Geschiedenis van het archiefbeheer
Toen de Staten-Generaal op 29 augustus 1618 overgingen tot de arrestatie van Rombout Hogerbeets, Hugo de Groot en Johan van Oldenbarnevelt besloten zij tevens tot het in beslag nemen van de papieren van voornoemde personen met betrekking tot de Staten-Generaal. Het moet waarschijnlijk aan ruimtegebrek op hun kantoor worden toegeschreven, dat aan dit besluit in de praktijk geen gevolg werd gegeven.
Bakhuizen van den Brink, p. 78; RGP 152, p. 48O.
Pas na de executie van Oldenbarnevelt op 13 mei 1619 werd dit alsnog geconcretiseerd.
RSvH, 13 mei 1619; Brieven van Lionello, (WHG, Nieuwe Serie, no.37), p. 292.
Anders dan men zou verwachten werden deze stukken dus niet gebruikt bij de voorbereiding van het proces door de Staten-Generaal. Over de visitatie ervan ontstond een competentiestrijd tussen de Staten-Generaal die het proces tegen Oldenbarnevelt hadden gevoerd, en de Staten van Holland die wisten dat het merendeel uit Hollandse staatspapieren bestond. Twee dagen na de terechtstelling verzocht Johan van Wassenaar van Duvenvoorde namens Holland of de Generaliteit niet een gecommitteerde wilde aanwijzen om namens hen bij de visitatie aanwezig te zijn. Deze wezen daarop Sweer van Appeldoorn tot de Poll, Jacobus Simonsz. Magnus en Jan Nanninga aan. De Staten van Holland benoemden hiervoor naast de eerder genoemde heer van Duvenvoorde op 18 mei Jan Vlacq, Abraham Dullaert en Simon Cornelisz. Bou(w)man om "met ordre te werden gevisiteert, latende de Generaliteyt het hare, ende Hollandt het syne, en 't gene particulier is voor den Sterf-huyse".
RGP 176, 15 mei 1619, p. 126; RSvH, 18 mei 1619.
Een eerste inspectie van de papieren toonde aan, dat om tweeërlei reden enkele maanden gemoeid zouden zijn met deze visitatie. Allereerst de hoeveelheid en vervolgens de wanorde, waarin deze mede door Oldenbarnevelts slordige administratie verkeerde. Om de werkzaamheden te vergemakkelijken werd daarom besloten om, bij afwezigheid van de familie, de desbetreffende stukken naar de vertrekken van de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier over te brengen. Bij de verzegeling hiervan deden zich moeilijkheden voor met de zonen van Oldenbarnevelt en zijn schoonzoon Reinoud van Brederode. Er werd ingestemd met het verzoek dat bij de visitatie een van de zoons of Reinoud van Brederode aanwezig zou mogen zijn, maar ten aanzien van de bespoediging van de schifting der papieren werd geen toezegging gedaan.
RGP 176, 17, 18, 28 mei 1619, pp. 128, 130, 140; RGP 108, p. X; RSvH, 18 mei 1619.
Afgesproken werd dat steeds twee gecommitteerden van elk college bij de visitatie aanwezig zouden zijn, hierbij geassisteerd door de klerk van Holland Gerrit Geubel.
RSvH, 28 mei 1619.
Het feit dat timmerman Jan Gerritszn. liefst zeven koffers moest leveren voor het inpakken van Oldenbarnevelts archief geeft ook een indicatie. Deze waren nodig voor het voorgenomen transport naar de vertrekken van de Gecommitteerde Raden.
RGP 176, 14 juni 1619, p. 153.
Naderhand begon Holland de aanwezigheid van Gecommitteerde van de Generaliteit minder op prijs te stellen. Op 28 juni namen François van Aerssen van Sommelsdijk en Andries de Witt, als secretaris, de plaats in van de gecommitteerden, die op 18 mei aanvankelijk voor de visitatie waren aangesteld. Enkel de heer van Duvenvoorde bleef in deze nieuwe samenstelling gehandhaafd. Deze commissie liet weten liever zelf zonder inmenging van gecommitteerden der Staten-Generaal de visitatie uit te voeren. Om dit te bereiken beloofde zij de Generaliteitspapieren die aangetroffen zouden worden aan hen te zullen teruggeven.
RSvH, 28 juni, 3 en 5 juli 1619.
Nadat deze commissie op 5 juli nogmaals was uitgebreid door de benoeming van Albrecht Franszn. Bruynincx namens het Noorderkwartier, weigerde Holland vervolgens de Generaliteitsgecommitteerden toe te laten.
Kroniek van het Historisch Genootschap (gevestigd te Utrecht), 21 (1865), 5e serie, dl. 1, p. 426.
Nochtans gingen de Staten-Generaal ertoe over om Nicolaas de Vooght, Jacob Simonsz. Magnus, Adriaan Ploos, Johan van Dorth en Goossen Schaffer hiervoor als nieuwe gecommitteerden te benoemen.
RGP 176, 29 juni 1619, p. 163.
Toen Holland bleef weigeren, besloot men het geschil voor te leggen aan prins Maurits en de stadhouders van de verschillende provincies, wier officiële uitspraak helaas onbekend is.
RGP 176, 17 en 19 juli 1619, pp. 182-183, 185.
Het beheer van de in Holland gelegen geconfisqueerde goederen van Oldenbarnevelt vertrouwde de Staten van Holland daarentegen van het begin af aan wel toe aan de Staten-Generaal.
Dit touwtrekken om het archief tussen beide colleges had wel nadelige gevolgen. Op 30 oktober 1619 constateerden de Staten van Holland dat enkele koffers, die nog steeds ten huize van de voormalige landsadvocaat stonden, inmiddels waren verdwenen.
RSvH, 30 oktober 1619.
