Archief
Titel
3.11.14 Inventaris van de archieven van de Consulentschappen in de provincie Zuid-Holland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 1879-1990 (1995)
Auteur
Doc-DirektVersie
28-05-2019
Copyright
Nationaal Archief, Den Haag
(c) 2016 cc0Beschrijving van het archief
Naam archiefblok
Ministerie van Landbouw, Consulentschappen in de provincie Zuid-HollandPeriodisering
archiefvorming: 1879-1990 oudste stuk - jongste stuk: 1879-1995
Archiefbloknummer
37236Omvang
; 1359 inventarisnummer(s) 31,30 meterTaal van het archiefmateriaal
Het merendeel der stukken is in het.
Nederlands
Soort archiefmateriaal
Normale geschreven en getypte documenten, geen bijzondere handschriften. Het archief bestaat uit dossiers. Hierin kunnen zich foto’s, negatieven en kaarten bevinden.Archiefdienst
Nationaal ArchiefLocatie
Den HaagArchiefvormers
Rijkszuivelconsulentschap voor Zuid-Holland in Gouda Rijkszuivelconsulentschap voor de Boerenkaas in Gouda Rijkszuivelconsulentschap voor Zuivelonderwijs in Gouda Rijkszuivelconsulentschap voor Consumptiemelk in 's-Gravenhage Rijkszuivelconsulentschap voor Melkproducten in 's-Gravenhage Rijkslandbouwleraar voor Zuid-Holland Rijkslandbouwconsulentschap in Rotterdam Rijkslandbouwconsulentschap Dordrecht/Barendrecht Consulentschap voor de Akkerbouw en Rundveehouderij in Barendrecht Consulentschap voor de Akkerbouw in Barendrecht Consulentschap voor de Akker- en Tuinbouw in Barendrecht Rijksveeteeltconsulentschap voor Zuid-Holland in Den Haag Consulentschap voor de Rundveehouderij in Gouda Rijkspluimveeteeltconsulentschap voor Noord-, Zuid-Holland en Zeeland in Leidschendam Consulentschap voor de Varkens- en Pluimveehouderij in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht Rijkstuinbouwconsulentschap in Lisse Consulentschap voor de Tuinbouw in Lisse Rijkstuinbouwconsulentschap/ Consulentschap in Algemene Dienst voor de Bloembollenteelt in Lisse Rijkstuinbouwconsulentschap in Barendrecht Consulentschap voor de Tuinbouw in Barendrecht Rijkstuinbouwconsulentschap in Naaldwijk Consulentschap voor de Tuinbouw in Naaldwijk Consulentschap in Algemene Dienst voor de Groente- en Fruitteelt onder Glas in Naaldwijk Rijkstuinbouwconsulentschap in Boskoop/Consulentschap voor de Tuinbouw in Boskoop Consulentschap voor de Tuinbouw te Midden Holland in Ter Aar Rijksconsulentschap voor Grond- en Pachtzaken in Den Haag Rijkstuinbouwconsulentschap voor particuliere tuinen en volkstuinen College van Consulenten Commissie van de Provinciale Stierenkeuringen in Zuid-Holland Commissie ter Uitkeering der Rijkspremiën tot Ondersteuning van de Veefokkerij Provinciale Commissie ter Bevordering van de Rundveefokkerij in Zuid-Holland Rijkslandbouwwinterschool en Rijks Hogere en Middelbare Landbouwschool in Dordrecht Stichting Veevoederbureau voor Zuid-Holland Stichting Landbouwbelang Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (SLAV) Vereniging Proeftuin Rijnsburg en Omstreken Stichting Waarborginstituut voor de Tuinbouw in Zuid-Holland Stichting Landbouwbelangen Voorne-Putten-Rozenburg Streekverbeteringscommissie Voorne-Putten-Rozenburg Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in Lisse Vereniging naar Beter Fruit in Numansdorp, , 1879-1957, , (1939) 1959-1971 (1973), , 1895-1966 (1973), , 1946-1965, , 1953-1970Samenvatting van de inhoud van het archief
Het archief bevat archiefbescheiden gevormd door diverse diensten en fuctionarissen die zich in de periode 1879-1990 in de provincie Zuid-Holland bezig hielden met Landbouw, Veeteelt en Voedselkwaliteit.Archiefvorming
Geschiedenis van de archiefvormer
Algemeen
De overheid bemoeide zich aanvankelijk nauwelijks met de landbouw, ook in de 19e eeuw een belangrijke bedrijfstak in ons land. Particuliere landbouwverenigingen hielden zich bezig met de problemen op dat gebied. Na de grote landbouwcrisis in 1878 werd de overheid actiever: bij KB nr. 28 van 16 september 1886 werd een landbouwcommissie ingesteld. Een van de maatregelen die de commissie voorstelde was de benoeming van rijkslandbouw- en rijkstuinbouwleraren (later consulenten genoemd). In 1890 werd in Overijssel en Gelderland de eerste rijkslandbouwleraar van Nederland aangesteld. Deze was onder meer belast met het toezicht op proefvelden, het toezicht op het landbouwonderwijs, het verstrekken van adviezen aan land- en tuinbouwers en aan provinciale en gemeentelijke autoriteiten. ( Peter Priester, Landbouwvoorlichting en bedrijfsontwikkeling in Overijssel en de IJsselmeerpolders, 1890-1983 (Zwolle 1983) 1. ) Van 1892 tot 1898 ressorteerden het Rijkslandbouwonderwijs en de Rijkslandbouwvoorlichting onder twee verschillende ministeries. Landbouwonderwijs was ondergebracht bij de afdeling Onderwijs van het ministerie van Binnenlandse Zaken, terwijl de overige taken bij de afdeling Landbouw van het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid waren geplaatst. De afdeling Rijkslandbouwvoorlichting werd in 1898 ook naar Binnenlandse Zaken overgebracht. Sindsdien zijn de onderdelen voorlichting en onderwijs op het gebied van de landbouw steeds onder één ministerie gebleven: in 1901 was dat het ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid, in 1905 dat van Landbouw, Handel en Nijverheid (afdeling V).
In 1906 veranderde de afdeling Landbouw in de directie van de Landbouw (bij KB van 7 maart, nr. 12, gewijzigd bij KB van 30 september 1913, nr. 63 en opnieuw vastgesteld bij KB van 20 mei 1914, nr. 55), die nadien onder verschillende departementen ressorteerde.
Deze directie van de Landbouw kreeg een aantal afdelingen. Van 1906-1939 ressorteerden de consulenten onder één van die afdelingen. Tot 1963 was er alleen sprake van regionale consulentschappen die direct onder de directies op het departement ressorteerden. In 1963 werd in elke provincie een Provinciale Directie voor de Landbouwvoorlichting ingesteld met aan het hoofd een hoofdingenieur-directeur (HID). Deze had de taak om de werkzaamheden van de verschillende consulenten te coördineren. De taak van de Rijksconsulent bestond vooral uit voorlichting, onderzoek en onderwijs. In de jaren dertig kreeg de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst de beschikking over rayonassistenten (de latere bedrijfsvoorlichters) die zich bezig gingen houden met de directe voorlichting aan boeren en tuinders. ( Priester, Landbouwvoorlichting 2. ) Na de Tweede Wereldoorlog vond een verschuiving plaats in de taakuitvoering. Was de voorlichting aanvankelijk gericht op de individuele boer, in de jaren vijftig en zestig werd deze meer groepsgericht. Dit kwam o.a. tot uiting in activiteiten met betrekking tot de streekverbetering en de voorlichting in ruilverkavelingsgebieden. ( Inleiding van de Inventaris van het archief van de Rjiksconsulentschappen in de provincie Overijssel (1900) 1923-1988 (Winschoten 2000) CAS inventaris 397, 6. Ook wel: Inventaris van de Rijksconsulentschappen in de provincie Overijssel, Historisch Centrum Overijssel (HCO) toegangnummer 619. ) In 1968 begon men te praten over een vernieuwde opzet van de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst. De toenemende specialisatie op de land- en tuinbouwbedrijven en de noodzaak over de nieuwste kennis te kunnen beschikken vroegen een goed functionerend, nauw samenwerkend team van landbouwvoorlichters.
Tot de uitgangspunten van de reorganisatie behoorden verder het verkrijgen van een nauwe samenwerking met landbouworganisaties en het bedrijfsleven in het algemeen op voorlichtingsgebied om met een doeltreffende begeleiding van boer en tuinder te bereiken, zowel in technisch-economisch als in sociaal opzicht. De gevoerde besprekingen leidden uiteindelijk tot de opheffing van de bestaande 58 consulentschappen in 1969, en de instelling van 42 nieuwe diensten. Voorts werden consulentschappen voor veredelingsproductie ingesteld. Deze consulentschappen kwamen in de plaats van onder meer de vroegere Pluimveeteeltconsulentschappen. ( Inleiding van de Inventaris van het archief van de Rijksconsulentschappen in de provincie Overijssel (1900) 1923-1988 (Winschoten 2000) CAS inventaris 397, 6. Ook wel: Inventaris van de Rijksconsulentschappen in de provincie Overijssel, Historisch Centrum Overijssel (HCO) toegangnummer 619. ) Voorlichting in de landbouw werd aanvankelijk gegeven in de productiesfeer. In niet-grondgebonden bedrijfstakken en in de tuinbouw werd al rekening gehouden met de marktsituatie en de verticale bedrijfskolom. Na circa 1960 werden, naar aanleiding van gestegen productie, vraagstukken met betrekking tot rationalisering van de productiesystemen belangrijk. De aandacht ging vooral uit naar bedrijfseconomische aspecten. Voorlichting richtte zich vooral op bedrijfsstructurele ontwikkelingen en op nieuwe bedrijfstechnieken. De nadruk binnen de voorlichting verplaatste zich van vooral technische voorlichting naar bedrijfseconomische ontwikkeling. De consulentschappen moesten (als gevolg van allerlei ontwikkelingen in de agrarische sector) centrale punten worden voor een gebied van waaruit deskundige hulp werd geboden aan de agrarische ondernemers.
