4.MIKO Inventaris van kaarten en tekeningen behorende tot het archief van het Ministerie van Koloniën en rechtsopvolgers, (1702) 1814-1963

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Ik heb het begrepen

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Historisch overzicht, 1814 - 1963

Nadat op 13 augustus 1814 een traktaat met Engeland was gesloten, werd het Nederlandse bestuur over de voormalige overzeese gebiedsdelen hersteld. De Kaap de Goede Hoop, Ceylon, Demerary en Essequibo en Berbice bleven echter in Engelse handen.
Enkele maanden eerder, in april 1814, was in Nederland het departement van Koophandel en Koloniën opgericht. Dit departement, gevestigd in Den Haag, werd verantwoordelijk voor het bestuur van alle koloniën en overzeese handelsposten: zowel in de West als in de Oost.
Vanaf 1814 tot 1963 is het bestuur over de Nederlandse koloniën, later aangeduid als overzeese gebiedsdelen, door één administratieve eenheid behandeld. Tot 1842 werd het ministerie van koloniën weliswaar telkens gekoppeld met andere takken van bestuur (nijverheid, 1814-1825 en 1830-1834; marine, 1825-1830 en 1840-1841; onderwijs 1818-1824; waterstaat 1830-1831) maar dit had weinig invloed op de archiefvorming. Van 1842 tot 1959 werd het bestuur over de koloniën (vanaf 1945 aangeduid als overzeese rijks- of gebiedsdelen) niet verenigd met een andere tak van bestuur. Van 1959 tot 1963 tenslotte maakte het bestuur over de overzeese gebiedsdelen - maar wel als afzonderlijke administratieve eenheid - deel uit van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Te Batavia leidde de toegenomen omvang van kaarten- en tekeningenarchieven al snel tot de instelling van een "Statistiek Bureau" te Buitenzorg in 1837
Het onderstaande is gebaseerd op: F.G.P. Jacquet en A.E.M. Ribberink, Van 's Lands archief tot Arsip Nasional (Den Haag 1992) p. 9-10; Geschiedkundige nota over de Algemeene Secretarie (Batavia 1894) p. 23-30 en de bijlagen N en S; Toelichting bij Oost-Indisch Besluit 10 maart 1839 no. 1.
Johan Pieter Cornets de Groot, die aan het hoofd van de algemene secretarie stond, was degene die de aanzet gaf tot het opzetten van het bovengenoemde bureau. Er werd niet volstaan met het maken van een selectie uit de bestanden bij de Algemene Secretarie: door middel van een advertentie in de Javasche Courant werden particulieren opgeroepen bij hen aanwezige 'bouwstoffen' tegen een billijke vergoeding over te doen aan het Historisch bureau .
Naast het beheer van de kaarten, had de Geographische afdeling tot taak de Gouverneur-generaal te informeren over het verloop van de werkzaamheden bij respectievelijk het Topografisch en het Hydrografisch Bureau. Het is overigens twijfelachtig of men inderdaad systematisch uitvoering gaf aan deze besluiten want al vlot werd er in Den Haag geklaagd over het gebrek aan activiteit bij het Historisch bureau te Batavia.
Zie hierover bijvoorbeeld verbaal koloniën 19 juli 1845 no. 12/448. Toch bleef te Batavia een bureau bij de Algemene Secretarie belast met deze taken. Vanaf 1851 was dit het Historisch bureau. In 1864 volgde een nieuwe reorganisatie. Dit werd de Afdeling statistiek. De taken van deze afdeling zijn overeenkomstig met het inmiddels in Nederland bij het ministerie functionerende Bureau G.
Misschien is het Cornets de Groot geweest, die na zijn terugkeer naar Nederland in 1842 tot secretaris-generaal van het ministerie benoemd werd, die ook in Nederland de aanzet gaf tot de inrichting van een Historisch Bureau.
Het is heel wel mogelijk dat men zich bij de inrichting van de Historische bureaus en Geographische afdeling baseerde op de Organisatie van militaire instellingen die met taken op het gebied van historisch onderzoek, archiefzorg en beheer van kaarten en tekeningen belast waren: het Dépôt-Generaal van Oorlog, Marine en Koloniën (1806-1811) en het Archief van Oorlog en Topografisch Bureau (vanaf 1814).
Omstreeks 1840 was er bij het ministerie in Nederland eveneens een Historisch bureau dat werd belast met vergelijkbare taken als het bureau te Batavia :h et beheer van kaarten en tekeningen, de bibliotheek en het oud-archief. Bovendien diende dit bureau de minister te voorzien van informatie van algemene (statistische) en historische aard. Met de leiding was in de periode 1851 tot 1879 een persoon belast: H.T. Krabbe.
Misschien was Krabbe al eerder met deze werkzaamheden belast. Hij solliciteerde in 1839 naar een betrekking bij het ministerie. In 1841 werkt hij bij het ministerie als tijdelijk aangestelde, zie verbaal 12 oktober 1841 no. 7.
