Terug naar zoekresultaten

2.25.98 Inventaris van het archief van de Ziekenfondsraad en taakvoorgangers, (1919) 1941-1999

Voer een zoekterm in
VorigeVolgende

Archief

Titel

2.25.98
Inventaris van het archief van de Ziekenfondsraad en taakvoorgangers, (1919) 1941-1999

Auteur

ASSIST archiefverzorging gouda BV

Versie

02-12-2025

Copyright

Nationaal Archief, Den Haag
2016 cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok

Ziekenfondsraad
Ziekenfondsraad

Periodisering

archiefvorming: 1941-1999
oudste stuk - jongste stuk: 1919-1999

Archiefbloknummer

P79

Omvang

3417 inventarisnummer(s) 200,30 meter

Taal van het archiefmateriaal

Het merendeel der stukken is in het.
Nederlands

Soort archiefmateriaal

Normale geschreven, getypte en gedrukte documenten, geen bijzondere handschriften.

Archiefdienst

Nationaal Archief

Locatie

Den Haag

Archiefvormers

Ministerie van Sociale Zaken / Afdeling Volksgezondheid, Commissie van Advies voor het Ziekenfondswezen Ministerie van Sociale Zaken / Afdeling Volksgezondheid, Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen Ministerie van Sociale Zaken / Afdeling Volksgezondheid, Raad van Bijstand voor het Ziekenfondswezen Ministerie van Sociale Zaken / Afdeling Volksgezondheid, Commissie van Advies voor het Ziekenfondswezen (1946-1948) Ziekenfondsraad (1949-1999)

