3.01.01 Inventaris van het archief van de Graven van Holland, 1189-1581 (ca. 1650)

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Zoekhulpen bij dit archief

Inhoud en structuur van het archief

Inhoud

Het financieel beheer

Teneinde controle op hun inkomsten en uitgaven te kunnen uitoefenen, lieten de graven van Holland de verantwoordelijke ambtenaren op gezette tijden rekenschap afleggen van het door hen gevoerde beheer. Wanneer zij de rekening lieten uitschrijven, konden zij die bij volgende gelegenheden als vergelijkingsmateriaal benutten. Bovendien verkregen zij een betere kijk op hun geldmiddelen.
Reeds in de twaalfde eeuw verscheen in de persoon van de camerarius Thomas een ambtenaar die belast was met de financiële administratie van het graafschap
Boven p. 43*.
. In tegenstelling tot zijn collega's uit Vlaanderen
Boven p. 58*.
resteert evenwel niets van zijn boekhouding evenmin als van die van zijn opvolgers tot het eind van de dertiende eeuw. Zelfs hun namen geven zij maar moeilijk prijs. Het eerst vinden wij pas in 1277 een zekere Coppert als rentmeester van Zuid-Holland vermeld
Van den Bergh, OHZ., II, 348.
. Coppert ontving een paar jaar daarna zonder nadere aanduiding van zijn functie in Noord-Holland geld voor de graaf
Muller, register graaf Florens, p. 219.
en was toen blijkbaar van baan veranderd. De rentmeester werd toen en tot in de vijftiende eeuw ook wel sluter genoemd. Zo ontmoet men in 1281 Hugo de sluter van Teilingen
Muller, register graaf Florens, p. 218.
en in 1442 rekende sluter nog voor de heer van Vianen
Leenhof Vianen, inv.nr. 10 folio 41; zie ook: E. Verwijs en J. Verdam, Middelnederlands woordenboek, deel 7, 's-Gravenhage 1912, kolom 1322.
. Het is dus niet nodig de taak van de rentmeesters voor de veertiende eeuw door baljuws te laten vervullen zoals Smit vragenderwijs deed
Smit, VIII, pp. 133-134.
.
Voordat van wereldlijke rentmeesters sprake was, kunnen de financiën verzorgd zijn geweest door de grafelijke kapelaans, waarvan er in de tweede helft van de twaalfde eeuw al twee tezamen optraden: een van de graaf en een van de gravin
Boven p. 57*.
. Ook van hun activiteiten rest geen duidelijk bewijs. In het begin van de veertiende eeuw werd het ambt van rentmeester echter nog in meerderheid door geestelijken vervuld
Smit, VIII, p. 135.
.
Van organisatie van het beheer van het graafschap bleek eerst in 1281 ter gelegenheid van een verdrag van graaf Floris V met koning Eduard I van Engeland
Hugenholtz, pp. 15-16.
. Het gehele graafschap was toen verdeeld in de baljuwschappen Kennemerland, Noord-Holland en Schieland benevens het goed van de lijftocht van Machteld, weduwe van graaf Floris IV, bestaande uit Monster, Maasland, de Lier en Zouteveen en de lijftocht van Rikardis, dochter van graaf Willem II, gevormd door Delft, Delfland en Pijnacker, en voorts Zuid-Holland, Schouwen, Duiveland, Dreischor, Scherpenisse, St. Maartensdijk, Stavenisse, Zuid-Beveland, Borsele, Baarland, Walcheren, Noord-Beveland, Zuidvlieterzand, Wolphaartsdijk, Poortvliet en de tollen te Dordrecht, Niemandsvriend, Ammers, Moordrecht, Geertruidenberg, Geervliet en Strienemonde. Voorne en Putten maakten wel deel uit van het graafschap, maar droegen niet bij in de kosten. In de tekst was niet duidelijk sprake van rentmeesterschappen, hoewel die van Noord- en Zuid-Holland met zekerheid bestonden
Boven p. 121*.
. Omdat de opgave evenwel was gedaan door degenen 'die gewoon waren het financieel beheer te voeren', lijdt het geen twijfel dat met hen de rentmeesters waren bedoeld. Wellicht werden de baljuwschappen uitdrukkelijk genoemd, omdat zij pas kort tevoren waren gevormd
Boven pp. 45*-46*.
.
Evenmin bleek in het overzicht van het bestaan van een met de camerarius van de twaalfde eeuw vergelijkbaar ambtenaar, die was belast met het toezicht op rekenplichtige klerken. Waarschijnlijk was dat ambt dan ook samen met de andere hofambten in het begin van de dertiende eeuw in onbruik geraakt
Boven p. 45*.
en werden de zaken afgedaan door de graaf en zijn raad. Daarvan werden in 1281 Albert, heer van Voorde, Dirk, heer van Teilingen, Nikolaas van Kats, Arnout van Heemskerk en Willem van Egmond genoemd. Als raadsleden zullen zij wel meermalen bij het afhuren van de rekeningen aanwezig zijn geweest.
Uit de tijd van graaf Jan I dateert een tweede gegeven van financiële aard. Op een bladzij in het register van graaf Floris V
Muller, register graaf Florens, pp. 283-285.
werd melding gemaakt van de uitgaven, gedaan door Wolfert van Borsele voor kleding en vaatwerk, het vervoer daarvan en reiskosten.
Dat het met zekerheid gaat om gegevens uit 1297, blijkt uit een aantal feiten. Wolfert van Borsele was in 1297 als regent door graaf Jan aangenomen
Van den Bergh, OHZ., II, 997 d.d. 30 april 1297.
, zodat hij deze uitgaven op eigen gezag kon doen. Daarna vertoefde de graaf in mei en juni van dat jaar te Veere
Van den Bergh, OHZ., II, 1000 d.d. 6 mei 1297; de Fremery, 315 d.d. 21 juni 1297.
. Op grond van deze twee overwegingen is er anders dan Polak stelde
M.S. Polak, 'Dit regijster en beduytt niet vele'. De vorming van het oudste papieren 'register' in Holland, in: Nederlands Archievenblad, jaargang 84, 1980, p. 287. Deze auteur citeerde Van Riemsdijk (hier noot 18) verkeerd en haalde van Muller, register graaf Florens, slechts p. 98 aan in plaats van de bewijsplaats die Muller, zij het niet beredeneerd, op p. 283 gaf.
alle reden deze posten op 1297 te dateren.
In latere rekeningen werd dit soort betalingen van buitengewone kosten buiten die van de herberg, die in de eerste levensbehoeften van de graaf en de zijnen voorzag, foreine partijen genoemd. Vervolgens kwam onder een aparte rubriek een lijst voor van nog van particulieren te ontvangen gelden, waarvan de afgedane posten zijn doorgehaald. Deze lijst zal dateren van de laatste jaren van graaf Floris V
Van Riemsdijk, p. 589.
, maar het is niet uitgesloten dat de delging van de schulden enige tijd in beslag nam. Dat kan daarom ook door Wolfert zijn afgehandeld.
Waarom juist deze posten te boek werden gesteld, moet onduidelijk blijven. Men mag veilig aannemen dat het niet de enige inkomsten en uitgaven van die aard zijn geweest. Opmerkelijk is echter dat ze juist stammen uit een ongebruikelijke situatie in het graafschap, daar graaf Jan I geheel overheerst werd door Wolfert van Borsele
AGN., II, pp. 299-301.
. Wij mogen het patroon van deze tijd ook niet vergelijken met het tijdvak voordien, toen de graaf uiteraard zelf de teugels in handen had.
De graven van Henegouwen, die in 1299 het graafschap Holland erfden, voerden een financieel beheer dat verder gevorderd lijkt dan dat van de graven uit het Hollandse huis. De rekeningen van de Avesnes uit de dertiende eeuw worden genoemd in een register van recessen of sloten van rekeningen over de periode 1295-1304
Smit, VI, p. 3; Van Riemsdijk, p. 44 (vanaf 1297).
. Toch blijkt niet dat een bepaalde ambtenaar tot taak had de overgelegde rekeningen na te zien. Ook hier was deze bezigheid kennelijk voorbehouden aan de graaf en zijn raad.
Vanaf 1299 is een aantal samenvattingen van de rekeningen van graaf en gravin bewaard
Van Riemsdijk, p. 469; Smit, VI, pp. 4-29.
. Er blijkt dat de klerken zowel over de foreinen als van de kost rekenden
Van Riemsdijk, pp. 44-50.
, een situatie die tot 1339 onveranderd bleef. Een dergelijk ambulant beheer, dat in de twee graafschappen door verschillende klerken werd gevoerd, kon moeilijk heel doeltreffend zijn. Wel bleef de graaf onmiskenbaar de spil waar alles om draaide.
Omdat de rekeningen beperkt waren tot de totalen, bleek in het begin van de veertiende eeuw niet, waar het geld voor de graaf vandaan kwam. In 1325
Smit, VI, pp. 107-138.
zien wij echter dat de klerk van de herberg zijn inkomsten betrok van rekenplichtige ambtenaren in beide graafschappen. Daarnaast inde hij in Henegouwen enige onregelmatige inkomsten. De rest van zijn rekening bestond uit louter uitgaven.
De eerste maal dat een rekening van de ambtenaar die later 'tresorier' genoemd zou worden, is overgeleverd, viel in het jaar 1341
Inv.nr. 1215.
. Ook deze trezorier avant la lettre ontving geld van ambtenaren in beide graafschappen. Daarnaast inde hij bedragen van particulieren, aan wie lijfrenten werden verkocht, opvolging in leen werd gegeven of goederen werden verkocht, en gemeenschappen die voorrechten verkregen. Voorts ontving deze ambtenaar inkomsten, die door hun centraal karakter niet bij de rentmeesters waren onder te brengen. Te noemen is hier vanaf 1372 het geld voor de afkoop van borgstelling voor doodslag
J.C. Kort, inwoners van het platteland van Holland; het register 'Vrijkopingen van doodslagen', 1371-1396, in: Nederlandse Historische Bronnen, 1, 's-Gravenhage 1979, pp. 1-41.
, waarvan de ontvangst aan de trezorier was opgedragen. Voor de rest deed hij slechts uitgaven, waaronder een gedeelte van de kost van de herberg. Een post, die getuigt van het bestuurselement van de trezorier, wordt gevormd door de bodelonen, waaruit het handelen van het grafelijk bestuur blijkt. Dit patroon van inkomsten en uitgaven keert in de latere trezoriersrekeningen in hoofdzaak terug, wanneer zij vanaf 1358 bij het begin van het ruwaardschap van hertog Albert een aaneengesloten serie vormen.