De naamgeving van het bureau was niet erg consistent. In een stuk van 1857 vinden wij het aangeduid met drie verschillende benamingen: Bureau G, Bureau voor voorlichting en informatie en Historisch bureau.
Verbaal Koloniën 30 oktober 1857 no. 28.
In de Staatsalmanak werd de naamgeving eveneens nogal verschillend opgenomen. De meeste gebruikte benaming, Bureau G, werd in 1896 omgezet in Afdeling G.
Wellicht heeft men in Nederland het Historisch bureau na de komst van Cornets de Groot in 1842 definitief vormgegeven. Activiteiten in het decennium ervoor wijzen er echter op dat men bij het ministerie al eerder in die geest werkte. In de jaren tussen 1830 en 1840 werden net als in de Oost diverse particuliere collecties van kaarten en tekeningen verworven om de lacunes in het reeds aanwezige bestand aan te vullen. Vanaf diezelfde periode ontplooide het ministerie meer activiteit om te komen tot een geregelde productie van topografische en hydrografische kaarten van de koloniën.
De directe bemoeienis van het ministerie met de productie van kaarten nam in de tweede helft van de 19de eeuw af. Dit werd meer en meer overgelaten aan gespecialiseerde bureaus en diensten zoals het in 1860 te Batavia gevestigde Bureau Hydrografie en het in 1864 aldaar ingestelde Topografisch Bureau. Het kaarten- en tekeningenbestand bij Bureau G bleef wel geleidelijk in omvang toenemen door inkomende archivalia, door aankoop en door internationale ruilovereenkomsten. Meermalen maande de minister van koloniën de Gouverneur-generaal er voor te zorgen "dat aan het Departement van Koloniën steeds zoo spoedig doenlijk worden opgezonden alle kaarten, hetzij in originali, hetzij in calque, waarvan de kennis hier te lande noodig en nuttig wordt geacht".
Aanschrijving in verbaal koloniën 16 maart 1850 no. 2/181 (waarbij wordt herinnerd aan een eerdere aanschrijving van 1837) en 17 september 1851 no. 12/714.

Gedeponeerde archieven

Vanaf 1814 kreeg het Koninkrijk opnieuw het gezag over de koloniën. Voor het bestuur, en de gezagsuitbreiding, waren betrouwbare kaarten hoognodig. Gedurende de eerste helft van de l9de eeuw ontbraken echter de middelen om de kartering goed op te kunnen zetten. Om toch in de behoefte aan kaarten te voorzien, poogde men gebruik te maken van particuliere initiatieven. Een eerste cartografisch overzicht van de koloniën verkreeg men zodoende dankzij Johannes van den Bosch (de latere Gouverneur-generaal) die in 1817 zijn Atlas der Overzeesche Bezittingen publiceerde (inventarisnummer Dl).
Het ministerie vulde de leemten in de kennis ook aan door kaarten en tekeningen aan te kopen van koloniale ambtenaren en militairen die al of niet in hun vrije tijd kaarten tekenden of verzamelden, of kaarten en tekeningen aan te kopen uit nalatenschappen. Soms ging het om één of enkele kaarten; uit de nalatenschap van Melvill van Carnbee werden een kaart van Java en een plattegrond van Batavia van Van der Jagt van 1826 (inv.nr. 83) gekocht voor 114 gulden.
16 Verbaal Koloniën, exh. 2 november 1833 nr. 39.
Deze kaarten zijn verspreid opgenomen in het bestand van koloniën.
Vier bestanden van grotere omvang zijn in deze inventaris wel apart beschreven: Loten, Engelhard, Busscher en Henrici. Een vijfde bestand dat in deze inventaris opgenomen had kunnen worden is dat van G.J.C. Schneither (1795-1877) die van 1816 tot 1826 de particuliere secretaris van de Gouverneur-Generaal Van der Capellen was. In die functie verzamelde Schneither een groot aantal kaarten en tekeningen, waarvan de meeste op Java betrekking hebben. De verzameling Schneither werd in 1878 van de boekhandelaar Martinus Nijhoff gekocht door het ministerie van koloniën.
Deze verzameling werd niet gedeponeerd in het bestand van het ministerie.
Johan Gideon Loten (1710-1789)
Loten voer december 1731 uit als onderkoopman voor de VOC op het schip Beekvliet. Zijn carrière verliep voorspoedig. In 1743 werd hij benoemd tot gouverneur van Makassar. In 1752 volgde zijn benoeming tot gouverneur van Ceylon. Hij keerde in 1757 terug naar Nederland waar hij in 1789 te Utrecht overleed.
Loten was een bekwaam topografisch tekenaar. In de hier beschreven collectie zijn daar verschillende voorbeelden van te vinden. Hij besteedde dat werk ook uit. Te Makassar en op Ceylon gaf hij diverse tekenaars en landmeters opdracht voor het vervaardigen van tekeningen op topografisch en natuurhistorisch gebied en het vervaardigen van plattegronden en kaarten.