Samenvatting van de inhoud van het archief

Het archief bevat de neerslag van de archiefvormers Commissie van Advies voor het Ziekenfondswezen (1936), de Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen, de Raad van Bijstand voor het Ziekenfondswezen, de Commissie van Advies voor het Ziekenfondswezen (1946) en de Ziekenfondsraad i.r.t. de totstandkoming en uitvoering van de regelingen van de verzekering van geneeskundige verzorging bij ziekte via ziekenfondsen (Ziekenfondsenbesluit en Ziekenfondswet). De neerslag werpt licht op de plaats, rol en invloed van de archiefvormers en hun onderlinge verhouding binnen de structuur van het ziekenfondsstelsel. Daarnaast werpt de neerslag licht op de ontwikkeling binnen het ziekenfondsstelsel van voornamelijk: de kring van verzekerden (ook: verplicht verzekerden versus vrijwillig verzekerden), de financiering van het stelsel en de onder de ziekenfondsverzekering vallende verstrekkingen (vormen van zorgverlening en hulpmiddelen).
De grootste series binnen het archief worden gevormd door de agenda’s, vergaderstukken en notulen van de vele overlegvormen binnen met name de Ziekenfondsraad en hiervan vooral de Raadsvergaderingen en de vergaderingen van de commissies. Andere grote series betreffen enerzijds de neerslag van de adviseringstaak van de Ziekenfondsraad aan de minister onder wie Volksgezondheid ressorteerde en anderzijds de jaarverslagen en jaarrekeningen van de Ziekenfondsraad. Bijzonder binnen het archief is de oorlogsgerelateerde neerslag, die vanuit de invalshoek van de betrokken archiefvormers een reconstructie mogelijk maakt van de totstandkoming van het Ziekenfondsenbesluit (en de rol van de Duitse bezetter hierin) en de inbedding hiervan in de via de Nederlandse parlementaire democratie van kracht geworden regelingen op het gebied van de ziektekostenverzekering.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer
Ministerie van Sociale Zaken: Afdeling Volksgezondheid, onderdeel Staatstoezicht op de Ziekenfondsen, (1919) 1941-1948
Het Nederlandse ziektekostenverzekeringsstelsel werd aan het begin van de 20e eeuw gekenschetst door een scheiding tussen de ziekengeldverzekering en de verzekering van geneeskundige verzorging bij ziekte. De Ziektewet van 1913 bracht de wettelijke basis voor de ziekengeldverzekering. Voor vergoeding van de geneeskundige verzorging bij ziekte bestond de mogelijkheid zich te verzekeren via een ziekenfonds, maar een wettelijke regeling voor het ziekenfondswezen ontbrak. Binnen de Nederlandse parlementaire democratie lieten de eerste vier decennia van de 20e eeuw diverse pogingen zien een dergelijke regeling onder de naam Ziekenfondswet tot stand te brengen. Het door Minister Abraham Kuyper in 1904 ingediende wetsvoorstel voor een ziekteverzekering, waarin een ziektekostenverzekering was geïntegreerd, kwam niet in behandeling. Minister Veegens’ ontwerp-Ziekteverzekeringswet werd in 1906 ingediend en weer ingetrokken. De Ziektewet van Minister Talma werd weliswaar in 1913 aangenomen, maar zonder ziektekostenverzekering. Tegen de loskoppeling van de Ziektewet van een ziektekostenverzekeringswet had de Tweede Kamer ernstige bezwaren en pas in 1930 trad de Ziektewet in werking. In de jaren ’20 spraken twee commissies zich achtereenvolgens uit voor een noodzakelijke unificatie in het ziekenfondswezen en de vorming van een Centrale Raad volgens een participatiemodel, die toezicht op de ziekenfondsen zou moeten houden. Hierin voorzag in 1925 een wetsvoorstel onder de naam ‘Ziekenfondswet’ van Minister Aalberse. Door de steeds groter wordende verdeeldheid tussen de verschillende belangenorganisaties in het ziekenfondswezen was Minister Romme in 1937 gedwongen het herhaaldelijk gewijzigde voorstel voor een Ziekenfondswet in te trekken. Onder Romme’s opvolger Van den Tempel bereidde het Departement van Sociale Zaken o.l.v. Directeur-Generaal Van den Berg een wetsontwerp voor, waarin sprake was van een Ziekenfondsraad, samengesteld uit vertegenwoordigers van de regering, de ziekenfondsen en de zorgaanbieders. Mei 1940 lag de nieuwe ontwerpwet gereed op het departement, maar vanwege de Duitse bezetting kwam het niet tot een parlementaire behandeling ( Uit de periode 1919-1940 bevinden zich in het archief de gedrukte parlementaire stukken over: de diverse wetsontwerpen voor een ziektekostenverzekeringswet en de instelling en adviezen van de diverse commissies die in deze periode zijn ingesteld en zich hebben gebogen over de wetsontwerpen. Daarnaast bevat het archief de notulen van de vergaderingen van de Commissie van Advies voor het Ziekenfondswezen 1936-1940 (op 3 april 1936 door Minister Slingenberg ingesteld met als taak de minister te adviseren over de vierde nota van wijzigingen van het ontwerp van de Ziekenfondswet. ) . De bezetter verordende in 1941 een ziektekostenverzekeringsregeling naar Duits model (het Duitse Krankenkassen systeem dat toen al 57 jaar bestond): het Ziekenfondsenbesluit ( Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken betreffende het Ziekenfondswezen (Ziekenfondsenbesluit), 1 augustus 1941, Verordening No. 160 – Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied - Stuk 34 - 16 augustus 1941. ) . Dit besluit regelde enerzijds dat de ingevolge de Ziektewet verzekerde werknemer recht had op geneeskundige behandeling voor hem en de leden van zijn gezin, waarvan hij kostwinner was, en dat hij hiervoor via een ziekenfonds verplicht verzekerd ( Verplicht verzekerd in de betekenis van verplichte premiebetaling en verplichte aanvaarding van de verzekerden door de ziekenfondsen: formeel gold geen plicht tot aansluiting bij een ziekenfonds, hoewel krachtens de Ziektewet ziekengeld kon worden geweigerd aan niet bij een ziekenfonds aangesloten werknemers, hetgeen gold tot 1 januari 1966, maar van weinig praktische betekenis is geweest. ) moest zijn, en anderzijds dat de overheid toezicht op de ziekenfondsen moest uitoefenen. Krachtens artikel 13, eerste lid, van het Ziekenfondsenbesluit belastte de Secretaris-Generaal van het Departement Sociale Zaken de Directeur-Generaal van Volksgezondheid van zijn departement met het toezicht op de ziekenfondsen. In deze hoedanigheid droeg deze de titel: Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen. Op voordracht van de Commissaris besliste de Secretaris-Generaal op verzoeken om erkenning als ziekenfonds en toelating als algemeen ziekenfonds. In het kader van de toezichtstaak van de Commissaris waren de ziekenfondsen verplicht jaarlijks aan hem verslag te doen over het gevoerde financiële beheer. Aan de goedkeuring van de Commissaris waren onderworpen: de statuten en reglementen (en wijzigingen hierin) van ziekenfondsen, de regelingen van de rechten en verplichtingen van verzekerden bij ziekenfondsen en de overeenkomsten tussen de ziekenfondsen en de personen en instellingen, die bij het verlenen van geneeskundige verzorging hun medewerking aan de ziekenfondsen moesten verlenen. Het Ziekenfondsenbesluit was haastig, zonder uitvoeringsbesluiten geformuleerd en snel in werking getreden (1 november 1941). Na de afkondiging van het Ziekenfondsenbesluit op 1 augustus 1941 werd het Bureau van de Commissaris overstelpt met verzoeken om erkenning en toelating van de ziekenfondsen, zonder dat het Bureau kennis had van de eisen waaraan deze verzoeken moesten voldoen. Deze eisen werden geformuleerd in het Tweede Uitvoeringsbesluit van 16 oktober 1941 ( Tweede Uitvoeringsbesluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken ingevolge het Ziekenfondsenbesluit, 16 oktober 1941, Verordening No. 201 – Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied - Stuk 44 - 23 oktober 1941. ) . De ziekenfondsen ontvingen dan ook in eerste instantie een voorlopige erkenning en toelating, m.u.v. het Nederlandsch Politie-Ziekenfonds en twee fondsen voor sanatoriumverpleging, die direct definitief werden erkend. Behalve de behandeling van de verzoeken om erkenning en toelating, moest ook een financieringssysteem voor het ziektekostenverzekeringsstelsel snel worden opgezet. Hiervoor werd in 1942 een fonds ingesteld, waarin de geïnde ziekenfondspremies werden gestort: het Vereveningsfonds. Op voordracht van de Commissaris stelde de Secretaris-Generaal jaarlijks de hoogte van de premie vast, die voor de helft was te voldoen door de verzekerden en de andere helft door hun werkgevers. De ziekenfondsverzekerden waren premieplichtig aan de ziekenfondsen. Bij de werkgevers van de rechtstreeks-verzekerden inden de uitvoeringsorganen van de wettelijke ziekteverzekering, via boden of vrije agenten, de premie m.b.v. een als zeer omslachtig ervaren couponsysteem. Uit het Vereveningsfonds moesten de bij de werkgevers geïnde bedragen elk half jaar door de Commissaris worden verdeeld over de algemene ziekenfondsen, naar evenredigheid van de bij hen aangesloten totaal-aantallen rechtstreeks- en indirect-verzekerden. Hieraan werd tijdens de bezetting in de praktijk slechts weinig uitvoering gegeven, o.a. door het gebrek aan statistische gegevens bij het Bureau van de Commissaris over de algemene ziekenfondsen. De kosten van het staatstoezicht werden ook vanuit het Vereveningsfonds gefinancierd. Bij de uitvoering van het toezicht op de ziekenfondsen werd de