Op zich hoeft dit geen bevreemding te wekken, omdat inderdaad een groot deel van het Statenarchief bij Oldenbarnevelt thuis stond. Weliswaar was hij volgens art. 1 van zijn instructie van 6 maart 1586 als landsadvocaat verplicht om jaarlijks een lijst aan de Staten over te leggen van de archiefbescheiden, die zijn inziens als staatsstukken naar het Statenarchief overgebracht moesten worden. Alles wijst erop dat Oldenbarnevelt de voorschriften uit de instructie ten aanzien van het archiefbeheer niet al te serieus heeft genomen. Zijn aanstelling tot charterbewaarder in 1604 leidde er toe dat hij zich nu geheel van deze verplichting ontslagen achtte. Bovendien zullen de familieleden van Oldenbarnevelt inderdaad tijdens zijn gevangenschap, zoals Veenendaal in zijn inleiding suggereert, getracht hebben om uit het archief het een en ander te redden.
RGP 108, p. X.
Bovendien is het hoogstwaarschijnlijk, aldus Veenendaal, dat Oldenbarnevelts schoonzoon Cornelis van der Mijle niet enkel naar koning Lodewijk XIII van Frankrijk ging om hulp voor zijn schoonvader in te roepen. De Venetiaanse resident Suriano schreef in dit verband althans de Doge van Venetië, "dat hij eenige geschriften, zoowel bijzonder van den Heer Barnevelt, als van de familie in 't algemeen, op eene verzekerde plaats gebracht heeft".
Brieven van Lionello, (WHG, Nieuwe Serie, no. 37), pp. 291-292.
Na 1619 werd het archief van Oldenbarnevelt verder uitgedund. Hierover merkte Haak terecht op, dat Oldenbarnevelts vijand Van Aerssen, als visiteur, de gelegenheid te baat zal hebben genomen om zijn eigen correspondentie met Oldenbarnevelt eruit te verwijderen. Een gemis, dat enigszins wordt vergoed door de brieven van François van Aerssen, die door F.A.G. graaf van Limburg Stirum in 1882 aan het Algemeen Rijksarchief werden geschonken.
VROA, V (1882), p. 2; Kort merkt ten onrechte in zijn Inleiding op p. XIII op dat in 1901 opnieuw brieven aan het Algemeen Rijksarchief werden geschonken. In werkelijkheid waren vijf brieven uit 1599 en vijftig uit 1601 na een lening niet terug ontvangen. In VROA, XXIV (1901), p. 15 wordt meegedeeld, dat bedoelde brieven teruggekomen zijn. Korts veronderstelling, dat deze papieren "tijdens het proces in beslag genomen" zouden zijn, moet eveneens worden afgewezen op grond van hetgeen in de noten 186 en 187 werd aangevoerd. De missiven van Van Aerssen zijn opgenomen onder de inv. nrs. 2016, 2017, 2019-2022, 2024, 2025.
Naderhand volgde in 1938 een aanvulling van vijftien brieven, die op dat moment in het bezit van J.C. baron van Wassenaer van Nederhemert te 's-Gravenhage waren.
Haak vermeldt in zijn Inleiding op RGP 80, p. X, noot 3, dat hem door mededeling van jhr. mr. D.P.M. Graswinckel, rijksarchivaris in Gelderland, bekend is, dat zich in het aldaar in bewaring gegeven archief van de heren van Nederhemert (Zie: VROA, Tweede serie, V, (1932), p. 55) zeven brieven van Van Aerssen aan Oldenbarnevelt bevinden. In werkelijkheid waren dit er vijftien, zoals bleek uit de correspondentie van de rijksarchivaris in Zuid-Holland, die op 28 juni 1934 onder nr. 114 E hierover een brief van de rijksarchivaris in Gelderland ontving. Deze missiven maakten deel uit van de destijds niet teruggegeven archiefbescheiden. Inmiddels waren zij door vererving in het bezit gekomen van de heer J.C. baron van Wassenaar te Nederhemert, die ze, aldus VROA, Tweede serie, XI (1938), p. 16 "schonk" aan het Algemeen Rijksarchief. Zie voor deze stukken nu de inv.nrs. 2016, 2019.
Deze voorzichtigheid meende François van Aerssen niet te hoeven betrachten ten aanzien van de papieren die betrekking hadden op de moeilijkheden omtrent de opvolging van hem als ambassadeur van de Republiek in Frankrijk.
Zie de inv.nrs. 2016-2025.
De lange tijd die verstreek voordat het archief eindelijk werd overgebracht naar een vertrek van de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier, zal er vermoedelijk eveneens debet aan zijn dat er weinig van de brieven van Gideon van den Boetzelaer, heer van van Langerak, en van Noël de Caron aan Johan van Oldenbarnevelt is bewaard gebleven.
RGP 80, p. X. Er werd geen enkele missive gevonden van Van den Boetzelaer aan Oldenbarnevelt. Dit was wel het geval met betrekking tot Caron. Zie hiervoor de inv.nrs. 1944, 1946-1948, 1951- 1953, 1956.
Verder is bekend dat Walraven van Brederode bij de Staten van Holland wist te bereiken dat hem zijn familiepapieren en persoonlijke stukken werden teruggegeven, die aangetroffen werden onder Oldenbarnevelts papieren.
RSvH, 21 december 1619. Fruin, Over de Historie, p. 512. Desondanks zijn er nog archiefstukken van de familieleden Floris, Hendrik, Pieter Corneliszn., Reinoud en Walraven III van Brederode aanwezig in dit archief. Voor de inv.nrs. raadplege men de index.
Het lijkt zeker dat politiek belastend materiaal achteraf door de betrokkenen uit het archief is verwijderd.
Het is pas sinds 1963 dat het Rijksarchief in Zuid-Holland ook een familiearchief van Oldenbarnevelt heeft. In dat jaar kreeg de Algemene Rijksarchivaris in september van de minister van Financiën toestemming om voor f 1.800,- van de heer J.E.H. Tissot van Patot te Amsterdam een collectie aan te kopen, waarvan deze familiepapieren deel uitmaakten.
ARA, Archief van het Algemeen Rijksarchief, Correspondentie van 1963, inv.nr. 109, brief B 228; VROA, Tweede serie, XXXVI (1963), p. 41.
