Oude ordeningen van het archief
Blijkens de indeling van het cartularium van graaf Jan II kende het archief van de graven van Holland in 1299 een bepaalde orde
Kruisheer, Pieter van Leiden, pp. 34-36.
, waarvan men het bestaan in de tijd voordien eveneens waarschijnlijk mag achten. In hoofdzaak zijn de volgende rubrieken te onderscheiden, die slechts hier en daar worden doorkruist door minder juist geplaatste oorkonden.
| folio 1 |
Sticht |
| folio 11 |
Friesland |
| folio 11 v |
Zeeland |
| folio 14 |
Friesland |
| folio 15 |
Kennemerland |
| folio 19 |
Zuid-Holland |
| folio 20 v |
Zeeland |
| folio 24 |
diversen |
| folio 29 |
Engeland |
| folio 29 v |
Het Roomse Rijk |
| folio 31 |
Brabant |
| folio 32 v |
Frankrijk |
| folio 33 v |
Persoonlijk |
| folio 35 |
Sticht |
| folio 36 |
Friesland |
| folio 38 |
Mechelen, 1316 |
Het is opvallend dat de te verwachten rubriek Noord-Holland vrijwel ontbreekt. Slechts bij de diversen komen twee akten over die streek voor. Niettemin lieten Pieter van Leiden en Gerard Alewijnsz. hun reeks registers voor graaf Willem III in opzet bij de indeling van het cartularium aansluiten onder toevoeging van Noord-Holland. Zo ontstonden registers voor Noord- en Zuid-Holland, Kennemerland, Zeeland, Friesland, Amstelland en Waterland, Woerden, Sticht, Brabant en Duitsland.
Kruisheer, Pieter van Leiden, p. 60.
Voor de ordening van de charters was het schema van 1299 eveneens richtsnoer. Zij kwam naar voren in de oudste lijst van charters
Inv.nr. 2113 sub b.
en gaf dezelfde rubrieken te zien als de registers, met uitzondering van Vlaanderen en Frankrijk, die ondanks de aanwezigheid van weinig stukken toch een eigen lade kregen. Het overzicht moet omstreeks 1360 zijn opgesteld bij het begin van het bestuur van hertog Albert ter afsluiting van het archief dat voordien was gevormd. Het bevat uitsluitend stukken van de tijd van de graven Willem III en Willem IV.
Voor de datering omstreeks 1360 lijken ons nog twee gegevens van belang. Hand AE, die Van Riemsdijk in de jaren 1362-1363 signaleerde
Van Riemsdijk, p. 685.
, schreef al in 1361 een oorkonde voor hertog Albert.
Inv.nr. 45.
Voorts waren in latere lijst van charters van 1390 een aantal overgeschoten bladen verwerkt die eerder waren gebruikt. Zij zijn als zodanig herkenbaar, omdat zij een oude foliëring hebben behouden.
Inv.nr. 2114 folio 149-151 en 114-118.
Zij moeten oorspronkelijk bestemd zijn geweest voor een register, dat dan tenminste 151 folio's dik geweest zou zijn. De hand die de foliëring aanbracht, lijkt sterk op een hand die ook dorsale notities op charters in het archief aanbracht
Inv.nrs. 604 en 910.
, gelijkluidend aan de beschrijvingen in het overzicht. Tenslotte komt de foliëring overeen met hand AE van het overzicht
Vergelijk de C in inv.nr. 2114 folio 149 en bij inv.nr. 2113 folio 23 v.
, zodat wij geneigd zijn het niet meer bestaande papieren register, het overzicht op perkament en de aantekeningen op de charters aan hem toe te schrijven. Het watermerk van het papier, bestaande uit zogenaamde 'bergen', kan uitstekend omstreeks 1360 worden geplaatst.
C.M. Briquet, Les filigranes, Amsterdam 1968, p. 590 nrs. 11.667-11.674.
Na verloop van enige jaren werd al een nieuw overzicht van de charters opgezet, gerubriceerd van I tot XLVIII.
Van Riemsdijk, 111.
Deze lijst was aangelegd in 1362; zij bevatte stukken van de tijd van hertog Willem V tot omstreeks 1370 en een van 1376. Hierna begon men in 1375 met een nieuw overzicht, dat gedeeltelijk werd geschreven door hand AG.
Inv.nr. 2115 pp. 14-17.
Blijkbaar was deze activiteit het gevolg van een zekere reorganisatie in de kanselarij, die wij eerder menen te hebben aangetoond.
Boven p. 96*.
De capita waren thans weer door titels aangegeven in tegenstelling tot de Romeinse becijfering van vroeger. Maar ook de strikte indeling naar streken was verlaten. Zij werden nu afgewisseld met een trefwoord voor behandelde zaken, waaruit blijkt dat dossiervorming had plaatsgevonden. Eenmaal verschenen de dozen XXVI en XLVI.
Inv.nr. 2115 p. 23.
Aan het slot kwamen enige benamingen van laden voor die wijzen op een andere indeling, met de titels Ardua negotia, en de lade Bourgondië, een methode van benoeming van laden en koffers die pas vijftig jaar later aan het licht zou komen.
Inv.nr. 2115 folio 32 v, 33 en 34.
Eigenaardig is dat de hand AE, aan wie wij het overzicht van 1360 hebben toegewezen, hier nogmaals voorkwam.
Inv.nr. 2115 folio 36.
In opzet verschilde zijn werk in niets van 1360, alleen waren de beschreven stukken van later datum. Overigens werden alle geciteerde lijsten gekenmerkt door grote bondigheid en het gemis van jaartallen.
In het jaar 1440 hoort men weer van de grafelijke charters. Zij blijken thans geheel te zijn herordend, al moet hier worden opgemerkt dat wij er in het overzicht van 1390 al een aanzet van konden zien. De charters waren nu ondergebracht in veertig laden, die geen nummer of naam van een dossier droegen, maar uitsluitend Latijnse namen, die een onduidelijke opgave van de inhoud plachten te vormen.