De dagelijkse leiding van het consulentschap lag bij de consulent. Gelet op de omvang en de aard van het consulentschap werd de consulent bijgestaan door onder meer ingenieur(s), bedrijfstakdeskundigen, specialisten en het hoofd voorlichtingszaken. De consulent (en eventueel ingenieurs) leidden de bedrijfstakdeskundigen. De bedrijfstakdeskundigen gaven (met inachtneming van hun verantwoordelijkheid voor de bedrijfstak in hun gebied) leiding aan de bedrijfsvoorlichters. De hoofden voorlichtingszaken hielden zich op hun beurt bezig met de interne organisatie van het consulentschap, de programmering en de voorlichtingskundige aspecten die zich in het consulentschap voordeden bij de overbrenging van kennis naar de land- en tuinbouwer.
De bedrijfstakdeskundigen en specialisten kwamen vooral in groepsverband in contact met de land- en tuinbouwers, terwijl de bedrijfsvoorlichters de meeste directe contacten hadden met de agrarische ondernemers.
Rijkszuivelconsulentschap voor Zuid-Holland in Gouda
In 1893 werd A. Bos de tweede rijkszuivelconsulent in Nederland. Zijn standplaats werd Den Haag. Zijn belangrijkste taak lag op het gebied van de zelfkazerij. De rijkszuivelconsulent gaf advies, demonstraties en cursussen over diverse aspecten van de boerenkaasbereiding. Door de benoeming van Ir. W.J. Huisman waren er twee rijkszuivelconsulenten in Zuid-Holland. Deze situatie bleef bestaan totdat W.J. Huisman de taken van A. Bos overnam. De taken van de consulent lagen op het gebied van de boeren, de boerenkaasbereiding, het geven van melkcursussen en ’s winters het geven van onderwijs aan de winterscholen in Dordrecht en Voorhout. Daarnaast werden er ’s winters cursussen voor fok- en controleverenigings- of fabriekscontroleur gegeven. In de oorlog lag de zuivelvoorlichting grotendeels stil. Tot 1949 waren er slechts een klein aantal mensen werkzaam bij het consulentschap. Daarna werd de personeelsformatie uitgebreid.
Behalve het aantal personeelsleden, werd ook de voorlichting op het gebied van de boerenkaasbereiding uitgebreid. Niet alleen het aantal personeelsleden werd uitgebreid. Ook de voorlichting bij de boerenkaasbereiding werd, door propaganda in samenwerking met onder andere landbouworganisaties en bedrijfsverenigingen, uitgebreid. Daarnaast werd de organisatie van melkcursussen bevorderd en er kwam meer aandacht voor het machinaal melken. Met ingang van 1 februari 1959 werd het Rijkszuivelconsulentschap in Gouda opgeheven. De rijksveeteeltconsulent voor Zuid-Holland in ’s-Gravenhage werd voor de provincie Zuid-Holland belast met het geven van voorlichting op het gebied van de melkwinning en –behandeling op de boerderij, de voorlichting op het terrein van het machinaal melken en het technisch adviseurschap ten aanzien van het onderwijs in de zuivelvakken. Daarnaast werd er een Rijkszuivelconsulentschap voor de Boerenkaas in Gouda opgericht.
Rijkszuivelconsulentschap voor de Boerenkaas in Gouda
Per 1 februari 1959 werden het Rijkszuivelconsulentschap in Utrecht en het Rijkszuivelconsulentschap voor Zuid-Holland in Gouda opgeheven. De taken van dit consulentschap werden verdeeld over het Rijksveeteeltconsulentschap in Utrecht en het nieuwe Rijkszuivelconsulentschap voor de Boerenkaas in Gouda. Dit nieuwe consulentschap, dat zich voornamelijk bezighield met het geven van voorlichting en advies aan zelfkazers, was een consulentschap in algemene dienst. Dit hield in dat het ambtsgebied van de consulent het hele land omvatte. In de praktijk bleef het werkgebied van de consulent, door het ontbreken van zelfkazers in andere provincies, echter beperkt tot de provincies Utrecht en Zuid-Holland.
Rijkszuivelconsulentschap voor het Zuivelonderwijs in Gouda
Het eerste zuivelonderwijs ontstond aan het einde van de negentiende eeuw; een ontwikkeling die samenhing met het ontstaan van fabrieksmatige verwerking van zuivel. In toenemende mate ging het Rijk zich met zuivel en zuivelonderwijs bemoeien. Zo ontstonden de zuivelconsulentschappen en dus ook het Rijkszuivelconsulentschap voor het zuivelonderwijs in Gouda. De consulent voor het zuivelvakonderwijs in Gouda was belast met het organiseren en geven van zuivelvakonderwijs in Utrecht en Zuid-Holland. Onderwijs werd gegeven door middel van cursussen en aan Rijkslandbouwwinterscholen. Een andere taak van het consulentschap was het geven van advies aan verenigingen en bedrijven over zuivelaangelegenheden. Het consulentschap is in 1966 opgeheven, waarna de Regionale Stichting Beroepsopleiding Levensmiddelenindustrie voor Zuid-Holland en Utrecht, gevestigd in Gouda, de werkzaamheden voortzette.
Rijkszuivelconsulentschap voor Consumptiemelk en Melkproducten in ’s-Gravenhage
Omstreeks 1880 ging de coöperatieve verwerking van melk steeds meer op de voorgrond treden; de bereiding van boter en kaas werd overgebracht van de boerderij naar de fabriek. In deze tijd ontbrak het in Nederland aan voorlichting en aanmoediging van de zijde van deskundigen, zoals wel het geval was in het buitenland, vooral in Denemarken. Met de tijdelijke aanstelling van een deskundige op zuivelgebied uit Sleeswijk-Holstein in 1881 door de Friesche Maatschappij van Landbouw, die optrad als inspecteur in de zuivelbereiding en adviezen gaf, en in 1889 door dezelfde Maatschappij de aanstelling van een ambtenaar in vaste dienst, die zich als consulent geheel zou wijden aan de bevordering van de belangen van de zuivelbereiding, begint de geschiedenis van het zuivelconsulentwezen in Nederland. Het goede voorbeeld, door de Friesche Maatschappij van Landbouw gegeven, vond navolging in andere provincies.
Ofschoon in bijna alle provincies het initiatief voor de aanstelling van zuivelconsulenten werd genomen door de bestaande landbouworganisaties, waarbij het Rijk financiële steun verleende, waren de consulenten toch niet te beschouwen als direct ondergeschikte ambtenaren van die organisaties. Evenwel waren er al spoedig moeilijkheden voornamelijk van financiële aard. De uitgaven gingen bij sommige landbouworganisaties weldra de draagkrachten te boven, zodat deze naast de Rijkssubsidie ook bijdragen van zuivelfabrieken moesten vragen. Daarom werd besloten in 1912 om de consulenten geleidelijk over te laten gaan in overheidsdienst. De eerste zuivelconsulenten die tot Rijksambtenaar werden benoemd, waren die in de provincies Noord-Brabant en Noord- en Zuid-Holland, waarna sinds 1930 geleidelijk in de andere provincies ook rijkszuivelconsulenten werden benoemd. In de jaren 1957-1979 werden de provinciale rijkszuivelconsulentschappen geleidelijk opgeheven.
In de plaats daarvan werden enerzijds vele taken ondergebracht bij enkele landelijke specialistische rijkszuivelconsulentschappen, namelijk voor Kaas te Arnhem, en voor Consumptiemelk en voor Melkproducten, de beide laatsten gevestigd in 's-Gravenhage, allen ressorterende onder de Directie Veeteelt- en Zuivelaangelegenheden en anderzijds taken overgenomen door de provinciale rijksveeteeltconsulenten.
De werkzaamheden van het consulentschap bestonden voornamelijk uit:
- voorlichting op melkhygiënisch terrein, grotendeels door middel van het melkonderwijs
- individuele voorlichting en onderwijs inzake machinaal melken
- voorlichting inzake veeverpleging en stalhygiëne door demonstraties en stalwedstrijden
- onderwijs in zuivelbereiding aan Landbouwwinterscholen
- onderwijs door middel van cursussen voor controleurs fokvereniging, stal- en voederadviseurs en personeel van zuivelfabrieken
- toezicht op het onderwijs aan melkdistribuanten
- richting geven aan de zuivelbereiding in grote lijnen door middel van het adviserend lidmaatschap van zuivelbonden, controlestations en commissies van deze.
