Bezig met laden van scans...

3.01.14 Inventaris van het archief van Johan van Oldenbarnevelt, 1586-1619

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Inhoud en structuur van het archief

Inhoud

Over Religie is zowel in rubriek I als IV uitermate weinig te vinden wat des te opmerkelijker is, wanneer men bedenkt dat dit onderwerp op het laatst één van de belangrijke geschilpunten vormde tussen Oldenbarnevelt en Maurits, prins van Oranje. Hetgeen echter bewaard is gebleven geeft toch nog de nodige aanvullingen, in het bijzonder inzake de twist tussen de remonstranten en de contra-remonstranten. Bijzondere aandacht verdienen wel de stukken van documentaire waarde die in de afdeling Nationale Synode werden opgenomen.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 2547-2559.

Verantwoording van de bewerking

Bij de inventarisatie is gekozen voor een splitsing van het archief van de landsadvocaat enerzijds en de familiepapieren van Oldenbarnevelt anderzijds. Dientengevolge zijn de stukken betreffende zijn bemoeienissen met de bedijking van de Dieps-, de Tjaarlinger- en de Kerkmeren in 1595 overgebracht naar het familiearchief van Oldenbarnevelt.
De Vries; Terecht merkte Haak in RGP 80, p. 309, noot 5, in tegenstelling tot wat hij in zijn Inleiding op p. XXXIII schreef, op dat Oldenbarnevelt zich samen met andere contribuaten door het contract van 15 december 1593 tot het bedijken van zowel het Diepsmeer als van het Tjaarlingermeer had verbonden. Hoewel de bedijking van het Kerkmeer uiteindelijk niet doorging, verbond Oldenbarnevelt, hierin voorgegaan door zijn medecontribuaten van 29 maart 1594, zich ook zelf op 1 juli 1594 tot deze bedijking. Dit bleek verder uit de archiefstukken, die tot voor kort onder inv.nr. 2612a van het archief van Oldenbarnevelt waren te vinden, maar die inmiddels naar het familiearchief van Oldenbarnevelt zijn overgebracht. Verder nog: Den Tex, dl. IV, pp. 60-61; De Geus, pp. 61-63.
Dit gebeurde om dezelfde reden eveneens met de inv.nrs. 2636-2640.
Inv.nr. 2640 wordt sinds juni 1901 vermist.
Vaak moesten de beschrijvingen van P.G. Bos geheel of gedeeltelijk worden herschreven, terwijl in de meeste gevallen een verdere onderverdeling wenselijk bleek. In het geval van bijvoorbeeld de inv.nrs. 2605, 2614-2617 en 2621-2624 kon worden volstaan met de summiere beschrijving die de stukken ook op de fiches nog hadden. In vele gevallen heeft het duidelijk in de bedoeling van mr. P.G. Bos gelegen om onderdelen door specialistische collega's nader toegankelijk te laten maken, maar zover is het nooit gekomen. Wel moet worden opgemerkt dat in 1976 de inventarisator inmiddels bronnenuitgaven ten dienste stonden als de Resolutiën der Staten-Generaal, die bijvoorbeeld voor de inv.nrs. 2621-2624 een datering van de ongedateerde stukken alsnog mogelijk maakte.
RGP 101.
Zelfs verwijzingen naar de resoluties van de Staten-Generaal over de jaren 1613-1616 konden worden opgenomen, doordat de onderdirecteur van het Bureau der Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, drs. J.G. Smit, toestemming verleende om de drukproeven te raadplegen. Hiervoor wil ik hem op deze plaats gaarne nogmaals hartelijk bedanken, daar deze geste ook de beschrijvingen van de inventaris ten goede kwam.
Het betreft de verwijzingen naar RGP 151. Het ligt in de bedoeling dat dit deel eind 1984 verschijnt.