Commissaris bijgestaan door een raad van bijstand, waarvan de leden op 22 september 1941 werden benoemd in de installatievergadering van de Raad van Bijstand voor het Ziekenfondswezen. Zijn samenstelling en werkwijze werden geregeld in het Eerste Uitvoeringsbesluit van het Ziekenfondsenbesluit ( Eerste Uitvoeringsbesluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken ingevolge het Ziekenfondsenbesluit, 30 augustus 1941, Verordening No. 175 – Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied - Stuk 37 – 6 september 1941. ) . De Raad van Bijstand werd door de Commissaris gehoord over alle door hem vast te stellen voorschriften en over maatregelen tot vereniging of ontbinding van ziekenfondsen. De eerste ambtsperiode van de leden van de Raad van Bijstand duurde van 22 september 1941 tot en met 31 december 1941. In deze periode hield de Commissaris zich, noodgedwongen, vooral bezig met zijn verordenende taak t.a.v. de algemene ziekenfondsen. Hierdoor heeft de Raad van Bijstand zich met name op dit gebied doen gelden. De onderwerpen die door de Raad van Bijstand zijn behandeld waren: de redactie van het Tweede en Derde Uitvoeringsbesluit van het Ziekenfondsenbesluit ( Derde Uitvoeringsbesluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken ingevolge het Ziekenfondsenbesluit, 15 november 1941, Verordening No. 217 – Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied - Stuk 48 - 25 november 1941. ) , de wijze van inning van de ziekenfondspremie, het al of niet handhaven van de boden (m.b.t. de inning van de premie), de herverzekering van de kosten van bijzondere verstrekkingen als sanatoriumverpleging en uitkering bij overlijden, de toelating van artsen en vrije artsenkeuze en de overgangsbepalingen t.a.v. artsen die op 1 november 1941 bij bepaalde fondsen in dienst waren. In december 1941 werden aan de bij het ziekenfondswezen betrokken organisaties en instanties voordrachten gevraagd voor het samenstellen van een nieuwe Raad van Bijstand. Door de politieke verwikkelingen bleef het samenstellen hiervan echter achterwege. Doordat de Raad van Bijstand vanaf 1 januari 1942 niet meer werkzaam was, was de Commissaris genoodzaakt veel onderwerpen i.h.k.v. zijn toezicht per rondschrijven (circulaire) aan de algemene ziekenfondsen te regelen (circulairerecht).
Het Eerste Uitvoeringsbesluit regelde ook, dat de Commissaris in zijn werkzaamheden werd bijgestaan door een bureau, waarvan hij het personeel benoemde. Na een korte periode in Den Haag was het Bureau gedurende de rest van de bezetting gevestigd in Amsterdam. Behalve de eisen, waaraan verzoeken om erkenning en toelating moesten voldoen, regelde het Tweede Uitvoeringsbesluit de bevoegdheden van de Commissaris en de Secretaris-Generaal van het Departement van Sociale Zaken m.b.t. de samenvoeging of ontbinding van ziekenfondsen, kende het de Commissaris een bemiddelingsrol toe bij geschillen tussen ziekenfondsen onderling en tussen ziekenfondsen en personen of instellingen, waarmee een overeenkomst voor de levering van geneeskundige, farmaceutische, tandheelkundige en verloskundige verzorging was afgesloten. Daarnaast regelde het de bijdragen van erkende ziekenfondsen aan het Rijk, de inkomensgrens (waarboven geen verzekerden werden toegelaten), de administratieplicht van de algemene ziekenfondsen (verzekerden- en vermogensadministratie), de verzekerde gezinsleden (kring van verzekerden), de verstrekkingen waarop de verzekerden recht hadden, de premiehoogte en –vaststelling van algemene ziekenfondsen, de premie-inning (en storting hiervan in het Vereveningsfonds) en koppeling van de premie aan de Ziektewet en de verdeling van de gelden van het Vereveningsfonds over de algemene ziekenfondsen. Het Derde Uitvoeringsbesluit (het laatste verordende uitvoeringsbesluit) behelsde grotendeels de uitwerking van de vrije keuze van de verzekerden van huisarts, specialist en verdere medewerkers van de ziekenfondsen.
De t.g.v. de oorlogshandelingen fluctuerende geografische situatie van de bezetting leidde op 1 oktober 1944 tot de oprichting van een tijdelijk Bureau van de Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen, in het al bevrijde zuidelijk deel van Nederland. Dankzij de medewerking van de N.V. Philips vond het tijdelijk Bureau onderdak in het gebouw van de medische afdeling van Philips aan de Hooghuisstraat 12 in Eindhoven. Het Bureau in Eindhoven onderhield geen contacten met het Bureau in Amsterdam. De zuidelijke Commissaris besloot geen veranderingen aan te brengen in de regelingen op ziekenfondsgebied die door het Ziekenfondsenbesluit tot stand waren gekomen voor de bevrijde delen van Nederland. Hoewel hier vooral de werkgevers aangaven zich niet aan het Ziekenfondsenbesluit gehouden te voelen, slaagde de Commissaris er grotendeels in de door de bezetter verordende ziekenfondsregelingen te handhaven. In de maand juni 1945 deed het Bureau te Eindhoven de lopende zaken af en werd het op 1 juli 1945 opgeheven ( In het archief is geen neerslag aangetroffen van de instelling, opheffing en werkzaamheden van het Bureau in Eindhoven. De informatie over dit Bureau is ontleend aan het ‘Verslag van de Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen, over de jaren 1944 en 1945 (Overgedrukt uit ‘Verslagen en mededelingen betreffende de Volksgezondheid’, augustus 1948). ) . De zuidelijke Commissaris trad vanaf toen op als landelijk Commissaris (ingevolge het Zuiveringsbesluit ( Besluit van 2 augustus 1945 houdende vaststelling van het Zuiveringsbesluit 1945 (Stb. No. F 132). ) werd de noordelijke Commissaris uit zijn functie ontheven).
Als rechtsherstelmaatregel werden na de bevrijding bij Koninklijk Besluit van 25 januari 1946 (Stb. 1946, No. G 21) alle (advies)taken die de Raad van Bijstand had tijdelijk buiten werking gesteld. Als bezettingsmaatregel bleef het Ziekenfondsbesluit gehandhaafd. Minister van Sociale Zaken Willem Drees sr. wilde het besluit van de bezetter niet eerder intrekken dan nadat er een Ziekenfondswet tot stand was gekomen. De Commissaris, wiens positie als het meest ondemocratische element van het Ziekenfondsenbesluit werd beschouwd, werd wel vervangen door een overlegorgaan, de Commissie van Advies voor het Ziekenfondswezen (op 24 mei 1946 door Drees ingesteld). Deze commissie was bedoeld als een tijdelijke voorziening in afwachting van de op te richten Ziekenfondsraad en bestond uit zeven ambtelijke deskundigen, vijf vertegenwoordigers van de ziekenfondsen, twee vertegenwoordigers van de Stichting van de Arbeid en zeven vertegenwoordigers van organisaties van medewerkers. Met zijn advies aan de Minister van Sociale Zaken over het wetsontwerp voor de instelling van een ziekenfondsraad had de Commissie van Advies voor het Ziekenfondswezen zijn belangrijkste taak volbracht. Per 1 januari 1949 werd de commissie vervangen door de Ziekenfondsraad.
Ziekenfondsraad, 1949-1999
Op 1 januari 1949 traden de Wet op den Ziekenfondsraad (Wet van 24 april 1947, Stb. H 135) en het Besluit op de Ziekenfondsraad (Besluit van 31 januari 1948, Stb. I 32) in werking. Krachtens artikel 16 van de Wet op den Ziekenfondsraad werd de Raad van Bijstand opgeheven. De bevoegdheden, bij of krachtens het Ziekenfondsenbesluit toegekend aan de Secretaris-Generaal van Sociale Zaken of aan de Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen, gingen over op de Ziekenfondsraad, m.u.v. de bevoegdheden die op de Minister van Sociale Zaken overgingen: het erkennen van ziekenfondsen en het toelaten van ziekenfondsen als algemeen ziekenfonds, het verenigen en ontbinden van ziekenfondsen en het vaststellen van de (ziekenfonds)premie. De functionele decentralisatie (overheveling taken van de Commissaris aan het bij wet ingestelde onafhankelijke college de Ziekenfondsraad) werd dus niet volledig doorgevoerd. Bovendien behield de minister de bevoegdheden die hij al vóór 1949 aan zich had gehouden. Vanaf 1949 was de regeling van het ziekenfondswezen dan ook over twee instanties verdeeld: enerzijds de minister en anderzijds de Ziekenfondsraad. De Ziekenfondsraad legde voor zijn beleid en beheer verantwoording af aan de minister. Naar de bedoeling van de wetgever vervulde de minister in de eerste plaats een repressieve functie in het ziekenfondsbestel. Hij kon de Kroon verzoeken besluiten van de Ziekenfondsraad te schorsen of vernietigen en taken aan de Ziekenfondsraad te ontnemen en aan hem over te dragen.
De Ziekenfondsraad kreeg van de regering de taak om in ‘in het belang van de volksgezondheid een goede verzorging van de bevolking door de werkzaamheid van het ziekenfondswezen te bevorderen.’ Ter uitvoering van die taak behelsden de bevoegdheden van de Ziekenfondsraad: toezicht houden op de uitvoering van de ziekenfondsverzekering, de gelden beheren die in de verzekering omgingen en de minister die met Volksgezondheid was belast adviseren over wet- en regelgeving op het gebied van het ziekenfondswezen. Het toezicht was het meest concreet in de vorm van de controles die het Bureau van de Ziekenfondsraad uitvoerde op de bedrijfsvoering van de ziekenfondsen. Onder de toezichthoudende functie vielen bovendien de bemoeienissen met de honoreringsovereenkomsten tussen fondsen en medewerkers (zorgverleners) en de organisatorische en inhoudelijke inspanningen die de Ziekenfondsraad leverde op tandheelkundig respectievelijk medisch-farmacologisch gebied. Het beheer van de verzekeringsgelden betrof enerzijds het vermogen van het Vereveningsfonds en anderzijds het bewerkstelligen van de continuïteit van het volume van de stroom gelden hierin. Kenschetsend voor de zorg voor voldoende gelden in het Vereveningsfonds in de periode 1949-1965 was de strijd die de Ziekenfondsraad voerde met de Sociaal-Economische Raad en de naoorlogse kabinetten om de hoogte van de premies. De adviesfunctie van de Ziekenfondsraad werd in deze periode vervuld door een reeks van kleinere adviezen inzake min of meer technische aangelegenheden.