Het grootste deel plaatste Loten in zijn particuliere collectie. Loten wilde met behulp van deze collectie tezijnertijd een boek maken. Daartoe bracht hij ook een bundel notities bijeen: "Aanteekeningen om indertijd te kunnen dienen tot het in order brengen van het geene ik successive heb verzameld zo in tekenen naar het leeven als geschriften om eenig licht te kunnen bijbrengen tot de natuurlijke historie van O.I. en voornamelijk van Java, Celebes en Ceylon (1754)".
Hij woonde na zijn terugkeer enige tijd in Londen. De tekeningen in zijn collectie zijn daar door diverse auteurs gebruikt. Loten zelf is nimmer tot de uitgave van zijn boek gekomen. Zijn collectie is na zijn overlijden verspreid geraakt.
De hier beschreven collectie tekeningen en kaarten werd door Loten nagelaten aan Jacob Adriaan van den Heuvel (eerste lid van de Staten van Utrecht, overleden 1800). J.P.S. Favrod de Fellens te Maastricht, getrouwd met de dochter van Van den Heuvel, kwam nadien in het bezit van de collectie.
Dit en het volgende is ontleend aan de inliggende stukken bij het Koninklijk Besluit van 11 december 1834 no. 13 en de verbalen van koloniën van 4 maart 1835 no. 5 en 24 maart 1835 no. 27.
Hij schonk de collectie in 1835 aan het ministerie. Als blijk van waardering ontving Favrod de Fellens een ring ter waarde van 300 gulden met het monogram van Koning Willem 1. Bij het ministerie werd de collectie opgenomen onder het kenmerk W.
De collectie is in de literatuur min of meer onopgemerkt gebleven.
In de gids van Roessingh (1982) en in een recent, veelomvattend werk over Ceylon wordt de collectie niet vermeld: R.K. de Silva and W.G.M. Beumer, Illustrations and Views of Dutch Ceylon 1602-1 796. London/Leiden 1988.
Nicolaas Engelhard (1761-1831)
Na een vlot verlopen carrière werd Engelhard in 1801 benoemd tot gouverneur van Java's Noordoostkust. In die functie gaf hij opdracht aan leraren (informators genoemd) van de marineschool te Semarang om hydrografische en topografische karteringen uit te voeren van het gebied onder VOC-bestuur. Daarnaast gaf hij opdracht tot het opmaken van statistische rapporten. Vanwege zijn particuliere interesse voor de natuur en de oudheden van Java, gaf hij begaafde tekenaars in zijn omgeving opdrachten om voor hem tekeningen te vervaardigen.Engelhard liet bij testament zijn archief na aan Daniël François van Alphen (overleden. 1840). De laatste liet de archivalia na aan zijn kinderen. Van deze kinderen werkten enkelen in dienst van het ministerie.
Jan Theunis Busscher (ca. 1772-1846)
Busscher heeft in diverse functies in de Oost gewerkt. Vanaf 1799 was hij onderwijzer (informator) aan de marineschool van Semarang in de rang van sous-luitenant ter zee.
Voskuil (1976) p. 24.
Bij de marineschool werden leerlingen opgeleid voor technische beroepen bij de zee- en de landmacht en bij de waterstaat in Oost-Indië. In het kader van hun opleiding werden karteringen te land en ter zee uitgevoerd, kaarten getekend en kaarten gekopieerd. Met tussenpozen was Busscher tot zijn pensionering in 1825 aan de school verbonden. De onderbrekingen werden veroorzaakt door het feit dat de school niet ononderbroken bestond. Wel was Busscher gedurende al die jaren betrokken bij de hydrografische kartering van de Indische archipel.
Dat Busscher zijn kaarten niet alleen vervaardigde en leverde aan het gouvernement maar ook een eigen verzameling aanlegde blijkt voor het eerst in 1818. In de Oost zag het gouvernement na het herstel van het Nederlands gezag in 1817 zich geconfronteerd met een zeer gebrekkige kennis van de archipel. Noodgedwongen maakte men gebruik van Engelse kaarten. De Nederlandse koloniale marine zocht naar mogelijkheden om daar verandering in te brengen. Busscher speelde daarop in. Hij bood zijn verzameling kaarten in 1818 te koop aan.
Oost-Indisch besluit buiten rade 1 februari 1818 no. 12.
Dit voorstel werd aangenomen. Bovendien kreeg Busscher in 1819 de opdracht andere zeekaarten berustende te Semarang op hun praktische waarde te onderzoeken en zonodig te kopiëren.
Oost-Indisch besluit buiten rade 19 februari 1819 no.1.
.
Na zijn pensionering in 1825 ging Busscher naar Nederland. Volgens zijn zeggen werkte hij vanaf 1827 door in de geest van de opdracht die hem in 1819 gegeven was: het vervaardigen van kaarten van de Indische Archipel.
Het onderstaande is gebaseerd op diverse verbalen van het ministerie van koloniën: 23 mei 1835 no. 3, 22 december 1835 no. 1, 18 april 1836 no. 2, 16 mei 1836 no. 1.