De voorafgaande opmerkingen maakten duidelijk dat mr. P.G. Bos nog geenszins over een verantwoorde inventarisindeling had kunnen nadenken en er zijn hiervoor ook geen concepten onder zijn aantekeningen aangetroffen. Daarom werd bij het indelen van de inventaris van Johan van Oldenbarnevelt, evenals bij de inventaris van het archief van zijn voorganger mr. Paulus Buys werd gedaan, uitgegaan van een indeling naar verschillende functies.
Kaajan, Archief van Buys, p. XLVI.
De grootste moeilijkheid die zich hierbij voordeed, was dat door het verbreken van de liassen door mr. P.A. Leupe niet altijd met zekerheid viel vast te stellen of de stukken, die nu bij elkaar werden aangetroffen, destijds ook te samen een lias vormde, daar vaak was volstaan met op slechts één stuk het oude Loketkastnummer te vermelden. Het kwam namelijk regelmatig voor dat de stukken die tevoren onder één Lokestkastnummer waren geborgen, na de verbreking de oorspronkelijke liassen met stukken afkomstig van andere Lokestkastnummers werden vermengd. Dit gebeurde dan op grond van het feit dat deze stukken op dezelfde zaak betrekking hadden. Daar de dorsale aantekeningen meestal slechts op enkele stukken waren aangebracht, werd het door deze vermenging extra moeilijk om in zulke gevallen vast te stellen tot welke Lokestkastnummers de betreffende stukken hadden behoord. Ook aanvullingen, die later als aanwinsten bij het Rijksarchief in Zuid-Holland binnenkwamen, waren zo successievelijk over de diverse inventarisnummers verspreid. Dit leverde vooral bij de splitsing van de stukken, die betrekking hadden op Oldenbarnevelt als landsadvocaat (rubriek I) respectievelijk als leider van de afvaardiging van Holland ter Staten-Generaal (rubriek IV) de grootste problemen op. Het was namelijk soms moeilijk uit te maken in welke van deze twee hoedanigheden hij bepaalde stukken had ontvangen of opgemaakt.
Brokken, Het ontstaan, 1981. Stelling VI bij deze dissertatie. Van deze dissertatie zijn exemplaren te raadplegen in de Universiteitsbibliotheek te Leiden.
Daar waar archieftechnische motieven een verdeling over beide rubrieken eigenlijk voorschreef, werd omwille van het verband der stukken veelal gekozen voor de plaats, waar zij het meest tot hun recht kwamen.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 1295, 1307, 1309-1311, 1319, 1324, 1331.
Verder kon het gebeuren dat in sommige gevallen bevoegdheden, die oorspronkelijk bij de Staten van Holland lagen, deze later naar de Staten-Generaal zijn overgegaan.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 3O54, 3055, 3061-3063, 3067, 3068, 3070, 3168A, 3169.
Tenslotte waren er ook gebeurtenissen waarbij de Staten-Generaal geïnvolveerd raakten, ook daar waar dit regionale of gewestelijke aangelegenheden betrof.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 1644-1648.
Zoals gezegd werd bij de indeling der rubrieken gekozen voor een indeling naar de verschillende functies die Oldenbarnevelt bekleedde.
Zie het Overzicht van de inhoudsopgave, pp. II, III; Fölting, pp. 35-36.