Het bestuur van de Ziekenfondsraad bestond in 1949 uit een raad van 36 leden inclusief de voorzitter (en een gelijk aantal plaatsvervangende leden): zeven ambtelijke deskundigen op het gebied van de volksgezondheid, de sociale verzekering en particuliere verzekering, negen vertegenwoordigers van de algemene ziekenfondsen, zeven vertegenwoordigers van het bedrijfsleven (werkgevers en werknemers) en twaalf vertegenwoordigers van de groepen van personen en instellingen, die hun medewerking verleenden aan de ziekenfondsen bij het verstrekken van de onderscheiden onderdelen van de geneeskundige verzorging (zorgaanbieders en patiënten- en consumentenorganisaties). Aan de vaste Commissie, genoemd in artikel 13 van het Besluit op de Ziekenfondsraad, droeg de Raad de uitoefening van bepaalde haar toekomende bevoegdheden op: de Commissie van Gedelegeerden. Deze commissie fungeerde als het dagelijks bestuur van de Ziekenfondsraad van 1949 tot de volledige inwerkingtreding van de Ziekenfondswet op 1 januari 1966. Onder goedkeuring van de minister stelde de Ziekenfondsraad een reglement voor zijn inrichting en werkwijze vast: het Reglement van Orde ( Het Reglement van Orde van de Ziekenfondsraad werd tot 1966 vastgesteld krachtens artikel 7, derde lid, van de Wet op den Ziekenfondsraad, daarna krachtens artikel 58 van de Ziekenfondswet en vanaf 1968, i.v.m. de inwerkingtreding van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, mede krachtens artikel 48, tweede lid, van laatstgenoemde wet. ) .
Op 1 januari 1966 trad de Ziekenfondswet in werking (Stb. 1964, 392) en verving deze het Ziekenfondsenbesluit, waarvan het in vele opzichten de codificatie betekende. Opmerkelijk was dat de Ziekenfondsraad niet werd gehoord in het proces van totstandkoming van de Ziekenfondswet. Door de Ziekenfondswet werd de samenstelling van de Ziekenfondsraad gewijzigd (de ministeriële ambtenaren werden vervangen door onafhankelijke – door de minister benoemde – deskundigen, de kroonleden, waaruit de voorzitter werd benoemd) en werd het beroepsrecht ingevoerd in het ziektekostenverzekeringsstelsel (het Ziekenfondsenbesluit kende geen beroepsrecht). Vanaf 1966 was de Ziekenfondsraad een publiekrechtelijk bestuursorgaan en ontleende het zijn taken rechtstreeks aan de wet. Met de invoering van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in 1968 (Stb. 1967, 617), waarmee de verzekering tegen zware geneeskundige risico’s tot stand kwam, werd het takenpakket van de Ziekenfondsraad uitgebreid.
Krachtens de Ziekenfondswet werden beheer en toezicht meer van elkaar gescheiden, ofschoon het voornemen van de minister om de vertegenwoordigers van de medewerkers en de ziekenfondsen uit de Raad te verwijderen door de Staten-Generaal werd tegengehouden. In het kader van de inwerkingtreding van de AWBZ werden in 1968 aan de Raad nog acht leden en evenzoveel plaatsvervangende leden toegevoegd. Onder goedkeuring van de minister stelde de Raad in 1968 een nieuw Reglement van Orde vast. Volgens dit nieuwe reglement was er een Presidium dat bestond uit de voorzitter plus vier plaatsvervangende voorzitters. Het Presidium verving de Commissie van Gedelegeerden als dagelijks bestuur van de Ziekenfondsraad en fungeerde als voorbereidingscommissie met een beperkte taak, nl. de voorbereiding van de agenda van de raadsvergaderingen en het toedelen van de voorbereiding van adviezen en besluiten aan de diverse commissies van de Raad. Tevens kon het Presidium in bijzondere gevallen als informeel overlegorgaan dienen tussen de verschillende groeperingen in de Raad. Er was veelal geen rechtstreekse relatie aanwezig tussen een commissie en het Presidium, hoewel sommige leden van het Presidium tevens voorzitter van een raadscommissie konden zijn. De commissies, waarover de Raad beschikte en die hem adviseerden, kon de Raad zelf instellen of op verzoek van de minister ( Van 1949 tot 1965 op grond van artikel 11 van het Besluit op de Ziekenfondsraad; vanaf 1965 op grond van artikel 55 (voor het door Ziekenfondsraad zelf instellen van commissies) en 56 (voor het op verzoek van de minister instellen van commissies door de Ziekenfondsraad) van de Ziekenfondswet. ) . De commissies konden op hun beurt zelf subcommissies en werkgroepen instellen. De commissies van de Raad hadden als taak: het adviseren van de Ziekenfondsraad met betrekking tot die onderwerpen, die naar hun aard tot hun competentie behoorden en specifiek aan hen opgedragen taken die verband hielden met de Ziekenfondswet (vanaf 1965) en AWBZ (vanaf 1968).
De Raad en zijn commissies werden bijgestaan door het Bureau van de Ziekenfondsraad (vanaf 1965 het Secretariaat genoemd), dat de voorbereidende en uitvoerende werkzaamheden verrichtte. Daarnaast ondersteunde het de Raad in (intern) bestuurlijke zin. De Raad benoemde een Algemeen Secretaris, die was belast met de dagelijkse leiding van het Secretariaat, en een aantal secretarissen. Het Secretarissenoverleg vormde de ambtelijke leiding van het Secretariaat van de Ziekenfondsraad. De Algemeen Secretaris was verantwoordelijk tegenover de Raad voor de gang van zaken in het Secretariaat. De verantwoordelijkheid betrof de door het Secretariaat te leveren prestaties en het aanzien van het Secretariaat in zijn omgeving. Het Secretariaat kende een indeling in sectoren. De kern van de organisatie was opgebouwd rondom de gebieden waarop van het Secretariaat prestaties werden verwacht. Met betrekking tot deze gebieden was er een onderscheiding naar: de kring van verzekerden, het te bieden pakket voorzieningen, het vraagstuk van de premieheffing, het functioneren van de gezondheidszorg ten behoeve van de verzekerden, het functioneren van de uitvoeringsorganisatie. Elk van deze gebieden vroeg om min of meer zelfstandige verrichtingen en riep min of meer zelfstandige beleidsvraagstukken op.
Het vaststellen van de arbeidsvoorwaarden van het personeel van de Ziekenfondsraad vond tot 1 januari 1966 plaats door de minister (artikel 14, tweede lid, Besluit op de Ziekenfondsraad). Het personeel was ambtenaar in burgerlijke rijksoverheidsdienst, op wie de Ambtenarenwet (1929) en het Algemeen Rijksambtenarenreglement (1931) van toepassing waren. Bij inwerkingtreding van de Ziekenfondswet werd de Ziekenfondsraad omgevormd tot een autonome instelling met de wettelijke bevoegdheid zelfstandig arbeidsvoorwaarden voor het personeel vast te stellen. Het personeel verloor hiermee zijn status van rijksambtenaar en kwam, met behoud van een pensioenvoorziening (ABP), in dienst van de Ziekenfondsraad.
De belangrijkste maatschappelijke functies die de Ziekenfondsraad vanaf 1966 vervulde kwamen overeen met die van de periode 1949-1965: toezicht, beheer en advisering. Toezicht op het beheer en de administratie van de ziekenfondsen en (vanaf 1968) uitvoeringsorganen in de zin van de AWBZ. Beheer van de Algemene Kas Ziekenfondsverzekering (voorloper: het Vereveningsfonds, 1942-1968) en het Algemeen Fonds Bijzondere Ziektekosten. Advisering aan de minister die met de Volksgezondheid was belast, desgevraagd of uit eigen beweging, over Ziekenfondswet- en AWBZ-gerelateerde onderwerpen, waarover hij ook publieksvoorlichting gaf. Gekoppeld aan zijn kassenbeheerstaak droeg de Ziekenfondsraad ook zorg voor de opzet en uitvoering van een aantal subsidieregelingen ter ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek, een aantal zorgvoorzieningen en subsidies t.b.v. de uitvoering van zorgvormen of verzekeringsaspecten die (nog) niet in het verstrekkingenpakket van de Ziekenfondswet en AWBZ voorkwamen. Daarnaast hield de Ziekenfondsraad zich ook bezig met het voorlichten en informeren van belanghebbenden over de toepassing van de Ziekenfondswet en AWBZ. In diverse commissies werden de klachten, bezwaren en problemen van individuele zorginstellingen, verzekerden en uitvoeringsorganisaties behandeld. Ook trad de Ziekenfondsraad op als verrekeningskantoor voor verzekeringsaangelegenheden die betrekking hadden op verdragen die met buitenlandse instanties waren afgesloten.