In 1835 bood hij zijn kaarten aan bij de Minister van Koloniën. Van de 72 kaarten had hij er dertig naar eigen opnamen gemaakt, twee naar die van Beetjes, een naar Cornelius, acht gekopieerd van Engelse originelen en de overige gecompileerd op basis van verschillende kaarten.
De marineofficier Rijk die om advies gevraagd werd, liet zich kritisch uit over Busscher's werk. Hij vond de kaarten ouderwets en hij meende dat Busscher onvoldoende verantwoordde met behulp van welke opnamen hij de kaarten had samengesteld. Het voorstel van een andere adviseur, de oud-directeur der domeinen in Nederlands-Indië Kruseman, om de kaarten te gebruiken voor de samenstelling van een zeemansgids in de trant van de Engelse gids van Horsburgh, haalde het door Rijk's kritische opstelling niet. Desondanks werden tenslotte in 1836 meer dan 80 kaarten, gezichten en tafels van Busscher gekocht voor 750 gulden. Het advies van Rijk om de kaarten naar Batavia te sturen ten behoeve van het werk van de in 1821 ingestelde Commissie werd niet opgevolgd, wel werden de kaarten ter inzage gegeven aan Derfelden von Hinderstein die tussen 1828 en 1838 een kaart van de Indische Archipel samenstelde (inv.nr. 689).
Na 1836 vernemen wij niets meer over activiteiten op kartografisch gebied van Busscher. Hij overlijdt op 16 maart 1846 te Kortenhoef.
Biografische gegevens zijn te vinden in de briefwisseling met koloniën en in de Oost-Indische besluiten van 11 augustus 1846 nr. 13 en 31 augustus 1846 nr. 76. Uit de Oost-Indische besluiten blijkt dat Busscher getrouwd was met J.W. Ham. Na haar overlijden hertrouwde hij in 1828 met Wilhelmina Carolina van Waey.
Henri Albert Henrici (1783-1838)
Baron Henri Albert Henrici werd 27 november 1783 te Wenen geboren. Hij was de zoon van een architect. Hij volgde in Wenen een opleiding tot ingenieur.
Na diverse militaire functies bekleed te hebben in het Oostenrijkse en Russische leger kwam hij door een aanbeveling van Baron de Constant Rebecque in 1817 in dienst bij de Nederlandse Generale Staf. Hij werd belast met kartografische werkzaamheden ten behoeve van de grensvaststelling.
In 1820 ging hij over naar het leger in de koloniën. Ook daar was hij actief op kartografisch gebied. Vanaf 1830 was hij bezig met de kartering van delen van Borneo. De Gouverneur-generaal was ontevreden over zijn productiviteit. Tenslotte werd hij teruggezonden naar Nederland. Daar aangekomen werd hij met pensioen gestuurd.
Kort nadien overleed Henrici in Amsterdam.

Overige kaarten- en tekeningenarchieven betreffende de Nederlandse(voormalige) overzeese gebiedsdelen na 1814

Stuurmanskamer in het koloniaal etablissement te Amsterdam, 1814-1822
Na het herstel van de onafhankelijkheid dienden de scheepvaartverbindingen met de koloniën hersteld te worden. In de 17e en 18e eeuw rustten de Compagnieën de schepen uit met kaarten en instrumenten die in bruikleen werden gegeven aan de schippers en stuurlieden. Deze praktijk werd in 1814 hervat. In Amsterdam werd in het Koloniaal etablissement, gevestigd in het gebouw van de voormalige Oostindische Compagnie aan de Oude Hoogstraat, de nog bestaande stuurmanskamer heropend.
De Staatsraad voor de koloniën gaf in 1817 toestemming "een stel kaarten en instructien, die men voorheen gewoon was aan de kapiteins die voor de Oostindische Compagnie naar Java vertrokken, mede te geven" uit te reiken: Ministerie van Koloniën voor 1850, inventarisnummer. 4612, exh. 5 febr. 1817 no. 121.
De stuurmanskamer bij het Koloniaal etablissement heeft slechts kort bestaan. Nadat geconcludeerd was dat de Nederlandse zeekaarten en zeemansgidsen de vergelijking met de in het buitenland geproduceerde kaarten niet konden doorstaan besloot men in 1822 alles op te ruimen. De nog aanwezige kaarten werden ondershands verkocht32.
Verbaal koloniën 10 april 1822 no. 14. Een jaar eerder had men te Amsterdam op de oude werf van de VOC een kist oude "onbruikbare" zeekaarten en zeeboeken aangetroffen. Deze kist is waarschijnlijk datzelfde jaar opgeruimd: ARA, collectie oude inventarissen le afdeling nummer XXIX, memorandum Bras 2 oktober 1821.
Er waren bovendien redenen in het organisatorische vlak die aanleiding gaven tot het opruimen van de stuurmanskamer. In 1823 werd de Nederlandse Handelmaatschappij opgericht waarmee de vaart voor een groot deel in particuliere handen overging. En in 1825 werd het bestuur van de marine verenigd met dat van de koloniën.
Bij de marine had men vanaf 1817 een eigen stuurmanskamer: Dépôt van zeekaarten, instrumenten en tekeningen en modellen van schepen genaamd.