Inv.nr. 2117 folio 6 en 11-12; inv.nr. 2149 tweede stuk folio 1; Bijlage I, beneden pp. ?
Wegens het gebruik van het Latijn ligt het voor de hand dat dit soort naamgeving afkomstig was van een geestelijke. Omdat boven bleek dat de benamingen al voor 1390 voorkwamen, rijst het vermoeden dat het Dirk Foppenz.is geweest, die de termen had bedacht.
In 1441 leverde Pieter van Renesse van Beoostenzweene de meest uitgebreide beschrijvingen van charters die aanwezig waren in vijftien laden.
Inv.nr. 2118; bijlage I, beneden pp. 177*-179*.
32 laden behandelde hij niet. Heer Pieter gaf de charters in zijn overzicht een nummer in de marge, dat gelijktijdig op de rug van het stuk werd aangebracht. Tevens duidde hij de opstelling van de laden en kisten aan. Zeven laden waren geplaatst in het oostelijke deel van een rechthoekige kist, vijf in het westelijke gedeelte. Ver van de ingang van de kamer stonden 28 laden buiten een kist en elders stonden er blijkbaar nog zeven. Soms is de berging aangegeven met dorsale merken. Zo werden de laden Beieren
Inv.nr. 110.
, Vidimus Gelre
Inv.nr. 636.
en Feodum
Inv.nrs. 154 en 798.
met name genoemd. Behalve dorsaal is de bergplaats van de charters sporadisch aangetekend in de registers, waar van de doza Imperialis sprake was.
inv.nr. 222 folio 38 nr. 203, geschreven door een hand van de tijd van Karel de Stoute.
De indeling naar laden werd nadien gehandhaafd en zo kwam zij in 1511 nogmaals voor.
Inv.nr. 2120; bijlage I, beneden pp. 177*-179*.
Ook toen waren er 47 laden, waarvan er twee niet nader werden aangeduid. De laden bleken van hout te zijn gemaakt, waarvan vurenhout en wagenschot met name werd genoemd. Soms werd zelfs de maat opgegeven.
In 1517 bleek deze ordening geheel te zijn gewijzigd.
Boven p. 147*.
Men mag aannemen dat voor dat doel aparte overzichten van de 45 laden waren gemaakt die werden aangetroffen in het sterfhuis van Cornelis Suys.
RA. Arnhem, Huis Rozendaal, nr. 1503.
Deze had hieraan een aantal lijsten van later aangekomen stukken toegevoegd, waaronder de charters van Utrecht. Het is vreemd dat Suys de stukken die hadden gediend voor de opstelling van zijn eigen overzicht uit 1552, steeds bij zich moest houden. Zelfs een lijst die hij had geleend, had hij in 1580 toen hij overleed, nog niet teruggebracht.
J.C. Kort, Utrechtse oorkonden in Holland, in: Nederlands Archievenblad, jaargang 78, 1974, p. 125.
Zouden wij in dat verschijnsel de hardnekkige verzamelzucht van de typische archivaris mogen herkennen?
Een nieuwe ordening kwam na de zestiende eeuw tot nu toe niet meer tot stand. Wel werd de eventueel nog aanwezige orde in de negentiende eeuw grondig verstoord door de archivarissen Van Wijn en Bakhuizen van den Brink. In deze eeuw werden zij wederom bijeen geplaatst onder de benaming 'charters Suys', om aan te geven dat zij in diens overzicht voorkwamen.
Ook van de registers placht de administratie bij tijd en wijle lijsten op te stellen. Enige daarvan werden reeds eerder besproken.
Van Riemsdijk, pp. 693-707.
In een overzicht van Filips van Leiden, daterend uit 1357, werden 21 registers met arresten en recessen vermeld. Vijf van de daargenoemde registers droegen vroeger aantoonbaar een letter, waarmee ze toen konden worden herkend. Het waren de volgende:
| E
Van Riemsdijk, p. 698.
|
inv.nr. 223 |
| R
Inv.nr. 740 p. 25.
|
inv.nr. 707 |
| T
Inv.nr. 2106 folio 65 v en folio 90.
|
inv.nr. 226 |
| Y |
inv.nr. 244 |
| Z |
inv.nr. 257 |
In de tijd volgde nu een lijst van 24 registers die om een niet nader vermelde reden waren gelicht, en vijftien die in het schrijn bleven.
Inv.nr. 2104.
Van de eerste serie waren door de vage aanduiding slechts weinige herkenbaar, hoewel zij alle op leenzaken betrekking moesten hebben.
Tot sunt registri vasallorum sed per signum non inveniuntur proprio.
Het waren met hun oude nummers:
| 8 |
inv.nr. 218 |
| 10 |
inv.nr. 305 |
| 16 |
inv.nr. 226 |
| 22 |
inv.nr. 740 |
| 24 |
inv.nr. 401 |
Volledig kon het overzicht ook niet zijn, daar van graaf Willem III twee registers ontbraken en van hertog Willem V zelfs drie in vergelijking met de thans nog aanwezige. De registers die in het schrijn bleven, zijn beter te identificeren. Het waren:
| Dat tollenrecht |
inv.nr. 946 |
| Arrestboec |
ontbreekt |
| Recesboek |
ontbreekt |
| Manne van Voerne |
Heren van Voorne, inv.nr. 29 |
| Een registerken van allerhande scoude |
inv.nr. 1211 |
| Taxacie van beneficien |
ontbreekt |
| Der steden privilegien |
inv. nr. 652 |
| Een papier register der keyserinnen, eer si uten lande voer |
inv.nr. 219 |
| 't Register van der lude coep van leemten |
inv.nr. 664 |
| Een register wat meester Dirc seghelde |
inv.nr. 219 |
| Een verworpen register principium Theoderici Vopponis |
inv.nr. 225 |
| Inventarius in fronsine van dat in der sacristien is |
inv.nr . 2113 sub d (?) |
| Manne van Voerne |
Heren van Voorne, inv.nr. 29 folio 45-48 v |
| Van Waterlant: registrum met eenre T. |
ontbreekt |
| Register van den onscamelen verbande, ghescreven uten register, dat in den lederen sac leghet |
inv.nr. 2146 |
De lijst moet zijn opgesteld na 1375, omdat er twee registers geschreven door hand AG
Boven p. 151*; inv.nrs. 652 en 740 ad p. 20.