Naast de rekeningen van de trezorier stonden vanaf 1343 die van de klerk van de kost, die uitgaven voor de herberg deed. Ook deze klerk ontving gelden van diverse rekenplichtige ambtenaren. Hij deed voorts slechts uitgaven.
Deze naast elkaar lopende series rekeningen, in beide waarvan uitgaven van de herberg werden verantwoord, waren maar korte tijd geleden in het leven geroepen door graaf Willem IV. Deze had in 1339 juist de taak van de grafelijke klerk van voor die tijd onder twee personen verdeeld
Smit, VIII, p. 107.
. Deze ingreep getuigt niet van een groot bestuurlijk inzicht. De reorganisatie lijkt dan ook meer ingegeven door de wens de taak van de grafelijke klerk te verlichten door een medewerker aan zijn zijde te stellen dan door de drang om meer centralisatie in het financieel beheer aan te brengen. Er blijkt tenminste aanvankelijk niet hoe de verhouding tussen beide klerken was geregeld. De graaf zal het allemaal weinig hebben uitgemaakt.
Dat veranderde in 1363 met de aanstelling van Jan van der Zickelen tot ontvanger en trezorier van Henegouwen, Holland en Zeeland
Van Riemsdijk, p. 119.
, onder wie de centralisatie van de grafelijke financiën met trezoriersrekeningen van Holland en Henegouwen tot stand werd gebracht. Ook de klerk van de kost werd hem ondergeschikt
Van Riemsdijk, pp. 120-122.
. Hoewel de taak van de klerk van de kost in het vervolg soms werd vervuld door de trezorier
Van Riemsdijk, p. 154.
, bleef de geschetste situatie ongewijzigd, tot de leden van de herberg vanaf het eind van de veertiende eeuw veelal een vaste toelage, het zogenaamde handgeld, kregen uitgekeerd, die in de vijftiende eeuw regel werd
Van Riemsdijk, pp. 170, 252-253 en 277 vlgg.
. Dat werd vanaf de tijd van hertog Johan van Beieren door de trezorier verrekend
Van Riemsdijk, pp. 299-300.
, zodat op die manier structureel de situatie van voor 1339 was hersteld. In de tussentijd was de financiële band met Henegouwen in 1389 geslaakt
Van Riemsdijk, p. 177.
.
De uitkering van het pandgeld werd dikwijls toegewezen aan andere rekenplichtige ambtenaren dan de trezorier of ook in vaste goederen uitgekeerd. Dit maakt het moeilijk om de kosten die de graaf voor zijn kanselarij moest maken, meer dan globaal aan te duiden. In 1425 werd het pandgeld echter door een vast salaris vervangen, dat door de trezorier werd betaald
Van Riemsdijk, pp. 323-329.
. In de jaren 1425 tot 1432 blijkt thans onder de rubriek wedden aan de secretarissen voor hun salaris, winterkleding en schrijfbenodigdheden jaarlijks respectievelijk 148 pond groten, 239 pond groten en 33 pond groten
RR. 127 folio 79, RR. 128 folio 28 v-29, RR. 129 folio 22 v-23, RR. 130 folio 71 v en folio 72 v, RR. 131 folio 50 en folio 87.
uit te worden betaald. De post voor papier en perkament kon van het ene op het andere jaar nogal verschillen, omdat men het materiaal bij grote partijen tegelijk kon aanschaffen, zodat een volgend maal maar weinig nodig was.
In 1433, toen hertog Filips de kanselarij reorganiseerde
Boven p. 70*.
, bleken de kosten aanmerkelijk gedaald te zijn. Voor wedden waren nog slechts 95 pond groten nodig, voor kleding 52 pond één s. acht d. groten en elf pond vijftien s. acht d. groten voor papier
RR. 133 folio 46 v-48 v en folio 67.
. Deze bezuiniging, waar de bemoeiing van de rekenmeesters van de hertog denkelijk niet vreemd aan was, zou blijkens de volgende rekeningen een duurzaam karakter hebben.
Ook in de andere afdelingen van het rekenplichtig beheer stond de tijd niet stil. Het duidelijkst aanwijsbaar is de reorganisatie van het rentmeesterschap Zeeland. Dit werd aanvankelijk tot 1323 in zijn geheel geadministreerd door een enkele rentmeester. In 1324 werd het rentmeesterschap gesplitst in Zeeland beoosten Schelde en Zeeland bewesten Schelde
Hamaker, I, pp. 202-205.
. Deze wijziging kan slechts het gevolg zijn van de nieuwe politieke hoedanigheid van Zeeland, dat sinds 1323 was losgemaakt van de band met Vlaanderen
Van Mieris, II, 275, te dateren: 18 maart 1323.
. Wanneer de twee rentmeesterschappen naderhand door een persoon werden waargenomen, dan geschiedde dat slechts op persoonlijke titel en had het geen gevolg voor de in 1324 gemaakte indeling van Zeeland.
Ook in het rekenkundig beleid van de rentmeester van Noord-Holland kwam na de eerste rekening van 1317
Inv.nr. 1435.
verandering. Deze ambtenaar, die door zijn functie van hofmeester van het hof te Den Haag tevens baljuw van Den Haag was
Pabon, pp. 109-112; zie echter Van Riemsdijk, p. 10.
, bleek in dat jaar ook inkomsten uit Kennemerland en Waterland te innen
Hamaker, I, p. 47.
. De reden daarvan is niet duidelijk. In 1343
Inv.nr. 1436.
was de rekening van deze toevoeging geschoond. Van Kennemerland en Waterland was geen sprake meer en de posten waren onderling in een betere volgorde geplaatst. In 1317 werd bij de ontvangsten slechts geboekt wat werkelijk was voldaan. Ook dat was in in 1343 veranderd. Men schreef eerst de gehele lijst van te ontvangen gelden van de legger over en vermeldde vervolgens bij de achterstallen wat nog moest worden getild. De administratie was zo overgegaan op een meer gevorderd systeem van boekhouden.
In 1357 werd de taak van baljuw van Den Haag, die tot dat moment was vervuld door de rentmeester van Noord-Holland, toebedeeld aan een aparte ambtenaar
Pabon, p. 109; Van Riemsdijk, p. 11.
. In de eerste jaren heerste nog een toestand van overgang, omdat de rekeningen blijkens hun dorsale notities bestemd bleven voor Filips van Tetrode, de rentmeester
Inv.nrs. 1513 en 1515, 1591 vlgg.
, bij wie zij dus werden ingeleverd en nagezien. In 1370 was de onafhankelijkheid van de baljuw een feit en rekende hij direct voor de graaf en diens raad.
Een dergelijke figuur van afsplitsing was ook bij de andere ambtenaren zichtbaar. Zo waren de baljuwschappen Delfland en Schieland in de veertiende eeuw verenigd, tot het baljuwschap Schieland in 1412 een aparte baljuw kreeg. In 1413 werden beide baljuwschappen in de persoon van Adriaan van Matenesse herenigd, waarna in hetzelfde jaar een definitieve splitsing plaatsvond met de benoeming van een afzonderlijke baljuw van Delfland
Inv.nr. 893 folio 31 en 39 v.
. Eerder had het gecombineerde baljuwschap de schout van Delft tot rekenplicht aan de graaf zien opklimmen
Inv.nr. 2028.
, nadat hij eerst onder de baljuw had geressorteerd. Op overeenkomstige wijze werden de schouten van Haarlem en Amsterdam in de loop van de veertiende eeuw uit hun ondergeschiktheid aan de baljuws van Kennemerland en Amstelland losgemaakt
Inv.nrs. 2013 en 2024.
, waarna ook zij onmiddellijk voor de graaf en diens raad moesten rekenen. Dit proces ging in de vijftiende eeuw door, zodat een steeds groter aantal ambtenaren direct rekenplichtig aan de graaf en diens raad werd. Daar van veler van hen de rekeningen verloren gingen
Beneden p. 173*.
, wordt deze ontwikkeling in de structuur van het archief niet zichtbaar. Ook is bij gebrek aan gegevens niet te bepalen, wanneer een ambtenaar directe rekenplicht kreeg opgelegd, omdat een losse vermelding daar geen bewijs van kan zijn en de registers van recessen uit de veertiende eeuw niet meer aanwezig zijn
Van Riemsdijk, pp. 704-705.
. Zoveel is echter zeker dat het aantal ambtenaren dat betrokken was bij het financieel beheer van het graafschap, in de loop van de veertiende en vijftiende eeuw was toegenomen. Naar onze schatting was hun sterkte in de vijftiende eeuw met twintig toegenomen. Meestal waren het schouten van dorpen in Kennemerland en Friesland, wier gewicht in verhouding tot de gevestigde ambtenaren niet zeer groot zal zijn geweest.
De indeling van de rekeningen
Afgezien van enige veranderingen was de indeling van de rekeningen, die de rekenplichtige ambtenaren aan de graaf en diens raad ter controle voorlegden, steeds gelijk. In hun algemeenheid maakten alle rekeningen onderscheid tussen inkomsten en uitgaven. Aan het slot werden de totalen van beide delen onderling verrekend, waaruit het overschot of tekort van de rekening bleek. Deze eindpost heet reces.
Zeer eenvoudig was de inrichting van de rekeningen van trezorier en klerk van de herberg. Beiden ontvingen hun geld van rekenplichtige ambtenaren, waarnaast de trezorier enige andere inkomsten inde
Boven pp. 124*-125*.
. Sinds zijn verschijning in 1339 verrichtte de trezorier uitgaven voor de foreinen, die in 1341 bestonden uit betalingen voor bodeloon, kledij, juwelen, paarden, aalmoezen, minstrelen, wijn en uitgaven met of zonder akte (brieven) en de betalingen door de graaf persoonlijk gedaan
Inv.nr. 1215.
. Daarnaast voerde hij soms het beheer van de herberg
Smit, VIII, pp. 108-109.
. De uitgaven van de klerk van de kost waren niet nader onderverdeeld. Zij werden eenvoudig van dag tot dag opgegeven.
Omdat het bezit van de graven van Holland door vervreemding steeds verminderde en anderzijds aanwies door besterften, was met name de rekening van de rentmeester van Noord-Holland aan meer veranderingen onderhevig dan de vorige. Het lijkt wel of dat reeds in de dertiende eeuw het geval was, daar in 1281 gedeelten van Noord-Holland afzonderlijk schenen te zijn beheerd
Boven p. 122*.