Het overige gedeelte werd gevormd door het gehavende commissiearchief van de gecommitteerden van de Staten van Holland naar de graaf van Nieuwenaar en Meurs, de Staten van Utrecht en de stad Utrecht.
Hoewel dit commissiearchief te zijner tijd in het archief van de Staten van Holland zal worden opgenomen werd het in 1981 door middel van een inventaris voor het publiek nader toegankelijk gemaakt.
Over deze familiepapieren lijkt ook in deze Inleiding een enkele opmerking wel gerechtvaardigd. Het is overbekend dat Oldenbarnevelts schoonzoon Cornelis van der Mijle op 7 november 1625 toegang kreeg tot de vertrekken van de Gecommitteerde Raden van het Zuiderkwartier. In aanwezigheid van Jan Sas en de secretaris Anthonis van der Wolff, die daartoe op 31 oktober waren gecommitteerd, mocht hij uit de in beslag genomen papieren de stukken die betrekking hadden op het geslacht Van Utrecht, de familie van Oldenbarnevelts vrouw Maria van Utrecht, en het daaraan verwante geslacht Van Roo verwijderen en meenemen.
RAZH, Archief van de Staten van Holland en West-Friesland, 1572- 1795, Resoluties van de Gecommitteerde Raden, inv.nr. 3000A, fo. LXXXVvo, LXXXIXro-vo. VROA, XXXIII (1910), pp. 12-13; RGP 80, p.Ix.
Bekijkt men nu de familiepapieren van Oldenbarnevelt die door de aankoop van de collectie Tissot van Patot werden verworven, dan ziet men dat dit merendeels stukken zijn met betrekking tot deze beide geslachten. Het is daarom hoogst waarschijnlijk dat hierdoor in ieder geval een gedeelte van de verloren gewaande papieren herontdekt is en daarmee weer voor onderzoek beschikbaar is.
In de resoluties van de Gecommitteerde Raden werd bovendien vermeld dat er nog een koffer was, die de correspondentie van Joachim Ortell (sinds 1581 ambassadeur van Holland en Zeeland in Engeland en sinds 1584 van de gehele Republiek) met Johan van Oldenbarnevelt bevatte.
Uit de publicatie van Bruce, p. 362 is bekend dat Paulus Buys zijn in beslag genomen correspondentie met Ortell later heeft terug gekregen. Hiervan is nu echter niets meer terug te vinden. Daarom valt het te meer te betreuren dat ook Ortells correspondentie met Oldenbarnevelt, zoals uit VROA, XXXIII (1910), p. 13 blijkt, verloren is gegaan; RGP 80, p. IX.
Vervolgens waren er twee koffers met stukken aangaande het gewest Holland en het sterfhuis van Oldenbarnevelt, die "pelle et melle" dooreen lagen en een koffer met "historien ende boucken bij (de Hollandse geschiedschrijver Pieter Corneliszn. van) Bockenberch geschreven".
Omdat de Staten van Holland zelf het overzicht over hun archief dreigden te verliezen,gaven de Gecommitteerde Raden Anthonis van der Wolff op 22 februari 1631 opdracht om de charters en papieren te inspecteren. Bij de nu volgende bespreking van de omzwervingen van de Oldenbarnevelt papieren zal in het vervolg ook aandacht worden besteed aan het archief van de Staten van Holland. Dit in verband met het feit dat de geconfisqueerde papieren sinds 1619 hiervan een onderdeel waren gaan uitmaken. Sinds 1 april werkte Van der Wolff voortvarend aan de inventarisatie van dit archief, dat zich toen in de toren van het Hof van Holland bevond.
RAZH, Archief van de Staten van Holland en West-Friesland, 1572- 1795, Resoluties van de Gecommitteerde Raden, inv.nr. 3000B, fo. LIIIro-LIIIIvo. VROA, XXXIII (1910), p. 14; p. 14; RGP 80, p. IX. In de aanhef van de inventaris, waarvan in het Archief van de Staten van Holland en West-Friesland, 1572-1795, nog drie exemplaren aanwezig zijn, te weten de inv.nrs. 6397-6399, noemde A. van der Wolff ten onrechte zelf 4 februari 1631 als datum voor zijn opdracht en commissie.
Bij die gelegenheid moest geconstateerd worden dat het restant van de Oldenbarnevelt papieren nog maar twee kisten besloeg van de zeven, die in 1619 in beslag waren genomen. De hierboven beschreven kisten waren inmiddels alle verloren gegaan. In aanwezigheid van de Gecommitteerde Raden Cornelis van Teresteijn en Hendrick Willemszn. Nobel werden de "besloten kisten" op 6 november 1631 geopend. Een gedeelte hiervan moet, aldus Bos, hebben bestaan uit de stukken die door Johan van Oldenbarnevelt al tijdens zijn ambtsperiode naar het archief van de Staten van Holland waren overgebracht.
VROA, XXXIII (1910), p. 14.
Helaas moest in 1665 de charterbewaarder van Holland en West-Friesland Herbert van Beaumont bij een door hem uitgevoerde inspectie constateren, dat juist van de belangrijkste stukken er inmiddels vele verloren waren gegaan. Talrijk zijn daarom in margine zijn vermeldingen, waar te lezen staat "deficit".
RAZH, Tekst van de door mr. P.G. Bos gehouden voordracht in ms., dl. 2, p. 37.Zie voor besprekingen: NRC (8 juni 1909); Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden over het jaar 1909-1910, pp. 134-136; NAB, 18 (1909-1910), pp. 130-132.
Hoogstwaarschijnlijk was het in zijn tijd of anders reeds onder Anthonis van der Wolff, dat de Staten van Holland overgingen tot het vormen van een Loketkast. In tegenstelling tot de systematisch opgebouwde Loketkast van de Staten-Generaal
Van Riemsdijk.
bestond de Hollandse meer uit een samenraapsel van ongeliasseerde ingekomen stukken, die onderling geen enkel verband vertoonden. Op 17 oktober 1792 kreeg Johan Samuel Cassa, die zich reeds eerder verdienstelijk had gemaakt door het maken van indices op de resoluties van de Staten van Holland en van de Gecommitteerde Raden, op verzoek van de raadpensionaris Laurens Pieterszn. van der Spieghel opdracht om een inventaris te maken van de Loketkast.