, in voorkomen. Twee registers van de lijst zijn voortgezet tot ca. 1390
Inv.nrs. 226 en 664.
, maar behoefden nog niet te zijn voltooid. De identiteit van de opsteller van de lijst, die ook een aantal registers in het archief folieerde
Inv.nrs. 219, 222-225, 401, 652, 664 en 740.
, blijkt door vergelijking met zijn handschrift elders. Het was niemand anders dan Dirk Foppenz., de bewaarder van het archief.
Boven p. 68*.
Dat wordt het meest duidelijk bij zijn werk aan de indicering van de leenregisters.
Inv.nr. 740.
Voor een nadere datering van het overzicht baat de herkenning van zijn persoon helaas niet, daar hij zijn ambt over de gehele periode van het ruwaardschap van hertog Albert vervulde.
Maar, kan men zich afvragen, wanneer kan de registratie van de lenen aan de orde zijn geweest? Hiertoe kan slechts aanleiding zijn geweest in 1375 en in 1390, in het eerste jaar wegens de bewerking van het archief
Boven p. 96*.
en in het laatste vanwege de inhuldiging van hertog Albert.
Boven pp. 108*-109*.
Wij konden uit deze twee mogelijkheden geen keuze maken.
In 1391 blijken de registers bij gelegenheid van de beëindiging van de taak van Dirk Foppenz. anders te zijn genummerd.
Inv.nr. 2105; Van Riemsdijk, pp. 696-699.
In vergelijking met deze inventaris leidt dat tot het volgende overzicht:
- 1 - 223
- 2 - 224
- 3 - 221
- 4 - 316
- 5 - 303
- 6 - 324
- 7 - 398
- 8 - 218
- 9 - 255
- 10 - 291
- 11 - 401
- 12 - 242
- 13 - 645
- 14 - 620
- 15 - 289
- 16 - 226
- 17 - 244
- 18 - 706
- 19 - 257
- 20 - 222
- 21 - 2180
- 22 - 707
- 23 - 220
- 24 - 219
- 25 - 574
- 26 - 173
- 27 - Heren van Voorne, inv.nr. 29
- 28 - 664
- 29 - 227
- 30 - 228
- 31 - 708
- 32 - 709
- a - 2144
- b - 2146
- c - 2145
Niet lang hierna kwam een nieuwe nummering tot stand, waarbij de registers werden gemerkt met de vooreerst weinig zeggende letters EL.
Van Riemsdijk, pp. 699-701.
Deze wijze van benoeming bleek duurzamer dan de vorige, daar zij nog tot in deze eeuw in zwang bleef.
J.H.W. Unger, regestenlijst voor Rotterdam en Schieland tot in 1425, Rotterdam 1907, pp. IX-XII.
De concordantie is als volgt:
EL
- 1 - 243
- 2 - 242
- 3 - 402
- 4 - 226 (225)
- 5 - 706
- 6 - 290
- 7 - 197
- 8 - 19
- 9 - 196
- 10 - 324
- 11 - 401
- 12 - 325
- 13 - 304
- 14 - 173
- 15 - verloren
Rekenkamer rood nr. 64 b folio 21 v.
- 16 - 250
- 18 - 249
- 19 - 574
- 20 - 303
- 22 - 221
- 23 - 219
- 24 - 289
- 25 - 244
- 26 - 2146
- 27 - 223
- 28 - 257
- 29 - 224
- 30 - 620
- 31 - 316
- 32 - 218
- 33 - 291
- 34 - 403
- 35 - 227
- 36 - 1648
- 37 - 398
- 38 - 2180
- 39 - 255
- 40 - 645
- 41 - 2145
- 42 - 222
- 43 - 707
- OR. - 220
Omstreeks 1425 werden de benamingen met letters door Pieter van Gapinge duidelijker gemaakt bij zijn opsomming van registers, rekeningen en dergelijke.
Van Riemsdijk, p. 701.
De recessen bleken de letters A, gevolgd door een letter te dragen
Inv.nr. 2136 folio 9.
evenals de memorialen, die waren gemerkt door een B en een letter
Inv.nr. 2136 folio 8.
, zoals thans nog het geval is. Dat systeem moest na meer dan 26 registers wel spaak lopen, zodat men daarna fantasienamen bedacht.
De rekeningen van de trezorier waren voorzien van een C en een cijfer
Inv.nr. 2136 folio 23-28.
, dat ook op de corresponderende zak bijlagen was geplaatst.
Inv.nr. 2136 folio 31-33 v.
Een B met volgnummer hadden andere rekeningen, waarvan slechts weinige werden vermeld, gekregen
Inv.nr. 2136 folio 35.
en diversen werd passend een D met volgnummer opgeplakt.
Inv.nr. 2136 folio 43-44 v.
Het merk EL. zal op overeenkomstige wijze bestaan uit een E voor de serie, gevolgd door de L van liber (boek).
In het overzicht van Pieter van Gapinge bleken de registers, gevormd na de EL.-serie, van een Romeinse nummering te zijn voorzien
Inv.nr. 2136 folio 1-6 v.
, die als volgt overeenstemt met deze inventaris:
- I - 237
- II - 229
- III - 230
- IV - 226
- V - 228
- VI - 231
- VIII - 710
- IX - 712
- X - 232
- XII - 66
- XIII - 740
- XIV - 67
- XV - 400
- XVI - 1212
- XVII - 664
- XVIII - 709
Ook deze nummering bleef onveranderd tot deze eeuw zoals het geval was met de EL.-nummers.