. Het waren toen de lijftochten van Rikardis, gevormd door Delft, Delfland en Pijnacker, en die van Machteld van Brabant, die bestond uit Monster, Maasland, de Lier en Zouteveen. Deze benamingen waren inmiddels al verouderd, omdat de dames respectievelijk in 1262 en 1267 waren gestorven
Dek, pp. 15-16.
. Maar ook de situatie, beschreven in het verdrag van 1281 verouderde snel, daar graaf Floris V reeds in 1282 het goed de Lier en Zouteveen vervreemdde
Inv.nr. 1118.
.
In 1317 was de indeling van de rekening van Noord-Holland ordelijker, omdat de lijftochten niet meer als zodanig werden genoemd. Wij zien een onderscheid naar Rijnland, Delfland en Schieland, gelegen tussen Schie en Gouwe. Hierna volgen in los verband inkomsten uit Maasland en Schiedam. Het laatste bezit was afkomstig uit de goederen van Aleid van Henegouwen en Floris, haar zoon, en het werd in het begin van de veertiende eeuw aan de grafelijke domeinen toegevoegd
C. Hoek, 's-Gravenhuize, in: Rotterdams jaarboekje, 1962, pp. 231 en 233-235.
. De rij wordt gesloten door de toegevoegde inkomsten van Kennemerland en Waterland. Eigenaardig is dat onder Kennemerland ditmaal, in afwijking van het vertrouwde begrip, een gebied tussen Noordwijk en Haarlem wordt verstaan, waarin Hillegom, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout en Voorhout
Hamaker, I, p. 47.
met name worden genoemd, ofschoon deze plaatsen elders in de rekening gewoon onder Noord-Holland vielen
Hamaker, I, pp. 19-21.
. Hoewel de posten in 1317 niet waren gespecificeerd, schijnt het dat de inkomsten van Haarlem zuidwaarts tot Tetrode in 1343 waren overgebracht naar de rentmeester van Kennemerland en Friesland
Hamaker, II, pp. 223 vlgg.
en die tussen Noordwijk en Hillegom aan de rentmeester van Noord-Holland bleven
Hamaker, II, pp. 17-19.
. Voor deze toestand kan niet als verklaring worden aangevoerd dat de rentmeester van Kennemerland en Friesland, die in 1306 voorkwam
Abdij Egmond, inv.nr. 437.
, ondergeschikt zou zijn aan de rentmeester van Noord-Holland, daar dan het grootste gedeelte van Kennemerland en geheel Friesland buiten het toezicht zou vallen. Slechts een gering gedeelte van Kennemerland kwam immers in 1317 in de rekening van Noord-Holland voor.
De inkomsten van Waterland waren vermoedelijk afkomstig van de goederen die graaf Floris V in 1282 verkreeg van Jan Persijn
Inv.nr. 1118.
. Zij waren in 1343 overgebracht naar de rentmeester van Amstelland en Waterland
Hamaker, I, pp. 268-269.
. Geheel excentrisch was de post van de markttol te Alkmaar, waarvan de herkomst dan ook onduidelijk is.
Dit alles maakt wel duidelijk dat de taak en daarmee de rekening van de rentmeester van Noord-Holland tussen de jaren 1317 en 1343 sterk werd herzien. Waarschijnlijk kwam de reorganisatie tot stand in 1334, toen wij wegens het nieuwe overzicht van de grafelijke goederen in Noord-Holland een zekere hervorming van de administratie veronderstelden
Boven p. 93*.
. In dat jaar werd tevens de oude rentmeester, die al in 1317 rekende, vervangen door een nieuwe
Smit, VIII, p. 147.
. Aanvankelijk zal de rentmeester zijn taken buiten Noord-Holland toegewezen hebben gekregen in zijn hoedanigheid van hofmeester
Boven p. 127*
.
De uitgaven volgden een meer normaal patroon. De rentmeester van Noord-Holland verantwoordde als hofmeester de kosten van onderhoud aan het Hof te Den Haag. Hij deed uitgaven voor de verhuur van het domein, betaalde degenen die in de drie baljuwschappen van Noord-Holland een rente uit de bede ontvingen, en deed uitgaven voor bodeloon. Tenslotte nam hij uitgaven voor dijkonderhoud voor zijn rekening, die later elders voor de baljuw waren gereserveerd. Elke rekening sloot met een opgave van de achterstallen. De hoofden zijn in deze en andere rekeningen op een niet erg in het oog springende manier boven elke serie posten geplaatst.
Alle andere rekeningen dateren van ruimschoots na 1317. De inkomsten waren bij deze rentmeesters naar plaats gerangschikt, waarbij de bede en botting voorop placht te gaan, gevolgd door landhuur, tienden, visserijen en eventualiteiten, voortkomend uit verkoop. De uitgaven volgden het patroon van de rentmeester van Noord-Holland.
Het spreekt wel vanzelf dat deze vastheid in opzet het gevolg was van leggers, waarvan de rentmeester voor het opstellen van de rekening gebruik kon maken. De leggers van deze tijd, waarin de gegevens gedurig moesten worden bijgewerkt, zijn evenwel niet bewaard behalve een lijst van 1334
Inv.nr. 1434.
, die echter gezien het ontbreken van doorhalingen alleen in een gelijktijdig net afschrift is overgeleverd. Beneden zal blijken wat de gevolgen zijn, wanneer de rentmeester deze stukken moet missen
Beneden pp. 141* en 143*-144*.
. Tevens wordt uit dat voorbeeld duidelijk dat de namen in de leggers pas na verloop van tijd werden bijgewerkt, zoals blijkt uit het feit dat Gijsken van Oegstgeest nog ruim tien jaar na zijn dood in de legger bleef voorkomen.
Als bijkomstig voordeel kon de rentmeester dankzij de legger zijn rekening reeds geruime tijd voor de afhoring in het net brengen zonder direct rekening te hoeven houden met de posten die nog niet waren voldaan
Smit, VIII, pp. 215-217.
. De rentmeester noemde zijn eigen voordeel niet, maar bij één gelegenheid wel dat van de graaf, voor wie aldus 'de jaarschaar was geheeld'
Inv.nr. 1613 in fine.
. Deze kon dus snel zien, hoeveel had moeten worden ontvangen. Het staat te bezien, of er door deze becijferingen meer geld binnenkwam dan op de manier waarbij alleen de werkelijke inkomsten werden geteld.
De ouderwetse methode werd nog in praktijk gebracht door de rentmeesters van Noord- en Zuid-Holland in hun rekeningen van 1331 en 1337
Hamaker, I, pp. 13-47 en 75-118 (Noord-Holland) en pp. 119-137 (Zuid-Holland).
. De eerste telde behalve bij de beden alleen wat werkelijk was ontvangen en vermeldde nog te vorderen inkomsten bij de achterstallen. Zijn collega van Zuid-Holland schreef de legger wel uit, maar vermeldde geen inkomsten die hij niet had geïnd. Zijn achterstallen moesten dus worden samengesteld uit de opengelaten posten.
De rekeningen van de baljuws waren eenvoudiger dan die van de rentmeesters. De inkomsten bestonden naast verbeurde goederen voornamelijk uit boeten, die per plaats werden opgesomd. Bij gelegenheid inden zij ook beden of bij een aparte rekening de afkoop van militaire dienst
Inv.nrs. 368 en 1900.
. Ook de uitgaven waren weinig gestructureerd. Betalingen werden verricht voor wedden, bodeloon, dijkwerk en timmerwerk aan grafelijke sterkten. Zoals alle ambtenaren deed de baljuw uitgaven op speciaal bevel van de graaf. Deze uitgaven dienden meestal om de trezorier en de herberg van geld te voorzien.
De rekeningen van de overige rekenplichtige ambtenaren verschilden in opzet niet met de voorgaande. Aanpassing was slechts nodig, waar hun taak dat eiste.
Uit het voorgaande is op te maken dat de rekeningen dankzij leggers op tamelijk eenvormige wijze tot stand kwamen. De globale indeling, kenbaar uit de rekening van de rentmeester van Noord-Holland van 1317, werd naderhand tijdens graaf Willem III enigszins verbeterd en de boekhouding gemoderniseerd.
De inkomsten uit de rekeningen
Wij weten thans dat de graaf van Holland regelmatig rekeningen kreeg voorgelegd. Wat leverden zij hem echter op? Voor de dertiende eeuw kunnen wij daartoe wederom te rade gaan bij het overzicht van de inkomsten van het graafschap, daterend van 1281
Boven p. 122*.
. Toen werd opgegeven dat de graaf van het gebied dat bijdroeg, jaarlijks 20.100 pond mocht verwachten. Het overzicht bood evenwel beslist een rooskleurig beeld van de grafelijke financiën, daar van uitgaven geen sprake was. Blijkens omvangrijke leningen in datzelfde jaar was de opbrengst geheel niet toereikend, om graaf Floris V van voldoende geld te voorzien. Waarom zou de graaf anders in zo kort tijdsbestek ongeveer vijfduizend pond
Boven p. 114*.
hebben geleend? Het staat daarom te verwachten dat de opbrengst van het domein, bestaande uit de goederen die eigenlijk voor het onderhoud van de graaf waren bestemd, blijvend onvoldoende was, om de ambitieuze politiek van graaf Floris te kunnen bekostigen.
Ter vergelijking met de eenzijdige raming van 1281 kan een nauwkeurige berekening van de grafelijke inkomsten en vaste uitgaven aan de hand van rekeningen van 1372 of 1373
Inv.nr. 1299.
dienen. Er blijkt dat de inkomsten bij een totaal van ruim 29.000 pond waren belast met vaste lasten van bestuurskosten en renten tot ruim 13.500 pond. Zo zou een batig slot zijn bereikt van 15.500 pond, wanneer het saldo niet vrijwel geheel in beslag was genomen door de lijftocht van hertogin Johanna van Brabant, weduwe van graaf Willem IV. Er restte de graaf voor zijn andere uitgaven daarom niet meer dan een luttele paar honderd pond, die in vergelijking met honderd jaar eerder danig in waarde waren gedaald. Hij zag zich dan ook genoodzaakt regelmatig geld van anderen te lenen. Daar waren in de eerste plaats de rekenplichtige ambtenaren, uit wier bewaarde rekeningen van 1372 of 1373 een schuld van 11.036 pond is te berekenen. Daar staat tegenover dat de trezorier en de drost van Heusden samen een overschot van 1.700 pond konden boeken. In de verloren rekeningen zal de toestand niet anders zijn geweest, maar daarvan valt alleen te zeggen dat de graaf voor en na 1372 flink bij zijn ambtenaren in het krijt stond. Het hoogst waren de bedragen van de rentmeester van Zuid-Holland en die van Kennemerland en Friesland, die blijkens hun rekeningen voor en na op onderscheidenlijk 9.000 en 4.000 pond kunnen worden geschat. Aan de hand van deze gegevens kan de schuld aan de andere rekenplichtige ambtenaren veilig op 17.000 pond worden gesteld. Bijeen leidt dat tot een voorschot van meer dan 26.000 pond op de grafelijke financiën. Daarnaast werd het domein belast door leningen die andere geldschieters met kortere of langere looptijd verstreken
Smit, VIII, pp. 189-198.