Het was tijdens Oldenbarnevelts ambtsperiode dat de landsadvocaat ook meer met de Ridderschap van Holland en West-Friesland kreeg te maken. Het blijft onduidelijk of dit toen reeds was in de hoedanigheid van pensionaris van de Ridderschap of dat dit geschiedde uit hoofde van zijn functie van landsadvocaat. Bij de inventarisatie van het archief van cie Ridderschap en Edelen van Holland en West- Friesland in 1982 zijn toentertijd, ondanks het oordeel van P.A. Meilink, die dit archief voordien bewerkte, stukken uit het archief van de landsadvocaat Oldenbarnevelt naar het eerstgenoemde archief overgebracht. Zelf had hij hiervan afgezien omdat de minuten van Oldenbarnevelt inzake aangelegenheden van de Ridderschap zijns inziens meer verband hielden met zijn functie als landsadvocaat. In de inleiding van de inventaris van de Ridderschap en Edelen van Holland en West-Friesland van H.M. Brokken en A.W.M. Kooien wordt op p. XIX ook de mogelijkheid opengelaten dat deze stukken bij de definitieve inventarisatie weer naar hun oude plaats worden teruggebracht. Daarom zijn deze beschrijvingen voorlopig onder blanco nummers in de inventaris van het archief van Oldenbarnevelt opgenomen onder rubriek II.
Zie Inleiding, PP.XXXIX-XL. De inv.nrs. die wellicht te zijner tijd weer in het archief van Oldenbarnevelt zullen terugkeren zijn nu beschreven onder 1O24 blanco nrs., 1026 blanco nrs. en 1027 blanco nrs.
Hoewel de combinatie van het ambt van landsadvocaat/raadpensionaris met het pensionarisschap van de Ridderschap in feite bestond, moest men hiervoor wel apart worden benoemd. Dit zelfde gold trouwens de functie van grootzegelbewaarder van de lenen van Holland in welke hoedanigheid Johan van Oldenbarnevelt in januari 1593 naast Johan van Mathenesse werd aangesteld. Opmerkelijk is dat in vergelijking met de archieven van zijn opvolgers er van Oldenbarnevelt relatief veel bewaard is gebleven.
Zie Inleiding, pp. XLII-XLIII.
De daaropvolgende rubriek IV betreft veel meer van Oldenbarnevelts bemoeienissen met de landspolitiek die bijzonder groot was doordat Holland als gevolg van de hoogste financiële bijdragen aan de staatskas veel bevoegdheden aan zich trok. Reeds eerder werd opgemerkt dat de landsadvocaat van Holland bij ontstentenis van "een minister van buitenlandse zaken" diens honneurs waarnam.
Greve, pp. 386-388; Antheunissen, p. 313; Vreede, pp. 168-231.
Dit verklaart waarom deze rubriek ook het grootste is. Oldenbarnevelt was krachtens zijn instructie nog niet verplicht in de vergaderingen der Staten-Generaal te verschijnen, maar deed dit in de praktijk veelvuldig. Het was juist tengevolge van zijn optreden dat dit nadien in de instructie van zijn opvolger Anthonie Duyck afzonderlijk werd geregeld.
RSvH, 9 maart - 8 april 1621; Greve, p. 382.
Als afsluiting volgen tenslotte de rubrieken V en VI, die betrekking hebben op een persoonlijk ambt respectievelijk een functie die Oldenbarnevelt vóór zijn landsadvocaatschap als pensionaris van Rotterdam bekleedde. Daar niet de chronologie, maar de functies van landsadvocaat uitgangspunt is geweest bij de indeling van de rubrieken, werden deze ondergeschikte rubrieken achteraan in plaats van vooraan geplaatst. Ook dit archief moest weer worden afgesloten met een rubriek van stukken die tot andere archieven behoren.
Muller, Feith, Fruin, § 66.
In het geval van de inv.nrs. 3600-3606 stonden er zelfs dorsale aantekeningen op die aantoonden dat deze voor de raadpensionaris Johan de Witt zijn afgeschreven.
Alvorens tot de verantwoording van de onderverdeling der verschillende rubrieken over te gaan zijn hier eerst enkele opmerkingen te maken over de nummering, die anders wellicht verwarring kan wekken. Het kwam herhaaldelijk voor dat Oldenbarnevelt op één stuk papier het concept voor verschillende brieven aan diverse personen schreef. Bij de indeling hiervan deed zich de moeilijkheid voor of deze beschrijvingen onder één inv.nr. opgevoerd dienden te worden, gevolgd door één of meer blanco nummers of dat zij op onderwerp uitgesplitst moesten worden over de verschillende afdelingen. Door middel van kruisverwijzingen zou in het laatste geval dan verwezen kunnen worden naar de plaats waar het archiefstuk materieel aanwezig is. Hoewel dit laatste wellicht het mooiste zou zijn geweest, is voor de eerste mogelijkheid gekozen, daar de index voldoende dit mankement ondervangt.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 2331, 2359, 2420, 2421, 2471, 2477.