In 1954 werd het Rijkszuivelconsulentschap voor Melkproducten in Den Haag ingesteld. De consulent kreeg een dubbele taak. Hij was in de eerste plaats het hoofd van het consulentschap en in de tweede plaats werd hij belast met de dagelijkse leiding van de Rijkszuivelinspectie. De Rijkszuivelinspectie was belast met het Rijkstoezicht op de kaas-, boter- en melkproductencontrolestations en het Zuivel Kwaliteitscontrole Bureau (ZKB). Naar aanleiding van de samenvoeging van de Directies Veeteelt en Zuivel werd een Inspecteur voor het Zuivelwezen benoemd. Aan hem werd onder andere de dagelijkse leiding van het Bureau van de Rijkszuivelinspecteur toevertrouwd. De consulent bleef nauw samenwerken met de Inspecteur voor het Zuivelwezen, waarbij de consulent vooral de werkzaamheden met betrekking tot de melkproducten kreeg toebedeeld. In de periode van 1962-1965 verbleef de rijkszuivelconsulent voor melkproducten in het buitenland voor het vervullen van een opdracht voor de Food and Agriculture Organization van de Verenigde Naties. Vanwege de pensionering van de rijkszuivelconsulent voor consumptiemelk werd dit consulentschap per 1 januari 1966 samengevoegd met het Rijkszuivelconsulentschap voor Melkproducten tot het nieuwe Rijkszuivelconsulentschap voor Consumptiemelk en Melkproducten.
De taak van het Rijkszuivelconsulentschap voor Consumptiemelk en Melkproducten was het geven van voorlichting op het gebied van de consumptiemelk, consumptiemelkproducten, melkproducten en zogenaamde speciaalproducten; enerzijds aan de overheid anderzijds aan de zijde van het bedrijfsleven. Kenmerkend voor het consulentschap was dat het geen rechtstreeks of indirect contact had met de boer en het geen voorlichting gaf en geen diensten verleende aan al dan niet regionale overheidsvoorlichtingsdiensten.
Er bestond wel een direct contact met de zuivelindustrie en de toeleverende en verwerkende industrie.
Rijkslandbouwleraar voor Zuid-Holland
Vanaf 1890 kreeg elke provincie in Nederland een rijkslandbouwleraar. De taken van de rijkslandbouwleraren bestonden tot 1895 uit het houden van landbouwkundige voordrachten in het ambtsgebied, het regelen en controleren van de van rijkswege gesubsidieerde proefvelden en het geven van inlichtingen aan de betrokken minister, de commissaris van de Koningin en de burgemeesters in zijn ambtsgebied. Daarnaast werd de taak van de rijkslandbouwleraren in 1895 uitgebreid met het uitvoeren van wetenschappelijke proeven. Tot 1898 ressorteerde de rijkslandbouwleraar onder twee departementen. Voor landbouwonderwijsaangelegenheden was hij aangewezen op het Departement van Binnenlandse Zaken, afdeling Onderwijs. Voor de andere landbouwaangelegenheden was de landbouwleraar aangewezen op het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Vanaf 1898 werden zowel de landbouwaangelegenheden als de landbouwonderwijsaangelegenheden ondergebracht bij het Departement van Binnenlandse Zaken. Vanaf 1906 ressorteerde de rijkslandbouwleraar onder de Directie van de Landbouw, Handel en Nijverheid. De taken van de leraar werden in dat jaar als volgt omschreven:
- het geven van advies aan landbouwers
- het geven van lezingen binnen zijn ambtsgebied
- het aanleggen van proefvelden
- het geven van onderwijs, vooral aan landbouwwinterscholen.
U.J. Mansholt was rijkslandbouwleraar in Zuid-Holland.
Rijkslandbouwconsulentschap in Rotterdam
De hoofdtaken van dit consulentschap waren vooral voorlichting en onderzoek. De voorlichting, onder te verdelen in individuele voorlichting en groepsvoorlichting, werd naast de consulent veelal gegeven door de vakspecialisten. De individuele voorlichting werd verzorgd door de bedrijfsvoorlichters. Zij stonden hiertoe in rechtstreeks contact met het Rijkslandbouwconsulentschap voor Plantenziekten.
De groepsvoorlichting werd gegeven door middel van:
- het uitgeven van een brochure, handelend over de mogelijkheden van het bestrijden van allerlei ziekten, plagen en onkruiden;
- het verzenden van een aantal waarschuwingskaarten, onder meer over de bestrijding van ziekten en plagen bij spruitkool;
- het (laten) omroepen van radioberichten.
De voorlichting was grofweg te verdelen in technische, huishoudelijke, agrarisch-sociale en voorlichting over boerderijbouw. Intensieve voorlichting werd gegeven in het kader van de rationalisatie van de bedrijfsvoering van melkveebedrijven in diverse regio’s in Zuid-Holland, zoals de Krimpenerwaard, IJsselstreek, Rijnstreek en het Noordelijk Klei- en Veengebied.
Onderzoek werd met name gedaan op proef- en voorbeeldbedrijven en een drietal stikstofproefbedrijven, te weten: J.A. Boere en P.C. Boere in Alphen aan den Rijn en Fa. T. Rijnsburger en Zn. in Zoeterwoude. Er werd veel tijd besteed aan onderzoek naar ziekten bij planten door insecten. Zo werden onder andere waarnemingen verricht over de vlucht van en de ei-afzetting door de tarwestengelgalmug, bladluizenvluchten en –vermeerdering op suikerbieten en de ei-afzetting door de koolvlieg op spruitkool. Een andere belangrijke taak van het consulentschap was het deelnemen aan de Streekverbeteringscommissie Zwammerdam. Deze streekverbeteringscommissie vergaderde 8 keer, waarbij vele vraagstukken en plannen omtrent de streekverbetering besproken werden. In 1966 werd gesproken over een reorganisatie van het consulentschap. Na toestemming van de Hoofddirectie Landbouwvoorlichting en Onderzoek werd besloten om in Zuid-Holland over te gaan tot het vormen van een specifiek veehouderij- en een specifiek akkerbouwconsulentschap. Het akkerbouwconsulentschap zou als standplaats Rotterdam krijgen en het veehouderijconsulentschap werd in Gouda gevestigd.
Rijkslandbouwconsulentschap Dordrecht/Barendrecht
In 1915 werd voor de rijkslandbouwleraar A.A. Neeb voor het ambtsgebied Rotterdam een medewerker aangesteld met als standplaats Dordrecht. In deze functie werd J.A. van Riel als rijkslandbouwleraar benoemd. De belangrijkste taak van Van Riel was de waarneming van het Directoraat van de Rijkslandbouwwinterschool in Dordrecht. In 1916 werd Van Riel aangesteld als Directeur van de school. Daarnaast werd hij belast met de uitoefening van het toezicht op het lager landbouwonderwijs voor het zuidelijke deel van de provincie Zuid-Holland. Tevens werd hem in 1916 de zorg voor de proefvelden in de hele provincie toevertrouwd. In 1918 werd een deel van het ambtsgebied Rotterdam afgesplitst. Dit deel werd aan Van Riel toegewezen als het nieuwe ambtsgebied Dordrecht. Met de instelling van het nieuwe ambtsgebied verviel voor J.A. van Riel de waarneming van het rijkslandbouwleraarschap voor de provincie Zuid-Holland. Met ingang van 1 januari 1920 werd de titel van rijkslandbouwleraar gewijzigd in rijkslandbouwconsulent. De taak van de rijkslandbouwleraar/consulent was veelzijdig. In de eerste plaats was hij de schakel tussen de overheid en de landbouwer. In de tweede plaats was hij de schakel tussen de wetenschap en de praktijk. En in de derde plaats was hij de vraagbaak van de agrarische bevolking. Het ambtsgebied van het Rijkstuinbouwconsulentschap Dordrecht/Barendrecht veranderde een aantal keren van omvang en gebied. Behalve het ambtsgebied van het consulentschap was ook de vestigingsplaats aan veranderingen onderhevig. Het Rijkstuinbouwconsulentschap Dordrecht/Barendrecht verhuisde tijdens haar bestaan diverse keren tussen Dordrecht en Barendrecht. Vanaf 1968 was het consulentschap gevestigd in Barendrecht. In 1969 werd bij de reorganisatie van de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst het Rijkslandbouwconsulentschap Dordrecht/Barendrecht opgeheven.
Consulentschap voor de Akkerbouw en Rundveehouderij in Barendrecht
Het Consulentschap voor de Akkerbouw en Rundveehouderij in Barendrecht werd ingesteld in 1969. De taakvoorganger was het Rijkslandbouwconsulentschap in Dordrecht/Barendrecht. De werkzaamheden van het consulentschap weken niet af van die van andere consulentschappen; deze waren geconcentreerd rond voorlichting, onderzoek en het geven van advies. De consulent was directeur van de Proefboerderij Westmaas en secretaris van het Aardappel Onderzoek Centrum en van het Centrum voor Rationele Bedrijfsvoering Zuid-Hollandse Eilanden. Verder werden nauwe contacten onderhouden met verschillende organisaties op het gebied van de bedrijfsvoorlichting.
Consulentschap voor de Akkerbouw in Barendrecht
Het consulentschap voor de Akkerbouw in Barendrecht hield zich voornamelijk bezig met de klassieke taken voor een consulentschap, namelijk het doen van onderzoek en het geven van voorlichting en advies aan particulieren, bedrijven en instellingen. Daarnaast werd er overlegd met andere consulentschappen uit de regio over mogelijke samenwerking. Het Consulentschap voor de Akkerbouw in Barendrecht werd met ingang van 1 oktober 1984 opgeheven en had het Consulentschap voor de Akker- en Tuinbouw in diezelfde plaats als taakopvolger.