A. Lemmens, 'Een verzameling modellen in het Rijksmuseum', in: Bulletin van het Rijksmuseum, 35 (1987) p. 321-328.
.
Dépôt zeekaarten/Hydrografisch Bureau te Batavia (1823-1894)
Te Batavia werd in 1821 de Commissie ter verbetering der Indische zeekaarten ingesteld. In 1823 werd daar bovendien een Dépôt van zeekaarten ingericht. In 1860 werd het Dépôt te Batavia omgevormd tot het Hydrografisch Bureau. Dit bureau werd, tussen 1873 en 1875 kortstondig en vanaf 1895 definitief, verenigd met het Hydrografisch Bureau in Nederland.
Topografisch Bureau/Dienst Batavia (1864-1949)
Aanvankelijk werd de topografische kartering in de Oost gedaan door de Directie der Genie. In 1864 werd voor deze werkzaamheden een apart bureau ingericht. Dit Topografisch Bureau, later Topografische Dienst genoemd, heeft tot de soevereiniteitsoverdracht de topografische kartering van Oost-Indië verzorgd. Mede vanwege de arbeidsintensieve landrentekarteringen werd de Topografische Dienst een van de grotere overheidsdiensten in de Oost. In de jaren '20 en '30 van de twintigste eeuw waren er meer dan 600 man in dienst.
Algemene secretarie van de Nederlands-Indische regering (te Batavia) en de daarbij gedeponeerde archieven (1942-1950)
De algemene secretarie was het administratief apparaat dat de Gouverneur-generaal terzijde stond. Het heeft gefungeerd van 1816 tot 1950.
Stichtingen actief in Nederlands Nieuw-Guinea (1957-1966)
Het ministerie van Overzeese Rijksdelen en de rechtsopvolgers van dit ministerie
hebben diverse stichtingen opgericht die actief waren op een aantal deelterreinen van
beleid ten aanzien van Nederlands Nieuw-Guinea. Deze stichtingen waren:
  • Stichting Agrarisch Onderzoek,
  • Stichting Agrarische Bedrijven,
  • Stichting Demografisch Onderzoek,
  • Stichting Geologisch Onderzoek.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Na de inlijving van het Koninkrijk Holland bij het Franse Keizerrijk in 1810, was het bestuur van de Hollandse koloniën overgebracht naar Parijs. Het kaarten- en tekeningenarchief betreffende de Hollandse koloniën werd als gevolg van deze bestuurswijziging in 1810 en 1811 overgebracht naar Parijs.
Na het herwinnen van de onafhankelijkheid werden direct stappen ondernomen om dit archief en andere archieven terug te halen naar Nederland. De teruggave werd geregeld in het Vredesverdrag van Parijs van 30 mei 1814 (artikel 31).
​In de winter van 1815-1816 keerde het koloniale kaarten- en tekeningenarchief terug naar Nederland. Daar aangekomen werden de stukken gedeponeerd in de charterkamer van het ministerie.
Verbaal Koloniën 16 febr. 1816 no. 966. Voor de administratieve geschiedenis van de koloniale kaarten- en tekeningenbestanden van voor 1814, zie: K. Zandvliet, 'VOC Maps and Drawings', in: R. Raben and J.C.M. Pennings (edit. board), De archieven van de Verenigde Oostindische Compagnie. The Archives of the Dutch East India Company (1602-1795) p. 83-99, 116.
Zoals gezegd hebben de wisselingen in het koloniale bestuur tussen 1814 en 1963 weinig invloed gehad op de archiefvorming. Hetzelfde geldt voor een specifiek onderdeel van het archief: het kaarten- en tekeningenarchief.
Vanaf 1816 was dit bestand ondergebracht bij de charterkamer van het ministerie. In 1823 werd de organisatie van het ministerie opnieuw vastgesteld. Een der afdelingen, de generale secretarie, werd belast met werkzaamheden op het gebied van de comptabiliteit en de statistiek en het beheer van de archieven. De generale secretarie werd vanwege haar verantwoordelijkheid voor de archieven in het algemeen dus ook belast met de zorg voor de kaarten en tekeningen.
Inventaris Ministerie van Koloniën voor 1850, inleiding (2.10.1)
Zowel bij het ministerie in Den Haag als bij de Algemene Secretarie te Batavia werden kaarten- en tekeningenbestanden beheerd van algemene aard. De militaire en administratieve expansie in de Indische Archipel, de zorg voor de hydrografische kartering, de zorg voor de droge en de natte waterstaat, de economische exploitatie van het bestuurde gebied hadden tot gevolg dat zowel in Den Haag als in Batavia de kaarten- en tekeningenarchieven snel in omvang toenamen. Het in 1837 ingestelde "Statistiek Bureau" te Buitenzorg kreeg tot taak om de bibliotheek, de bij het Kabinet van de Gouverneur-generaal aanwezige land- en zeekaarten, handschriften en belangrijk geachte nota's en memories te beheren. Van dit bureau werd verwacht uit de volumineuze archieven de belangrijke stukken apart te zetten; alle kaarten en tekeningen werden daarbij tot de categorie 'belangrijke stukken' gerekend.