Ook ten aanzien van aantekeningen die op de stukken werden aangetroffen, is dezelfde werkmethode gevolgd.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 2356, 2372.
Geheel anders ligt het bij de beschrijvingen, die gevolgd worden door een kleine letter. Dit wil dan zeggen dat deze stukken als bijlagen of retroacta ondergeschikt zijn aan de hoofdbeschrijving, maar dat het voor de onderzoeker jammer zou zijn als ze niet door deze nadere toegang hierop werden geattendeerd.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 495 a-i, 993 a-m.
Deze dienen onderscheiden te worden van de beschrijvingen met een grote letter, waar het stukken betreft die achteraf zijn ingevoegd, zonder dat alle nummers opnieuw werden omgenummerd.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 5A, 116A, 2296A,B, 2570A,B, 2583 A-D.
Ten aanzien van de datering kan nog het volgende worden opgemerkt. Wanneer het jaartal bekend was, werd dit direct achter de beschrijving geplaatst.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 63, 142, 193, 442, 509.
Als dit aan de hand van de inhoud benaderd kon worden, werd het jaartal tussen vierkante haken geplaatst.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 1, 192, 669, 1294.
In een groot aantal gevallen was ook dit niet mogelijk, zodat gekozen moest worden voor de aanduiding van "eind 16e eeuw" of "begin 17e eeuw" tussen ronde haken. Deze wijze van dateren werd ook gevolgd ten aanzien van de afschriften, bijlagen etc.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 45, 138, 445, 805, 1181.
Bij de chronologische ordening van de stukken onderling werd altijd uitgegaan van de datum van de hoofdbeschrijving en niet van het jaar van het afschrift.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 73, 431, 556, 592, 596, 667, 1435.
Een uitzondering hierop vormen de ongedateerde stukken in de rubriek van het Twaalfjarig Bestand. Op grond van de inhoud was het hier vaak toch mogelijk om bijna op de maand nauwkeurig vast te stellen waar deze stukken binnen het groter geheel geplaatst diende te worden. Het kwam in dergelijke gevallen als ongewenst voor om al deze stukken achter elkaar na de beschrijvingen van de maand december van het desbetreffende jaar op te voeren, zodat zij hier gewoon geplaatst zijn tussen de beschrijvingen, waarvan de datum niet precies bekend was.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 2187, 2197, 2204, 2218, 2222-2224, 2240, 2265.
Wanneer de bijlagen niet nader zijn gedateerd wil dit zeggen dat zij in het zelfde jaar werden opgemaakt als het stuk van de hoofdbeschrijving.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 88, 165, 520, 819, 1470.
Wanneer van een stuk verschillende ontwikkelingsstadia aanwezig waren, werd besloten om dit materieel toch als één geheel te zien, zodat het kan gebeuren dat er verschillende ontwikkelingsstadia zijn vermeld met daarachter bijvoorbeeld de aanduiding: 1 stuk. Hierdoor werd het noodzakelijk om ook het ontwikkelingsstadium van de originelen afzonderlijk op te nemen in de beschrijvingen, hetgeen archivistisch niet gebruikelijk is. Daar echter voor de duidelijkheid op deze plaats dit vermeld diende te worden, is dit ook gedaan bij stukken die enkel als origineel aanwezig zijn.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 70, 378, 560, 966, 1318, 1592, 1812.