Consulentschap voor de Akker- en Tuinbouw in Barendrecht
Het Consulentschap voor de Akker- en Tuinbouw in Barendrecht was de taakopvolger van het Consulentschap voor de Akkerbouw, dat opgeheven werd in 1984. De werkzaamheden van het consulentschap weken niet af van die van andere consulentschappen; deze waren geconcentreerd rond (bedrijfs)voorlichting, onderzoek en het geven van advies. Zo heeft een aanzienlijk deel van het bewaard gebleven archief betrekking op het geven van voorlichting over de teelt van diverse gewassen. Daarnaast werden activiteiten op het gebied van ruimtelijke ordening ontplooid.
Vanaf 1 september 1986 nam het consulentschap de activiteiten met betrekking tot de specialisatie insectenbestuiving en bedrijfsvoorlichter bijenhouderij over. Het ging hierbij om werkzaamheden in Zuid-Holland, Zeeland en Noord-Holland. In 1989 werd het consulentschap opgeven en werden de taken overgenomen door de Dienst Landbouw Voorlichting.
Rijksveeteeltconsulentschap voor Zuid-Holland in Den Haag
Het Rijksveeteeltconsulentschap hield zich vooral bezig met voorlichting, onderwijs en onderzoek. De taken van de rijksveeteeltconsulenten omvatten in hoofdzaak: het geven van advies aan de regering en aan veehouders in het ambtsgebied; het houden van voordrachten; het inrichten van voederproeven; het geven van onderwijs aan met name winterscholen en in het kader van cursussen tot opleiding van onderwijzers voor de akte landbouwkunde lager onderwijs; het houden van toezicht op cursussen in veekennis en het deelnemen aan veekeuringen.
Consulentschap voor de Rundveehouderij in Gouda
Na een geslaagde proef van twee jaar, waarbij het veeteeltconsulentschap voor Zuid-Holland werd ondergebracht bij het landbouwconsulentschap (of andersom), werd in 1969 besloten tot de vorming van een rundveehouderijconsulentschap. Dit nieuwe consulentschap zou worden geleid door de vroegere veeteeltconsulent en omvatte alleen de bedrijfstakken veehouderij en weidebouw. Daarnaast behoorden de werkzaamheden met betrekking tot de samenwerking met diverse organisaties op het gebied van de veehouderij en specialistische veeteeltzaken in de provincie tot de taken van het nieuwe veehouderijconsulentschap. Ook werd een groot deel van de werkzaamheden van het oude veeteeltconsulentschap bij het nieuwe consulentschap ondergebracht. Het Consulentschap voor de Rundveehouderij werd in Gouda gevestigd.
Rijkspluimveeteeltconsulentschap voor Noord-, Zuid-Holland en Zeeland in Leidschendam
In 1921 werd de Rijksvoorlichtingsdienst voor de Pluimveeteelt opgericht. Ir. Van Asperen Vervenne fungeerde tot 1928 als hoofdassistent bij deze dienst, met westelijk Nederland als zijn ambtsgebied. In 1928 werd hij districtsassistent over dit gebied en op 1 januari 1942 werd ir. Van Asperen Vervenne benoemd tot rijkspluimveeteeltconsulent. In januari 1950 ging ir. Van Asperen Vervenne met pensioen. Hij werd opgevolgd door ir. B.H. van der Zanden. In 1969 werd de naam van de dienst veranderd in het Rijkspluimveeteeltconsulentschap voor Noord-, Zuid-Holland en Zeeland.
De belangrijkste taken van het rijkspluimveeteeltconsulentschap waren: het geven van onafhankelijke technisch-economische voorlichting en advies, bijvoorbeeld aan bedrijven waar de pluimveehouderij een belangrijk bedrijfsonderdeel is en aan pluimveehouders. Te denken valt dan aan onderwerpen als bedrijfsvoering, bedrijfsinrichting, hokkenbouw, mechanisatie, diermateriaal en diervoeding, preventieve ziektebestrijding en financiering. De voorlichting werd vooral gegeven in de vorm van lezingen, het publiceren van artikelen in vakbladen, het beantwoorden van brieven en het geven van cursussen.
De dienst bestond voor de inspectie en kwaliteitscontroles, ook een belangrijke taak van dit consulentschap, uit:
- Ingenieur. De ingenieur had de algemene leiding en de leiding over de structuur van de productie, afzet en kwaliteitsaspecten. Verder had de inspecteur algemene contacten met het bedrijfsleven, productschappen en andere directies, alsmede internationale contacten.
- De consulent in algemene dienst. Deze was verantwoordelijk voor bedrijfstechnische problemen, contactfiguur tussen onderzoekers van instituten, proefbedrijven en specialisten op technisch terrein. Daarnaast hield de consulent in algemene dienst zich nog bezig met de organisatie en de specialisatie van de consulentschappen.
- Hoofdassistenten;
- Administratief medewerkers.
Hiernaast hield het consulentschap zich nog bezig met het uitvoeren en begeleiden van proeven. De proeven werden uitgevoerd op een drietal proefbedrijven, te weten:
- Proefbedrijf Zeeland in Wissenkerke;
- Proefbedrijf De Beemster;
- Stichting Nederlands Proefbedrijf voor de Slachtpluimveeteelt in Purmerend. Dit proefbedrijf werd in 1955 opgericht en hield zich voornamelijk bezig met slachtkuikenonderzoek in westelijk Nederland. Niet alleen kippenkuikens, maar ook de kuikens van kalkoenen en eenden worden bij het onderzoek betrokken. Dit proefbedrijf werd eind 1967 gesloten.
Consulentschap voor de Varkens- en Pluimveehouderij in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht
In 1969 werd de rijkslandbouwvoorlichting gereorganiseerd. In het kader van deze reorganisatie werden de consulentschappen opnieuw ingedeeld. Het Rijkspluimveeteeltconsulentschap in ’s-Gravenhage werd opgeheven en het Consulentschap voor de Varkens- en Pluimveehouderij voor Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht werd opgericht. Dit nieuwe consulentschap werd gevestigd in ’s-Gravenhage. Voordat het Consulentschap voor de Varkens- en Pluimveehouderij werd opgericht was de voorlichting voor de varkenshouderij en voor de pluimveehouderij over verschillende consulentschappen verdeeld. Na de reorganisatie van 1969 werd de voorlichting voor deze bedrijfstakken verenigd in het nieuwe consulentschap. Het Consulentschap voor de Varkens- en Pluimveehouderij in Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht was tot 1971 gevestigd in Den Haag, daarna verhuisde het consulentschap naar Gouda. Vanaf 1986 werd er gesproken over een privatisering van de landbouwvoorlichting. Er werd besloten tot de oprichting van de Dienst Landbouwvoorlichting. Deze dienst zou opgebouwd worden uit deskundigen per sector land- en tuinbouw. Deze werden per sector samengebracht in teams. Er werd uitgegaan van 4 regio’s die waren verenigd in een landelijke organisatie.
De kleine sectoren, zoals in Zuid-Holland de sector varkens en pluimvee, waren werkzaam over de regiogrenzen. Voor het westen van het land zou de varkensvoorlichting gegeven worden door de regio waarin ook Gelderland zat.
Tuinbouwconsulentschappen in Lisse
De Rijkstuinbouwconsulentschappen kwamen voort uit de werkzaamheden van de rijkstuinbouwleraren. De taak van de rijkstuinbouw- en ook de rijkslandbouwleraren bestond uit het houden van tuinbouwkundige voordrachten, het regelen en controleren van de van rijkswege gesubsidieerde proefvelden en het geven van inlichtingen aan de minister, de commissaris van de Koningin en de burgemeesters in zijn ambtsgebied. Later werden deze taken uitgebreid met het uitvoeren van wetenschappelijke proeven op diverse proeftuinen. Het Rijkstuinbouwconsulentschap in Lisse omvatte het oude centrum van de bloembollenteelt in Nederland. Ondanks dat in de loop van de jaren het zwaartepunt van de bloembollenteelt verschoof van het gebied rond Lisse naar Noord-Holland, behield het gebied het karakter van het oude centrum. Daarnaast bevond zich in het ambtsgebied van de tuinbouwconsulent in Lisse het belangrijkste centrum voor de bolbloementeelt in Nederland. In 1963 werd er naar aanleiding van een reorganisatie binnen het Ministerie van Landbouw en Visserij een consulentschap in algemene dienst voor diverse takken van de tuinbouw ingesteld. In 1969 werden de consulentschappen gereorganiseerd. Ook het Tuinbouwconsulentschap voor de Bloementeelt en het regionale tuinbouwconsulentschap, beide in Lisse, werden gereorganiseerd. In de nota Stadhouders over de reorganisatie van beide consulentschappen in Lisse stelde dat de integratie van het regionaal en landelijk consulentschap dienstig kon zijn aan de coördinatie van het onderzoek op de proeftuinen in Lisse en Rijnsburg en de coördinatie van de voorlichting van het landelijk en regionaal consulentschap.