Het archief werd na 1430 voornamelijk vermeerderd met leenregisters
Inv.nrs. 713-739.
, die een gelegenheidsnaam zoals 'het Witte en Bonte register' kregen. In deze situatie werd in 1515 verandering gebracht door de registers naar kassen in te delen
Inv.nr. 2108.
, welke opstelling nadien werd volgehouden. De schifting leek soms nogal willekeurig, zodat niet zozeer van een ordening als wel van een wijze van opbergen kon worden gesproken. Deze werd in 1515 ondernomen met het oog op de politieke situatie.
Boven pp. 147*-148*.
De kassen waren aangegeven met letters. Zo bevatte kas A de registers van graef Floris schaprae.
Inv.nr. 217 in fine. Schaprae is een synoniem van kas.
Kas B hield registers van graaf Floris in en diversen, C van graaf Willem III, graaf Willem IV en hertog Willem V en D was het scapra van Henegouwen
Heren van Blois, inv.nr. 1 in capite.
met papieren registers van Blois, Johanna van Brabant, keizerin Margaretha en hertog Albert. Kas E betrof hertog Albert vanaf 1358 met Oostervant tot 1404; F van hertog Willem VI, gravin Jacoba en hertog Jan van Beieren; G de leenregisters van hertog Filips en hertog Karel de Stoute; H die van Maximiliaan van Oostenrijk als regent tot 1517; I diverse registers van taxaties; K registers met verordeningen van hertog Willem VI tot koning Filips II en tollen. L vormde de kas van Voorne; M die van Putten; N bevatte diverse registers van commissies en memorialen; O uitspraken in leenzaken; P overzichten van het archief en indexen en Q tenslotte de registers van Friesland.
Inv.nrs. 2110 en 2102 folio 223-236 v; Van Riemsdijk, p. 702.
In 1580 werd een kas R toegevoegd van registers die vroeger waren overgeslagen. Waarschijnlijk waren de letters van de kassen op de banden aangebracht, maar omdat die thans alle verloren zijn gegaan blijkt daar thans niets meer van.
Verantwoording van de inventarisatie
Daar de graven van Holland pas in 1291 de meer uitgebreide titulatuur 'graaf van Holland, Zeeland en heer van Friesland' zijn gaan voeren
Kruisheer, pp. 103-108; ?
, werd in deze inventaris de oude titel aangehouden. Als begindatum is het jaar 889 gekozen, toen Gerulf, voorganger van het gravenhuis, een schenking van koning Arnulf ontving.
OHZ., I, 21.
Hoewel er geen stukken van vóór 1189 in het archief aanwezig zijn, markeert dat jaartal het kenbare begin van de archiefvorming door een graaf van Holland avant la lettre. Als eindpunt is het jaar 1581 genomen, toen de laatste graaf in de persoon van Filips II werd afgezworen.
Het lijkt onnodig bij een archief als dat van de graven van Holland, dat zonder pasklaar model is, nadruk te leggen op de wenselijkheid van een verantwoording. Vroeger waren de stukken immers verspreid over een aantal fondsen. De registers van de graven van Holland waren opgenomen in het archief van de leen- en registerkamer van Holland, de rekeningen tot 1432 waren als retroacta bij de afgehoorde rekeningen van de Hollandse rekenkamer gedeponeerd en de charters vormden als de zogenaamde charters 'Suys', de charters 'niet Suys' en de charters 'Henegouwen' een vrijwel ondoordringbaar geheel. Die verspreiding is in deze inventaris ongedaan gemaakt. Alle stukken bestemd voor de graven van Holland, voorzover zij na 1428 niet behoorden aan Hof van Holland of rekenkamer
Zie hiervoor / hierna
, of het registers zijn, rekeningen, charters of losse stukken, zijn naar hun aard of onderwerp in de inventaris gerangschikt.
Dat is de aangewezen werkwijze voor de ordening van elk archief. Bij een landsheerlijk archief was zij echter nog niet eerder toegepast. De archieven van de graven van Henegouwen en Vlaanderen, van de graven en hertogen van Gelre en de hertogen van Brabant zijn thans nog steeds samengesteld uit aparte verzamelingen van registers, rekeningen en charters.
Maar hoewel een landsheerlijk archief nog niet eerder was geïnventariseerd, konden niettemin aanknopingspunten worden gevonden bij eerder bewerkte archieven van heerlijkheden die de structuur van een archief met semi-overheidsgezag boden. Eerst moest de juiste volgorde van de diverse rubrieken worden bepaald. Voorop zijn de stukken van persoonlijke aard geplaatst, omdat eerst de aanwezigheid van de graven moet worden vastgesteld, voordat van een archiefvorming door graven sprake kan zijn. Zij verwierven vervolgens rechten tegen anderen; deze zijn opgenomen in afdeling B. In afdeling C treft men de uitoefening van de bevoegdheden door de graven aan. Na het aspect van het bestuur komt het beheer van het grafelijk bezit in afdeling D aan de orde. In het verlengde hiervan zijn in afdeling E de stukken geplaatst betreffende de zorg voor het archief en de volledigheid daarvan.
In alle gevallen waren er bij vroegere inventarissen voorbeelden aan te wijzen van een indeling met behulp van afdelingen zoals hier is gegeven. De afdelingen A en B kwamen eerder voor bij het archief van de heren van Voorne
Kort, Voorne, passim.
en van Haarlem.
Kort, Haarlem, passim.
In afdeling C kon worden aangesloten bij de stukken van ambtenaren van het Centraal bestuur (ACB)
archief ACB, 3.01.02, p. 18 vlgg.
onder Karel V, te meer daar in deze inventaris een groot aantal stukken is opgenomen dat eigenlijk in dat werk een plaats had behoren te vinden. Evenals daar is gekozen voor de term 'bemoeiingen', omdat de betiteling 'bestuur' voor gebieden die een andere landsheer hadden, niet toepasbaar is. Voor afdeling D kon worden aangesloten bij het archief van de heren van Voorne.