Meilink, Johan SamueL Cassa, pp. 48-51.
Op 11 april 1793 kon hij meedelen dat hij hiermee klaar was. Het behoeft niet te verbazen, gezien de korte tijdsduur, dat het archief daarmee niet uitputtend was beschreven. Zo hadden bijvoorbeeld de charters van Holland die toen geborgen waren in de loketten I en K, veel schade geleden. Dit was gebeurd in de periode dat zij waren ondergebracht in de toren te Gouda. Dientengevolge waren zij nu slecht leesbaar en had Cassa met oppervlakkige beschrijvingen volstaan. Bij deze gelegenheid inventariseerde hij tevens de liasborden die aan de zolder van de charterkamer hingen. Deze bestonden grosso modo uit drie gedeelten, te weten de correspondentie van de Staten van Holland met de verschillende Nederlandse regeringscolleges, de correspondentie van de Nederlandse gezanten in het buitenland met de diverse raadpensionarissen en een rubriek diverse stukken.
Deze inventaris en een gelijktijdig afschrift zijn bewaard gebleven. Zie hiervoor: RAZH, Archief van de Staten van Holland en West-Friesland,1572-1795, inv. nrs. 6407, 6408. Inv.nr. 64O9 bestaat uit twee 19de eeuwse afschriften, die van een alfabetische index zijn voorzien en die bovendien bijlagen bevatten inzake het terugkrijgen van de Collectie Bruine Kastje in 1835.
Dit laatste deed J.A. de Zwaan Czn., klerk van het Rijksarchief, in de zomer van 1822 opnieuw. Uit een vergelijking met de lijst van Cassa bleek dat er in die tussentijd inhoudelijk weinig veranderd was. Hieruit valt te constateren dat het archief tijdens de Franse bezetting niet veel geleden heeft en er weinig verloren was gegaan.
De lijst van Zwaan uit 1822 werd in tweevoud opgemaakt en is nu te vinden in: RAZH, Archief van de Staten van Holland en West-Friesland, 1572-1795, inv.nr. 6410. In margine zijn de verwijzingen te vinden naar de inv.nrs. van dit zelfde archief, waarin deze stukken zijn opgenomen.
Daar Cassa de Gecommitteerde Raden ervan had weten te overtuigen om in het vervolg meer toezicht op de charterkamer te houden, wilde zijn werk al niet bij voorbaat ongedaan gemaakt worden, stelden zij hem zelf op 18 juni 1793 als bewaarder van de charterkamer aan. Er werd hiervoor zelfs een speciaal reglement ontworpen.
Meilink, Johan Samuel Cassa, p. 51. RAZH, Archief van de Staten van Holland en West-Friesland, 1572-1795, inv.nr. 3270, fo. 1065 ro-1068ro. In inv.nr. 6408 bevindt zich een authentiek afschrift van de commissie van 17 oktober 1792 en een gedrukt exemplaar van het Reglement voor de charterkamer van 18 juni 1793.
Hoewel de Staatsregeling van 1798 bepaalde dat de archieven die aan colleges van het Provinciaal Bestuur behoorden, staatseigendom waren geworden, bleven zij door gebrek aan toezicht op de naleving hiervan bij de verschillende colleges berusten. Ook het voorstel van mr. H. van Roijen, lid van de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks, van 22 december 1800 om te komen tot het bijeenbrengen van deze archieven in een archiefbewaarplaats vond geen doorgang.
ARA, Archief van het Algemeen Rijksarchief, inv.nrs. 1, 341. Bakhuizen van den Brink, p. 1; Morren, pp. 28-34.
Het plan werd op 14 april 1802 op verzoek van J.H. van der Palm, lid van de Raad van Binnenlandse Zaken, met meer succes ter sprake gebracht. Dit resulteerde op 17 juni 1802 in een voorlopige benoeming van de oud-pensionaris van Gouda mr. H. van Wijn tot `s lands archivaris. Aanvankelijk had hij zijn kantoor in een vertrek dat tussen de oude vergaderzaal van de Staten van Holland (de tegenwoordige vergaderzaal van de Eerste Kamer) en de oude Hofkapel was gelegen. Hij diende zich allereerst bezig te houden met de archiefstukken die betrekking hadden op de periode van vóór 1648, aldus zijn instructie. Op 26 augustus 1802 kreeg hij op zijn verzoek aan het Departementaal Bestuur van Holland ook toegang tot de Hollandse archieven, waarvan die van de Staten van Holland en West-Friesland een onderdeel vormden.
Bij die gelegenheid werd hem meteen de titel van archivaris van het Departement Holland verleend.
Bakhuizen van den Brink, pp. 2-5; Morren, pp. 35-36; Steur, Cornelis de Fouw, p. 152.
Omdat koning Lodewijk Napoleon op 18 juli 1806 het Binnenhof als residentie verkoos, moest Van Wijn met zijn archief uitwijken naar het Logement van de Gedeputeerden van Rotterdam (het tegenwoordige ministerie van Defensie op het Plein).
ARA, Archief van de Staatssecretarie onder koning Lodewijk Napoleon, inv.nr. 3, 18 juli 1806 no. 49. Morren, pp. 37-38.
Het archief van de Staten van Holland werd daarentegen samen met dat van het Departementaal Bestuur van Holland en van het landdrostambt overgebracht naar het Oude Hof, de nieuwe residentie van het Departementaal Bestuur van Holland, het Nationaal Gerechtshof, het Hof van Justitie in Holland en de Raad van Financiën. De op 14 augustus 1806 aangevangen verhuizing kon reeds op 13 november worden afgesloten. Bij deze gelegenheid diende J.H. van der Swinden, secretaris van het Departementaal Bestuur van Holland, een inventaris in van het overgekomen archief.