In 1839 werd het beheer van het kaarten- en tekeningenbestand bij het Statistiek bureau nader geregeld. Er werd een Geographische afdeling voor ingericht. Bij deze afdeling kwamen in beheer: "alle in 's Gouvernements archieven aanwezige kaarten, plannen, schetsen, memoriën, berigten, plaatsbeschrijvingen, mitsgaders alle documenten, tot zoodanige stukken behoorende".
De afdeling diende de kaarten te ordenen en te beschrijven in systematisch ingerichte registers.
Vanaf 1851 werd deze taak uitgevoerd door het Historisch Bureau te Batavia, die in 1864 na een reorganisatie Afdeling statistiek werd genoemd.
Deze Afdeling statistiek te Batavia kreeg in beheer "alle ter algemeene secretarie aanwezige en later ontvangen wordende verslagen, overzigten, politieke nota's, statistieken en kaarten"
Staatsblad van Nederlands- Indië, 1864, no. 25
.
Zeker is het dat bij het ministerie in Nederland omstreeks 1840 eveneens een Historisch bureau werd belast met vergelijkbare taken als het bureau te Batavia: het beheer van kaarten en tekeningen, de bibliotheek en het oud-archief. Anders dan te Batavia kwamen in Den Haag relatief weinig grootschalige kaarten en tekeningen binnen; kadastrale aangelegenheden en het beheer van objecten werd grotendeels overgelaten aan de administraties overzee.
Het Historisch bureau ofwel Bureau G kreeg omstreeks het midden van de 19e eeuw concurrentie op het gebied van de zorg voor de oude koloniale archieven; de Algemene Rijksarchivaris Bakhuizen van den Brink verzocht deze oude archieven aan het Rijksarchief (ARA) toe te vertrouwen.
De overdrachten aan het ARA leidden tot een taakverschuiving bij het Bureau G: de archiefzorg werd overgedragen aan Bureau H, het Kabinet van de minister. Dit gold echter niet voor de zorg voor de kaarten en tekeningen. Zowel de archiefkaarten als de verzamelde kaarten bleven in beheer bij Bureau G.
Naast het beheer van de bibliotheek en het kaarten- en tekeningenbestand was Bureau G actief op koloniaal bibliografisch gebied (zie de literatuuropgave onder Hooykaas). Bureau G vervaardigde bovendien in handschrift cumulatieve indices van het archief en van in Nederland en in de koloniën verschijnende kranten.
Vanaf 1922 werd het Bureau G - toen inmiddels Boekerij genaamd - uitsluitend belast met het beheer van de bibliotheek en het kaarten- en tekeningenbestand. De samenstelling van het jaarlijks verslag omtrent het beheer en de staat der Oost-Indische bezittingen, een taak die in 1894 aan het bureau was opgedragen, ging over naar het Kabinet van de minister. Ongewijzigd bleef de huisvesting van de Boekerij (Binnenhof 5) in de directe nabijheid van de minister: naast het T'Goudsmits Keurhuys (Binnenhof 7) op de begane grond. De vertrekken van de minister lagen daar direct boven, het archief was direct onder de Boekerij opgeslagen.
Tekeningenarchief Verkeer en Waterstaat: WCAP inventarisnummers. 5078, 5287-5290. Deze tekeningen geven een wijziging te zien van de indeling der vertrekken omstreeks 1920. Voordien was de bibliotheek in hetzelfde pand gevestigd, in de vleugel tussen de poort en de passage van het Departementsgebouw aan het Plein naar het Binnenhof, zie tekeningenarchief RGD inventarisnummers 530 en 531.
Tot 1963 zijn wijzigingen in het beheer van ondergeschikt belang. De laatste afdeling die het beheer verzorgde was de Onderafdeling documentatie en bibliotheek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Overdracht

In de tweede helft van 1962 werd de bestuurstaak van Nederland ten aanzien van Nieuw-Guinea afgebouwd. Het ministerie van Binnenlandse Zaken, belast met Nieuw-Guinea, meende daarom dat de bibliotheek en het kaarten- en tekeningenbestand niet langer in beheer bij Binnenlandse Zaken diende te blijven. Aanvankelijk werd overwogen de bibliotheek, zijnde een "natuurlijk complement van de departementale archieven", onder te brengen bij het ARA. Deze gedachte werd nadien verlaten.
Nota van de chef van de Onderafdeling documentatie en bibliotheek E. Westerbeek van 16 januari 1963 no. 63/2. Kopie in archief Afd. K&T dossier 201.01 MIKO. De overige gegevens in deze alinea zijn eveneens aan dit dossier ontleend.
In 1963 meldde de Universiteitsbibliotheek in Leiden dat men daar de bibliotheek gaarne zou willen overnemen. Het ARA tekende hiertegen bezwaar aan. Dit bezwaar werd gehonoreerd voor zover het ging om de kaarten. De Rijksarchivaris Hardenberg kreeg bericht dat hij "over de kaarten en plans, welke bij de archivalia behoren ... (kon) ... beschikken".