. Het spreekt vanzelf` dat hun aflossing met hoge rente weer een ongunstige invloed had op de financiën van de graaf, maar er valt in dit stadium niet precies te berekenen hoe groot deze schuld was.
Hoewel de rekeningen alle grafelijke inkomsten en uitgaven moesten bevatten, schijnt er toch nog een andere geldstroom te zijn geweest. De schriftelijke neerslag daarvan kon natuurlijk niet groot zijn. Daarom vonden wij er slechts in één geval een aanwijzing van, toen hertog Willem V verklaarde dat hij zelf een ontvangen som geld zou besteden zonder dat de klerken die in hun rekening op mochten nemen
Inv.nr. 244 folio 45 nr. 208, d.d. 29 maart 1354.
. Vermoedelijk waren de bedragen die daarmee gemoeid waren, niet erg groot. In het geciteerde geval ging het bijvoorbeeld om zestien pond.
Bij dit alles dient te worden bedacht dat het graafschap sinds 1281 aanmerkelijk was vergroot met Gooiland, Waterland, Friesland, Amstelland, Woerden en Heusden. Het is daarom verbazend dat de opbrengst van het graafschap in 1372 slechts negenduizend pond hoger was dan in 1281. Het ligt voor de hand dat verschijnsel te wijten aan de afbrokkeling van het domein zij het door verkoop zij het door een weinig actief beheer
Hoek, Schoonderloo, pp. 216-218. Dit verschijnsel zou slechts door een uitgebreide studie nader uitgediept kunnen worden.
. Bovendien is bij de hogere opbrengst van 1372 geen rekening gehouden met de waardevermindering van de munt, die in de veertiende eeuw aanzienlijk was
Smit, VIII, pp. 198-213.
. Daarom ziet het er naar uit dat de grafelijke kas er in 1281 ondanks leningen toch veel beter voorstond dan honderd jaar later tijdens hertog Albert.
Het lijkt wel of de grafelijke financiën er in de veertiende eeuw zo ongunstig voorstonden, omdat de mogelijkheden tot grootscheepse verkoop van onontgonnen gebied waren uitgeput. De laatste streek die daarvoor nog in aanmerking kwam, was de niet in cultuur gebrachte streek van Zuid-Holland op de grens met Brabant. Aan het eind van de dertiende eeuw was de graaf begonnen ook dit gebied te verkopen
R. Rentenaar, Wendelnesse. Bijdrage tot de ontginningsgeschiedenis van de westelijke Langstraat, in: Mededelingen van de vereniging voor naamkunde te Leuven en de commissie voor naamkunde te Amsterdam, jaargang 40, 1964, pp. 73-97.
en tot in de veertiende eeuw kon hij daaruit extra-inkomsten verkrijgen. Daarna wist de graaf zich nog de zogenaamde overmaat
R. Rentenaar, Overmate ten zuiden van de Oude Maas in de middeleeuwen, in: Historiunculae, (jaargang 10), Amsterdam 1965, pp. 130-141. Overmaat was de oppervlakte die een stuk wildernis na ontginning bij nauwkeurige nameting groter bleek dan aanvankelijk was geschat.
te gelde te maken, maar daarna kon hij slechts grijpen naar de het beproefde middel van de afstoting van domein. In de eerste helft van de dertiende eeuw moet de graaf belangrijke baten hebben verkregen van de verkoop van de venen op de grens met Utrecht
Van der Linden, pp. 28-35 en 251-273.
. Voordien had hij in de elfde eeuw geldelijk profijt weten te trekken uit de veengebieden ten noorden van de Oude Rijn
Van der Linden, pp. 38-62 en 65.
.
Zo is het te begrijpen dat de tekorten tijdens graaf Willem IV duidelijk werden. Bij een naar beneden afgeronde jaarlijkse opbrengst van de rentmeesterschappen Holland en Zeeland van 3.200 pond groten stonden uitgaven van 3.700 pond
Smit, VIII, pp. 181-189.
. Dat leverde bijeen een financieringstekort van 13,5 procent, een beeld dat waarschijnlijk niet verandert, wanneer de resultaten van andere rekenplichtige ambtenaren hadden kunnen worden meegerekend. Het tekort werd tijdens graaf Willem IV bestreden door domeinverkoop, waardoor wederom een wissel op de toekomst werd getrokken. Bovendien droeg deze graaf door zijn vroegtijdig sneuvelen bij tot de financiële strop die de lijftocht van zijn weduwe zestig jaar lang voor het graafschap betekende.
Nog een middel restte de graaf in de veertiende eeuw, om zijn geldnood te lenigen. Het was de buitengewone bede, die hem moest worden toegestaan bij zijn inhuldiging, zijn huwelijk en die van zijn kinderen, wanneer hij de keizer vergezelde en bij calamiteiten zoals oorlog en dijkbreuk
Smit, VIII, 187-189.
.Maar ook die bedragen werden snel door de geldmoloch verslonden.
Wij mogen wel concluderen dat de inkomsten van de graaf uit zijn domein in de veertiende eeuw zeker ontoereikend waren voor zijn behoefte. Zijn jaarlijkse tekort bedroeg meer dan tien procent! Hij kon dit gat slechts dichten met leningen, buitengewone beden en domeinverkoop, middelen die zijn toekomstige positie nog afhankelijker zouden maken.

Verantwoording van de bewerking

Oude ordeningen van het archief

Blijkens de indeling van het cartularium van graaf Jan II kende het archief van de graven van Holland in 1299 een bepaalde orde
Kruisheer, Pieter van Leiden, pp. 34-36.
, waarvan men het bestaan in de tijd voordien eveneens waarschijnlijk mag achten. In hoofdzaak zijn de volgende rubrieken te onderscheiden, die slechts hier en daar worden doorkruist door minder juist geplaatste oorkonden.
folio 1 Sticht
folio 11 Friesland
folio 11 v Zeeland
folio 14 Friesland
folio 15 Kennemerland
folio 19 Zuid-Holland
folio 20 v Zeeland
folio 24 diversen
folio 29 Engeland
folio 29 v Het Roomse Rijk
folio 31 Brabant
folio 32 v Frankrijk
folio 33 v Persoonlijk
folio 35 Sticht
folio 36 Friesland
folio 38 Mechelen, 1316
Het is opvallend dat de te verwachten rubriek Noord-Holland vrijwel ontbreekt. Slechts bij de diversen komen twee akten over die streek voor. Niettemin lieten Pieter van Leiden en Gerard Alewijnsz. hun reeks registers voor graaf Willem III in opzet bij de indeling van het cartularium aansluiten onder toevoeging van Noord-Holland. Zo ontstonden registers voor Noord- en Zuid-Holland, Kennemerland, Zeeland, Friesland, Amstelland en Waterland, Woerden, Sticht, Brabant en Duitsland.
Kruisheer, Pieter van Leiden, p. 60.
Voor de ordening van de charters was het schema van 1299 eveneens richtsnoer. Zij kwam naar voren in de oudste lijst van charters
Inv.nr. 2113 sub b.
en gaf dezelfde rubrieken te zien als de registers, met uitzondering van Vlaanderen en Frankrijk, die ondanks de aanwezigheid van weinig stukken toch een eigen lade kregen. Het overzicht moet omstreeks 1360 zijn opgesteld bij het begin van het bestuur van hertog Albert ter afsluiting van het archief dat voordien was gevormd. Het bevat uitsluitend stukken van de tijd van de graven Willem III en Willem IV.
Voor de datering omstreeks 1360 lijken ons nog twee gegevens van belang. Hand AE, die Van Riemsdijk in de jaren 1362-1363 signaleerde
Van Riemsdijk, p. 685.
, schreef al in 1361 een oorkonde voor hertog Albert.
Inv.nr. 45.
Voorts waren in latere lijst van charters van 1390 een aantal overgeschoten bladen verwerkt die eerder waren gebruikt. Zij zijn als zodanig herkenbaar, omdat zij een oude foliëring hebben behouden.
Inv.nr. 2114 folio 149-151 en 114-118.
Zij moeten oorspronkelijk bestemd zijn geweest voor een register, dat dan tenminste 151 folio's dik geweest zou zijn. De hand die de foliëring aanbracht, lijkt sterk op een hand die ook dorsale notities op charters in het archief aanbracht
Inv.nrs. 604 en 910.
, gelijkluidend aan de beschrijvingen in het overzicht. Tenslotte komt de foliëring overeen met hand AE van het overzicht
Vergelijk de C in inv.nr. 2114 folio 149 en bij inv.nr. 2113 folio 23 v.
, zodat wij geneigd zijn het niet meer bestaande papieren register, het overzicht op perkament en de aantekeningen op de charters aan hem toe te schrijven. Het watermerk van het papier, bestaande uit zogenaamde 'bergen', kan uitstekend omstreeks 1360 worden geplaatst.
C.M. Briquet, Les filigranes, Amsterdam 1968, p. 590 nrs. 11.667-11.674.
Na verloop van enige jaren werd al een nieuw overzicht van de charters opgezet, gerubriceerd van I tot XLVIII.
Van Riemsdijk, 111.
Deze lijst was aangelegd in 1362; zij bevatte stukken van de tijd van hertog Willem V tot omstreeks 1370 en een van 1376. Hierna begon men in 1375 met een nieuw overzicht, dat gedeeltelijk werd geschreven door hand AG.
Inv.nr. 2115 pp. 14-17.
Blijkbaar was deze activiteit het gevolg van een zekere reorganisatie in de kanselarij, die wij eerder menen te hebben aangetoond.
Boven p. 96*.
De capita waren thans weer door titels aangegeven in tegenstelling tot de Romeinse becijfering van vroeger. Maar ook de strikte indeling naar streken was verlaten. Zij werden nu afgewisseld met een trefwoord voor behandelde zaken, waaruit blijkt dat dossiervorming had plaatsgevonden. Eenmaal verschenen de dozen XXVI en XLVI.