ARA. Archief van het Algemeen Rijksarchief, inv.nr. 2, nr. 23. Bakhuizen van den Brink, p. 13. De door J.H. van der Swinden opgestelde inventaris bevindt zich nu in: RAZH, Archief van de Staten van Holland en West-Friesland, 1572-1795, inv.nr. 6449.
Het was met name C. de Fouw, die eerst in dienst van het Departementaal Bestuur van Holland en vervolgens sinds 1810 als commies-chartermeester, zich bezighield met de zorg voor de staatsstukken van na 1648. Hier dreigde in 1811 echter een abrupt einde aan te komen door het ontslag van Van Wijn en De Fouw na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk. De liefde voor "zijn" archieven deed C. de Fouw besluiten om onbezoldigd verder te gaan. Zodoende kon hij zelf de aan J.H. van der Swinden, toenmalig provisioneel secretaris-generaal der Monden van de Maas, op 21 februari 1811 geboden ontruiming van het gebouw van de prefectuur (het Oude Hof) begeleiden. Dit was noodzakelijk geworden, daar het pas opgerichte Keizerlijk Gerechtshof hier werd gevestigd. De archieven werden overgebracht naar het Logement der vijf steden (het toenmalige ministerie van Financiën, dat inmiddels is gesloopt ten behoeve van de nieuwbouw van de Raad van State).
ARA, Archief van het Algemeen Rijksarchief, inv.nr. 3, 20 november 1811. Bakhuizen van den Brink, pp. 13-15; Steur, Cornelis de Fouw, p. 153.
Nauwelijks was men hiermee klaar of er ontstonden zorgen van geheel andere aard, omdat Napoleon bij Keizerlijk Decreet van 21 maart 1812 had bepaald dat in het kader van de centralisatie alle archieven van het gehele Keizerrijk naar Parijs moesten worden overgebracht.
ARA, Archief van het Algemeen Rijksarchief, inv.nr. 5, passim. Morren, pp. 41-43; Steur, Archivisten, pp. 141-142.
R. Tourlet, een Franse ambtenaar van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, was reeds de volgende maand in Holland met een lastbrief om de voorbereidingen hiervoor te treffen. Al in juni 1812 werden er met het oog op het transport naar Parijs processen-verbaal opgesteld van de archieven van de Raad van State, de Staten van Holland, de Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland.
Steur, Archivisten, p. 142.
Door het vertragen van de voorbereidingen, het gebrek aan medewerking en de politieke omwenteling in 1813 vond de verzending slechts ten dele plaats. Met de aanvang van dit nieuwe tijdvak kreeg het Logement der vijf steden een nieuwe bestemming waardoor koning Willem I, conform het concept-voorstel van mr. H. van Stralen, commissaris-generaal voor Binnenlandse Zaken, op 8 maart 1814 besloot om in de lijn van het voorstel van Van Roijen uit 1800, inderdaad alle staatspapieren op een plaats bijeen te brengen. Hiervoor werd een der bovenste vertrekken naast de Loterijzaal op het Binnenhof aangewezen. Van Wijn en De Fouw werden dientengevolge in hun oude functies hersteld en J.C. de Jonge werd als substituut toegevoegd.
ARA, Archief van de Staatssecretarie onder Koning Willem 1, inv. nr. 11, 8 maart 1814, no. 9. Bakhuizen van den Brink, pp. 18-19; Steur, Archivisten, pp. 153-154.
In 1832 kreeg H. van Wijn door bemiddeling van mr. C. Vollenhoven, de minister van Binnenlandse Zaken, gedaan dat de archiefstukken die sinds 1787 afzonderlijk in een bruin kastje waren geborgen, door Ch.S. Flament, directeur van de Koninklijke Bibliotheek, werden teruggegeven.
Het Collectie Bruine Kastje is momenteel een onderdeel van RAZH, Archief van de Staten van Holland en West-Friesland, 1572-1795. Tijdens de inventarisatie worden deze stukken zoveel mogelijk ondergebracht in de rubrieken waar zij eigenlijk vanouds behoren te zitten. Zie over deze Collectie: Bakhuizen van den Brink, pp. 53-55. ARA, Archief van het Departementaal Bestuur van Holland, inv.nr. 5097, 14 augustus 1806, no. 39, pp. 960-961; 13 november 1806, no. 27, pp. 1451-1454. ARA, Archief van het Algemeen Rijksarchief, inv.nr. 10, 27 juni 1832, no. 143; 23 december 1835, no. 181. Deze Collectie waarvan de inv.nrs. zijn omgenummerd, zoals blijkt uit een vergelijking met de lijst van 1832, werd nadien aangevuld met aanwinsten 1848-A I, 1854-A III, 1860-B IV, 1863- A 1 en 1866-A VI, Zie hiervoor ARA, Bibliotheek van de 1e afdeling, nr. 18, Lijsten van aanwinsten 1814-1864 en nr. 19, Lijsten van aanwinsten 1865-1874. Verder zie men voor aanvullingen: VROA, (1866), p. 29. Het tegenwoordige inv. nr. 104 werd gedeeltelijk verwerkt in deze inventaris. Zie hiervoor de inv.nrs. 398, 497, 501. Dit nr. maakte deel uit van de archivalia, die in 1954 onder no. 2 aan de Collectie werden toegevoegd. De laatste uitbreiding hiervan betreft het nieuwe inv.nr. 29, dat in 1981 als aanwinst 15 door het Rijksarchief in Zuid-Holland werd verworven. Zie hiervoor: Aanwinsten en overdrachten Rijksarchiefdienst 1981, (afzonderlijke publicatie naast het Jaarverslag van de Rijksarchiefdienst 1981), 's-Gravenhage.