Zie noot 966.
Zij kwam eerder voor bij het archief van de abdij Egmond.
P.A. Meilink, het archief van de abdij Egmond, eerste stuk, 's-Gravenhage 1951, passim.
Tenslotte kon voor de laatste afdeling aansluiting worden gevonden bij het archief van het huis Bergh
A.P. van Schilfgaarde, het archief van het huis Bergh, inventaris, tweede stuk, 1932, p. 292.
, waarvan alleen de term 'beheer' werd vervangen door 'zorg'.
Bij de plaatsing van de stukken in de diverse afdelingen deed zich nog menig probleem voor. Bij afdeling A konden de stukken betreffende de verwerving van het graafschap en de inhuldiging een plaats vinden, daar zij de nieuwe graaf kenbaar maakten. De formele beleving werd in afdeling B geplaatst. De graven van Holland werden bij gelegenheid ook door de Friezen ingehuldigd maar omdat de gevolgen daarvan niet duurzaam waren, zijn de stukken
Inv.nrs. 357, 363 en 376.
die daarop betrekking hebben, echter in de afdeling 'Bemoeiingen' ondergebracht.
Een moeilijkheid was voorts, wat moest worden gedaan met de stukken van degene die geen graaf was, maar zijn erfgenaam of weduwe. De stukken van deze personen zijn in afdeling A geplaatst, omdat zij een persoonlijk karakter droegen, waardoor verspreiding over volgende afdelingen aanleiding tot verwarring zou geven: men zou denken dat er gelijktijdig twee graven waren! Bedoelde stukken volgen op hun beurt de onderverdeling van de gehele inventaris zonder dat die nader door koppen kenbaar is gemaakt. In het bijzonder kan hier worden gewezen op de collectie stukken van Jan de bastaard van Beieren
Inv.nrs. 124-135.
, die als aanhangsel bij de stukken van hertog Jan van Beieren, elekt van Luik, zijn vader, zijn beschouwd.
Afdeling B betreffende rechten van de graven leverde alleen de moeilijkheid dat zij ook bij traktaat rechten konden verwerven. Zo legden de graven van Vlaanderen en Holland hun wederzijdse rechten in 1250
Inv.nr. 643.
nogmaals vast. Omdat ook een rubriek aan rechten tegenover de graven van Vlaanderen is gewijd
Rubriek B V.
, zou men kunnen menen dat het traktaat veeleer daar moest worden geplaatst. Traktaten behoren door hun tweeledig karakter echter bij de afdeling 'Bemoeiingen'.
In afdeling C is bij de landstreken een volgorde aangebracht die naderhand steeds is aangehouden. Voor de streken Noord-Holland, Kennemerland, Zuid-Holland en Zeeland was de onderlinge verhouding niet goed vast te stellen. De volgende zijn evenwel naar datum van verwerving ingepast. De inventaris sluit hier in feite aan op de verdeling die reeds in de oudste reeks registers ten tijde van graaf Willem III is gemaakt.
Geheel naadloos kon dit schema op enige ondergeschikte punten helaas niet worden volgehouden. Zo doorbrak een charter, behorend tot de stukken met betrekking tot het oproer van het Kaas- en Broodvolk
Inv.nr. 271.
, de territoriale indeling van Kennemerland, waartoe de overige stukken konden worden gerekend. De rubriek Waterland werd soms verenigd met Amstelland wegens de band die al tijdens graaf Willem III administratief was gelegd. Stukken over de vete van Arkel
Inv.nrs. 723-634.
zijn onder de rubriek Gelderland gebracht. Weliswaar strekte de heerlijkheid Arkel zich zowel over Zuid-Holland als over Gelderland uit, maar zij kon niet over twee rubrieken worden verspreid. Daarom is wegens de partijkeuze van de hertog van Gelre, verwant aan het geslacht Arkel, voor de plaatsing in de rubriek Gelderland gekozen. Urk en Emmeloord zijn in deze inventaris gerekend tot het Oversticht. Urk behoorde in het jaar 968 tot de gouw Salland
OSU., I, 126.
, die later deel uitmaakte van het Oversticht. De eigen administratie van de graven van Holland vatte de zaak in de zestiende eeuw op dezelfde manier op.
Inv.nr. 849 folio 73.
Evenals in de inventaris van de ambtenaren van het centraal bestuur werd in afdeling C geen rekening gehouden met het onderscheid van binnen- en buitenland. Wel gaat het binnenland aan het buitenland vooraf.
De graaf van Holland wist zijn gezag op bepaalde momenten meer tot gelding te brengen dan op andere. Wanneer hij voogd van het Sticht aan deze zijde van de IJssel was
Zie hiervoor / hierna
, kon de graaf zijn invloed noordwaarts tot Kampen doen gelden. In Friesland wist hertog Albert omstreeks 1400 van Vlie tot Jade erkenning te vinden, maar die positie ging snel weer verloren. In beide gebieden wist keizer Karel V, die tevens graaf van Holland was, blijvend de macht aan zich te trekken, in Friesland in 1524
AGN., IV, pp. 86-88.
, in het Sticht vier jaar daarna.
In afdeling D zijn de muntzaken gerekend tot de verantwoordelijkheden van de trezorier als hoogst verantwoordelijk financieel ambtenaar. Zij dienden om hun aspect van algemeenheid voor de rekeningen te worden geplaatst evenals de registers van schulden. De rekeningen zijn eveneens van algemeen naar bijzonder gerangschikt met gebruikmaking van het territoriale beginsel. Voorop staat de trezorier of de klerk die tevoren een soortgelijke taak vervulde.
Zie hiervoor / hierna
Daarna komen de rekeningen van de herberg, gevolgd door de rentmeesters, de baljuws en de andere ambtenaren. Bij de rekeningen van de baljuw van 's-Gravenhage en de schouten van Amsterdam, Delft, 's-Gravenhage en Haarlem konden verwijzingen worden geplaatst naar oudere rekeningen, die waren opgenomen in de rekeningen van de boven hen gestelde baljuws.