Inv.nr. 2115 p. 23.
Aan het slot kwamen enige benamingen van laden voor die wijzen op een andere indeling, met de titels Ardua negotia, en de lade Bourgondië, een methode van benoeming van laden en koffers die pas vijftig jaar later aan het licht zou komen.
Inv.nr. 2115 folio 32 v, 33 en 34.
Eigenaardig is dat de hand AE, aan wie wij het overzicht van 1360 hebben toegewezen, hier nogmaals voorkwam.
Inv.nr. 2115 folio 36.
In opzet verschilde zijn werk in niets van 1360, alleen waren de beschreven stukken van later datum. Overigens werden alle geciteerde lijsten gekenmerkt door grote bondigheid en het gemis van jaartallen.
In het jaar 1440 hoort men weer van de grafelijke charters. Zij blijken thans geheel te zijn herordend, al moet hier worden opgemerkt dat wij er in het overzicht van 1390 al een aanzet van konden zien. De charters waren nu ondergebracht in veertig laden, die geen nummer of naam van een dossier droegen, maar uitsluitend Latijnse namen, die een onduidelijke opgave van de inhoud plachten te vormen.
Inv.nr. 2117 folio 6 en 11-12; inv.nr. 2149 tweede stuk folio 1; Bijlage I, beneden pp. ?
Wegens het gebruik van het Latijn ligt het voor de hand dat dit soort naamgeving afkomstig was van een geestelijke. Omdat boven bleek dat de benamingen al voor 1390 voorkwamen, rijst het vermoeden dat het Dirk Foppenz.is geweest, die de termen had bedacht.
In 1441 leverde Pieter van Renesse van Beoostenzweene de meest uitgebreide beschrijvingen van charters die aanwezig waren in vijftien laden.
Inv.nr. 2118; bijlage I, beneden pp. 177*-179*.
32 laden behandelde hij niet. Heer Pieter gaf de charters in zijn overzicht een nummer in de marge, dat gelijktijdig op de rug van het stuk werd aangebracht. Tevens duidde hij de opstelling van de laden en kisten aan. Zeven laden waren geplaatst in het oostelijke deel van een rechthoekige kist, vijf in het westelijke gedeelte. Ver van de ingang van de kamer stonden 28 laden buiten een kist en elders stonden er blijkbaar nog zeven. Soms is de berging aangegeven met dorsale merken. Zo werden de laden Beieren
Inv.nr. 110.
, Vidimus Gelre
Inv.nr. 636.
en Feodum
Inv.nrs. 154 en 798.
met name genoemd. Behalve dorsaal is de bergplaats van de charters sporadisch aangetekend in de registers, waar van de doza Imperialis sprake was.
inv.nr. 222 folio 38 nr. 203, geschreven door een hand van de tijd van Karel de Stoute.
De indeling naar laden werd nadien gehandhaafd en zo kwam zij in 1511 nogmaals voor.
Inv.nr. 2120; bijlage I, beneden pp. 177*-179*.
Ook toen waren er 47 laden, waarvan er twee niet nader werden aangeduid. De laden bleken van hout te zijn gemaakt, waarvan vurenhout en wagenschot met name werd genoemd. Soms werd zelfs de maat opgegeven.
In 1517 bleek deze ordening geheel te zijn gewijzigd.
Boven p. 147*.
Men mag aannemen dat voor dat doel aparte overzichten van de 45 laden waren gemaakt die werden aangetroffen in het sterfhuis van Cornelis Suys.
RA. Arnhem, Huis Rozendaal, nr. 1503.
Deze had hieraan een aantal lijsten van later aangekomen stukken toegevoegd, waaronder de charters van Utrecht. Het is vreemd dat Suys de stukken die hadden gediend voor de opstelling van zijn eigen overzicht uit 1552, steeds bij zich moest houden. Zelfs een lijst die hij had geleend, had hij in 1580 toen hij overleed, nog niet teruggebracht.
J.C. Kort, Utrechtse oorkonden in Holland, in: Nederlands Archievenblad, jaargang 78, 1974, p. 125.
Zouden wij in dat verschijnsel de hardnekkige verzamelzucht van de typische archivaris mogen herkennen?
Een nieuwe ordening kwam na de zestiende eeuw tot nu toe niet meer tot stand. Wel werd de eventueel nog aanwezige orde in de negentiende eeuw grondig verstoord door de archivarissen Van Wijn en Bakhuizen van den Brink. In deze eeuw werden zij wederom bijeen geplaatst onder de benaming 'charters Suys', om aan te geven dat zij in diens overzicht voorkwamen.
Ook van de registers placht de administratie bij tijd en wijle lijsten op te stellen. Enige daarvan werden reeds eerder besproken.
Van Riemsdijk, pp. 693-707.
In een overzicht van Filips van Leiden, daterend uit 1357, werden 21 registers met arresten en recessen vermeld. Vijf van de daargenoemde registers droegen vroeger aantoonbaar een letter, waarmee ze toen konden worden herkend. Het waren de volgende:
E
Van Riemsdijk, p. 698.
inv.nr. 223
R
Inv.nr. 740 p. 25.
inv.nr. 707
T
Inv.nr. 2106 folio 65 v en folio 90.
inv.nr. 226
Y inv.nr. 244
Z inv.nr. 257
In de tijd volgde nu een lijst van 24 registers die om een niet nader vermelde reden waren gelicht, en vijftien die in het schrijn bleven.
Inv.nr. 2104.
Van de eerste serie waren door de vage aanduiding slechts weinige herkenbaar, hoewel zij alle op leenzaken betrekking moesten hebben.
Tot sunt registri vasallorum sed per signum non inveniuntur proprio.
Het waren met hun oude nummers:
8 inv.nr. 218
10 inv.nr. 305
16 inv.nr. 226
22 inv.nr. 740
24 inv.nr. 401
Volledig kon het overzicht ook niet zijn, daar van graaf Willem III twee registers ontbraken en van hertog Willem V zelfs drie in vergelijking met de thans nog aanwezige. De registers die in het schrijn bleven, zijn beter te identificeren. Het waren:
Dat tollenrecht inv.nr. 946
Arrestboec ontbreekt
Recesboek ontbreekt
Manne van Voerne Heren van Voorne, inv.nr. 29
Een registerken van allerhande scoude inv.nr. 1211
Taxacie van beneficien ontbreekt
Der steden privilegien inv. nr. 652
Een papier register der keyserinnen, eer si uten lande voer inv.nr. 219
't Register van der lude coep van leemten inv.nr. 664
Een register wat meester Dirc seghelde inv.nr. 219
Een verworpen register principium Theoderici Vopponis inv.nr. 225
Inventarius in fronsine van dat in der sacristien is inv.nr . 2113 sub d (?)
Manne van Voerne Heren van Voorne, inv.nr. 29 folio 45-48 v
Van Waterlant: registrum met eenre T. ontbreekt
Register van den onscamelen verbande, ghescreven uten register, dat in den lederen sac leghet inv.nr. 2146
De lijst moet zijn opgesteld na 1375, omdat er twee registers geschreven door hand AG
Boven p. 151*; inv.nrs. 652 en 740 ad p. 20.
, in voorkomen. Twee registers van de lijst zijn voortgezet tot ca. 1390
Inv.nrs. 226 en 664.
, maar behoefden nog niet te zijn voltooid. De identiteit van de opsteller van de lijst, die ook een aantal registers in het archief folieerde
Inv.nrs. 219, 222-225, 401, 652, 664 en 740.
, blijkt door vergelijking met zijn handschrift elders. Het was niemand anders dan Dirk Foppenz., de bewaarder van het archief.
Boven p. 68*.
Dat wordt het meest duidelijk bij zijn werk aan de indicering van de leenregisters.
Inv.nr. 740.
Voor een nadere datering van het overzicht baat de herkenning van zijn persoon helaas niet, daar hij zijn ambt over de gehele periode van het ruwaardschap van hertog Albert vervulde.
Maar, kan men zich afvragen, wanneer kan de registratie van de lenen aan de orde zijn geweest? Hiertoe kan slechts aanleiding zijn geweest in 1375 en in 1390, in het eerste jaar wegens de bewerking van het archief
Boven p. 96*.
en in het laatste vanwege de inhuldiging van hertog Albert.
Boven pp. 108*-109*.
Wij konden uit deze twee mogelijkheden geen keuze maken.
In 1391 blijken de registers bij gelegenheid van de beëindiging van de taak van Dirk Foppenz. anders te zijn genummerd.
Inv.nr. 2105; Van Riemsdijk, pp. 696-699.
In vergelijking met deze inventaris leidt dat tot het volgende overzicht:
  • 1 - 223
  • 2 - 224
  • 3 - 221
  • 4 - 316
  • 5 - 303
  • 6 - 324
  • 7 - 398
  • 8 - 218
  • 9 - 255
  • 10 - 291
  • 11 - 401
  • 12 - 242
  • 13 - 645
  • 14 - 620
  • 15 - 289
  • 16 - 226
  • 17 - 244
  • 18 - 706
  • 19 - 257
  • 20 - 222
  • 21 - 2180
  • 22 - 707
  • 23 - 220
  • 24 - 219
  • 25 - 574
  • 26 - 173
  • 27 - Heren van Voorne, inv.nr. 29
  • 28 - 664
  • 29 - 227
  • 30 - 228
  • 31 - 708
  • 32 - 709
  • a - 2144
  • b - 2146
  • c - 2145
Niet lang hierna kwam een nieuwe nummering tot stand, waarbij de registers werden gemerkt met de vooreerst weinig zeggende letters EL.
Van Riemsdijk, pp. 699-701.
Deze wijze van benoeming bleek duurzamer dan de vorige, daar zij nog tot in deze eeuw in zwang bleef.
J.H.W. Unger, regestenlijst voor Rotterdam en Schieland tot in 1425, Rotterdam 1907, pp. IX-XII.
De concordantie is als volgt:
    EL
  • 1 - 243
  • 2 - 242
  • 3 - 402
  • 4 - 226 (225)
  • 5 - 706
  • 6 - 290
  • 7 - 197
  • 8 - 19
  • 9 - 196
  • 10 - 324
  • 11 - 401
  • 12 - 325
  • 13 - 304
  • 14 - 173
  • 15 - verloren
    Rekenkamer rood nr. 64 b folio 21 v.