Vanaf eind jaren ’70 van de 20e eeuw werd binnen de politiek de aanzet gegeven tot het heroverwegen van zowel het wettelijke ziektekostenverzekeringssysteem als de posities van de diverse advies- en bestuursorganen. Eén van de reacties van de Ziekenfondsraad hierop was zijn advies ‘Taak, samenstelling en werkwijze van de Ziekenfondsraad’ uit 1984. Hoewel de politiek hierop overwegend instemmend reageerde, bleek de ‘ontrading’ onvermijdelijk. De door Staatssecretaris Dees ingestelde Commissie Dekker ( De Commissie Structuur en Financiering Gezondheidszorg (= Commissie Dekker, 1986-1987) werd door de minister en staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur ingesteld en had als taak: het adviseren van de minister onder wie Volksgezondheid ressorteerde over de mogelijkheden tot beheersing van de volumeontwikkeling, tot verdere herziening van het stelsel van ziektekostenverzekeringen en tot deregulering, vermindering van de bureaucratie en stroomlijning van de adviesstructuur. De commissie werd voorgezeten door prof.dr. W. Dekker, voorzitter Raad van Toezicht van de N.V. Philips Gloeilampenfabrieken. In maart 1987 bracht de commissie haar rapport ‘Bereidheid tot verandering’ uit. ) introduceerde in 1987 de marktwerking in de zorgsector: ziekenfondsen zouden bedrijfsmatiger moeten gaan werken en risico’s incalculeren. De Ziekenfondsraad zou plaats moeten maken voor een Raad voor de zorgverzekering, bestaande uit alleen kroonleden. Hoewel het plan Dekker niet doorging, vormde het in 1992 voor Staatssecretaris Simons wel de basis voor de feitelijke invoering van de marktwerking: ziekenfondsen en particuliere verzekeraars smolten samen tot zorgverzekeraars, die landelijk gingen werken (tot dan toe werkten ziekenfondsen regionaal). In 1995 verloor de Ziekenfondsraad – mede door het rapport ‘Raad op maat’ van de Commissie-De Jong ( De Eerste bijzondere commissie Vraagpunten Adviesorganen (= Commissie-De Jong, 1992-1993) werd ingesteld n.a.v. het rapport van de Bijzondere Commissie Vraagpunten (parlementaire hervormingscommissie, de Commissie-Deetman) en had als taak de mogelijkheden te onderzoeken voor politieke en bestuurlijke vernieuwing (de Commissie-Deetman had vastgesteld, dat ‘de rol die de adviesorganen spelen in de beleidsvorming […], ook los van de relatie met het parlement, aanleiding geeft tot problemen.’). De commissie werd voorgezeten door drs. G. de Jong, Tweede Kamerlid voor het CDA. Op 1 juli 1993 bracht de commissie haar rapport ‘Raad op maat’ uit. ) – zijn beleidsadviserende taak. Eind 1998 stemde de Tweede Kamer in met de vervanging van de Ziekenfondsraad door een College voor zorgverzekeringen. De Wet uitvoeringsorganen volksgezondheid ( Wet van 27 maart 1999 tot wijziging van de Ziekenfondswet, de Wet tarieven gezondheidszorg en de Wet ziekenhuisvoorzieningen in verband met wijzigingen in de taak, samenstelling en werkwijze van de in die wetten geregelde bestuursorganen, alsmede wijzigingen van andere wetten in verband daarmee (uitvoeringsorganen volksgezondheid), Stb. 1999, 185. ) scheidde de advies-, overleg- en uitvoeringsfuncties bij de uitvoeringsorganen op het terrein van de volksgezondheid en zorggerelateerde dienstverlening en leidde ertoe, dat deze uitvoeringsorganen geen advies- of overlegtaken meer hadden en werden omgevormd tot uitvoeringsorganen ‘nieuwe stijl’ met een gewijzigde samenstelling (besturen van onafhankelijke deskundigen) en nieuwe taken en werkwijzen. De wet was een uitvloeisel van de in het kader van de Herzieningswet adviesstelsel ( Wet van 3 juli 1996, houdende opheffing van het adviesstelsel in zaken van algemeen verbindende voorschriften en beleid van het Rijk (Herzieningswet adviesstelsel), Stb. 1996, 377. ) gemaakte conceptuele keuze voor scheiding van de functies advies, overleg en uitvoering.
De wetgever koos ervoor de participatie van maatschappelijke organisaties in het bestuur van de Ziekenfondsraad niet te handhaven. Het participatiemodel van de Ziekenfondsraad maakte plaats voor een model van uitsluitend onafhankelijke deskundigen. Een half jaar na het vieren van zijn vijftigjarig jubileum hield de Ziekenfondsraad op 1 juli 1999 op te bestaan. Zijn beheers- en resterende adviseringstaken gingen over op het College voor zorgverzekeringen (CVZ) en zijn toezichtstaak op de Commissie Toezicht Uitvoeringsorganisatie (CTU), die als bestuursorgaan binnen de rechtspersoon van het CVZ werkzaam was.
Geschiedenis van het archiefbeheer
( De neerslag over het archiefbeheer maakt onderdeel uit van de neerslag die bij de aanvullende overbrenging ter completering van dit blok in een later stadium wordt overgebracht (zie ook: Selectie en vernietiging, onderdeel Selectie). )
Ordening van het archief
Archiefcode
Nadat in oktober 1941 het Bureau van de Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen, werd opgericht, besloot de Commissaris voor de ordening van het archief tot aansluiting bij het Registratuurbureau van de Vereeniging van Nederlandsche Gemeenten (VNG), dat werd verzocht een archiefcode samen te stellen voor de materie van het Staatstoezicht op de ziekenfondsen. Bij de codering van de stukken volgens het decimale registratuurstelsel van de VNG stond het beginsel van de zaaksgewijze ordening (dossierstelsel) voorop. Het zakelijke verband werd bij inschrijving van de stukken, waarbij de doorschrijfmethode werd toegepast, o.b.v. de ontwikkelde codes vastgelegd. Met het toepassen van het dossierstelsel was het Bureau het eerste onderdeel van het Departement Sociale Zaken, dat geen gebruik maakte van het systeem van chronologische opberging, zoals dat destijds door alle departementen werd gehanteerd. Hiermee liep het Bureau jaren vooruit op de uitvoering van artikel 11 van het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1950 (Besluit post- en archiefzaken rijksadministratie), Stb. K 425, dat het dossierstelsel voorschreef aan de onder de rijksadministratie vallende overheidsinstellingen.
Vanwege de nog grote mate van onbekendheid met de ziekenfondsmaterie kon in 1941 echter nog geen gebruik worden gemaakt van een specifieke code voor alle onderwerpen betreffende het Staatstoezicht op de ziekenfondsen. Alleen zeker was, dat de ziekenfondsen die na 1 november 1941 hun werkzaamheden wilden voortzetten, een erkenning en toelating nodig hadden. De eerste ordeningsmaatregelen betroffen dan ook de erkennings- en toelatingsaanvragen. Wel konden de gemeentecodes voor de onderdelen personeel en organisaties in hun geheel worden overgenomen, waarbij de code voor het onderdeel organisatie werd uitgebreid voor de positie van de Commissaris, de Secretaris en de (leden van de) Raad van Bijstand, bevoegdheden, statistieken en het toezicht op de ziekenfondsen. Naast de twee codes voor de onderdelen personeel en organisatie waren er vier cijfergroepen voor de hoofdonderdelen: Grondslagen van de verzekering, Organisatie van de verzekering, Vrijwillige en verplichte verzekering en Verzekeringsgeneeskunde. Deze groepen werden weer onderverdeeld o.b.v. van de diverse onderwerpen die voor het voetlicht traden bij de ontwikkeling van het beleidsterrein van het Ziekenfondsenbesluit en zijn drie uitvoeringsbesluiten. Aan de hand van deze uitvoeringsbesluiten werd uiteindelijk een code samengesteld die tot 1959 dienst deed als kapstok voor de archiefordening bij het Bureau van de Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen, respectievelijk de Ziekenfondsraad (vanaf 1949).
De code van het Registratuurbureau die op verzoek van de Commissaris was ontwikkeld, was primair bedoeld voor het Staatstoezicht op de ziekenfondsen. Toen begin jaren vijftig het dossierstelsel ook werd ingevoerd bij het kerndepartement van het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid bleek de code van het Registratuurbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten niet toereikend voor het classificeren van de vele onderwerpen die op het Directoraat-Generaal Volksgezondheid speelden. Bovendien werd de materie van het ziekenfondswezen (en de overheidsbemoeienis hierin) steeds complexer. Ministeriële deskundigen op de deelterreinen van sociale zaken en volksgezondheid ontwierpen in samenspraak met (hoofd-)inspecteurs van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid en functionarissen van de Ziekenfondsraad daarom een code voor de archiefvorming bij het Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid. Eind jaren vijftig verleende de Algemene Classificatie Commissie Overheidsadministratie zijn fiat aan deze code, die werd uitgewerkt in het Registratuurplan voor het departement van Sociale Zaken en Volksgezondheid (vastgesteld d.d. 29-10-1959, No. 9227 KAZ Ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid). Vanaf 1959 gebruikte ook de Ziekenfondsraad dit registratuurplan voor zijn dossierstelsel. In 1964 werd de code, zoals die tot dan toe was ontwikkeld voor de materie van het ziekenfondswezen en het hieronder vallende staatstoezicht, wederom vanwege de steeds complexer geworden materie, uitgebreid en geënt op de taken van de Ziekenfondsraad. De hieruit volgende Code archiefordening Ziekenfondsraad werd vanaf 1964 tot en met 1999 gebruikt voor de archiefordening bij de Ziekenfondsraad, waarbij de oudere archiefbestanddelen hun oorspronkelijke codering behielden.