Zie hiervoor / hierna
Omdat de afsplitsing van het baljuwschap Den Haag uit het rentmeesterschap Noord-Holland pas na enige jaren definitief werd, zijn de eerste rekeningen hier als bijlagen bij die rentmeester beschouwd, omdat zij niet waren afgehoord. In het algemeen is de afhuring van de rekening aangenomen als maatstaf voor het zelfstandig functioneren van een bepaalde ambtenaar.
Rubriek E bevat behalve oude inventarissen van het archief van de graven de overzichten van het archief van Henegouwen of alleen de Hollandse stukken daaruit. Tevens zijn er de cartularia van de stukken van Henegouwen in opgenomen, omdat het de functie van deze registers
Inv.nrs. 2144-2148.
was het archief in Den Haag te completeren met de gegevens van elders.
Enige problemen bij de inventarisatie konden in de voorgaande verantwoording nog niet naar voren worden gebracht. In afdeling A is met negatieve nummers een aantal vidimussen opgevoerd, die naar ons idee moesten worden gerekend tot de stukken die gediend hadden tot de verwerving van het graafschap. Zij kunnen gelden als retroacta. De plaatsing van een vidimus, dat later tot veel later kan zijn opgesteld dan het origineel, vormt een probleem, daar het een geheel andere functie kan hebben gehad dan dat origineel. Om praktische redenen is het vidimus evenwel behandeld alsof het een origineel zou zijn. Een negatief nummer bepaalt thans de plaats, waarop zij naar ons idee volgens hun doel hadden behoren te staan.
In slechts weinig gevallen zijn gegevens over het opstellen van vidimussen voorhanden. Voor het jaar 1418, toen gravin Jacoba een actie op touw zette om haar rechten op het graafschap te verstevigen, zijn wij evenwel behoorlijk ingelicht. Zij zette haar streven kracht bij door vidimussen te later vervaardigen van de originele oorkonden van de keizer, waarover zij kon beschikken. Daartoe zond zij op 17 april 1418 boden naar de abt van Egmond en de proost van St. Pieter, die inderdaad op 10 mei daarna vidimussen opmaakten.
Inv.nrs. 23 en 178.
Op 16 april van hetzelfde jaar was Jan Eggert bevolen een inventaris te maken van de keizerlijke oorkonden in Henegouwen.
Inv.nr. 1270 c. bodeloon.
Daar deze informatie uitzondering is, kan de functie van de andere vidimussen niet nader worden toegelicht en moest de plaatsing ervan meer hypothetisch blijven.
Vidimussen van stukken uit andere archieven konden niet op de plaats van hun origineel worden gezet, omdat dat uiteraard niet in het archief van de graven van Holland aanwezig is. Zij dienden blijkbaar als voorbeeld voor een bepaalde zaak en werden daarom geplaatst op een wijze, die het best scheen.
Afschriften zouden op overeenkomstige wijze als de vidimussen op de plaats van het origineel worden gehouden tenzij een duidelijke onderlinge samenhang viel aan te tonen. Daarom kon een aantal afschriften op een blad perkament
Inv.nr. 348.
, allen geproduceerd in 1396 met het oog op een politiek offensief tegen Friesland beoosten het Vlie
Zie hiervoor / hierna
, alleen op dat jaar worden geplaatst. Ook een aantal afschriften
Inv.nr. 384.
dat Karel V in 1516 met hetzelfde doel liet maken, kon met een zelfde argument bijeen blijven. Dat was uiteraard ook het geval met drie notariële akten
Inv.nrs. 136-138.
, die bijeen behoren. Zij zijn chronologisch geplaatst in volgorde van hun vervaardiging, hoewel één een afschrift van een oudere akte bevat.
Op overeenkomstige wijze werd gehandeld met de leenregisters van Brederode.
Inv.nrs. 776 en 777.
Zij zijn blijkbaar in 1568 bij gelegenheid van de verbeurte van de goederen van Brederode in handen van het leenhof van Holland geraakt. Overeenkomstig het moment waarop zij verworven werden, zijn zij in de inventaris ingevoegd, hoewel het tijdstip van hun ontstaan vroeger lag.
Is met vidimussen en afschriften dus sprake van een compromis, ook in de rest van de inventaris kon niet alles zo logisch bij de indeling naar streken en zaken worden aangesloten als wel wenselijk was, omdat vele registers er zich door hun overschrijving van grenzen aan onttrekken. Hetgeen in de aparte rubrieken ontbreekt, dient daarom steeds in de voorgaande algemene afdeling te worden gezocht. Omdat in dit stadium moest worden nagelaten toegangen op de registers bij de inventaris te voegen, moet de opsporing van de akten tot 1440 daaruit nog plaats vinden via de index van Gousset, die dateert uit de achttiende eeuw
Van Riemsdijk, pp. 679 en 703-704.
, of een der minder handzame indexen uit afdeling E van deze inventaris. Om toch enige orde in de registers te brengen, is de eventueel aanwezige indeling naar landstreken in de beschrijving tot uiting gebracht.
De door een graaf verkregen mogelijkheid tot lossing van een bepaald goed
Inv.nrs. 1021, 1022, 1024.
werd geplaatst in afdeling D onder 'Eigendommen', al ging het object in het vervolg niet werkelijk in het bezit van de graaf over. Het leek ons overbodig, om voor deze zaken een aparte rubriek van te lossen goederen in te voeren.
In de afdeling 'Eigendommen' zijn ook steeds de archieven van aan de graaf vervallen heerlijkheden opgenomen. In de gevallen van de heren van Haarlem, Voorne, Blois en Putten zijn zij apart beschreven. Bij die van de heren van Amstel en Heusden is daar wegens de gebrekkige overlevering van afgezien.