  • 16 - 250
  • 18 - 249
  • 19 - 574
  • 20 - 303
  • 22 - 221
  • 23 - 219
  • 24 - 289
  • 25 - 244
  • 26 - 2146
  • 27 - 223
  • 28 - 257
  • 29 - 224
  • 30 - 620
  • 31 - 316
  • 32 - 218
  • 33 - 291
  • 34 - 403
  • 35 - 227
  • 36 - 1648
  • 37 - 398
  • 38 - 2180
  • 39 - 255
  • 40 - 645
  • 41 - 2145
  • 42 - 222
  • 43 - 707
  • OR. - 220
Omstreeks 1425 werden de benamingen met letters door Pieter van Gapinge duidelijker gemaakt bij zijn opsomming van registers, rekeningen en dergelijke.
Van Riemsdijk, p. 701.
De recessen bleken de letters A, gevolgd door een letter te dragen
Inv.nr. 2136 folio 9.
evenals de memorialen, die waren gemerkt door een B en een letter
Inv.nr. 2136 folio 8.
, zoals thans nog het geval is. Dat systeem moest na meer dan 26 registers wel spaak lopen, zodat men daarna fantasienamen bedacht.
De rekeningen van de trezorier waren voorzien van een C en een cijfer
Inv.nr. 2136 folio 23-28.
, dat ook op de corresponderende zak bijlagen was geplaatst.
Inv.nr. 2136 folio 31-33 v.
Een B met volgnummer hadden andere rekeningen, waarvan slechts weinige werden vermeld, gekregen
Inv.nr. 2136 folio 35.
en diversen werd passend een D met volgnummer opgeplakt.
Inv.nr. 2136 folio 43-44 v.
Het merk EL. zal op overeenkomstige wijze bestaan uit een E voor de serie, gevolgd door de L van liber (boek).
In het overzicht van Pieter van Gapinge bleken de registers, gevormd na de EL.-serie, van een Romeinse nummering te zijn voorzien
Inv.nr. 2136 folio 1-6 v.
, die als volgt overeenstemt met deze inventaris:
  • I - 237
  • II - 229
  • III - 230
  • IV - 226
  • V - 228
  • VI - 231
  • VIII - 710
  • IX - 712
  • X - 232
  • XII - 66
  • XIII - 740
  • XIV - 67
  • XV - 400
  • XVI - 1212
  • XVII - 664
  • XVIII - 709
Ook deze nummering bleef onveranderd tot deze eeuw zoals het geval was met de EL.-nummers.
Het archief werd na 1430 voornamelijk vermeerderd met leenregisters
Inv.nrs. 713-739.
, die een gelegenheidsnaam zoals 'het Witte en Bonte register' kregen. In deze situatie werd in 1515 verandering gebracht door de registers naar kassen in te delen
Inv.nr. 2108.
, welke opstelling nadien werd volgehouden. De schifting leek soms nogal willekeurig, zodat niet zozeer van een ordening als wel van een wijze van opbergen kon worden gesproken. Deze werd in 1515 ondernomen met het oog op de politieke situatie.
Boven pp. 147*-148*.
De kassen waren aangegeven met letters. Zo bevatte kas A de registers van graef Floris schaprae.
Inv.nr. 217 in fine. Schaprae is een synoniem van kas.
Kas B hield registers van graaf Floris in en diversen, C van graaf Willem III, graaf Willem IV en hertog Willem V en D was het scapra van Henegouwen
Heren van Blois, inv.nr. 1 in capite.
met papieren registers van Blois, Johanna van Brabant, keizerin Margaretha en hertog Albert. Kas E betrof hertog Albert vanaf 1358 met Oostervant tot 1404; F van hertog Willem VI, gravin Jacoba en hertog Jan van Beieren; G de leenregisters van hertog Filips en hertog Karel de Stoute; H die van Maximiliaan van Oostenrijk als regent tot 1517; I diverse registers van taxaties; K registers met verordeningen van hertog Willem VI tot koning Filips II en tollen. L vormde de kas van Voorne; M die van Putten; N bevatte diverse registers van commissies en memorialen; O uitspraken in leenzaken; P overzichten van het archief en indexen en Q tenslotte de registers van Friesland.
Inv.nrs. 2110 en 2102 folio 223-236 v; Van Riemsdijk, p. 702.
In 1580 werd een kas R toegevoegd van registers die vroeger waren overgeslagen. Waarschijnlijk waren de letters van de kassen op de banden aangebracht, maar omdat die thans alle verloren zijn gegaan blijkt daar thans niets meer van.

Verantwoording van de inventarisatie

Daar de graven van Holland pas in 1291 de meer uitgebreide titulatuur 'graaf van Holland, Zeeland en heer van Friesland' zijn gaan voeren
Kruisheer, pp. 103-108; ?
, werd in deze inventaris de oude titel aangehouden. Als begindatum is het jaar 889 gekozen, toen Gerulf, voorganger van het gravenhuis, een schenking van koning Arnulf ontving.
OHZ., I, 21.
Hoewel er geen stukken van vóór 1189 in het archief aanwezig zijn, markeert dat jaartal het kenbare begin van de archiefvorming door een graaf van Holland avant la lettre. Als eindpunt is het jaar 1581 genomen, toen de laatste graaf in de persoon van Filips II werd afgezworen.
Het lijkt onnodig bij een archief als dat van de graven van Holland, dat zonder pasklaar model is, nadruk te leggen op de wenselijkheid van een verantwoording. Vroeger waren de stukken immers verspreid over een aantal fondsen. De registers van de graven van Holland waren opgenomen in het archief van de leen- en registerkamer van Holland, de rekeningen tot 1432 waren als retroacta bij de afgehoorde rekeningen van de Hollandse rekenkamer gedeponeerd en de charters vormden als de zogenaamde charters 'Suys', de charters 'niet Suys' en de charters 'Henegouwen' een vrijwel ondoordringbaar geheel. Die verspreiding is in deze inventaris ongedaan gemaakt. Alle stukken bestemd voor de graven van Holland, voorzover zij na 1428 niet behoorden aan Hof van Holland of rekenkamer
Zie hiervoor / hierna
, of het registers zijn, rekeningen, charters of losse stukken, zijn naar hun aard of onderwerp in de inventaris gerangschikt.
Dat is de aangewezen werkwijze voor de ordening van elk archief. Bij een landsheerlijk archief was zij echter nog niet eerder toegepast. De archieven van de graven van Henegouwen en Vlaanderen, van de graven en hertogen van Gelre en de hertogen van Brabant zijn thans nog steeds samengesteld uit aparte verzamelingen van registers, rekeningen en charters.
Maar hoewel een landsheerlijk archief nog niet eerder was geïnventariseerd, konden niettemin aanknopingspunten worden gevonden bij eerder bewerkte archieven van heerlijkheden die de structuur van een archief met semi-overheidsgezag boden. Eerst moest de juiste volgorde van de diverse rubrieken worden bepaald. Voorop zijn de stukken van persoonlijke aard geplaatst, omdat eerst de aanwezigheid van de graven moet worden vastgesteld, voordat van een archiefvorming door graven sprake kan zijn. Zij verwierven vervolgens rechten tegen anderen; deze zijn opgenomen in afdeling B. In afdeling C treft men de uitoefening van de bevoegdheden door de graven aan. Na het aspect van het bestuur komt het beheer van het grafelijk bezit in afdeling D aan de orde. In het verlengde hiervan zijn in afdeling E de stukken geplaatst betreffende de zorg voor het archief en de volledigheid daarvan.
In alle gevallen waren er bij vroegere inventarissen voorbeelden aan te wijzen van een indeling met behulp van afdelingen zoals hier is gegeven. De afdelingen A en B kwamen eerder voor bij het archief van de heren van Voorne
Kort, Voorne, passim.
en van Haarlem.
Kort, Haarlem, passim.
In afdeling C kon worden aangesloten bij de stukken van ambtenaren van het Centraal bestuur (ACB)
archief ACB, 3.01.02, p. 18 vlgg.
onder Karel V, te meer daar in deze inventaris een groot aantal stukken is opgenomen dat eigenlijk in dat werk een plaats had behoren te vinden. Evenals daar is gekozen voor de term 'bemoeiingen', omdat de betiteling 'bestuur' voor gebieden die een andere landsheer hadden, niet toepasbaar is. Voor afdeling D kon worden aangesloten bij het archief van de heren van Voorne.
Zie noot 966.
Zij kwam eerder voor bij het archief van de abdij Egmond.
P.A. Meilink, het archief van de abdij Egmond, eerste stuk, 's-Gravenhage 1951, passim.
Tenslotte kon voor de laatste afdeling aansluiting worden gevonden bij het archief van het huis Bergh
A.P. van Schilfgaarde, het archief van het huis Bergh, inventaris, tweede stuk, 1932, p. 292.
, waarvan alleen de term 'beheer' werd vervangen door 'zorg'.
Bij de plaatsing van de stukken in de diverse afdelingen deed zich nog menig probleem voor. Bij afdeling A konden de stukken betreffende de verwerving van het graafschap en de inhuldiging een plaats vinden, daar zij de nieuwe graaf kenbaar maakten. De formele beleving werd in afdeling B geplaatst. De graven van Holland werden bij gelegenheid ook door de Friezen ingehuldigd maar omdat de gevolgen daarvan niet duurzaam waren, zijn de stukken
Inv.nrs. 357, 363 en 376.
die daarop betrekking hebben, echter in de afdeling 'Bemoeiingen' ondergebracht.
Een moeilijkheid was voorts, wat moest worden gedaan met de stukken van degene die geen graaf was, maar zijn erfgenaam of weduwe. De stukken van deze personen zijn in afdeling A geplaatst, omdat zij een persoonlijk karakter droegen, waardoor verspreiding over volgende afdelingen aanleiding tot verwarring zou geven: men zou denken dat er gelijktijdig twee graven waren! Bedoelde stukken volgen op hun beurt de onderverdeling van de gehele inventaris zonder dat die nader door koppen kenbaar is gemaakt. In het bijzonder kan hier worden gewezen op de collectie stukken van Jan de bastaard van Beieren
Inv.nrs. 124-135.
, die als aanhangsel bij de stukken van hertog Jan van Beieren, elekt van Luik, zijn vader, zijn beschouwd.
Afdeling B betreffende rechten van de graven leverde alleen de moeilijkheid dat zij ook bij traktaat rechten konden verwerven. Zo legden de graven van Vlaanderen en Holland hun wederzijdse rechten in 1250
Inv.nr. 643.
nogmaals vast. Omdat ook een rubriek aan rechten tegenover de graven van Vlaanderen is gewijd
Rubriek B V.