Hoewel er redelijk adequaat werd voorzien in een code voor het dossierstelsel vanaf 1941 tot en met 1999, verdeelde de gehanteerde Universele Decimale Classificatie de informatie over veel onderwerpen (‘zaken’). Hierdoor werd weinig tegemoet gekomen aan de informatiebehoefte (veelal per ziekenfonds) van de organisatie. De archiefcode was weliswaar voldoende gedifferentieerd voor het coderen van de archiefbescheiden a.d.h.v. de binnen de archiefcode onderscheiden onderwerpen, maar een duidelijk verband tussen taakuitoefening door de Ziekenfondsraad en de structuur van de gehanteerde code ontbrak. Daarnaast ontbraken procedurebeschrijvingen m.b.t. de behandeling van stukken, inclusief de archivering hiervan. Pas in 1982 werden dergelijke procedurebeschrijvingen (‘regelen omtrent het beheer van archiefbescheiden’, zoals bedoeld in artikel 49, eerste lid, Archiefbesluit 1968) vastgesteld (Beheersregels ten behoeve van de archivering bij de Ziekenfondsraad, Amstelveen 16 augustus 1982). Lijsten van voor vernietiging in aanmerking komende archiefbescheiden, zoals bedoeld in artikel 3, eerste en derde lid, Archiefbesluit 1968, zijn niet vastgesteld voor de archiefbescheiden van de Ziekenfondsraad. Enerzijds werd hierdoor bij de dossiervorming geen rekening gehouden met de vernietiging van archiefbescheiden, anderzijds had de ordening van de archiefbescheiden op onderwerp tot gevolg dat in de dossiers geen onderscheid werd gemaakt tussen beleidsrelevante informatie en uitvoeringsinformatie. Bij de bewerking is beoordeeld of het alsnog aanbrengen van deze scheiding, veelal leidend tot vernietigbaarheid van de uitvoeringsinformatie, tot aantasting van de dossierintegriteit zou leiden. Bij de dossiers waar dit risico zich voordeed, is ervoor gekozen zowel de beleidsrelevante als de uitvoeringsinformatie te bewaren.
Eigentijdse codes
Bij de inventarisnummers die verwijzen naar agenda’s, notulen en vergaderstukken van vergaderingen van de Ziekenfondsraad, de Commissie van Gedelegeerden, het Presidium, de secretarissen (het Secretarissen-Overleg) en de door de Ziekenfondsraad ingestelde commissies zijn in de beschrijvingen van de archiefbestanddelen eigentijdse codes opgenomen. Voor wat betreft de vergaderingen van de Ziekenfondsraad, de Commissie van Gedelegeerden, het Presidium en de secretarissen (het Secretarissen-Overleg) bestaat deze code uit de letter(s) waarmee de overlegvormen werden afgekort (Z voor Ziekenfondsraad, CvG voor Commissie van Gedelegeerden, P voor Presidium en S.O. voor Secretarissen-Overleg), gevolgd door de combinatie ‘getal of cijfer/cijfer of getal’. Het eerste getal of cijfer verwijst naar het onderwerp van de vergadering, waarvoor een onderwerpenlijst was opgemaakt a.d.h.v. het takenpakket van de Ziekenfondsraad, en het tweede cijfer of getal verwijst naar de nummering van de vergaderstukken volgens de agenda van de vergadering. Voor wat betreft de vergaderingen van de Ziekenfondsraadcommissies gold een min of meer overeenkomstig gebruik van eigentijdse codes (over de exacte systematiek van de codes van deze commissies is geen neerslag bewaard gebleven). Onder inventarisnummer 7277 is opgenomen de lijst ‘Herzien archiveringssysteem Intern Secretariaat met ingang van 1 januari 1995’, die geldt als eigentijdse codelijst met de numerieke opsomming van de onderwerpen van de vergaderingen van de Ziekenfondsraad, de Commissie van Gedelegeerden, het Presidium en het Secretarissen-Overleg’. Deze lijst is indicatief voor wat betreft de eigentijdse codes van de vergaderingen van de Ziekenfondsraadcommissies. Oudere lijsten zijn in het archief niet aangetroffen.
Locatie van het archief
Begin oktober 1941 werd het Bureau van de Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen, gevestigd op ’t Hoenstraat 7 in Den Haag en voerde ‘Afdeling V. Secretarie en Archief’ aldaar het beheer over het archief. Kort na de vestiging op ’t Hoenstraat werd ook een zolderverdieping betrokken op ’t Hoenstraat 5 (waar ook de Afdeling Volksgezondheid van het Departement Sociale Zaken was gevestigd). De Financiële Afdeling van het Bureau vond een onderkomen aan de Riouwstraat 191. Via de Rijksgebouwendienst werd m.i.v. 1 februari 1942 het voormalige pand van Hotel Olympia aan de Ieplaan 174-176 gehuurd, dat op 1 augustus door het complete Bureau van de Commissaris werd betrokken. Op last van de Duitse bezetter werden begin oktober 1942 alle Departementen van Algemeen Bestuur uit Den Haag geëvacueerd. Het Bureau van de Commissaris verhuisde per schuit naar Amsterdam, waar het medio december 1942 de eerste en tweede etage van de Nederlandsch-Indische Handelsbank aan de Singel 250 huurde. Per 1 september 1946 werd via de Rijksgebouwendienst de Herengracht 510 gehuurd. Het pand op de Nieuwe Doelenstraat 10 werd via de Rijksgebouwendienst gehuurd voor het onderbrengen van de Accountantsdienst en de Sectie Statistiek van de Financiële Afdeling (per 1 januari 1948 verhuisden deze onderdelen van het Bureau van de Commissaris naar de Prinsengracht 759). Vanaf 1 januari 1953 was het sinds 1 januari 1949 ingestelde Bureau van de Ziekenfondsraad gevestigd op de P.C. Hooftstraat 162-166 (de Accountantsdienst en het Bureau Statistiek van de Financiële Afdeling bleven gevestigd op de Prinsengracht). In 1962 werd het pand op de Roemer Visscherstraat 28 aangekocht en in de loop van 1962 werden hier de Medische Afdeling en de Accountantsdienst ondergebracht. Voor de uitbreiding van het Bureau van de Ziekenfondsraad werden in 1963 de panden op de P.C. Hooftstraat 151, 153 en 155 gekocht, die vanaf 1965 in gebruik werden genomen. In dezelfde periode werd het pand op de Roemer Visscherstraat 28 verkocht. De laatste grote verhuizing vond in september 1972 plaats, toen het Secretariaat van de Ziekenfondsraad het gebouw aan de Prof. J.H. Bavincklaan 2 te Amstelveen betrok, dat in opdracht van de Ziekenfondsraad was gebouwd. De rest van zijn bestaan bleef dit de hoofdzetel van de Ziekenfondsraad. Archiefvorming door de Ziekenfondsraad vond dus verspreid plaats over de diverse gehuurde en gekochte zetels. De archiefruimten bevonden zich echter primair op de hoofdzetels van het Bureau van de Commissaris respectievelijk de Ziekenfondsraad. De frequente verhuizingen, met name de verhuizingen die haastig moesten worden uitgevoerd tijdens de bezettingstijd, zorgden voor een aanzienlijk verlies aan archiefbescheiden. Gegevens over de exacte omvang van dit verlies zijn helaas niet voorhanden.
De Ziekenfondsraad en zijn taakvoorgangers hadden ook een forse groep medewerkers, die was belast met het toezicht op de ziekenfondsen en (vanaf) 1968 op de uitvoeringsorganen van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Deze medewerkers verrichtten hun toezichtwerkzaamheden op de kantoren van de ziekenfondsen. De Accountantsdienstmedewerkers en de inspecteurs van de ziekenfondsen schreven hun rapporten op het kantoor van het ziekenfonds of thuis. In de zeventiger jaren vond de leiding van de Ziekenfondsraad het niet langer gepast dat rapporten bij de ziekenfondsen of bij medewerkers thuis werden geschreven. Bovendien werd het voor de teamgeest beter geacht dat de medewerkers binnen een regio elkaar ook konden treffen op een eigen, regionaal kantoor. De Accountantsdienst en de Inspectie zijn vanaf medio jaren zeventig verdeeld over vier rayons (Noord/Oost, West I, West II en Zuid). Elk rayon kreeg zijn eigen kantoor, met uitzondering van West I dat op het hoofdkantoor in Amstelveen werd gehuisvest. Noord/Oost waren gehuisvest in Zwolle, West II in Rotterdam en Zuid in Eindhoven. In dit kader huurde de Ziekenfondsraad vanaf medio jaren zeventig kantoren in Eindhoven (Aalsterweg 224a [1974-1977], Mauritsstraat 36 [1978-1987] en Aalsterweg 24b [1987-1999(2000)] en Rotterdam (Korte Hoogstraat [medio jaren tachtig-1992] en Scheepmakershaven 32 [1992-1994]. In Zwolle kocht de Ziekenfondsraad medio jaren zeventig van de Rijksgebouwendienst een perceel met opstallen aan de Willemskade, nr. 21. De archiefvorming buiten de in gebruik zijnde zetels in periode 1941-medio jaren zeventig werkte nadelig voor het gecentraliseerde archiefbeheer vanuit de hoofdzetels en bracht eveneens een verlies aan archiefbescheiden met zich mee, waarover ook geen exacte gegevens voorhanden zijn.
Nadat de Ziekenfondsraad ophield te bestaan, waren zijn archief en dat van zijn taakvoorgangers voornamelijk gehuisvest op de archiefruimte van zijn hoofdzetel in Amstelveen, dat door zijn taakopvolgers tot medio 2003 werd gebruikt. De archiefbestanddelen, waarvoor in Amstelveen geen ruimte voor opslag was, waren in de periode 1995-2003 hoofdzakelijk opgeslagen in Huizen respectievelijk Almere, vanaf 2003 in Utrecht en vanaf 2005 tot medio juli 2015 in Turnhout (België). Toen de taakopvolgers van de Ziekenfondsraad medio 2003 uit Amstelveen vertrokken en zich in Diemen vestigden, werd het hoofdbestanddeel van het archief van de Ziekenfondsraad en zijn taakvoorgangers opgeslagen in Utrecht en vanaf 2005 in Turnhout. De toezichtarchieven op de regiokantoren van de Accountantsdienst en de Inspectie werden na de opzegging van de huur dan wel verkoop van deze kantoren (door de taakopvolger van de toezichttaak van de Ziekenfondsraad) naar Diemen verhuisd. Het geselecteerde archief voor bewerking voor overbrenging is medio juli 2015 vanuit Turnhout (hoofdbestanddeel) en Diemen naar Alblasserdam vervoerd, vanwaar het na bewerking is overgebracht aan het Nationaal Archief.
De verwerving van het archief
De rechtstitel is (nog) onbekend.
Het archief van de Ziekenfondsraad en taakvoorgangers is in [maand] 2016 door de zorgdragers vanuit Alblasserdam overgebracht krachtens artikel 12, 13, eerste lid, en artikel 45 van de Archiefwet 1995.