De taken van het consulentschap waren in grote lijnen in de eerste plaats de bedrijfsontwikkelings- en technische voorlichting aan een tweetal typen bloembollenteelt bedrijven (kweker-handelaren, zuivere kweekbedrijven). Daarnaast was onderzoek op het gebied van de bedrijfsontwikkeling gewenst. Hiervoor was een belangrijke taak weggelegd voor de proeftuinen in Lisse en Rijnsburg, waar vele technische ontwikkelingen op hun praktische waarde werden getoetst. De tuinbouwconsulent in Lisse was zowel landelijk (consulent in algemene dienst) als regionaal consulent. Daarnaast was de consulent adjunct-directeur van het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in Lisse. Omdat een persoon belast werd met al deze taken werd de consulent bijgestaan door een adjunct-consulent. Deze functie werd vervuld door de bedrijfsingenieur. Door de centrale plaats van de bloembollenteelt en –handel binnen het ambtsgebied was ook de bedrijfsingenieur sterk betrokken bij landelijke activiteiten. Daarnaast werd hij belast met de dagelijkse leiding van de dienst.
Tuinbouwconsulentschappen in Barendrecht
De Rijkstuinbouwconsulentschappen kwamen voort uit de werkzaamheden van de rijkstuinbouwleraren. De taak van de rijkstuinbouw- en ook de rijkslandbouwleraren bestond uit het houden van tuinbouwkundige voordrachten, het regelen en controleren van de van rijkswege gesubsidieerde proefvelden en het geven van inlichtingen aan de minister, de commissaris van de Koningin en de burgemeesters in zijn ambtsgebied. Later werden deze taken uitgebreid met het uitvoeren van wetenschappelijke proeven op diverse proeftuinen. De tuinbouwconsulenten in Barendrecht waren, behalve het hoofd van het consulentschap, directeur van de Fruitteeltvakschool in Numansdorp. In 1969 werd het Rijkstuinbouwconsulentschap in Barendrecht, in het kader van een reorganisatie en herindeling van de consulentschappen, opgeheven.
Het nieuwe Consulentschap voor de Tuinbouw in Barendrecht werd nu belast met de taken van het Rijkstuinbouwconsulentschap.
Met deze reorganisatie van de consulentschappen werd geprobeerd om, nog meer dan in het verleden, de voorlichting, het praktijkonderzoek en andere activiteiten ter bevordering van de bedrijfsontwikkeling te richten op de gewenste structurele ontwikkelingen van de agrarische bedrijven en bedrijfstakken. Deze herstructurering sloot aan op de ontwikkelingen binnen de land- en tuinbouw in de jaren zestig. Naar aanleiding van de herindeling van de consulentschappen in 1969, kregen de consulentschappen, met behoud van de provinciale organisatie, een taksgewijze opstelling. De hoofdtakken waren de akkerbouw, de rundveehouderij, de varkens- en pluimveehouderij en de tuinbouw. Vanaf 1975 werd er naar aanleiding van de nota ‘Aanpassing van de structuur van de dienst’ gesproken over een mogelijke samenvoeging van de tuinbouwconsulentschappen in Barendrecht en Goes. Door beide consulentschappen op te heffen en een nieuw Consulentschap voor de Tuinbouw voor de Zuidhollandse Eilanden en Zeeland op te richten werd uitgegaan van een betere verdeling van de specialismen en leiding. Per 1 maart 1977 gingen het Consulentschap voor de Tuinbouw in Barendrecht en het Consulentschap voor de Tuinbouw in Goes samen. Het nieuwe consulentschap was gevestigd in Goes.
Tuinbouwconsulentschappen in Naaldwijk
Het Rijkstuinbouwconsulentschap in Naaldwijk werd ook wel het Rijkstuinbouwconsulentschap voor het Zuid-Hollands Glasdistrict in Naaldwijk genoemd. De consulenten waren behalve consulent ook directeur van het Proefstation voor de Groente- en Fruitteelt onder Glas in Naaldwijk. In 1969 werd, in het kader van een reorganisatie van de consulentschappen, het Rijkstuinbouwconsulentschap in Naaldwijk opgeheven. Het nieuwe Consulentschap voor de Tuinbouw in Naaldwijk nam de taken over.
De verwevenheid tussen het regionale tuinbouwconsulentschap en het Consulentschap in Algemene Dienst (CAD) voor de Groente- en Fruitteelt onder Glas was groot en werd in 1978 nog groter. Een deel van de taken van het CAD werd door de regio vervuld. Dit gold zowel voor groenten als bloemen. De consulent was belast met de administratie (ook van het proefstation). Hij werd bijgestaan door een toegevoegd ingenieur en een ingenieur bedrijfsontwikkeling.
De toegevoegd ingenieur was belast met de dagelijkse leiding van het consulentschap. Daarnaast hield hij zich bezig met de coördinatie tussen verschillende afdelingen en de onderlinge informatiestroom. De ingenieur bedrijfsontwikkeling was bedrijfstakeconoom bij het landelijk consulentschap (CAD). Zijn taak bij het regionale consulentschap was het geven van leiding aan de specialisten en de gang van zaken bij diverse regelingen.
Per 1 januari 1984 werden het CAD en het regionale tuinbouwconsulentschap gesplitst. Tot 1 januari 1984 was J.M. Jacobs consulent voor de tuinbouw en consulent in algemene dienst in Naaldwijk. Na de splitsing van de beide diensten werd A.J. Vijverberg (tot 1984 tuinbouwconsulent in Aalsmeer/Utrecht) consulent voor de tuinbouw in Naaldwijk. J.M. Jacobs ging zich na deze reorganisatie uitsluitend bezighouden met de taken van het CAD. Daarnaast was hij adjunct-directeur van het proefstation. Tot de splitsing van de taken in 1984 liep alles door elkaar. De splitsing werd echter in 1984 noodzakelijk omdat de organisatie was gegroeid en het allemaal te druk werd voor het personeel van beide diensten. De taken tussen de consulenten werden als volgt verdeeld:
- Tuinbouwconsulent Vijverberg: voorlichting en regionale zaken
- Consulent in algemene dienst Jacobs: landelijke zaken en voorlichtingszaken van het proefstation
Zowel het regionaal als het landelijk consulentschap bleven gevestigd op het proefstation.
De taken van het CAD waren:
- leveren van informatie aan alle voorlichters
- coördineren landelijke voorlichtingsactiviteiten
- vormen van de schakel tussen voorlichting en onderzoek op het proefstation
- adviseren van het Ministerie over beleid ten aanzien van de bedrijfstak
- onderhouden van contacten met landelijke organisaties voor zover het de bedrijfstak betreft
Het regionale consulentschap was niet ondergeschikt aan het landelijke consulentschap. De regionale consulentschappen bleven zelfstandige organisaties.
Vanaf 1986 werd er gesproken over de privatisering van de landbouwvoorlichting. Vanaf 1 januari 1990 werden de Directies Akker- en Tuinbouw (AT) en Veehouderij en Zuivel (VZ) gereorganiseerd. Er werd een Dienst Landbouw Voorlichting opgericht. Met ingang van 1 januari 1990 werden alle regionale consulentschappen (dus ook het Consulentschap voor de Tuinbouw in Naaldwijk) opgeheven. De activiteiten op het gebied van de voorlichting en de bedrijfsontwikkeling werden overgenomen door de Dienst Landbouw Voorlichting (DLV). Het Consulentschap voor de Tuinbouw in Naaldwijk werd dus opgeheven. De taken van de organisatie werden overgenomen door het Voorlichtingscentrum Tuinbouw onder Glas (VTG).
Rijkstuinbouwconsulentschap in Boskoop/ Consulentschap voor de Tuinbouw in Boskoop
De Rijkstuinbouwconsulentschappen kwamen voort uit de werkzaamheden van de rijkstuinbouwleraren. De taak van de rijkstuinbouw- en ook de rijkslandbouwleraren bestond uit het houden van tuinbouwkundige voordrachten, het regelen en controleren van de van rijkswege gesubsidieerde proefvelden en het geven van inlichtingen aan de minister, de commissaris van de Koningin en de burgemeesters in zijn ambtsgebied. Later werden deze taken uitgebreid met het uitvoeren van wetenschappelijke proeven op diverse proeftuinen. De rijkstuinbouwconsulent in Boskoop was tevens directeur van de Rijkstuinbouwschool in Boskoop en directeur van het Proefstation voor de Boomkwekerij.
Onderwijs en onderzoek vormden dus belangrijke onderdelen van het takenpakket van het consulentschap, maar ook voorlichting was een kernactiviteit. De consulent ondersteunde ook de rijkstuinbouwconsulent in Utrecht bij het behartigen van belangen van de boomkwekers in die provincie. Het ambtsgebied bestond uit gemeente Boskoop zelf, Hazerswoude, Zwammerdam, Reeuwijk en gedeelten van de gemeentes Alphen aan de Rijn en Waddinxveen.
Bij de reorganisatie in 1969 werd de naam Rijkstuinbouwconsulentschap in Boskoop gewijzigd in Consulentschap voor de Tuinbouw in Boskoop. In 1984 werd het consulentschap samengevoegd met het Consulentschap voor de Tuinbouw in Lisse tot het Consulentschap Midden-Holland in Ter Aar.