, zou men kunnen menen dat het traktaat veeleer daar moest worden geplaatst. Traktaten behoren door hun tweeledig karakter echter bij de afdeling 'Bemoeiingen'.
In afdeling C is bij de landstreken een volgorde aangebracht die naderhand steeds is aangehouden. Voor de streken Noord-Holland, Kennemerland, Zuid-Holland en Zeeland was de onderlinge verhouding niet goed vast te stellen. De volgende zijn evenwel naar datum van verwerving ingepast. De inventaris sluit hier in feite aan op de verdeling die reeds in de oudste reeks registers ten tijde van graaf Willem III is gemaakt.
Geheel naadloos kon dit schema op enige ondergeschikte punten helaas niet worden volgehouden. Zo doorbrak een charter, behorend tot de stukken met betrekking tot het oproer van het Kaas- en Broodvolk
Inv.nr. 271.
, de territoriale indeling van Kennemerland, waartoe de overige stukken konden worden gerekend. De rubriek Waterland werd soms verenigd met Amstelland wegens de band die al tijdens graaf Willem III administratief was gelegd. Stukken over de vete van Arkel
Inv.nrs. 723-634.
zijn onder de rubriek Gelderland gebracht. Weliswaar strekte de heerlijkheid Arkel zich zowel over Zuid-Holland als over Gelderland uit, maar zij kon niet over twee rubrieken worden verspreid. Daarom is wegens de partijkeuze van de hertog van Gelre, verwant aan het geslacht Arkel, voor de plaatsing in de rubriek Gelderland gekozen. Urk en Emmeloord zijn in deze inventaris gerekend tot het Oversticht. Urk behoorde in het jaar 968 tot de gouw Salland
OSU., I, 126.
, die later deel uitmaakte van het Oversticht. De eigen administratie van de graven van Holland vatte de zaak in de zestiende eeuw op dezelfde manier op.
Inv.nr. 849 folio 73.
Evenals in de inventaris van de ambtenaren van het centraal bestuur werd in afdeling C geen rekening gehouden met het onderscheid van binnen- en buitenland. Wel gaat het binnenland aan het buitenland vooraf.
De graaf van Holland wist zijn gezag op bepaalde momenten meer tot gelding te brengen dan op andere. Wanneer hij voogd van het Sticht aan deze zijde van de IJssel was
Zie hiervoor / hierna
, kon de graaf zijn invloed noordwaarts tot Kampen doen gelden. In Friesland wist hertog Albert omstreeks 1400 van Vlie tot Jade erkenning te vinden, maar die positie ging snel weer verloren. In beide gebieden wist keizer Karel V, die tevens graaf van Holland was, blijvend de macht aan zich te trekken, in Friesland in 1524
AGN., IV, pp. 86-88.
, in het Sticht vier jaar daarna.
In afdeling D zijn de muntzaken gerekend tot de verantwoordelijkheden van de trezorier als hoogst verantwoordelijk financieel ambtenaar. Zij dienden om hun aspect van algemeenheid voor de rekeningen te worden geplaatst evenals de registers van schulden. De rekeningen zijn eveneens van algemeen naar bijzonder gerangschikt met gebruikmaking van het territoriale beginsel. Voorop staat de trezorier of de klerk die tevoren een soortgelijke taak vervulde.
Zie hiervoor / hierna
Daarna komen de rekeningen van de herberg, gevolgd door de rentmeesters, de baljuws en de andere ambtenaren. Bij de rekeningen van de baljuw van 's-Gravenhage en de schouten van Amsterdam, Delft, 's-Gravenhage en Haarlem konden verwijzingen worden geplaatst naar oudere rekeningen, die waren opgenomen in de rekeningen van de boven hen gestelde baljuws.
Zie hiervoor / hierna
Omdat de afsplitsing van het baljuwschap Den Haag uit het rentmeesterschap Noord-Holland pas na enige jaren definitief werd, zijn de eerste rekeningen hier als bijlagen bij die rentmeester beschouwd, omdat zij niet waren afgehoord. In het algemeen is de afhuring van de rekening aangenomen als maatstaf voor het zelfstandig functioneren van een bepaalde ambtenaar.
Rubriek E bevat behalve oude inventarissen van het archief van de graven de overzichten van het archief van Henegouwen of alleen de Hollandse stukken daaruit. Tevens zijn er de cartularia van de stukken van Henegouwen in opgenomen, omdat het de functie van deze registers
Inv.nrs. 2144-2148.
was het archief in Den Haag te completeren met de gegevens van elders.
Enige problemen bij de inventarisatie konden in de voorgaande verantwoording nog niet naar voren worden gebracht. In afdeling A is met negatieve nummers een aantal vidimussen opgevoerd, die naar ons idee moesten worden gerekend tot de stukken die gediend hadden tot de verwerving van het graafschap. Zij kunnen gelden als retroacta. De plaatsing van een vidimus, dat later tot veel later kan zijn opgesteld dan het origineel, vormt een probleem, daar het een geheel andere functie kan hebben gehad dan dat origineel. Om praktische redenen is het vidimus evenwel behandeld alsof het een origineel zou zijn. Een negatief nummer bepaalt thans de plaats, waarop zij naar ons idee volgens hun doel hadden behoren te staan.
In slechts weinig gevallen zijn gegevens over het opstellen van vidimussen voorhanden. Voor het jaar 1418, toen gravin Jacoba een actie op touw zette om haar rechten op het graafschap te verstevigen, zijn wij evenwel behoorlijk ingelicht. Zij zette haar streven kracht bij door vidimussen te later vervaardigen van de originele oorkonden van de keizer, waarover zij kon beschikken. Daartoe zond zij op 17 april 1418 boden naar de abt van Egmond en de proost van St. Pieter, die inderdaad op 10 mei daarna vidimussen opmaakten.
Inv.nrs. 23 en 178.
Op 16 april van hetzelfde jaar was Jan Eggert bevolen een inventaris te maken van de keizerlijke oorkonden in Henegouwen.
Inv.nr. 1270 c. bodeloon.
Daar deze informatie uitzondering is, kan de functie van de andere vidimussen niet nader worden toegelicht en moest de plaatsing ervan meer hypothetisch blijven.
Vidimussen van stukken uit andere archieven konden niet op de plaats van hun origineel worden gezet, omdat dat uiteraard niet in het archief van de graven van Holland aanwezig is. Zij dienden blijkbaar als voorbeeld voor een bepaalde zaak en werden daarom geplaatst op een wijze, die het best scheen.
Afschriften zouden op overeenkomstige wijze als de vidimussen op de plaats van het origineel worden gehouden tenzij een duidelijke onderlinge samenhang viel aan te tonen. Daarom kon een aantal afschriften op een blad perkament
Inv.nr. 348.
, allen geproduceerd in 1396 met het oog op een politiek offensief tegen Friesland beoosten het Vlie
Zie hiervoor / hierna
, alleen op dat jaar worden geplaatst. Ook een aantal afschriften
Inv.nr. 384.
dat Karel V in 1516 met hetzelfde doel liet maken, kon met een zelfde argument bijeen blijven. Dat was uiteraard ook het geval met drie notariële akten
Inv.nrs. 136-138.
, die bijeen behoren. Zij zijn chronologisch geplaatst in volgorde van hun vervaardiging, hoewel één een afschrift van een oudere akte bevat.
Op overeenkomstige wijze werd gehandeld met de leenregisters van Brederode.
Inv.nrs. 776 en 777.
Zij zijn blijkbaar in 1568 bij gelegenheid van de verbeurte van de goederen van Brederode in handen van het leenhof van Holland geraakt. Overeenkomstig het moment waarop zij verworven werden, zijn zij in de inventaris ingevoegd, hoewel het tijdstip van hun ontstaan vroeger lag.
Is met vidimussen en afschriften dus sprake van een compromis, ook in de rest van de inventaris kon niet alles zo logisch bij de indeling naar streken en zaken worden aangesloten als wel wenselijk was, omdat vele registers er zich door hun overschrijving van grenzen aan onttrekken. Hetgeen in de aparte rubrieken ontbreekt, dient daarom steeds in de voorgaande algemene afdeling te worden gezocht. Omdat in dit stadium moest worden nagelaten toegangen op de registers bij de inventaris te voegen, moet de opsporing van de akten tot 1440 daaruit nog plaats vinden via de index van Gousset, die dateert uit de achttiende eeuw
Van Riemsdijk, pp. 679 en 703-704.
, of een der minder handzame indexen uit afdeling E van deze inventaris. Om toch enige orde in de registers te brengen, is de eventueel aanwezige indeling naar landstreken in de beschrijving tot uiting gebracht.
De door een graaf verkregen mogelijkheid tot lossing van een bepaald goed
Inv.nrs. 1021, 1022, 1024.
werd geplaatst in afdeling D onder 'Eigendommen', al ging het object in het vervolg niet werkelijk in het bezit van de graaf over. Het leek ons overbodig, om voor deze zaken een aparte rubriek van te lossen goederen in te voeren.
In de afdeling 'Eigendommen' zijn ook steeds de archieven van aan de graaf vervallen heerlijkheden opgenomen. In de gevallen van de heren van Haarlem, Voorne, Blois en Putten zijn zij apart beschreven. Bij die van de heren van Amstel en Heusden is daar wegens de gebrekkige overlevering van afgezien.
De rekeningen in afdeling D zijn zonder meer in de desbetreffende afdeling geplaatst. De aanwending van een structureel beginsel, aansluitend bij de taak van de trezorier, is bij de rekeningen van die ambtenaar achterwege gelaten. Door de steeds wisselende regelingen voor deze ambtsdrager tot het derde kwart van de veertiende eeuw
Zie hiervoor / hierna
zou de toepassing slechts aanleiding geven tot verwarring. De rekeningen zijn daarom alle over een kam geschoren.
De hier aanwezige rekeningen van de herberg, die door de ambulante levenswijze van de grafelijke familie een onbestendige factor in het rekenplichtige beleid van de graafschappen vormde, zijn na die van de trezorier geplaatst, daar ze van hem in een eerder stadium waren losgemaakt. Omdat de graven en hun familie ook in de andere graafschappen moesten worden onderhouden, berusten rekeningen van hun herberg thans ook in de archieven te Bergen in Henegouwen
L. Devillers, Sur les expéditions des comtes de Hainaut et de Hollande en Prusse, zijnde rolrekening door Jan van Leiden d.d. 1336, in: Bulletin du Commission Royale d'histoire, 4e serie V, Brussel 1878, pp. 127-142.