Inhoudelijk is de waarde van de verwijzingen naar de RGP-delen in de noten verschillend. Dit houdt verband met een langzamerhand bij de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis veranderde visie ten aanzien van de methode van bewerking van de resoluties van de Staten-Generaal. Zo zijn tot en met 1609 in principe drie mogelijkheden aanwezig.
Het betreft de verwijzingen naar: RGP 26, 33, 41, 43, 47, 51, 55, 57, 62, 71, 85, 92, 101, 131.
De resolutie is letterlijk opgenomen, zij wordt vermeld of er wordt naar verwezen. Vanaf 1610 zijn het merendeels korte samenvattingen van de resoluties die meer gelijken op heel uitgebreide inventarisbeschrijvingen, terwijl vermeldingen tot de uitzonderingen behoren.
Het betreft de verwijzingen naar: RGP 135, 151, 152, 176.
Binnen de rubrieken is, waar mogelijk, een gelijke indeling nagestreefd voor zover de stukken dit toelieten.
Vergelijk hiervoor de rubrieken I-B 1, 2, II-A, IV-B 1,2, de Raad van State-A, de VOC-A, de WIC-C en de Colleges ter Admiraliteit.
In de rubrieken I en IV, die de hoofdtaken van Oldenbarnevelts werk beslaan, is zelfs een onderverdeling aangebracht in Algemeen en Bijzonder om de correspondentie te kunnen afzonderen van de meer bijzondere stukken. Deze vormen in veel opzichten een tegenhanger van elkaar. In het geval van rubriek IV zijn de colleges die institutioneel ondergeschikt zijn aan de Staten-Generaal, apart opgevoerd zonder deze met een nieuw rubrieknummer aan te duiden. Met uitzondering van de Raad van State betreft het hier namelijk colleges die door de Staten-Generaal werden ingesteld en daardoor geheel afhankelijk van hen waren. De reden dat de Raad van State echter ook hierbij is opgenomen, is dat sinds 1576 de Staten-Generaal de regeermacht in handen hadden en enkel bevoegdheden naar de Raad van State delegeerden. Hier kwam in 1588 door de nieuwe instructie van de Raad van State geen verandering in. In Oldenbarnevelts periode was hij met name belast met de oorlogvoering, maar het waren de Staten-Generaal, die al of niet de goedkeuring verleenden aan de financiering hiervan. Op grond van de wijziging in de bevoegdheden van dit college dat in 1531 als adviescollege ingesteld was, maar nu enkel een uitvoerend college in dienst van de Staten-Generaal was, werd dus voor deze indeling gekozen.
Zie noot 62.
Verder werd allereerst uitgegaan van het functioneren van de colleges waarmee Oldenbarnevelt te maken had, zij het dat dit soms met iets afwijkende kopbeschrijvingen is aangegeven. De financiën volgen meteen daarna als onderafdeling, daar zowel de Staten van Holland als de Staten-Generaal de zorg voor het bijeenbrengen van de gelden als één van de hoofdtaken was opgedragen. Hierbij is in beide rubrieken een driedeling aangebracht in Geldmiddelen, Belastingen en Muntzaken. Bij de onder verdeling der belastingen van Holland werd uitgegaan van het schema van De Vrankrijker.
De Vrankrijker, Geschiedenis, p. 57.
Het feit dat het daarop volgende onderwerp, Militaire Zaken, als subrubriek in rubriek I opgevoerd kon worden, houdt verband met de institutionele geschiedenis van de Statencolleges na 1572. Deze hadden sindsdien een veel grotere invloed, wat onder meer tot uitdrukking kwam door het zich toeëigenen van bevoegdheden die voorheen in handen waren van de landsheer c.q. stadhouder.
RSvH, juni 1575 (Unie van Dordrecht), 25 april 1576 (Unie van Delft), 17 maart 1581 (reglement van de Staten van Holland) en 5 juni 1581. Gosses, p. 4O4; Fockema Andreae, p. 45.