Consulentschap voor de Tuinbouw Midden Holland in Ter Aar
De voorlichting in de Bollenstreek werd verzorgd door het Consulentschap voor de Tuinbouw in Lisse en het Consulentschap voor de Tuinbouw in Boskoop. In 1984 werden de consulentschappen in Lisse en Boskoop samengevoegd tot het Consulentschap voor de Tuinbouw Midden-Holland in Ter Aar. Aan het hoofd van deze dienst stond ir. H. Bus. Het werkgebied van het consulentschap werd bij de reorganisatie van 1984 in een vijftal rayons verdeeld:
- Rayon Noord;
- Rayon West;
- Rayon Zuid;
- Rayon Oost;
- Rayon Bollenstreek en de Haarlemmermeer.
De belangrijkste taak van het consulentschap was een bijdrage te leveren aan een positieve ontwikkeling van de tuinbouwbedrijven in Midden-Holland, het noordelijke deel van de provincie Zuid-Holland. Getracht werd dit te bereiken door de doelgroepen, namelijk de ondernemers in de tuinbouw, voor te lichten op teelttechnisch, bedrijfseconomisch en bedrijfsorganisatorisch gebied. Daarbij werd gebruik gemaakt van individuele-, alsook massavoorlichting.
Een tweede taak van het Consulentschap voor de Tuinbouw Midden Holland in Ter Aar was het vervullen van een schakelfunctie tussen het bedrijfsleven en het tuinbouwkundig onderzoek. Praktijkproblemen werden via de verschillende overlegstructuren doorgegeven aan de onderzoeksinstellingen en omgekeerd werden de resultaten van het onderzoek zo goed mogelijk vertaald naar de praktijk. Om de taken goed uit te kunnen voeren werd veel samengewerkt met vaktechnische organisaties, contactgroepen, standsorganisaties en studieclubs.
Verder was er ook een goede samenwerking met proeftuinen en proefstations.
Naast bedrijfsvoorlichters, die een vertrouwensrelatie met de ondernemers onderhielden, beschikte het consulentschap over zes vakspecialisten, te weten: Vakspecialist Plantenziekten, Vakspecialist Arbeid, Vakspecialist Mechanisatie, Vakspecialist Kwaliteit en Bewaring Schurenbouw, Vakspecialist Klimaatregeling en Installaties en een Vakspecialist Bodem, Bemesting en Water. De bedrijfsvoorlichters en de vakspecialisten werkten nauw met elkaar samen. De vakspecialist bracht de bedrijfsvoorlichter van nieuwe zaken betreffende zijn vakterrein op de hoogte en bood hulp bij problemen en onderzoeken.
Het consulentschap werd per 1 januari 1990 opgeheven, de Dienst Landbouwvoorlichting nam de voorlichtingsactiviteiten van het consulentschap over.
Rijksconsulentschap voor Grond- en Pachtzaken in Den Haag
In januari 1943 ontstonden de Consulentschappen voor Grond- en Pachtzaken, destijds nog waargenomen door functionarissen in de rang van ingenieur bij de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst. De werkzaamheden besloegen de terreinen pacht, eigendom, ruimtelijke ordening, onderwijs en voorlichting, het adviseren aan gemeenten en particulieren inzake onteigeningen, welvaartsonderzoekingen, deelname aan commissoriaal werk en grondgebruiksdocumentatie.
Vanaf 1959 bestaan de consulentschappen voor Grond- en Pachtzaken niet meer als zelfstandige diensten.
De voormalige taken van het consulentschap worden sindsdien uitgevoerd door diverse instellingen en diensten, voornamelijk het Landbouw Economisch Instituut (LEI) en de Cultuurtechnische Dienst (waar, na de opheffing van de consulentschappen, een afdeling Grond- en Pachtzaken werd ingesteld).
Rijkstuinbouwconsulentschap voor Particuliere Tuinen en Volkstuinen.
De Rijkstuinbouwconsulentschappen kwamen voort uit de werkzaamheden van de rijkstuinbouwleraren. De taak van de rijkstuinbouw- en ook de rijkslandbouwleraren bestond uit het houden van tuinbouwkundige voordrachten, het regelen en controleren van de van rijkswege gesubsidieerde proefvelden en het geven van inlichtingen aan de minister, de commissaris van de Koningin en de burgemeesters in zijn ambtsgebied. Later werden deze taken uitgebreid met het uitvoeren van wetenschappelijke proeven op diverse proeftuinen. Het Rijkstuinbouwconsulentschap voor Particuliere Tuinen en Volkstuinen hield zich voornamelijk bezig met het geven van voorlichting en advies aan volkstuinders. Daarnaast werkten zij mee aan tuinkeuringen. Het Rijkstuinbouwconsulentschap voor Particuliere Tuinen en Volkstuinen werd ook wel het Rijkstuinbouwconsulentschap voor het Volkstuinwezen genoemd.
College van Consulenten
Het College van Consulenten was een overlegorgaan van de rijksconsulenten in de provincie. Het College van Consulenten in de Provincie Zuid-Holland werd in 1947 ingesteld. Het voorzitterschap van het College van Consulenten lag bij de rijkslandbouwconsulent in Rotterdam. In 1963 ging het College van Consulenten over in het College van overleg. Het voorzitterschap lag vanaf 1963 niet langer bij een landbouwconsulent, maar afwisselend bij de hoofdingenieur-directeur van de Landbouwvoorlichting en de hoofdingenieur-directeur van de Cultuurtechnische Dienst.
GEDEPONEERDE ARCHIEVEN
Provinciale Commissie ter Bevordering van de Rundveefokkerij in Zuid-Holland en taakvoorgangers
Zuid-Holland was een van de provincies waarin veel melk geproduceerd werd. Toch werden na de Tweede Wereldoorlog steeds meer melkveebedrijven omgezet in fokbedrijven. Dit werd voornamelijk bevorderd door een gedeeltelijke uitbetaling van de melk naar het vetgehalte, waardoor de drang naar de kennis van het vetgehalte van iedere koe afzonderlijk, steeds groter werd, wat een sterke uitbreiding van de melkcontrole als gevolg had. In tegenstelling tot andere provincies, waarin coöperatieve melkfabrieken de melkcontrole en de kosten daarvan in het geheel of gedeeltelijk voor hun rekening namen, kende Zuid-Holland slechts één coöperatieve melkfabriek. Hierdoor werden de veehouders een keer in het jaar geconfronteerd met een jaarlijkse rekening. Daardoor werd het ook moeilijk om de melkcontrole uit te breiden. Er werd daarom door diverse instellingen geprobeerd om de rationele fokkerij te bevorderen. De Commissie ter Bevordering van de Rundveefokkerij en haar taakvoorgangers, de Commissie van de Provinciale Stierenkeuringen in Zuid-Holland en de Commissie ter Uitkeering der Rijkspremiën tot Ondersteuning van de Veefokkerij waren instellingen die dit doel probeerden te bereiken. Vanaf 1959 was de rijksveeteeltconsulent in Zuid-Holland de secretaris-penningmeester van de commissie. Daarvoor was hij adviserend lid. In 1970 ging de Provinciale Commissie ter Bevordering van de Rundveefokkerij in Zuid-Holland op in de Provinciale Stichtingen voor de Veeverbetering.
Rijkslandbouwwinterschool en Rijks Hogere en Middelbare Landbouwschool in Dordrecht
In 1896 werd door het Rijk in Dordrecht een Rijkslandbouwwinterschool gesticht. Het doel van de school was de toekomstige landbouwers in twee winters de noodzakelijke kennis te verschaffen. Daarnaast moest de algemene kennis van de leerlingen vergroot worden.
Aan de Rijkslandbouwwinterschool werd lager beroepsonderwijs gegeven. De Rijkslandbouwwinterschool in Dordrecht had leerlingen uit de hele provincie Zuid-Holland en de aangrenzende gebieden in Noord-Brabant. Vanaf 1906 werd het mogelijk om aan de school in Dordrecht een tweejarige tuinbouwcursus te volgen. Het landbouwonderwijs kreeg in 1954 een impuls. In dat jaar stichtte het Rijk een middelbare landbouwschool in het gebouw van de Rijkslandbouwwinterschool. De belangrijkste taak van deze school was het opleiden van landbouwers, die later middelgrote en grote landbouwbedrijven konden leiden en in staat waren op te treden als voormannen op landbouw en maatschappelijk gebied. Het aanbod van landbouwonderwijs in Dordrecht werd nog verder uitgebreid. De in 1954 in Hendrik-Ido-Ambacht gestarte land- en tuinbouwschool werd overgebracht naar Dordrecht. Zowel Rijkslandbouwconsulent J.A. van Riel als W.T. Rinsema waren directeur van de school in Dordrecht.
Stichting Veevoederbureau voor Zuid-Holland
Het Veevoederbureau voor Zuid-Holland trad voor het eerst officieel in werking in het begin van 1929. In de beginperiode hield het veevoederbureau zich voornamelijk bezig met het geven van advies over de voeding van rundvee, varkens, schapen en paarden. De rijksveeteeltconsulent was nauw betrokken bij het bestuur van het veevoederbureau. In 1957 werd de Stichting Provinciaal Veevoederbureau voor Zuid-Holland opnieuw opgericht en net als de andere provinciale veevoederbureaus door het Rijk gefinancierd.
Het doel was het bevorderen van een rationele voeding in haar werkgebied. Dit doel diende bereikt te worden door:
- het geven van veevoedingsvoorlichting
- het oprichten van kernen van veevoedingsvoorlichting
- het verzamelen van gegevens betreffende de veevoeding
- het nemen en coördineren van proeven op het gebied van de veevoeding
- het steunen van instellingen die op gebied van de veevoeding werkzaam zijn het samenwerken met het Centraal Veevoederbureau Nederland, de Provinciale Landbouwvoorlichtingsraden en het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening.