Inhoud en structuur van het archief

Selectie en vernietiging
Vernietiging vóór bewerking Vanaf 1949 tot 1972 is er incidenteel archief vernietigd ( Naast de incidentele vernietigingsuitvoeringen in de periode 1949-1972 is in september 1956 een aantal door water beschadigde dossiers vernietigd. Deze dossiers bevatten archiefbescheiden uit de periode 1941-1952 (merendeel 1943-1947) over: de ziekenfondsverstrekkingen, de verzekeringstechnische aspecten van het Ziekenfondsenbesluit, de keuzevrijheid van verzekerden voor hun zorgverlener en enkele personeels- en organisatieaangelegenheden ) . Een specificatie is aangetroffen van op 5 april 1949 vernietigde dossiers uit de jaren 1943 tot en met 1946 (van deze vernietiging is alleen een aantekening gemaakt op een minuut die ook de specificatie bevat: een proces-verbaal van vernietiging ontbreekt) en specificaties, gedateerd 22, 25 en 27 september 1949, van te vernietigen dossiers uit de jaren 1942 tot en met 1947 (onduidelijk is of deze vernietiging vóór 1972 heeft plaatsgevonden: de processen-verbaal van de vernietigingen vanaf 1972 zijn niet zodanig gespecificeerd, dat de vernietiging van de op 22, 25 en 27 september 1949 gespecificeerde dossiers, gesteld dat zij niet vóór 1972 zijn vernietigd, in 1972 of later kan worden bevestigd). Of de incidentele vernietiging vóór 1972 heeft plaatsgevonden o.g.v. een lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken dan wel na verkregen machtiging van de Ministers van Sociale Zaken en Onderwijs, Kultuur en Wetenschappen, krachtens artikel 1 van het Besluit van 14 juni 1929 (Stb. No. 316) tot wijziging en aanvulling van het Besluit van 7 oktober 1919 (Stb. No. 596) tot vaststelling van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 5 van de Archiefwet 1918, is niet gedocumenteerd. De eerste grootschalige archiefvernietiging vond in 1972 plaats en betrof archiefbescheiden uit de periode 1940-1963 (1968). De vernietiging vond plaats krachtens artikel 3, lid 4, sub h, van het Archiefbesluit 1968 (incidentele vernietiging). Als motivatie voor de selectie van de te vernietigen archiefbescheiden uit de periode 1940-1963(1968) gaf de algemeen-secretaris van de Ziekenfondsraad in zijn adviesaanvraag aan de Rijksarchivaris: ‘In verband met ons voornemen […] bescheiden uit de periode 1940-1963 [ …(1968)…], welke voor de administratie geen enkele waarde meer hebben en ook overigens waardeloos zijn te achten, te vernietigen […].’ De in 1972 van vernietiging uitgezonderde archiefbescheiden waren dus deels op een later moment vernietigbaar, gelet op hun uitsluitend administratieve waarde, en deels bezaten deze bescheiden al in 1972 een cultuurhistorische waarde. Incidentele vernietiging van archiefbescheiden vond ook plaats in 1986 en vanaf 1991 vrijwel jaarlijks tot het moment van de inwerkingtreding van de Archiefwet 1995. Vanaf 1 januari 1997 vond ook vrijwel jaarlijks vernietiging van archiefbescheiden plaats o.g.v. de Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Ziekenfondsraad. Van de vernietigingsuitvoeringen in de periode 1997-2010 ontbreken de besluiten tot vernietiging en de processen-verbaal van vernietiging.
Selectie
Het archief is bewerkt aan de hand van de volgende selectielijsten:
  • Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Ziekenfondsraad, gepubliceerd in de Staatscourant van 1997, nummer 22;
  • Selectielijst voor de neerslag van de PIOFACH-handelingen van de Ziekenfondsraad en de neerslag van haar commissies (1949-1999), gepubliceerd in de Staatscourant van 2015, nummer 4007;
  • Selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bekostiging en verzekering gezondheidszorg vanaf 1941 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), gepubliceerd in de Staatscourant van 2006, nummer 232; en het
  • Basisselectiedocument P-Dossier is Mens-en-Werk 1945 -, gepubliceerd in de Staatscourant van 2007, nummer 225, en 2007, nummer 245 (rectificatie).
Daar waar waarderingen van de handelingen van de Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Ziekenfondsraad en de Selectielijst voor de neerslag van de PIOFACH-handelingen van de Ziekenfondsraad en de neerslag van haar commissies (1949-1999), die gelet op hun formulering overeenkomstige neerslag betreffen, met elkaar conflicteren (vernietigen versus bewaren), is gekozen voor het bewaren van de neerslag. Dit is van toepassing geweest op de neerslag vallend onder handelingnummer 50 van eerstgenoemde selectielijst en de neerslag vallend onder handelingnummer Z79 van laatstgenoemde selectielijst. Beide handelingnummers betreffen de neerslag van de regelgevende bevoegdheid van de Ziekenfondsraad die in de vorm van circulaires bekend werd gemaakt. Handelingnummer 50 (‘Stukken betreffende het vervaardigen van circulaires ten behoeve van ziekenfondsen en uitvoeringsorganen AWBZ’) is hierbij opgevat als betrekking hebbend op de neerslag van de voorbereiding en totstandkoming van de circulaires en niet de bekendgemaakte circulaires. Deze neerslag is conform de waardering (Vernietigen 5 jaar na intrekking van de circulaire) vernietigd. De bekendgemaakte circulaires zijn, met het oog op het behoud van het beleidsmatige karakter van de neerslag, bewaard conform de waardering van handelingnummer Z79 (‘Bekendmakingen op grond van wettelijke bepalingen’: waardering B 3 en 5).
In de Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Ziekenfondsraad noch in de Selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bekostiging en verzekering gezondheidszorg vanaf 1941 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) zijn de handelingen van de taakvoorgangers van de Ziekenfondsraad vastgesteld. Gelet op de overwegend overeenkomstige continuering van de handelingen van de taakvoorgangers van de Ziekenfondsraad door de Ziekenfondsraad vanaf 1949 is voor de selectie van het taakarchief van de taakvoorgangers zoveel mogelijk de Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Ziekenfondsraad gebruikt. Het Basisselectiedocument P-Dossier is Mens-en-Werk 1945 – is gebruikt voor de selectie van het personeelsarchief uit de periode 1941-1965, omdat in deze periode de personeelsleden van het Bureau van de Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen, de ambtelijke leden van de Raad van Bijstand voor het Ziekenfondswezen en de personeelsleden van het Bureau van de Ziekenfondsraad (o.g.v. artikel 14, tweede en derde lid, van het Besluit op de Ziekenfondsraad) door de Minister van Sociale Zaken werden benoemd en ontslagen. De Selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bekostiging en verzekering gezondheidszorg vanaf 1941 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) is gebruikt voor de selectie van het personeelsarchief van de Commissarissen, belast met het toezicht op de ziekenfondsen (voor wat betreft hun benoeming en bezoldiging) en de voorzitters van de Ziekenfondsraad (voor wat betreft hun benoeming, schorsing en ontslag), die geen rechtspositionele verhouding hadden met het Ministerie van Sociale Zaken, en de niet-ambtelijke leden van de Raad van Bijstand (voor wat betreft hun benoemingen en ontslagen en vaststelling van hun vacatiegelden): handelingnummers 64 (Commissarissen), 66 (leden van de Raad van Bijstand) en 71 (voorzitters en algemeen-secretarissen van de Ziekenfondsraad). Voor alle drie de handelingnummers geldt, dat de hieronder vallende neerslag als te vernietigen is gewaardeerd. Deze waardering is niet gevolgd. De neerslag vallend onder handelingnummer 66 is uitgezonderd van vernietiging ingevolge artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van het Archiefbesluit 1995. Hoewel de in dit artikel bedoelde opsomming van criteria, aan de hand waarvan de zorgdrager archiefbescheiden die ingevolge de selectielijst voor vernietiging in aanmerking komen, van vernietiging kan uitzonderen, ontbreekt in de Selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bekostiging en verzekering gezondheidszorg vanaf 1941 (Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), is de van artikel 5, eerste lid, onderdeel e, van het Archiefbesluit 1995 afgeleide opmerking in deze selectielijst ‘betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang’ opgevat als een toepasselijke uitzondering-van-vernietigingsgrond voor de onder handelingnummer 66 vallende neerslag.’ Hierbij is ook rekening gehouden met de bijzondere tijdsperiode waarin de Raad van Bijstand functioneerde en in dit verband is de nota ‘Oorlogsgerelateerd’ (NA, 1999) als selectiehandreiking gebruikt. De benoemingen en ontslagen van de ministeriële ambtenaren die lid van de Raad van Bijstand waren, zijn bewaard o.g.v. handeling (27.), criterium 3 en 4, van het Basisselectiedocument P-Dossier is Mens-en-Werk 1945 -. De neerslag, zoals die is aangeduid in de formulering van handelingnummers 64 en 71 van de Selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bekostiging en verzekering gezondheidszorg vanaf 1941, is bewaard o.g.v. het (de) van toepassing zijnde criterium (criteria) onder handelingnummer (27.) van het Basisselectiedocument P-Dossier is Mens-en-Werk 1945 – is bewaard van de personeelsleden die een rechtspositionele verhouding met het Ministerie van Sociale Zaken hadden. Deze neerslag is in de personeelsdossiers van de betreffende personeelsleden bewaard.
In plaats van de handelingen van de Selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Bekostiging en verzekering gezondheidszorg vanaf 1941, waarbij de neerslag van de totstandkoming van het Ziekenfondsenbesluit en zijn drie uitvoeringsbesluiten als product zijn genoemd, hetgeen alleen geldt voor de drie uitvoeringsbesluiten (handelingnummers 40, 41 en 65), is handelingnummer 1 van de Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Ziekenfondsraad gebruikt voor de selectie van de neerslag van de totstandkoming van het Ziekenfondsenbesluit en zijn drie uitvoeringsbesluiten. Handelingnummers 40 en 65 van eerstgenoemde selectielijst bleken niet toepasbaar vanwege een niet van toepassing zijnde periodisering i.r.t. het product (handelingnummer 40) en een productvermelding die niet overeenkomt met de formulering van de handeling (handelingnummer 65). Bij handelingnummer Z2 (‘Personeelsdossiers voorzitters, algemeen secretarissen, markante personen’) van de Selectielijst voor de neerslag van de PIOFACH-handelingen van de Ziekenfondsraad en de neerslag van haar commissies (1949-1999) geldt voor het begrip ‘markante’, dat de reikwijdte hiervan niet is beperkt tot de organisatie van de Ziekenfondsraad en het beleidsterrein waarbinnen hij werkzaam was. Als personeelsleden een functie binnen de Ziekenfondsraad bekleedden, die niet van een dusdanig belang was, dat die zou leiden tot het bewaren van hun personeelsdossier, maar deze personeelsleden na hun uitdiensttreding nationale bekendheid verwierven, bij voorbeeld als politicus, is hun personeelsdossier uitsluitend om deze reden bewaard. Eén personeelsdossier is o.g.v. het voldoen aan het criterium ‘markante’ bewaard.
De Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Ziekenfondsraad, die is vastgesteld voor de neerslag van de primaire handelingen van de Ziekenfondsraad, beschrijft de periode 1949-1995. Omdat de primaire handelingen van de Ziekenfondsraad in de periode 1996-1999 dusdanig overeenkomen met de primaire handelingen uit de periode 1949-1995, dat van dezelfde handelingen sprake is, is in de Selectielijst voor de neerslag van de PIOFACH-handelingen van de Ziekenfondsraad en de neerslag van haar commissies (1949-1999) de bepaling opgenomen, dat eerstgenoemde selectielijst ook geldt voor de periode 1996-1999. Daarnaast geldt, dat de criteria uitzondering van vernietiging die zijn vastgesteld in laatstgenoemde selectielijst, zodanig zijn geformuleerd dat zij ook kunnen worden toegepast op de primaire handelingen van de Ziekenfondsraad, aangezien dergelijke criteria niet zijn vastgesteld in de Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Ziekenfondsraad. De criteria uitzondering van vernietiging zijn toegepast op alle archieven van de Ziekenfondsraad (1949-1999) en taakvoorgangers (1941-1948). Omdat er in 1972 vernietiging heeft plaatsgevonden van de archieven van de Ziekenfondsraad en taakvoorgangers uit de periode 1940-1963(1968) zijn de destijds niet vernietigde archiefbescheiden uitgezonderd van vernietiging. Hiervoor zijn er in 1972 twee redenen aangevoerd: ofwel bezaten de niet vernietigde archiefbescheiden nog een administratieve waarde, dan wel bezaten de niet vernietigde bescheiden een cultureel-historische waarde. Tijdens de bewerking zijn de in 1972 niet vernietigde archiefbescheiden uit de periode 1940-1963(1968) beoordeeld a.d.h.v. het criterium 'waren destijds (1972) alleen van administratief belang, dat sindsdien is vervallen, en vallen niet onder de criteria uitzondering van vernietiging’. De archiefbescheiden uit genoemde periode, waarop het criterium van toepassing was, zijn als vernietigbaar aangemerkt en na akkoord van de zorgdrager op 16 februari 2016 vernietigd. De archiefbescheiden uit genoemde periode die niet onder het criterium vielen zijn destijds kennelijk van vernietiging uitgezonderd vanwege de cultuur-historische waarde die zij toen al bezaten, gelet op de motivatie voor de vernietiging in 1972 van de archiefbescheiden uit de periode 1940-1963(1968), die destijds al geen administratief belang meer kenden (‘...en ook overigens waardeloos zijn te achten...’). De archiefbescheiden die in 1972 zijn uitgezonderd van vernietiging zijn vanwege hun toen toegekende cultureel-historische waarde in de inventaris opgenomen en daar waar dit van toepassing was voorzien van één of meerdere criteria uitzondering van vernietiging. Aangezien van deze criteria primair een limitatieve opsomming is gegeven in de Selectielijst voor de neerslag van de PIOFACH-handelingen van de Ziekenfondsraad en de neerslag van haar commissies (1949-1999), maar het is voorgekomen, dat op enkele van de in 1972 van vernietiging uitgezonderde archiefbescheiden vanwege hun cultureel-historische waarde geen van de criteria uitzondering van vernietiging kon worden toegepast, zijn deze criteria i.r.t. deze archiefbescheiden als van enuntiatieve aard beschouwd.
Voor de selectie van de archiefbescheiden uit de periode 1941-1945 (1948) is ook de nota 'Oorlogsgerelateerd' toegepast als selectiehandreiking. Gelet op de rol van de Duitse bezetter m.b.t. de totstandkoming van het Ziekenfondsenbesluit en de uitvoering hiervan, zijn als oorlogsgerelateerde archiefbescheiden uit de periode 1941-1945 (1948) aangemerkt: archiefbescheiden die vallen onder het criterium (zoals opgenomen in de nota): 'reguliere handelingen die ingrijpend anders werden uitgevoerd (onteigening, benoeming van bepaalde categorieën ambtenaren etc.)'. Doordat de archiefbescheiden m.b.t. de totstandkoming van het Ziekenfondsenbesluit en de uitvoering hiervan in genoemde periode betrekking hebben op handelingen, die regulier waren noch ingrijpend anders werden uitgevoerd maar door ingrijpen van de Duitse bezetter tot stand kwamen, is de oorlogsgerelateerdheid van genoemde archiefbescheiden van directere aard dan het zo-even genoemde criterium. Conform de strekking van de nota is oorlogsgerelateerdheid niet beperkt tot de periode 1940-1945, maar is voornoemd criterium ook toegepast op de archiefbescheiden uit de hierop volgende periode 1946-1948 m.b.t. handelingen die plaats vonden a.g.v. het einde van de oorlog (wederopbouw, zuivering ambtenaren, geldzuivering, rechtsherstel instellingen, herstel arbeidsvoorziening, etc.). Op alle oorlogsgerelateerde archiefbescheiden van het taakarchief uit de periode 1941-1948, die niet vallen onder handelingen, waarvan de neerslag met B(ewaren) is gewaardeerd, van het gebruikte selectie-instrumentarium, en die al in 1972 van vernietiging zijn uitgezonderd, is het tweede criterium uitzondering van vernietiging toegepast, zoals opgenomen in hoofdstuk 2.6 van de Selectielijst voor de PIOFACH-handelingen van de Ziekenfondsraad en de neerslag van haar commissies (1949-1999): ‘archiefbescheiden die betrekking hebben op bijzondere tijdsomstandigheden of gebeurtenissen’.
Doordat de instelling en werkzaamheden van zowel het Bureau van de Commissaris, belast met het toezicht op de ziekenfondsen, als de Raad van Bijstand voor het Ziekenfondswezen uit het door de Duitse bezetter verordende Ziekenfondsenbesluit volgden, verrichtten de aan het Bureau van de Commissaris en de Raad van Bijstand verbonden personeelsleden respectievelijk leden in het licht van de nota ‘Oorlogsgerelateerd’ niet-reguliere overheidshandelingen. In het kader hiervan werden er binnen het Nederlandse overheidswezen nieuwe functies gecreëerd ter uitvoering van het Ziekenfondsenbesluit. De benaming van deze functies komt weliswaar overeen met die van functies die al voor de oorlog- en bezettingperiode bekend waren binnen het Rijksambtenarenkorps, maar weken vanwege hun specificiteit m.b.t. de uitvoering van het Ziekenfondsenbesluit af van hun oudere equivalenten. Om deze reden zijn enkele personeelsdossiers bewaard van personeelsleden die neerslag bevatten over deze functies i.r.t. de uitvoering van het Ziekenfondsenbesluit (deze neerslag werpt licht op o.a. de organisatie van het Bureau van de Commissaris en op uitvoeringsaspecten van het Ziekenfondsenbesluit). Als grondslag voor de bewaring van de oorlogsgerelateerde personeelsdossiers volstond één of meerdere van de onder handelingnummer (27.) geformuleerde criteria van het Basisselectiedocument P-Dossier is Mens-en-Werk 1945 -. Daarnaast zijn er bijzondere stukken aangetroffen, die de oorlogs- c.q. bezettingssituatie en de positie van het Bureau van de Commissaris hierin betreffen, in enkele personeelsdossiers van personeelsleden die reguliere overheidsfuncties bekleedden, d.w.z. werkzaam waren i.h.k.v. het Ziekenfondsenbesluit maar zonder dat de specificiteit van hun functie door de uitvoering van het Ziekenfondsenbesluit werd gekenschetst (ook zonder de oorlogs- en bezettingssituatie zou er sprake van hun functies kunnen zijn, maar dan in een andere context). Vanuit het oogpunt van het behoud van de dossierintegriteit zijn deze personeelsdossiers integraal bewaard, hetgeen ook geldt voor de overige in de inventaris opgenomen personeelsdossiers.
Het blok besloeg oorspronkelijk bijna 3.000 meter. Hierop vond van mei tot en met juni 2015 een selectie voor bewerking plaats. Deze selectie resulteerde in de vernietiging van ruim 2.500 meter in januari 2016 o.g.v. de Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Ziekenfondsraad en de Selectielijst voor de neerslag van de PIOFACH-handelingen van de Ziekenfondsraad en de neerslag van haar commissies (1949-1999). De bewerking resulteerde in plusminus 100 meter te vernietigen archiefbescheiden, waarvan de bewaartermijn was verstreken, die o.g.v. beide genoemde selectielijsten en het Basisselectiedocument P-Dossier is Mens-en-Werk 1945- op 16 februari 2016 zijn vernietigd door de bewerker. Na de bewerking zijn enkele meters te bewaren archiefbescheiden van de taakopvolgers van de Ziekenfondsraad en enkele meters op termijn te vernietigen Ziekenfondsraadarchiefbescheiden geretourneerd aan de zorgdrager. Van de bijna 3.000 meter is uiteindelijk 224,5 meter bewaard. De overbrenging is niet volledig uitgevoerd voor wat betreft alle bij Zorginstituut Nederland berustende archiefbescheiden, die gelet op hun looptijd en inhoud in dit blok thuishoren. Deze worden als aanvullende overbrenging ter completering van dit blok in een later stadium overgebracht.
Verantwoording van de bewerking
Door de vele interne en externe verhuizingen van zowel het archief in zijn geheel als bestanddelen hiervan en de diverse wijzigingen in het coderingsstelsel kon de oorspronkelijke ordening van het archief niet worden hersteld. De beschrijvingen van de oorspronkelijke dossieromslagen zijn zoveel mogelijk in tact gelaten en opgenomen in de inventaris. Alle archiefbescheiden zijn van nietjes, plakband en overige hechtmiddelen ontdaan en verpakt in zuurvrije omslagen en zuurvrije archiefdozen, waarna de omslagen zijn genummerd volgens de inventaris, die numeriek gezien de bij de bewerking aangetroffen ordening weergeeft. De omslagen en dozen zijn voorzien van etiketten.