Deze waren volgens J.H. van der Swinden in zijn rapport van 13 november 1806 in 1799 door de president van het Provinciaal Bestuur van Holland of door twee leden van het Wetgevend Lichaam van de charterkamer naar de Nationale Bibliotheek (de latere Koninklijke Bibliotheek) overgebracht. Dit hield verband met de Franse opvatting dat historisch wetenschappelijk belangrijke stukken in bibliotheken behoorden te berusten.
Zie noot 225.
Deze zelfde Van der Swinden werd later hoogleraar in welke hoedanigheid hij veel verdienstelijk onderzoek deed op het gebied van de Franse en Hollandse munten. Hiervoor raadpieegde hij onder meer het archief van 's Rijks Muntmeester. Aldaar verzuimde men echter om deze uitgeleende stukken na teruggave weer op hun oude plaats in te voegen, waardoor er een collectie Van der Swinden ontstond. Deze werd in 1930 door de Tweede Afdeling van het Algemeen Rijksarchief aangetroffen onder de stukken afkomstig van 's Rijks .Muntmeester.
VROA, Tweede serie, III (1930), pp. 29-30.
Mej. E.H. Korvezee, die met de inventarisatie hiervan belast was, kwam spoedig nadien tot de ontdekking dat zich hier echter ook een heleboel stukken onder bevonden, die voor hem waren gelicht uit de archieven van de Staten van Holland, van de Rekenkamer van Holland en van de Generaliteitsrekenkamer, die zodoende geheel waren afgedwaald. Daarom werd in 1941 besloten om het gedeelte, dat bleek te behoren tot de archieven van Holland, alsnog over te dragen.
VROA, Tweede serie, XIV (1941), p. 13.
De stukken die tot het Statenarchief hadden behoord werden voorlopig in het supplement Muntzaken, als bijlage op dit archief, ondergebracht. Het waren met name de inv.nrs. 3 en 4, die bij de bewerking van de inventaris van het archief van Oldenbarnevelt in de te vormen afdelingen ingepast konden worden.
Zie de inv.nrs. 149, 152, 162, 163, 1207, 1212, 1213, 1215, 1233, 1234, 1236, 1241, 1242, 1247, 1249, 1272-1274, 1278, 1280-1284.
Tegelijk met deze overdracht aan het Rijksarchief in Zuid-Holland vond in 1941 ook een schenking plaats van enkel gedrukte stukken aan de Koninklijke Bibliotheek.
Ook de collectie van wijlen J.H. Verwoert, voormalig commies bij de Algemene Rekenkamer, die in 1864 door het Rijksarchief werd verworven, vraagt hier een nadere bespreking. R.C. Bakhuizen van den Brink noemde deze meteen kostbaar, doordat zich hierin brieven en processtukken inzake de veroordeling van Johan van Oldenbarnevelt en anderen bevonden. Hiertoe behoorden een aantal brieven van Johan van Oldenbarnevelt aan Noël de Caron, Gideon van Boetzelaer en François van Aerssen.
Fruin, De Gestie, p. 238. ARA, Bibliotheek van de 1e afdeling, nr. 18, Lijst van aanwinsten 1814-1864, 1864-A 1, ARA, Archief van het Rijksarchief, inv.nr. 30.
Verwoert had deze namelijk tijdens zijn leven van onbekende particulieren ten behoeve van het Rijk aangekocht. Vervolgens had zijn executeurtestamentair ze na zijn overlijden in 1845 aan het Departement van Financiën geschonken, waar ze geheel in vergetelheid raakten. Mr. L. Ph.C. van den Bergh ging ertoe over om deze stukken in druk te laten verschijnen. In zijn voorwoord wees hij erop dat door het verwerven van deze collectie Bakhuizen van den Brink's veronderstelling juist was gebleken. Deze had namelijk reeds eerder geopperd dat deze stukken vermoedelijk in het bezit van de rechters waren gekomen, waarna ze vervolgens in particuliere handen waren overgegaan. Zodoende had Bakhuizen van den Brink de mogelijkheid dat ze ooit deel van het archief van de Staten-Generaal hadden uitgemaakt, uitdrukkelijk afgewezen.
Als eerste maakte Van Deventer in dl. III, Voorrede, van deze vondst melding. De stukken zelf werden merendeels als bijlagen opgenomen in Van Den Berghs Intendit. Zie verder hierover: RGP 80, p. IX.
Dit gedeelte van de collectie Verwoert maakte archivistisch gezien nogal vreemde omzwervingen binnen het Algemeen Rijksarchief. Allereerst werden de hierboven beschreven stukken in het ambtelijk archief van de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt ingevoegd. Daar deze stukken enerzijds niet ambtshalve waren opgemaakt door hem en anderzijds over hem handelden, was dit een onjuiste beslissing. Dit werd alleen nog maar erger doordat ook de stukken betreffende Oldenbarnevelts medegevangenen in zijn ambtelijk archief werden ondergebracht.
Van den Bergh, Intendit, p. VI; Bakhuizen van den Brink, pp.75-77.
Deze vergissing werd in 1963 gelukkig onderkend toen het Rijksarchief in Zuid-Holland, zonder hiervan overigens een akte van overdracht op te maken, deze archivalia krachtens het herkomstbeginsel aan de Eerste Afdeling van het Rijksarchief overdroeg, alwaar ze bij het archief van de Staten-Generaal werden ingevoegd.
Muller, Feith, Fruin, § 21; Van der Gouw, Hardenberg, Hoboken, Panhuysen, nr. 84.
Historisch gezien, zoals Bakhuizen van den Brink reeds in 1854 aantoonde, was dit niet geheel de juiste plaats. Daar echter niets bekend is over de persoon of familie van wie Verwoert deze stukken kocht, lijkt dit voorlopig de beste oplossing. Te meer daar de onderzoeker, die er vanuit gaat dat dit het college was dat destijds het proces tegen Oldenbarnevelt aanspande, deze stukken in het archief verwacht te zullen vinden.