Stichting Landbouwbelang Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (SLAV)
De Stichting Landbouwbelang Alblasserwaard-Vijheerenlanden werd op 29 maart 1954 gevormd door en uit vertegenwoordigers van de Standorganisaties, de Landarbeidersorganisaties en de Verenigingen voor Bedrijfsvoorlichting in de streek. De stichting werd gevestigd in Gorinchem en had als doel het bevorderen van een doelmatige landbouwproductie in algemene zin in de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. De stichting probeerde dit doel te bereiken door het geven en bevorderen van voorlichting in woord en geschrift en door het verlenen van financiële bijdragen voor activiteiten of objecten, die de voorlichting op landbouwgebied beogen en verder door andere middelen. De rijkslandbouwconsulent, in wiens ambtsgebied de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden waren opgenomen, was secretaris-penningmeester en adviserend bestuurslid van de stichting.
Vereniging Proeftuin Rijnsburg en Omstreken
Op 6 maart 1956 werd de Vereniging Proeftuin Rijnsburg en Omstreken opgericht. De vereniging was gevestigd in Rijnsburg en werd opgericht voor een periode van 30 jaar. Daarvoor was de leiding van de proeftuin in Rijnsburg in handen geweest van een commissie, die handelde in opdracht van het bestuur van de tuinbouwschool. In 1955 droeg dit bestuur de zeggenschap over aan een zelfstandig bestuur van een nog op te richten proeftuin. De rijkstuinbouwconsulent in Lisse werd benoemd tot directeur. Het doel van de vereniging was het bevorderen van de rationele teelt van bloemen, groenten en bloembollen, voor zover de teelt van deze gewassen van betekenis was voor Rijnsburg en omgeving.
Daarnaast moest de proeftuin de leerlingen van de christelijke lagere tuinbouwschool in Rijnsburg in staat stellen praktische kennis op te doen.
Stichting Waarborginstituut voor de Tuinbouw in Zuid-Holland
Aan het eind van de jaren veertig dreigden vele kleine tuinders in een moeilijke situatie te geraken doordat zij niet over voldoende financiële middelen beschikten om te komen tot een noodzakelijke modernisering en intensivering van hun bedrijven. Evenmin waren zij in staat hiervoor de vereiste kredieten op te nemen omdat zij geen zakelijke zekerheden konden stellen. Door deze moeilijkheden kwam men op de gedachte om een borgstellingsfonds voor de landbouw op te richten, op dezelfde wijze als het in 1936 ingestelde borgstellingsfonds voor de middenstand. Het Borgstellingsfonds voor de Landbouw (BF) werd in 1952 door de overheid opgericht met als doel de ontwikkeling van de land- en tuinbouw te bevorderen. Het Borgstellingsfonds verleende garantie aan ondernemers op financiering voor de stichting, overname, verbetering of instandhouding van landbouwbedrijven. Het Borgstellingsfonds voor de Landbouw kon borgstellingen verlenen tot 50% van het te financieren bedrag. Vervolgens werd op 18 september 1954 de Stichting Waarborginstituut voor de Tuinbouw in Zuid-Holland opgericht door de vertegenwoordigers van de drie werkgeversorganisaties in de landbouw in Zuid-Holland en de vertegenwoordiger van de Provinciale Organisatie voor de Veilingen in Zuid-Holland. Het doel van dit Waarborginstituut was het bevorderen van bedrijfsverbeteringen op bestaande levensvatbare tuinbouwbedrijven in Zuid-Holland. Hoewel in 1954 opgericht, kon men met de eigenlijke werkzaamheden, het verlenen van borgstellingen en het behandelen van borgstellingsaanvragen, pas in 1955 beginnen.
Tot eind 1967 werden er garanties gegeven op aanvragen van tuinbouwers, hierna kwamen het dagelijks en het algemeen bestuur incidenteel bijeen om de gang van zaken te bespreken.
In 1980 werd ook de laatste lening waarvoor garantie was verleend afgelost, waarna de stichting haar bestaansrecht verloor. Op 25 september 1981 werd de Stichting Waarborginstituut voor de Tuinbouw in Zuid-Holland definitief opgeheven.
Stichting Landbouwbelangen Voorne-Putten-Rozenburg
Op 13 februari 1956 werd in Heenvliet een vergadering gehouden van belanghebbenden bij de uitvoering van het Deltaplan. Hierbij waren vertegenwoordigd het Comité van Poldervoorzitters, het bestuur van de Brielse Dijkring, voorzitters en secretarissen van de afdelingen Voorne-Putten-Rozenburg van de Christelijke Boeren en Tuindersbond (CBTB) en van de Katholieke Boeren en Tuinders Bond, van de Hollandse Maatschappij van Landbouw met de Kringvoorzitter, een vertegenwoordiger van de Voorlichtingsdienst en de burgemeester van Spijkenisse.
Besloten werd tot de oprichting van een streekorgaan, representatief voor de eilanden Voorne-Putten-Rozenburg, ter behartiging van de agrarische belangen in de ruimste zin. Op 26 maart 1956 vond de eerste algemene bestuursvergadering plaats. Tijdens deze vergadering werd het bestuur definitief gekozen en werd besloten het streekorgaan “Stichting Landbouwbelangen Voorne-Putten-Rozenburg” te noemen. Eind 1956 werd de stichting officieel opgericht. De Stichting Landbouwbelangen Voorne-Putten-Rozenburg was gevestigd in Brielle. De rijkslandbouwconsulent voor Zuidelijk Zuid-Holland ir. Van Gilst was secretaris-penningmeester.
De stichting hield zich voornamelijk bezig met de vraagstukken welke waren ontstaan door de structurele veranderingen in het gebied. In de eerste plaats was het doel van de stichting om tot een coördinatie van de agrarische belangen bij deze noodzakelijke ontwikkeling te komen en om tijdens de verdere ontwikkeling, in ruimere zin, de interne ontwikkeling van de landbouw en de aanpassing aan de structurele wijzigingen in deze gebieden te stimuleren.
Verder waren de werkzaamheden van deze stichting:
- het bestuderen van de problematiek binnen de organisaties;
- het voeren van gezamenlijk overleg met de organisaties en het bepalen van het gezamenlijk standpunt ten aanzien van de noodzakelijke ontwikkeling;
- bekendheid geven aan en belangstelling wekken voor de plaatselijke problematiek bij de overheidsorganisaties die bij de problematiek betrokken zijn;
- steun verlenen aan het streekonderzoek;
- het noodzakelijke overleg organiseren om tot het opstellen van een agrarisch ontwikkelingsplan voor deze gebieden te komen.
Het bestuur van de stichting bestond uit tenminste 20 leden. De taken van ir. Van Gilst, de secretaris-penningmeester, waren:
- het verzorgen van alle correspondentie en administratie van de stichting;
- het verzorgen van de financiën;
- het verzorgen van alle publicaties;
- de contacten met de organisaties en overheidslichamen verzorgen, indien deze niet door de bestuursleden verzorgd worden;
- het bestuderen van de ontwikkelingen in het gehele Delta-gebied en het hiervan op de hoogte houden van het bestuur.
Streekverbeteringscommissie Voorne-Putten-Rozenburg
Op 19 mei 1961 werd de Streekverbeteringscommissie Voorne-Putten door de voorzitter van de Provinciale Landbouwvoorlichtingsraad voor Zuid-Holland geïnstalleerd. Het werkgebied van de streekverbetering omvatte de eilanden Voorne en Putten. Om het streekverbeteringsplan uit te kunnen voeren werden er diverse werkgroepen ingesteld. Een belangrijke taak van de streekverbeteringscommissie was het geven van advies over vergoedingen voor de onteigening van gronden in het gebied. De rijkslandbouwconsulent voor Zuidelijk Zuid-Holland in Dordrecht, ir. Van Gilst was secretaris-penningmeester van de commissie.
Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in Lisse
Het oudste onderzoekscentrum voor onderzoek naar de bloembollencultuur was het Laboratorium voor Plantenphysiologisch Onderzoek van de Landbouwhogeschool in Wageningen. Dit onderzoekcentrum werd in circa 1916 opgericht. Na verloop van tijd werd de omvang van het onderzoek echter steeds kleiner en ook de gegeven adviezen waren steeds minder op de praktijk van de bloembollenteelt gericht. Belangrijk aanvullend werk werd verricht door het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in Lisse en, in bescheiden mate, door de Vereniging Proefstation voor de Bloembollencultuur in Lisse. Er was weinig sprake van samenwerking tussen de verschillende centra. Het bleek al snel dat een ligging van de onderzoeksinstellingen in het centrum van de bloembollenteelt grote voordelen had. Dit lag voornamelijk aan een beter contact met de bloembollentelers, waardoor het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in Lisse werd gezien als een laboratorium voor vakgenoten. Het Laboratorium deed wetenschappelijk onderzoek om op die manier te komen tot een oplossing voor diverse problemen uit de praktijk. Behalve het Laboratorium voor Bloembollenonderzoek in Lisse deed ook de Vereniging Proefstation voor de Bloembollencultuur in Lisse onderzoek naar diverse aspecten van de bloembollenteelt. Tot 1 mei 1947 hield het Proefstation zich voornamelijk bezig met het doen van onderzoek op het gebied van de bodem en bemesting. Daarnaast werden op het proefstation diverse eenvoudige broeiproeven uitgevoerd. Door een reorganisatie van het Tuinbouwkundig Onderzoek in TNO-verband kreeg het proefstation een landelijk karakter. Dit hield vooral in dat het proefstation zich met steeds meer praktijkproblemen bezig ging houden.