, Brussel
(L.P.) Gachard, inventaire des registres des Chambres des Comptes, deel II, Brussel 1845, inv.nrs. 1777-1779 d.d. 1349, 1363-1364 en 1379-1380; en inv.nrs. 1788-1790 d.d. 1420-1421.
en Rijssel.
J. Finot, Inventaire sommaire des Archives départementales antérieures à 1790, Nord, Archives civiles, - Série B. deel VII, Rijssel 1892, nrs. B 3275, pp. 148-150 d.d. 1332, B 3277, pp. 154-157 d.d.
1333, B 3279, pp. 159-160 d.d. 1399-1400, B 3280, pp. 160-163 d.d. 1400-1401, B 3281, pp. 163-165 d.d. 1405, B 3282-3283, pp. 165-167 d.d. 1407.
Het was daarom ook mogelijk geweest deze rekeningen van de herberg wegens hun persoonlijk karakter in afdeling A te plaatsen. De handhaving van de eenheid van het financieel beheer van de graaf gaf echter de doorslag voor hun huidige indeling. Helaas gingen de bij uitstek persoonlijke rekeningen als van huwelijk
Inv.nr. 71.
en begrafenis
L. Devillers, Sur le mort de Guillaume le Bon, comte de Hainaut, de Hollande, de Zélande, et seigneur de Frise, in: Bulletin du Commission Royale d'histoire, 4e serie V, Brussel 1878, pp. 409-423.
deze logica te boven.
De overige rekeningen gaven voor hun plaatsing in de inventaris geen bijzondere moeilijkheden of aanleiding tot toelichting. De einddatum van opname van de rekeningen was 1432, toen alle afdelingen van het financieel beheer door hertog Filips op een nieuwe wijze werden gecontroleerd.
Zie hiervoor / hierna
Daarom konden enige stukken van na die tijd, te beschouwen als bijlagen bij latere rekeningen, hier geen plaats vinden, hoewel zij in het overzicht van Suys werden genoemd. Die gevallen zijn verwerkt in Concordantie VI.
Deze inventaris geeft geen nadere toegangen anders dan het archief zelf biedt. Hij geeft zelfs minder, omdat de alfabetische index, die M. Gousset maakte op de oude registers tot 1440
Zie noot 992.
, niet kon worden opgenomen. Hij dateert immers pas uit de achttiende eeuw. Bruikbaar voor de privileges zijn echter ook de laatste nummers van deze inventaris
Inv.nrs. 2157 en 2158.
, waarnaast voor de lenen de repertoria, die gelijktijdig met deze indexen werden aangelegd, kunnen worden geraadpleegd. Van dit onderdeel van de registratie verschijnen sinds 1970 bewerkingen in de vorm van uitgewerkte repertoria, die regelmatig worden gepubliceerd in het tijdschrift 'Ons Voorgeslacht'.
Hoek, Maasland; Ketel; de Lier, passim.
Omdat een ruil van stukken met België niet kon worden verwezenlijkt
Zie hiervoor / hierna
, moest een aanhangsel bij deze inventaris worden opgenomen. Het betreft een verzameling stukken, afkomstig van Aleid van Henegouwen, Floris, haar zoon, en diens dochter. Een aantal van hun stukken, waaronder het laatste van 1308
Van Mieris, II, 77.
, bevindt zich thans nog in het rijksarchief te Bergen in Henegouwen. Volgens het herkomstbeginsel zouden de delen van deze familiestukken moeten worden herenigd, ook al hebben de akten betrekking op Holland en Henegouwen. Daarnaast berustten van oudsher enige stukken in Den Haag die in Henegouwen, waar de bijbehorende stukken aanwezig zijn, beter op hun plaats zouden zijn. De rekeningen van hertog Jan van Beieren betreffende Luik zijn in de vorige eeuw op een veiling gekocht. Zij behoren vanzelfsprekend in Luik thuis.
Als ander onaangenaam gevolg van het mislukken van bovengenoemde archiefruil met België moest een bijlage worden opgenomen van stukken, behorend of behoord hebbend tot het archief van de graven van Holland, maar elders berustend. In de lijst zijn ook stukken opgenomen die op Holland en Henegouwen betrekking hebben, als ook een aantal stukken
Bijlage nrs. 85, 86 en 88-90.
, waarvan niet zeker is of ze wel deel van het archief hebben uitgemaakt. Zij kunnen in een vroeg stadium zijn overgedragen of, waar het de rekeningen betreft, als rendantsexemplaar worden aangemerkt. Hoewel paragraaf 1 van de handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven bepaalt, dat een archief als een geheel moet worden beschouwd ook al bevindt een gedeelte zich elders, zijn deze stukken, om verwarring over hun huidige vindplaats te voorkomen, toch niet in de eigenlijke inventaris verwerkt. De bijlage gaat intussen niet verder dan een signalement van de stukken zonder andere orde dan de chronologische. In feite is daarmee sprake van wanorde, die slechts door de afwezigheid van de stukken kan worden gerechtvaardigd.
De registratie handelde zelf bij gelegenheid anders. Toen in de zestiende eeuw een verzameling charters uit de kelder op het Binnenhof te voorschijn kwam
Inv.nr. 2119.
, werd de vondst verspreid en ingevoegd volgens de toen geldende inventaris. De kanselarij wist dus wel raad met een afgedwaald bestand! Het zou in dat licht dan ook ridicuul zijn oude of bestaande wanorde te handhaven of te herstellen. In het kader van ordening werden zo de charters van de graven en hertogen van Gelre onlangs uit Duitsland naar Nederland teruggevoerd
P.J. Meij, Gelderse charters uit München teruggekeerd, 's-Gravenhage 1953.
en gevoegd bij de rest van dat archief. Dat ondanks het akkoord van 1953 en de aanvankelijke overeenstemming met de charters van de graven van Holland in Henegouwen niet evenzo werd gehandeld, is betreurenswaardig.
Na de index op namen van personen en plaatsen zijn als bijlage eveneens diverse concordanten toegevoegd. In de concordant op het overzicht van C. Suys zijn behalve de stukken uit deze inventaris tevens de stukken van de heren van Haarlem, Voorne, Blois, Putten en Strijen en de ambtenaren van het centraal bestuur verwerkt, teneinde een beter inzicht in de gehele beschrijving van Suys te kunnen bieden. Zelfs de stukken die naar andere archieven zijn overgebracht, zoals het geval is met het archief van de bisschoppen van Utrecht, zijn in deze concordant opgenomen. Soms waren de identificaties van de stukken wegens de vage beschrijvingen van Suys echter problematisch.
In de concordant van de charters in Henegouwen op de inventaris van J. de Saint Genois is op overeenkomstige wijze met elders geplaatste stukken gehandeld. Het was wegens de tijdsfactor niet doelmatig een inventaris van verloren stukken samen te stellen zoals wel gebeurde bij de kleinere archieven van de heren van Voorne en die van Haarlem. Een dergelijke bijlage had ten dele op kunnen wegen tegen het grote verlies aan charters
Zie hiervoor / hierna
, waardoor de structuur van het archief onmiskenbaar is verstoord.
Het zou op zichzelf op de weg van de bewerken hebben gelegen een onderzoek te verrichten naar de in Rijssel aanwezige stukken uit het archief van de graven van Holland.
Zie hiervoor / hierna en noot 918.
Daarvan is echter afgezien wegens de lange duur en de omvang van de bewerking van het archief van de graven van Holland. Het spreekt vanzelf dat een dergelijk onderzoek in Rijssel aanbeveling verdient.
Voor de beschrijving van de stukken is het volgende van belang. De namen van medezegelaars werden niet opgenomen tenzij zij als medeoorkonder optraden. Ook de namen der getuigen zijn weggelaten. Voor de spelling van de voornamen is Van der Schaar
J. van der Schaar, Woordenboek van voornamen, Utrecht-Antwerpen 1970 5.
gebruikt, om een verantwoorde normalisering te kunnen bewerkstelligen. De namen zijn gecursiveerd wanneer zij niet konden worden genormaliseerd. Bij de plaatsnamen is de huidige officiële spelling aangehouden. Bij de graven van Holland was vanaf graaf Floris V de Paasstijl gebruikelijk.
Kruisheer, pp. 126-128.
Voor andere personen binnen en buiten het graafschap is de thans geldende opvatting over haar methode van dateren gevolgd
R. Fruin, Handboek der chronologie voornamelijk van Nederland, Alphen aan den Rijn 1934.
, wat betekent dat doorgaans de jaardagstijl werd gevolgd. In de gevallen dat ook grafelijke ambtenaren zich in afwijking van het kanselarijgebruik van de jaardagstijl bedienden, is dat in de tekst van de inventaris aangegeven.
Steeds is er naar gestreefd het ontwikkelingsstadium van het stuk zo duidelijk mogelijk aan te geven. Het origineel wordt steeds als charter aangeduid. Concepten en minuten worden als zodanig benoemd en afschriften zijn zoveel mogelijk gedateerd. Er wordt niet gewezen op de staat van de stukken. Afschriften worden bij de beschrijvingen alleen in zoverre aangehaald als zij van nut zijn voor het herstel van een beschadigde tekst. De kennis van de inhoud van een stuk kan ook afkomstig zijn van een oude inventaris. Is dat het geval, dan wordt dat aangegeven. Zo niet dan wordt daarvoor stilzwijgend verwezen naar de concordant. In een N.B. is de jongste drukplaats aangegeven met gebruikmaking van de regesten van Kruisheer en Berkelbach. Zonder nadere aanduiding is verwezen naar de nummers van de teksten en naar de pagina's, wanneer de nummers ontbreken. De retroacta zijn onmiddellijk na het stuk geplaatst, waardoor zij in het archief kwamen, voorzien van een asterisk(*).
In afdeling A werd aan elke graaf of gravin een beknopte levensschets gewijd. De gegevens hiervoor zijn, tenzij anders vermeld, ontleend aan Dek. Voor deze inventaris is de eenvoudige aanduiding graven van Holland aangehouden. Deze titel gold tot 1290, waarna de gebieden Zeeland en Friesland eveneens in de titulatuur tot uitdrukking werden gebracht.
Kruisheer, pp. 103-108.
Al deze titels, waarbij in 1299 nog die van Henegouwen kwam, konden niet goed in de naam van het archief worden verwerkt.
Het beginpunt van het archief van de graven van Holland werd gesteld op het jaar 889
OHZ., I, 21.
, hoewel de oorkonde van dit jaar niet meer in het archief aanwezig is. Het eindpunt is de afzwering van koning Filips II, de laatste graaf van Holland, in 1581 aangehouden.