Beknopte biografie
Willem Joost (Wim) Deetman, geboren op 3 april 1945 te Den Haag, volgde de opleiding gymnasium-b aan het Christelijk College 'de Populier' te Den Haag. Hij studeerde vervolgens politicologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Nog tijdens zijn studie was hij op deeltijdbasis werkzaam bij een organisatie van bestuurders in het protestants-christelijke onderwijs (VBPCO). Die eerste werkkring bepaalde zijn latere politieke en bestuurlijke specialisme: het onderwijs. Hij bleef werkzaam bij de VBPCO, ook na zijn afstuderen (cum laude) in 1972.
Politiek actief was Deetman binnen de Christelijk Historische Unie, die in 1980 opging in het CDA. Van 1974 tot 1981 was hij lid van de gemeenteraad van zijn woonplaats Gouda. In 1978 werd hij lid van de Tweede Kamer en daardoor fulltime politicus. Als onderwijsspecialist werd hij voorzitter van de fractiecommissie voor onderwijszaken en woordvoerder in de Kamer, maar daarnaast verdiende hij zijn sporen door zijn intensieve bemoeienis met de behandeling van het abortusvraagstuk, dat in die jaren een heikel onderwerp van wetgeving was.
In 1981 trad Deetman toe tot het kabinet-Van Agt II als staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen, belast met onder andere het voortgezet onderwijs. Dit 'vechtkabinet' van CDA, PvdA en D'66 kwam al na acht maanden ten val. In het overgangskabinet-Van Agt III werd Deetman gepromoveerd tot minister, als opvolger van de vertrokken PvdA-bewindsman J.A. van Kemenade. Hij behield die functie in het kabinet-Lubbers (CDA-VVD) dat na de vervroegde verkiezingen eind 1982 aantrad.
Het ministerschap van Deetman stond sterk in het teken van bezuinigingen. Het terugdringen van de collectieve lasten was de hoofddoelstelling van het eerste kabinet-Lubbers en het ministerie van Onderwijs moest als een van de spending departments een forse bijdrage leveren. Tot de bezuinigingsmaatregelen die Deetman doorvoerde, behoorden verlaging van de salarissen van onderwijzend personeel, vergroting van de schoolklassen, taakverdeling en concentratie bij het hoger onderwijs, verkorting van de studieduur, en inkrimping van het departement. De maatregelen leidden tot massale uitingen van protest, van leraren, studenten en universitaire medewerkers. Deetman liet zich daardoor niet van de wijs brengen en verdedigde hardnekkig zijn impopulaire beleid.
Aan de andere kant bracht hij een groot aantal wetten tot stand, die fundamentele veranderingen inhielden voor vrijwel elke tak van onderwijs. Tot de belangrijkste wetten behoorden de regelingen van het basisonderwijs (1985), het speciaal onderwijs (1985), het hoger beroepsonderwijs (1985), het wetenschappelijk onderwijs (1985), de studiefinanciering (1986), de harmonisatie collegegelden in het hoger onderwijs (1988), en het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (1989). Het ging veelal om grote en ingrijpende operaties, waarbij de uitvoering soms met veel problemen gepaard ging. Het nieuwe stelsel van studiefinanciering was zo'n hoofdpijndossier dat hem veel kritiek bezorgde en jarenlang achtervolgde.
Toen het kabinet-Lubbers II tussentijds viel, was het duidelijk dat Deetmans ministerschap geen vervolg zou krijgen. Hij keerde terug naar de Tweede Kamer, die hem tot voorzitter koos. In die functie, die hem goed lag, won hij in aanzien en gezag. In 1994 werd hij ook herkozen, ondanks de veranderde politieke verhoudingen. Tijdens zijn voorzitterschap leidde Deetman de Commissie Vraagpunten die zich boog over aspecten van de staatkundige, bestuurlijke en staatsrechtelijke vernieuwing.
In december 1996 werd Deetman benoemd tot burgemeester in zijn geboorteplaats Den Haag. In die hoedanigheid zette hij zich in voor een sterker profiel van de stad als centrum voor internationaal recht, wat onder meer resulteerde in de vestiging van het Internationaal Strafhof. De stad verwierf grondgebied van randgemeenten voor verdere uitbreiding, maar de door Deetman gewenste stadsprovincie Haaglanden kwam er niet. Per 1 januari 2008 nam hij afscheid als burgemeester en werd hij lid van de Raad van State.
Naast de hiervoor vermelde hoofdbezigheden bekleedde Deetman een groot aantal nevenfuncties, in het bijzonder na zijn ministerschap. Veel daarvan lagen uiteraard op onderwijsgebied, andere stonden in verband met zijn burgemeesterschap. Zo was hij jarenlang voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Het lidmaatschap van vele erecomités en comités van aanbeveling weerspiegelde ook de bovenpartijdige positie die hij als Kamervoorzitter en later als burgemeester had.