Met deze beslissing werd een moeizame operatie ingezet: immers, al vanaf 1815 was er één kaarten- en tekeningenbestand gevormd bij het ministerie. Bij de ordening en de berging van dit bestand werd tussen 1815 en 1963 geen onderscheid gemaakt of het al dan niet om een archiefstuk ging. Door de besluitvorming in 1963 ontstond een slepende discussie waarbij gepoogd werd alsnog een scheiding te maken tussen de archiefkaarten en -tekeningen en overige kaarten.
In 1965 droeg de Onderafdeling documentatie en bibliotheek het beheer van de kaarten en tekeningen over aan de Sectie statische archieven Overzeese Rijksdelen bij het ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze sectie ging later op in de Organisatie van het ARA. Ambtenaren van het ARA maakten vanaf 1967 een scheiding tussen de archiefkaarten en niet-archiefkaarten. Zij hadden daarbij niet de beschikking over alle kaarten. Een klein deel was toen reeds overgedragen aan de Universiteitsbibliotheek in Leiden.
Tot 1972 bleef men bezig met het nemen van beslissingen per kaart. Vervolgens werd voorgesteld de scheiding op een geheel andere wijze uit te voeren, namelijk door het kaartenbestand als geheel te bestempelen tot archief en (gedrukte) dubbelen over te brengen naar Leiden. December 1991 werd tenslotte gekozen voor een pragmatische oplossing: zowel de Universiteitsbibliotheek te Leiden als het ARA behouden de kaarten en tekeningen afkomstig van het ministerie van koloniën voor zover deze op dat moment in hun bezit zijn.
Door de gekozen oplossing is het grootste deel van de kaarten en tekeningen van het ministerie van koloniën beschreven in deze inventaris. Omdat de atlassen en portefeuilles geborgen waren in boekenstellingen, zijn deze stukken voor een deel samen met de bibliotheek in de Universiteitsbibliotheek Leiden gedeponeerd.

Gedeponeerde archieven

Johan Gideon Loten (1710-1789)
In 1860 beschreef Veth de inhoud van een aantal documenten behorend tot de collectie Loten. Deze documenten zijn nu in beheer bij het Nationaal Archief.
Nicolaas Engelhard (1761-1831)
De hiervoor genoemde kaarten en tekeningen van Engelhard zijn in de hier beschreven collectie bewaard. Andere tekeningen die in zijn opdracht gemaakt waren, kwamen in Engelse handen. Zo maakte Raffles voor zijn History of Java van tekeningen uit het bezit van Engelhard gebruik.
Het is waarschijnlijk aan de bemiddeling van de kinderen van Daniël François van Alphen (overleden. 1840) te danken dat de familie de stukken afkomstig van Engelhard in 1849 bij het ministerie deponeerde. Een aantal van hen werkte in dienst van het ministerie.
Ministerie van Koloniën inv.nr. A 872: aantekening in het jaar 1849 in de rubriek 'statistiek en algemene zaken'. In de rubriek wordt niet verwezen naar het verbaalarchief. Wellicht zijn de stukken ondershands overgedragen.
Bij het ministerie werd de collectie met het kenmerk G opgenomen.
De familie Van Alphen droeg andere nagelaten papieren van Engelhard over aan de toenmalige minister van koloniën J.Chr. Baud.
Jan Theunis Busscher (ca. 1772-1846)
De verzameling Busscher '1818' is niet opgenomen in deze inventaris; die verzameling kwam in het bezit van het gouvernement in de Oost en ging deel uitmaken van het Dépôt van Zeekaarten te Batavia.
Die verzameling is nadien gebruikt door de in 1821 ingestelde Commissie ter verbetering der zeekaarten.
Oost-Indisch Besluit buiten rade 13 oktober 1821 no. 3. Over de aanwezigheid van Busscher's kaarten in het Dépôt, zie Voskuil (1976) p. 30.
Aangezien het archief van het Dépôt van zeekaarten te Batavia later verenigd werd met de Nederlandse Dienst Hydrografie is de verzameling Busscher '1818' opgenomen in het archief van de laatstgenoemde dienst. Dit archief is nu in beheer bij het Nationaal Archief (code HYDRO).
Henri Albert Henrici (1783-1838)
In het voorjaar van 1839 werd de nalatenschap van Henrici in Amsterdam geveild. De minister van koloniën gaf opdracht de voor het ministerie belangrijke stukken in beslag te nemen. De in beslag genomen stukken zijn vervolgens gedeponeerd als verzameling Al bij het ministerie.

Overige kaarten- en tekeningenarchieven betreffende de Nederlandse(voormalige) overzeese gebiedsdelen na 1814

Hieronder wordt in het kort de geschiedenis geschetst van enkele kaarten- en tekeningenarchieven van onderdelen van het ministerie van koloniën - in Nederland en overzee - voor zover deze kaarten- en tekeningenarchieven nu in beheer zijn bij het Nationaal Archief.