De voormalige inv.nrs. 260 a-p zijn in het archief van de Staten-Generaal als volgt omgenummerd: 1620 a,c = 9450, 9451; 2620b = 9452, 9453; 2620 d-g = 9454-9457; 2620 h = 9458, 9459; 2620 i = 9460; 2620 j = 9494; 2620 k 9461; 2620 l-p zijn ingevoegd bij het reeds bestaande inv.nr. 9458.
Naast deze tijdelijke of blijvende aanvullingen op het archief van Oldenbarnevelt kunnen nog worden genoemd de aanwinsten van 1859 en 1862
ARA, Bibliotheek van de 1e afdeling, nr. 18, Lijst van aanwinsten, 1859-B II. Deze aanwinst werd aangekocht uit de auctie Bom cat. no. 18. In de inventaris van Oldenbarnevelt terug te vinden onder inv.nr. 1699. ARA, Bibliotheek van de 1e afdeling, nr. 18. Lijst van aanwinsten, 1862-V. Deze aanwinst werd aangekocht uit de auctie M. Nijhoff cat. no. 165. In de inventaris van Oldenbarnevelt ondergebracht onder inv.nr. 528a.
, de Verspreide Collecties en de Handschriftenverzameling van het Rijksarchief in Zuid-Holland. De beide laatstgenoemde verzamelingen danken hun ontstaan aan verschillende oorzaken. Zo kan het archief, waarvan de in deze collecties berustende stukken destijds deel uitmaakten, verloren zijn gegaan of kunnen de archiefbescheiden vroeg of laat afgedwaald zijn. Wanneer deze door aucties weer in het bezit van het Algemeen Rijksarchief of het Rijksarchief in Zuid-Holland kwamen, werden zij allereerst in deze collecties ondergebracht, opdat tijdens de inventarisatiewerkzaamheden gepoogd kan worden deze stukken alsnog naar de archieven, waarmee zij vroeger hoogstwaarschijnlijk één geheel vormden, terug te brengen.
Zie voor de oude nrs. uit: RAZH, Verspreide Collecties inv,nrs.1549, 2563, 3054-3158, 3160-3163, 3274-3314. Zoals ook uit de concordantie blijkt is deze collectie naderhand nog bekend geworden onder de naam van RAZH, Supplement van de Staten van Holland en West-Friesland. In 1982 werden deze stukken voor het laatst beschreven en opgenomen in Meiboom haar plaatsingslijsten, pp. 18-53. Bij deze gelegenheid werd aan de nr. aanduiding 1117 voor de onderverdeling de doorlopende nummering 1-162 toegevoegd. Het merendeel van deze nrs. is in deze inventaris verwerkt. Zie voor de oude nrs. uit: RAZH, Handschriftenverzameling, nu de inv.nrs. 478, 479, 481, 1463, 1911, 1956.
Tenslotte zij hier nog opgemerkt, dat de archieven, die in 1814 voor het laatst naar het Binnenhof waren verhuisd, sinds 1854 ondergebracht waren in een eigen Rijksarchief (het voormalige Logement van Amsterdam, het huidig ministerie van Buitenlandse Zaken). Dit was noodzakelijk geworden door het toenemende ruimtegebrek.
Fruin, De Gestie, p. 7.
In 1882 zag men zich ook hier al weer voor dezelfde moeilijkheden van ruimtegebrek geplaatst, hetgeen mede veroorzaakt was door het omvangrijke acquisitiebeleid, dat sinds 1854 was gevoerd. Er waren plannen om de stallen achter het Algemeen Rijksarchief, zoals sinds 1877 het Rijksarchief heette, in te richten voor archiefberging.
VROA, v (1882), p. 1.
Na sloop van deze gebouwen verrees hier de eerste Algemene Rijksarchiefbewaarplaats aan het Bleijenburg, die speciaal voor dit doel was ontworpen. Dit gebouw werd in 1902 betrokken en deed tot 1980 als zodanig dienst. Hierna betrokken het Algemeen Rijksarchief en het Rijksarchief in Zuid-Holland het nieuwe gebouw aan de Prins Willem Alexanderhof 20, waar nu onder meer het archief van de Staten van Holland en het tot voor kort daarin geincorporeerde archief van Johan van Oldenbarnevelt zijn ondergebracht.
"If they had cut his head off on account of his abominable handwriting, no creature would have murmured at the decree who had ever tried to read his infinite mass of manuscripts."
Uit een brief van J.S. Motley aan W. Russell.
Edwards, p. 576.
Reeds R.C. Bakhuizen van den Brink had volop aandacht voor de Hollandse archieven en was zelfs voornemens om na het verschijnen van het Overzigt een apart deel aan de wording van het archief van Holland en de daarbij behorende verzamelingen te wijden. Dit bleef een van zijn goede voornemens. Toch betekende de voltooiing van de inventarisatie van het archief van de Houtvesterij van Holland, een onderdeel van het Statenarchief, in 1865 een begin van de ontsluiting van dit grote archief.
VROA, (1865-1877), p. 19. Het is onbekend wie deze inventaris maakte. Zie voor een latere bewerking de inventaris van Bresnee.
Nadat mr. P.A. Leupe in de jaren 1869-1871 de serie octrooien door middel van een alfabetische en systematische index had bewerkt
VROA, (1865-1877), p. 58-59, p. 58-59, p. 64, p. 74. In het algemeen Rijksarchief is deze handgeschreven index op de studiezaal te raadplegen onder nr. 3.1.04. Veel van dit materiaal is verwerkt in de publicaties van Doorman.
, begon hij in 1873 met de inventarisatie van de stukken van de raadpensionarissen Johan de Witt en Caspar Fagel en het bewerken van de binnenlandse correspondentie aan de Staten van Holland respectievelijk aan de voornoemde raadpensionarissen. Hierbij ging hij er toe over om de liassen te verbreken. Dit was op zich zelf wel begrijpelijk, maar erger was dat hij ertoe overging om de Loketkast van Holland te slopen zonder daarbij duidelijk aan te geven waar de desbetreffende stukken uit afkomstig waren.
VROA, (1865-1877), p. 94.