De defensie was hiervan een der belangrijkste en werd in 1581 opgedragen aan het toen ingestelde dagelijks bestuur, de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier. De voornoemde subrubriek werd onderverdeeld in een afdeling, die betrekking heeft op de financiering der troepen en een afdeling, aangaande de krijgsverrichtingen zelf. Een indeling die in feite ook kon worden aangehouden voor de rubriek Raad van State, hoewel deze gezien de hoeveelheid stukken een nadere specificering vroeg. Het was zelfs mogelijk hier nog een afdeling Organisatie aan te laten voorafgaan respectievelijk een afdeling Overige Militaire Zaken aan toe te voegen.
Suijkerbuijk, Meiboom, Archief van Anthonie van der Heim, pp. 64-73.
De subrubriek Gewestelijke Zaken van rubriek I vindt een gelijkwaardige tegenhanger in rubriek IV in Binnenlandse Zaken. Binnen beide subrubrieken werd een alfabetische ordening aangebracht die in een enkel geval zelfs nader werd onderverdeeld. De bijzondere positie die het huis van Oranje innam in de binnenlandse aangelegenheden, rechtvaardigde alleszins om de stukken die hierop betrekking hebben in een afzonderlijke subrubriek onder te brengen. Dit leek ons beter dan om deze ondergeschikt te maken aan de voornoemde subrubriek Binnenlandse Zaken. Het betreft hier namelijk merendeels stukken betreffende het sterfhuis van Willem van Oranje. Zodoende werd het indelingsschema grotendeels ontleend aan dat van P. Scherft, zoals hij dat in zijn dissertatie bezigde.
Scherft.
De daarop volgende subrubriek Buitenlandse Zaken is weliswaar ook in rubriek I terug te vinden, maar heeft een onevenredige pendant in rubriek IV, waar deze het hoofdbestanddeel van deze rubriek vormt. Evenals in de vorige subrubriek werd ook hier voor een alfabetische ordening op naam der landen gekozen, waarbinnen een onderverdeling naar onderwerpen mogelijk was. Bij afdelingen van landen waarvan veel stukken zijn overgebleven, werd zo veel mogelijk een gelijke indeling gevolgd.
Zie hiervoor bijv. de afdelingen Denemarken; Embden en Oost- Friesland; Gulik, Kleef en Berg; Spanje (Twaalfjarig Bestand) en Zweden.
Dat wil zeggen dat eerst de stukken die betrekking hebben op de Diplomatieke betrekkingen van de Republiek met het desbetreffende land aan bod komen.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 1509-1514, 1551-1629, 1700-1756, 2165-2271.
In het geval van Engeland en Frankrijk was wegens de intensieve handelsbetrekkingen een uitbreiding met een onderafdeling Handel gewenst.
Zie de inv.nrs. 1969-2004, 2060-2084.
Hierna kan een afdeling komen bestaande uit Correspondentie met Johan van Oldenbarnevelt, als "minister van buitenlandse zaken", die als ondersteuning dient voor de voorafgaande afdeling.
Zie de inv.nrs. 1630-1643, 1769-1789.
Daarna komt in vele gevallen de afdeling Documentatie bestaande uit stukken die door derden met anderen zijn uitgewisseld aangaande bepaalde buitenlandse zaken en die als afschrift aanwezig zijn en destijds de bestuurders een beter inzicht hebben moeten geven. In de meeste gevallen betrof het hier informatie, opgemaakt in dezelfde periode waarin de Diplomatieke betrekkingen een rol speelden.
Zie bijv. de inv.nrs. 1651-1698, 1798-1841, 2075-2102.
Het komt echter ook voor dat er in deze afdeling stukken zijn ondergebracht van veel vroeger datum als verklaring van historische ontwikkelingen, zoals die zich toentertijd voordeden.
Zie bijv. de inv.nrs. 1515, 1644-1650, 1790-1797.