Aanwijzingen voor de gebruiker

Openbaarheidsbeperkingen
Deels openbaar, deels beperkt openbaar (A). Betreft slechts inventarisnummers 4325 (tot 2023) en 7125 (tot 2024)
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent geen beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van kwetsbare of slechte materiële staat.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
  1. Creëer een account of log in.
  2. Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
  3. Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Ziekenfondsraad, nummer toegang 2.25.98, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, Ziekenfondsraad, 2.25.98, inv.nr. ...

Verwant materiaal

Beschikbaarheid van kopieën
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar
Verwante archieven
Inhoudelijk verwant aan het beschreven archief zijn
  • het archief van het Ministerie van Arbeid: Afdeling Volksgezondheid; Ministerie van Binnenlandse Zaken: Afdeling Volksgezondheid; Ministerie van Sociale Zaken: Afdeling Volksgezondheid, (1902) 1918-1950 (1976) [nummer toegang: 2.15.37, Nationaal Archief, Den Haag 1998] en
  • het archief van het Directoraat-Generaal Volksgezondheid van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur en haar taakvoorgangers, (1913) 1946-1982 (1989) [nummer toegang: 2.15.65, Den Haag 2008].
Ook bevinden zich bij het Kenniscentrum Historie Zorgverzekeraars te Houten en bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie te Amsterdam archiefbestanddelen die verwant zijn aan het beschreven archief.
Deze opsomming is geenszins limitatief.

Archiefbestanddelen