Vereniging naar Beter Fruit in Numansdorp
De Vereniging naar Beter Fruit in Numandsorp had als taak het beheer van de proeftuin in Numansdorp. Op deze proeftuin werd, naar aanleiding van problemen in de praktijk, onderzoek verricht. De tuinbouwconsulent van het consulentschap in Barendrecht was directeur van deze vereniging. In 1977 veranderde de vereniging van naam. De nieuwe naam werd de Vereniging meer Onderzoek Groententeelt.
Geschiedenis van het archiefbeheer
De archieven van Consulentschappen in Zuid-Holland konden als zij de statische fase bereikten, door de archiefvormer overgedragen worden aan de regionale archiefbewaarplaats. Er is eerder uit het archief vernietigd. De aangetroffen vernietigingsverklaringen zijn in de inventaris opgenomen. De archieven zijn in 1999 door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit te Den Haag overgebracht naar de Centrale Archief Selectiedienst te Winschoten. Voorafgaande aan de overdracht heeft een materiële toets plaatsgevonden, waarbij geen schade is aangetroffen. De archieven zijn door de Centrale Archief Selectiedienst bewerkt in 2008.
De verwerving van het archief
Het archief is in 2016 door Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit overgebracht naar het Nationaal Archief, krachtens artikel 12 van de Archiefwet 1995
Inhoud en structuur van het archief
Inhoud
Geen tekst
Selectie en vernietiging
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Rijksbegroting over de periode 1945–2000. Deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 30 juli 1998, nr. 142. Rekening houdende met de actualisatie in de Staatscourant van 31 maart 2005, nr. 62 / p. 34.
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij binnen het beleidsterrein Agrarisch Onderwijs over de periode 1945-1992. Deze lijst is vastgesteld in de Staatscourant 1999, nr. 23 / p. 5.
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein rijkshuisvesting over de periode vanaf 1945. Deze lijst is vastgesteld in de Staatscourant van 26 juli 2007, nr. 142 / p. 6.
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Voorlichting van de rijksoverheid, over de periode 1945–. Deze lijst is vastgesteld in de Staatscourant van 14 juni 2007, nr. 112 / p. 10.
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Landinrichting over de periode 1945–1993. Deze lijst is vastgesteld in de Staatscourant van 10 januari 2006, nr. 7 / p. 11.
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als vakminister en de onder hem als vakminister ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein arbeidsverhoudingen bij de overheid over de periode 1945-1995 (1997). Deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 16 oktober 2001, nr. 200 / p. 10. Bij het gebruik van deze lijst is rekening gehouden met de publicatie van het Basisselectiedocument voor de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier. Deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 20 november 2007, nr. 225 / p. 15, rekening houdend met de gepubliceerde rectificatie in de Staatscourant van 18 december 2007, nr. 245 / p. 26.
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als vakminister en de onder hem als vakminister ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein arbeidsvoorwaarden rijkspersoneel over de periode 1945-1996. Deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 16 oktober 2001, nr. 200 / p. 10. Bij het gebruik van deze lijst is rekening gehouden met de publicatie van het Basisselectiedocument voor de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier. Deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 20 november 2007, nr. 225 / p. 15, rekening houdend met de gepubliceerde rectificatie in de Staatscourant van 18 december 2007, nr. 245 / p. 26.
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als vakminister en de onder hem als vakminister ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein formatiebeleid, arbeidsmarktbeleid en personeelsontwikkeling en mobiliteit over de periode 1945-1996. Deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 17 oktober 2001, nr. 201 / p. 10. Bij het gebruik van deze lijst is rekening gehouden met de publicatie van het Basisselectiedocument voor de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier. Deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 20 november 2007, nr. 225 / p. 15, rekening houdend met de gepubliceerde rectificatie in de Staatscourant van 18 december 2007, nr. 245 / p. 26.
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Overheidsinformatievoorziening over de periode 1945–1999. Deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 20 oktober 2003, nr. 202 / p. 12.
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Organisatie van de Rijksoverheid over de periode 1945–1999. deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 16 december 2005, nr. 245 / p. 25. Rekening houdend met de actualisatie in de Staatscourant van 14 juni 2007, nr. 112 / p. 10.
- Selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein landbouwstructuurbeleid. Deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 27 maart 2008, nr. 60 / p. 25.
- Basisselectiedocument voor de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het deelbeleidsterrein van personeelszaken, t.w. het personeelsdossier. Deze lijst is gepubliceerd in de Staatscourant van 20 november 2007, nr. 225 / p. 15, rekening houdend met de gepubliceerde rectificatie in de Staatscourant van 18 december 2007, nr. 245 / p. 26.
Aanvullingen
De archieven kunnen als afgesloten worden beschouwd. Het is nog wel mogelijk dat een enkel verspreid geraakt dossier te zijner tijd te voorschijn komt en aan dit archief wordt toegevoegd.
Verantwoording van de bewerking
De archieven van de Consulentschappen in Zuid-Holland maken deel uit van de door de Centrale Archief Selectiedienst bewerkte provinciale archieven van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Ten behoeve van de bewerking werd een plan van aanpak samengesteld, welke de basis vormt voor de bewerking.
In het plan, welke werd meeondertekend door het Nationaal Archief op 20 mei 2008, zijn de afspraken met betrekking tot de selectie, ontsluiting, materiële verzorging en de overbrenging geregeld.
Voor specifieke informatie wordt verwezen naar de afzonderlijke hoofdstukken in deze inventaris.
Bij de bewerking zijn stukken uit de periode vóór 1945 integraal bewaard, hierbij is echter geen rekening gehouden met ingekomen stukken. Er is voor gekozen om de personeelsdossiers van diensthoofden (in dit geval de consulenten), alsmede personeelsdossiers van personen van bijzondere betekenis van vernietiging uit te zonderen.
In enkele gevallen werden er in de dossiers stukken aangetroffen van zowel de taakvoorgangers als de taakopvolgers. Er is voor gekozen om deze dossiers op te nemen in de inventarissen van de taakopvolgers. Daarnaast bevatten de archieven vanwege de aanwezigheid van vernietigingsverklaringen uit latere perioden soms afwijkende dateringen.
Tussen de archiefbescheiden van het Rijkstuinbouwconsulentschap in Naaldwijk zijn stukken aangetroffen van het Rijkstuinbouwconsulentschap in ’s-Gravenhage. De consulent in Naaldwijk was tevens directeur van het Proefstation voor de Groente- en Fruitteelt onder Glas in Naaldwijk en consulent van het Rijkstuinbouwconsulentschap in ’s-Gravenhage. In enkele gevallen bevatten de dossiers zowel stukken van het consulentschap in Naaldwijk als stukken van het consulentschap in ’s-Gravenhage. Daarom is er voor gekozen om de aangetroffen stukken van het Rijkstuinbouwconsulentschap in ’s-Gravenhage op te nemen bij de stukken van het consulentschap in Naaldwijk.
Bij de betreffende beschrijvingen is aangegeven dat het om stukken van het Rijkstuinbouwconsulentschap in ’s-Gravenhage gaat.
De verschillende gedeponeerde archieven die werden aangetroffen tussen de provinciale archieven van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zijn bewerkt, omdat diverse consulenten in de provincie Zuid-Holland nauw betrokken waren bij de werkzaamheden van de diensten.
Ordening van het archief
Het archief is geordend naar de oorspronkelijke archiefcode van het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. De benaming van de rubrieken is overgenomen uit de oorspronkelijke code. De consulentschappen zijn in eerste instantie op taak en daarna op taakopvolging geordend.
Aanwijzingen voor de gebruiker
Openbaarheidsbeperkingen
Volledig openbaar.
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit de archieven is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig.
Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent geen beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van slechte materiële staat.
Andere toegang
Voor dit archief is geen andere toegang beschikbaar.
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
- Creëer een account of log in.
- Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
- Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Landbouw, Consulentschappen in de provincie Zuid-Holland, nummer toegang 3.11.14, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, , 3.11.14, inv.nr. ...
Verwant materiaal
Bewaarplaats van originelen
Niet van toepassing.
Inventarisnummers van dit archief zijn niet in kopievorm beschikbaar
Afgescheiden archiefmateriaal
Niet van toepassing.
- Inventaris van de archieven van de Consulentschappen in de provincie Zeeland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 1902 - 1990
- Inventaris van de archieven van de Proefstations in Zuid-Holland van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (1897) 1899 - 1979 (1991), toegangsnummer 3.11.20
Publicaties Peter Priester, Landbouwvoorlichting en bedrijfsontwikkeling in Overijssel en de IJsselmeerpolders, 1890-1983 (Zwolle 1983). Landbouwstructuurbeleid; een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheidsorganen op het beleidsterrein Landbouwstructuurbeleid (1945-2000) (Den Haag 2005) PIVOT-rapport 158. Met rede gekaveld; een institutioneel onderzoek naar taken en handelingen van actoren op het terrein van de landinrichting, 1945-1993 (Den Haag 2000) PIVOT-rapport 59.
Bijlagen
Geen bijlagen