP) en de Communistische Partij Nederland (CPN) stapte Van Doorn in 1984 uit de partij. In 1986 meldde hij zich, met 39 andere prominente politici aan bij de toen veertig jaar bestaande Partij van de Arbeid (PvdA).
Na het einde van zijn ministerschap in 1977 was Van Doorn niet meer werkzaam in de actieve politiek. Hij keerde terug naar de rechterlijke macht, als rechter-plaatsvervanger bij de arrondissementsrechtbank te Utrecht, en bekleedde voorzitterschappen van de Stichting Nederlands Centrum Buitenlanders en de Algemene Reclasseringsvereniging.
Voor zijn werkzaamheden is Van Doorn verschillende malen onderscheiden: in 1966 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Als minister ontving hij buitenlandse onderscheidingen uit Italië, Luxemburg, en Denemarken; aan het eind van zijn ministerschap werd hij bevorderd tot commandeur in de Orde van Oranje Nassau. Het kerkelijk eerbetoon - ridder in de Orde van het Heilig Graf van Jeruzalem - dat hem in 1964 werd verleend, beëindigde hij de 1986, omdat hij zich niet meer thuis voelde in het gezelschap.
Van Doorn overleed op 12 januari 1992 in een ziekenhuis in Amersfoort.