Zoals betoogd, was de systematiek van het archief van de Staten van Holland niet zo ver doorgevoerd als dat bij het archief van de Staten-Generaal was gebeurd, waar achteraf een reconstructie mogelijk bleek
Van Riemsdijk.
. Mr. P.G. Bos onderzocht de mogelijkheid hiervan ook voor de Loketkast Holland, met negatief resultaat. Volgens de Algemene Rijksarchivaris mr. Th.H.F. van Riemsdijk in zijn jaarverslag van 1909 hoefde dit niet te worden betreurd, omdat dit archief "uit archivistisch oogpunt minder belangrijk was" dan dat van de Staten-Generaal.
VROA, XXXII (1909), p. 8.
Deze uitspraak baseerde Van Riemsdijk op een lezing die mr. P.G. Bos zelf op 14 mei 1909 voor de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde over het archief van de Staten van Holland had gehouden. Daarin ging hij onder meer in op de inmiddels begonnen herinventarisatie van het archief van de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt, terwijl hij ook aan de archieven van de andere raadpensionarissen aandacht besteedde.
Zie noot 212.
Als geen ander was hij op dat moment op de hoogte van de inhoud van het Statenarchief. Zijn vroege dood op 14 mei 1913 bracht hierin echter een onverwachte wending.
VROA, XXXI (1908), pp. 9-10; VROA, XXXII (1909), pp. 7-8; Het In Memoriam van Van Gelder over Bos in NAB.
Het duurde tot 1976 voordat het archief van deze belangrijke staatsman binnen het kader van het project van de herinventarisatie van de archieven van de Staten van Holland weer opnieuw de gewenste aandacht kreeg.
Alvorens daar nader op in te gaan moet eerst het een en ander gezegd worden van inventarisatiewerkzaamheden, die vóór de komst van Bos aan het Statenarchief plaats hadden gehad. De door mr. P.A. Leupe begonnen werkzaamheden aan het Statenarchief werden naderhand overgenomen door J.J. Feijlbrief, die speciaal belast werd met de inventarisatie van het oud-archief van Holland in zijn totaliteit, d..w.z. met alle daarbij behorende archieven, zoals het archief van de Ridderschap van Holland, de Rekenkamer van Holland en andere. Hiermee kwam hij in 1876 klaar, waarna mr. P.L. Muller nog in 1877 in de bestaande series stukken invoegde, die als "rudis indigestaque moles" in de Loketkast Holland waren geplaatst. Na het aanbrengen van de laatste aanvullingen en verbeteringen werd in 1879 overgegaan tot het aanbieden van een concept van de inventarissen van het oud-archief in Holland aan de minister van Binnenlandse Zaken Jhr. mr. w. Six.
VROA, (1865-1877), pp. 125-126, p. 135; VROA, I (1878), p. 6; VROA, II (1879), p. 5; VROA, III (1880), pp. 4-5.
Deze diende namelijk krachtens art. 4 van de instructie van de Rijksarchivaris toestemming te verlenen tot het uitgeven van wetenschappelijk verantwoorde inventarissen. De minister won advies in bij de toenmalige archivaris van Gelderland Jhr. mr. Th.H.F. van Riemsdijk, die hem in 1880 een rapport met zijn oordeel deed toekomen. Daar de Handleiding
Muller, Feith, Fruin.
toen nog niet bestond, gaf Van Riemsdijk, alvorens over te gaan tot zijn beoordeling, eerst een uitgebreide en nu nog lezenswaardige inleiding over de vorming en inventarisatie van overheidsarchieven. Hoewel hij van mening was, dat de inventarissen blijk gaven van vakkennis, was zijn persoonlijk oordeel toch afwijzend ten aanzien van het uitgeven in druk, daar zij "geen algemeen stelsel van indeling, ordening en beschrijving" vertonen en het Rijksarchief in deze juist een voorbeeldfunctie zou moeten vervullen.
ARA, Archief van het Algemeen Rijksarchief, inv.nrs. 662, 663.
Eén van de punten van kritiek hierbij was dat de archieven van de landsadvocaten en raadpensionarissen niet afzonderlijk waren beschreven, maar als onderdeel van het Statenarchief. Een keuze, die op naam staat van mr. P.L. Muller, maar die ook mr. P.G. Bos desalniettemin van plan was te zijner tijd aan te houden. Toen in 1975 begonnen werd met het project van de herinventarisatie van het archief van de Staten van Holland en West-Friesland werd bewust wel voor afzonderlijke uitgave van deze archieven naast dat van de Staten van Holland gekozen.
Het zou tot de komst van mr. P.G. Bos naar 's-Gravenhage in 1908 duren, alvorens de inventarisatiewerkzaamheden aan dit archief weer werden hervat. Na een eerste verkenning van het gehele Statenarchief beperkte hij zich van 1909 af tot de inventarisatie van de papieren van Oldenbarnevelt, waarvan toen al werd opgemerkt dat de veelsoortigheid en het grote aantal maakte, dat het zeer lastig was om doelmatige beschrijvingen te maken.
VROA, XXXII (1909), pp. 7-8; VROA, XXXIII (1910), pp. 11-14; VROA, XXXIV (1911), pp. 11-14; VROA, XXXV (1912), p. 17.
Hiermee was hij in 1913 al een eind gevorderd, zoals blijkt uit de beschrijvingen, die drie bundels fiches bevatten en gelukkig bewaard zijn gebleven. De oplettende onderzoeker en raadpleger van de door de Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis uitgegeven RGP-delen betreffende de Oldenbarnevelt bescheiden zal het zijn opgevallen dat de differentiëring bij de inventarisnummers (inv.nrs.) verder gaat dan die van de voorhanden zijnde inventaris van de Staten van Holland en West-Friesland na 1572.
RGP 80, 108, 121.
Deze correspondeert namelijk met de onderverdeling die mr. P.G. Bos tijdens zijn inventarisatie aanbracht.
De verwerving van het archief
Het archiefblok bevat archiefstukken onder verschillende rechtstitels verworven.