De rekeningen in afdeling D zijn zonder meer in de desbetreffende afdeling geplaatst. De aanwending van een structureel beginsel, aansluitend bij de taak van de trezorier, is bij de rekeningen van die ambtenaar achterwege gelaten. Door de steeds wisselende regelingen voor deze ambtsdrager tot het derde kwart van de veertiende eeuw
Zie hiervoor / hierna
zou de toepassing slechts aanleiding geven tot verwarring. De rekeningen zijn daarom alle over een kam geschoren.
De hier aanwezige rekeningen van de herberg, die door de ambulante levenswijze van de grafelijke familie een onbestendige factor in het rekenplichtige beleid van de graafschappen vormde, zijn na die van de trezorier geplaatst, daar ze van hem in een eerder stadium waren losgemaakt. Omdat de graven en hun familie ook in de andere graafschappen moesten worden onderhouden, berusten rekeningen van hun herberg thans ook in de archieven te Bergen in Henegouwen
L. Devillers, Sur les expéditions des comtes de Hainaut et de Hollande en Prusse, zijnde rolrekening door Jan van Leiden d.d. 1336, in: Bulletin du Commission Royale d'histoire, 4e serie V, Brussel 1878, pp. 127-142.
, Brussel
(L.P.) Gachard, inventaire des registres des Chambres des Comptes, deel II, Brussel 1845, inv.nrs. 1777-1779 d.d. 1349, 1363-1364 en 1379-1380; en inv.nrs. 1788-1790 d.d. 1420-1421.
en Rijssel.
J. Finot, Inventaire sommaire des Archives départementales antérieures à 1790, Nord, Archives civiles, - Série B. deel VII, Rijssel 1892, nrs. B 3275, pp. 148-150 d.d. 1332, B 3277, pp. 154-157 d.d.
1333, B 3279, pp. 159-160 d.d. 1399-1400, B 3280, pp. 160-163 d.d. 1400-1401, B 3281, pp. 163-165 d.d. 1405, B 3282-3283, pp. 165-167 d.d. 1407.
Het was daarom ook mogelijk geweest deze rekeningen van de herberg wegens hun persoonlijk karakter in afdeling A te plaatsen. De handhaving van de eenheid van het financieel beheer van de graaf gaf echter de doorslag voor hun huidige indeling. Helaas gingen de bij uitstek persoonlijke rekeningen als van huwelijk
Inv.nr. 71.
en begrafenis
L. Devillers, Sur le mort de Guillaume le Bon, comte de Hainaut, de Hollande, de Zélande, et seigneur de Frise, in: Bulletin du Commission Royale d'histoire, 4e serie V, Brussel 1878, pp. 409-423.
deze logica te boven.
De overige rekeningen gaven voor hun plaatsing in de inventaris geen bijzondere moeilijkheden of aanleiding tot toelichting. De einddatum van opname van de rekeningen was 1432, toen alle afdelingen van het financieel beheer door hertog Filips op een nieuwe wijze werden gecontroleerd.
Zie hiervoor / hierna
Daarom konden enige stukken van na die tijd, te beschouwen als bijlagen bij latere rekeningen, hier geen plaats vinden, hoewel zij in het overzicht van Suys werden genoemd. Die gevallen zijn verwerkt in Concordantie VI.
Deze inventaris geeft geen nadere toegangen anders dan het archief zelf biedt. Hij geeft zelfs minder, omdat de alfabetische index, die M. Gousset maakte op de oude registers tot 1440
Zie noot 992.
, niet kon worden opgenomen. Hij dateert immers pas uit de achttiende eeuw. Bruikbaar voor de privileges zijn echter ook de laatste nummers van deze inventaris
Inv.nrs. 2157 en 2158.
, waarnaast voor de lenen de repertoria, die gelijktijdig met deze indexen werden aangelegd, kunnen worden geraadpleegd. Van dit onderdeel van de registratie verschijnen sinds 1970 bewerkingen in de vorm van uitgewerkte repertoria, die regelmatig worden gepubliceerd in het tijdschrift 'Ons Voorgeslacht'.
Hoek, Maasland; Ketel; de Lier, passim.
Omdat een ruil van stukken met België niet kon worden verwezenlijkt
Zie hiervoor / hierna
, moest een aanhangsel bij deze inventaris worden opgenomen. Het betreft een verzameling stukken, afkomstig van Aleid van Henegouwen, Floris, haar zoon, en diens dochter. Een aantal van hun stukken, waaronder het laatste van 1308
Van Mieris, II, 77.
, bevindt zich thans nog in het rijksarchief te Bergen in Henegouwen. Volgens het herkomstbeginsel zouden de delen van deze familiestukken moeten worden herenigd, ook al hebben de akten betrekking op Holland en Henegouwen. Daarnaast berustten van oudsher enige stukken in Den Haag die in Henegouwen, waar de bijbehorende stukken aanwezig zijn, beter op hun plaats zouden zijn. De rekeningen van hertog Jan van Beieren betreffende Luik zijn in de vorige eeuw op een veiling gekocht. Zij behoren vanzelfsprekend in Luik thuis.
Als ander onaangenaam gevolg van het mislukken van bovengenoemde archiefruil met België moest een bijlage worden opgenomen van stukken, behorend of behoord hebbend tot het archief van de graven van Holland, maar elders berustend. In de lijst zijn ook stukken opgenomen die op Holland en Henegouwen betrekking hebben, als ook een aantal stukken
Bijlage nrs. 85, 86 en 88-90.
, waarvan niet zeker is of ze wel deel van het archief hebben uitgemaakt. Zij kunnen in een vroeg stadium zijn overgedragen of, waar het de rekeningen betreft, als rendantsexemplaar worden aangemerkt. Hoewel paragraaf 1 van de handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven bepaalt, dat een archief als een geheel moet worden beschouwd ook al bevindt een gedeelte zich elders, zijn deze stukken, om verwarring over hun huidige vindplaats te voorkomen, toch niet in de eigenlijke inventaris verwerkt. De bijlage gaat intussen niet verder dan een signalement van de stukken zonder andere orde dan de chronologische. In feite is daarmee sprake van wanorde, die slechts door de afwezigheid van de stukken kan worden gerechtvaardigd.