In enkele gevallen was het zelfs mogelijk om bij de Documentatie een vrijwel identieke indeling te volgen als bij de Diplomatieke betrekkingen.
Dat om praktische redenen soms de voorkeur gegeven moest worden aan het indelen van stukken van de Staten van Holland in rubriek IV komt hier het duidelijkst tot uiting. Versnippering over de rubrieken I en IV op grond van archivistische gronden, waarvoor anders gekozen had moeten worden, zou te veel problemen opleveren voor de onderzoeker om deze tweedeling consequent door te voeren.
Zie bijv. de inv.nrs. 2322-2334.
Op zichzelf gold hetzelfde voor de subrubriek Justitie. Er werd echter bij de processtukken van de Staten van Holland tegen Jacques Reingoud een onevenwichtig grote hoeveelheid bijlagen aangetroffen. Deze hadden merendeels betrekking op zijn loopbaan in de Zuidelijke Nederlanden bij de Raad van Financiën, maar betroffen ook zijn persoonlijke bezittingen. In dit geval kon bijna gesproken worden van een archief van Reingoud, dat in het archief van Oldenbarnevelt was opgenomen. Gezien de historische waarde van deze bijlagen, die de nodige kennis verschaffen over de rechts- en bestuurscolleges in de Zuidelijke Nederlanden voor de komst van Leicester, kon hier onmogelijk volstaan worden met de toevoeging "met bijlagen". Mede op grond van dit materiaal was het mogelijk Reingouds optreden ten tijde van Leicester beter op zijn werkelijke waarde te schatten.
Zie Inleiding,pp. XLIII-XLIV
De subrubriek Handel is indien mogelijk onderverdeeld in afdelingen, maar bestaat, zowel in rubriek I als IV, veelal uit losse stukken met betrekking tot de handel van Holland respectievelijk van de Republiek. Volledigheidshalve zij hier nogmaals opgemerkt dat in de rubriek Buitenlandse Zaken bij enkele landen een afzonderlijke afdeling Handel werd opgenomen.
Zie noot 289.
De subrubrieken Handelscompagnieën van rubriek I heeft zijn pendant in de subrubriek Voorcompagniën die weliswaar ten dele ook bestaat uit stukken, die in rubriek I hadden ingedeeld kunnen worden, maar waarbij dit evenals bij Buitenlandse Zaken om praktische redenen niet is gedaan.
Zie de inv.nrs. 3061-3063, 3067, 3068, 3070. Zie voor de argumentatie Inleiding, p. CII.
De drie daarop volgende rubrieken, te weten de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de West-Indische Compagnie en de Colleges ter Admiraliteit in rubriek IV staan geheel op zichzelf. Wat de indeling betreft, vertoont de indeling van de subrubriek van de Verenigde Oost-Indische Compagnie de nodige overeenkomst met die van de Colleges ter Admiraliteit voor de afdelingen A-C. In het geval van de West-Indische Compagnieën is op dezelfde wijze te werk gegaan als bij de Colleges ter Admiraliteit onder C I b. Een uitsplitsing in werkzaamheden van de verschillende Colleges en de Colleges afzonderlijk kwam de overzichtelijkheid ten goede.
Waterstaat is daarentegen weer in beide rubrieken vertegenwoordigd. In rubriek I kon zelfs een alfabetisch-geografische onderverdeling worden gemaakt naar de verschillende onderwerpen.
Na bespreking van de twee grootste rubrieken kan voor de overige rubrieken met een korte toelichting worden volstaan, daar deze indelingsschema's minder complex zijn en de nodige overeenkomsten vertonen met de voornoemde rubrieken.
Rubriek II-A gelijkt op de rubrieken I-A en IV-A, waar de stukken betreffende de vergaderingen van het desbetreffende college ook in een afzonderlijke afdeling zijn ondergebracht. De werkzaamheden van de Ridderschap, te vinden onder B, werden naar de verschillende geconfisqueerde goederen onderverdeeld.
