Geschiedenis van de archiefvormer
De heerlijkheid is gelegen in de Alblasserwaard en bestaat uit de polders Oud- en Nieuw-Goudriaan. In 1420 kocht Aernt van Gendt, heer van Giessenburgh, de heerlijkheid Oud-Goudriaan van Aert, heer tot Leyenborch, en in hetzelfde jaar Nieuw-Goudriaan van Gerard van Cleve en Willem van Brederode. Daarna schijnen de beide heerlijkheden niet meer gescheiden te zijn geweest. In 1423 kwamen zij in het bezit van Catharina van Cleve en vervolgens werd Floris van Kijfhoeck heer van Goudriaan. De kleindochter van dezen Floris, Alijdt van Kijfhoeck, huwde met Claes, heer van Assendelft, waardoor de heerlijkheid in het bezit van de familie Van Assendelft kwam.
In 1572 kocht Johan van Beyeren van Schagen, heer tot Schagen, Bereingerhorn, Haringhuizen en Burghorn, echtgenoot van Anna van Assendelft de heerlijkheid uit den boedel van Otto van Assendelft. Zijn achterkleindochter, Maria Isabella van Beyeren van Schagen, huwde met François Paul Emille, graaf van Oultremont en van Warfusé, die de heerlijkheid in 1707 overdroeg aan Aelbrecht Nicolaes van Schagen, heer van Lockhorst (zie in Verslagen omtrent, 's Rijks oude archieven XXXVIII dl. 1 Beschrijving eener verzameling stukken afkomstig van de familie Van Aerssen van Voshol, Inv. n°. 433 en B. VII).
In 1728 kwam de heerlijkheid weer terug aan Maria Isabella van Beyeren van Schagen door opdracht van Anna Albertina, dochter van Aelbrecht Nicolaes van Beyeren van Schagen, en in 1782 droeg Maria Isabella haar over aan Cornelis Trip, heer van Langerak, burgemeester van Amsterdam. De kleindochter van Cornelis Trip, Maria Trip, echtgenote van mr. Willem Boreel, verkocht Goudriaan in 1775 aan mr. Arnoldus Adrianus van Tets, aan welke familie de heerlijkheid thans nog toebehoort.