De registratie handelde zelf bij gelegenheid anders. Toen in de zestiende eeuw een verzameling charters uit de kelder op het Binnenhof te voorschijn kwam
Inv.nr. 2119.
, werd de vondst verspreid en ingevoegd volgens de toen geldende inventaris. De kanselarij wist dus wel raad met een afgedwaald bestand! Het zou in dat licht dan ook ridicuul zijn oude of bestaande wanorde te handhaven of te herstellen. In het kader van ordening werden zo de charters van de graven en hertogen van Gelre onlangs uit Duitsland naar Nederland teruggevoerd
P.J. Meij, Gelderse charters uit München teruggekeerd, 's-Gravenhage 1953.
en gevoegd bij de rest van dat archief. Dat ondanks het akkoord van 1953 en de aanvankelijke overeenstemming met de charters van de graven van Holland in Henegouwen niet evenzo werd gehandeld, is betreurenswaardig.
Na de index op namen van personen en plaatsen zijn als bijlage eveneens diverse concordanten toegevoegd. In de concordant op het overzicht van C. Suys zijn behalve de stukken uit deze inventaris tevens de stukken van de heren van Haarlem, Voorne, Blois, Putten en Strijen en de ambtenaren van het centraal bestuur verwerkt, teneinde een beter inzicht in de gehele beschrijving van Suys te kunnen bieden. Zelfs de stukken die naar andere archieven zijn overgebracht, zoals het geval is met het archief van de bisschoppen van Utrecht, zijn in deze concordant opgenomen. Soms waren de identificaties van de stukken wegens de vage beschrijvingen van Suys echter problematisch.
In de concordant van de charters in Henegouwen op de inventaris van J. de Saint Genois is op overeenkomstige wijze met elders geplaatste stukken gehandeld. Het was wegens de tijdsfactor niet doelmatig een inventaris van verloren stukken samen te stellen zoals wel gebeurde bij de kleinere archieven van de heren van Voorne en die van Haarlem. Een dergelijke bijlage had ten dele op kunnen wegen tegen het grote verlies aan charters
Zie hiervoor / hierna
, waardoor de structuur van het archief onmiskenbaar is verstoord.
Het zou op zichzelf op de weg van de bewerken hebben gelegen een onderzoek te verrichten naar de in Rijssel aanwezige stukken uit het archief van de graven van Holland.
Zie hiervoor / hierna en noot 918.
Daarvan is echter afgezien wegens de lange duur en de omvang van de bewerking van het archief van de graven van Holland. Het spreekt vanzelf dat een dergelijk onderzoek in Rijssel aanbeveling verdient.
Voor de beschrijving van de stukken is het volgende van belang. De namen van medezegelaars werden niet opgenomen tenzij zij als medeoorkonder optraden. Ook de namen der getuigen zijn weggelaten. Voor de spelling van de voornamen is Van der Schaar
J. van der Schaar, Woordenboek van voornamen, Utrecht-Antwerpen 1970 5.
gebruikt, om een verantwoorde normalisering te kunnen bewerkstelligen. De namen zijn gecursiveerd wanneer zij niet konden worden genormaliseerd. Bij de plaatsnamen is de huidige officiële spelling aangehouden. Bij de graven van Holland was vanaf graaf Floris V de Paasstijl gebruikelijk.
Kruisheer, pp. 126-128.
Voor andere personen binnen en buiten het graafschap is de thans geldende opvatting over haar methode van dateren gevolgd
R. Fruin, Handboek der chronologie voornamelijk van Nederland, Alphen aan den Rijn 1934.
, wat betekent dat doorgaans de jaardagstijl werd gevolgd. In de gevallen dat ook grafelijke ambtenaren zich in afwijking van het kanselarijgebruik van de jaardagstijl bedienden, is dat in de tekst van de inventaris aangegeven.
Steeds is er naar gestreefd het ontwikkelingsstadium van het stuk zo duidelijk mogelijk aan te geven. Het origineel wordt steeds als charter aangeduid. Concepten en minuten worden als zodanig benoemd en afschriften zijn zoveel mogelijk gedateerd. Er wordt niet gewezen op de staat van de stukken. Afschriften worden bij de beschrijvingen alleen in zoverre aangehaald als zij van nut zijn voor het herstel van een beschadigde tekst. De kennis van de inhoud van een stuk kan ook afkomstig zijn van een oude inventaris. Is dat het geval, dan wordt dat aangegeven. Zo niet dan wordt daarvoor stilzwijgend verwezen naar de concordant. In een N.B. is de jongste drukplaats aangegeven met gebruikmaking van de regesten van Kruisheer en Berkelbach. Zonder nadere aanduiding is verwezen naar de nummers van de teksten en naar de pagina's, wanneer de nummers ontbreken. De retroacta zijn onmiddellijk na het stuk geplaatst, waardoor zij in het archief kwamen, voorzien van een asterisk(*).
In afdeling A werd aan elke graaf of gravin een beknopte levensschets gewijd. De gegevens hiervoor zijn, tenzij anders vermeld, ontleend aan Dek. Voor deze inventaris is de eenvoudige aanduiding graven van Holland aangehouden. Deze titel gold tot 1290, waarna de gebieden Zeeland en Friesland eveneens in de titulatuur tot uitdrukking werden gebracht.
Kruisheer, pp. 103-108.
Al deze titels, waarbij in 1299 nog die van Henegouwen kwam, konden niet goed in de naam van het archief worden verwerkt.
Het beginpunt van het archief van de graven van Holland werd gesteld op het jaar 889
OHZ., I, 21.
, hoewel de oorkonde van dit jaar niet meer in het archief aanwezig is. Het eindpunt is de afzwering van koning Filips II, de laatste graaf van Holland, in 1581 aangehouden.