Rubriek III vertoont voor de afdelingen A en B overeenkomsten met de indeling die toegepast werd voor de Colleges ter Admiraliteit. De afdeling III-C is, daarentegen wat opzet betreft, weer vergelijkbaar met rubriek II-B.
Hoewel rubriek V een geheel eigen plaats inneemt binnen deze inventaris, zijn ook hier overeenkomsten aan te wijzen met afdelingen van andere subrubrieken. De hierin opgenomen stukken werden naar de belangrijkste bezittingen van de Egmonds in Holland ingedeeld, te weten de heerlijkheid Egmond en de heerlijkheid Beijerland. Het feit dat van beide veel bewaard is gebleven maakte een onderverdeling gewenst. In wezen werd deze ontleend aan de subrubrieken van de rubrieken I en IV.
Zie voor een vergelijking de subrubrieken I-B, 1, 2, 3, 8 en 11 en IV-B, 1, 2, 3, 8 en 10.
De stukken met betrekking tot het sterfhuis van Lamoraal I, graaf van Egmond, zoals deze zijn te vinden in de subrubriek V-B, staan op één lijn met die van het sterfhuis van Willem van Oranje onder IV-5-A-3. De afdeling crediteurs is vergelijkbaar met IV-5-3 f. De subrubriek V-III, betreffende processen over deze nalatenschappen, toont overeenkomst met subrubriek IV-5-A-2 en 3. De verkoop van de Egmondse goederen staat uiteraard op zichzelf. Ten aanzien van rubriek VI kan, evenals ten aanzien van de heerlijkheden Egmond respectievelijk Beijerland worden opgemerkt, dat hier de indeling aan de subrubrieken van de rubrieken I en IV werden ontleend. De resterende rubrieken behoeven geen nadere toelichting. Deze stukken zullen te zijner tijd zo veel mogelijk naar de archieven waar zij waarschijnlijk thuis horen, worden overgebracht. Hiermee zal worden gewacht tot de afronding van het project van de inventarisatie van de Staten van Holland.
Tenslotte zou ik gaarne mijn dank willen betuigen aan dr. H.M. Brokken die mij bij het schrijven van de Inleiding weer talrijke nuttige suggesties deed. Heel in het bijzonder ook mr. R. Huybrecht die de gehele inventaris met mij besprak en mij voor juridische vergissingen behoedde. Niet in het minst ook mevr. A.M.E.H. Leuring die deze inventaris in verschillende versies uittypte en die voor dit goedogende eindresultaat zorg droeg.

Ordening van het archief

Er komen in deze inventaris twee verschillende soorten bijlagen voor. Wanneer deze materieel een eenheid vormen met het stuk, dat in de hoofdbeschrijving werd opgenomen, hetzij doordat de tekst van de bijlage hiervan onderdeel uitmaakte, hetzij doordat de tekst ervan op hetzelfde stuk was afgeschreven, is dit ook aan de beschrijving te zien. In dat geval volgt namelijk direct na de vermelding van het jaartal en het ontwikkelingsstadium van de hoofdbeschrijving, achter een puntkomma, de mededeling "met een bijlage" met een kleine letter.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 22, 41, 57, 521, 864, 1542, 1616, 1724, 2052, 2065, 2266, 2715, 3184, 3325.
Wanneer hier echter eerst een punt staat en de mededeling "Met een bijlage" met een hoofdletter begint, wil dit zeggen, dat deze op een apart stuk papier werd afgeschreven. Dit onderscheid komt bovendien tot uitdrukking in de materiële beschrijving, daar in het laatste geval altijd van minstens twee stukken sprake zal zijn.
Zie hiervoor bijv. de inv.nrs. 56, 101, 236, 363, 440, 536, 691, 1352, 1536, 1774, 1978, 2247, 2320, 2572, 2981, 3074.