De opgave hieronder is waarschijnlijk onvolledig; het is zeker niet uitgesloten dat in de catalogi van Leupe (1867) en van l'Honoré-Naber (1914) kaarten van na 1814 beschreven staan die behoren tot andere archieven van administraties overzee dan hieronder beschreven.
. Er zijn in het Nationaal Archief daarnaast kaarten- en tekeningenarchieven aanwezig van andere overheidsadministraties - zoals het ministerie van oorlog - en van bedrijven en particulieren waarin kaarten en tekeningen beschreven zijn die betrekking hebben op de koloniën. Deze bestanden zijn vermeld in Bijlage 2.
Nederlandse bezittingen ter kuste van Guinea (1673-1872)
Bij de overgave van de Nederlandse bezittingen ter kuste van Guinea aan de Engelsen zijn de archieven overgebracht naar Nederland. Het ministerie van Koloniën droeg het archief vervolgens over aan het ARA.
In 1880 werden de kaarten overgedragen.
VROA 1880, p. 3 en 4.
. Deze kaarten zijn beschreven in de catalogus van l'Honoré-Naber (1914, code VELH).
Stuurmanskamer in het koloniaal etablissement te Amsterdam, (1814-1822)
In deze stuurmanskamer werden twee categorieën hydrografische kaarten en zeemansgidsen bewaard: enerzijds de archiefkaarten - van elke versie of uitgave een exemplaar - en anderzijds de voorraad moderne kaarten ten behoeve van de scheepvaart. Jaarlijks werd een boekhoudkundige verantwoording gemaakt van de inhoud van de stuurmanskamer. Zo lezen wij dat er in 1815 25 zeemansgidsen van Van Keulen aanwezig waren, een Franse zeemansgids en twee Engelse zeemansgidsen, 375 (moderne) land- en zeekaarten en een doos en drie kisten met oude kaarten.
ARA, Collectie Goldberg inv.nr. 104.
.
In 1822 werd de stuurmanskamer opgeruimd. Het na de opruiming en verkoop overgebleven koloniale zeekaartenbestand werd opgenomen in het bestand van het Dépôt van zeekaarten, instrumenten en tekeningen en modellen van schepen van de marine die vanaf 1817 een eigen stuurmanskamer had.
Nadat in 1830 het bestuur van de marine opnieuw werd gescheiden van het bestuur van de koloniën, liet men het beheer van de koloniale zeekaarten bij de marine. Bij dit Dépôt, ook wel aangeduid als Modellenkamer, deponeerde het ministerie van koloniën nadien de zeekaarten die in haar opdracht uitgegeven werden. Het Dépôt zorgde voor het beheer en de verkoop. Het oude kaartenarchief van de marine - het Dépôt - werd beschreven door Leupe (1872). Dit bestand is inmiddels in beheer bij het Nationaal Archief (code MCAL). Het Dépôt is nadien opgegaan in de Dienst Hydrografie van de marine. Dit archief, over de periode 1814 tot 1932, is eveneens in beheer bij het Nationaal Archief (code HYDRO).
Een aantal oudere zeekaarten te Amsterdam werd niet opgeruimd of overgedragen aan de marine. Deze kaarten werden opgeslagen bij de koloniale archieven in het West-Indisch Slachthuis in Amsterdam. Zij werden tussen 1856 en 1865 aan het ARA overgedragen en beschreven in de inventaris van Leupe (1867, code VEL).
Dépôt zeekaarten/Hydrografisch Bureau te Batavia (1823-1894)
Dit Dépôt had overeenkomstige taken als het Dépôt in Nederland: het beheer der archiefkaarten - van elke versie of uitgave een exemplaar - en het beheer van de voorraad moderne kaarten ten behoeve van de scheepvaart.
Het kaarten- en tekeningenarchief van het Dépôt van zeekaarten/Hydrografisch bureau Batavia is nadien opgegaan in het archief van de Dienst Hydrografie van de marine in Den Haag. Dit archief is nu in beheer bij het Nationaal Archief (code HYDRO).
Topografisch Bureau/Dienst Batavia (1864-1949)
In de maanden voorafgaande aan de soevereiniteitsoverdracht werd te Batavia besloten een deel van het kaartenarchief naar Nederland op te sturen. Dit bestand werd opgezonden naar het Koloniaal Instituut (het huidige Tropeninstituut) te Amsterdam en de Topografische Dienst in Delft (nu in Emmen)
Mondeling meegedeeld door professor doctor F.J. Ormeling Sr., indertijd werkzaam te Batavia. In de maanden november en december 1949 werden drie kisten overgezonden. Het ging voor een belangrijk deel om ongestempelde kaarten. Op een enkele kaart is desondanks een ordeningskenmerk aangebracht dat van de Topografische Dienst Batavia zou kunnen zijn: Ja 20 II 13 op Topo 19.5.17 bijvoorbeeld.
.
Het kaartenarchief van de Topografische Dienst van voor 1930 is inmiddels in beheer bij het Nationaal Archief(code TOPO). In dit bestand zijn dus ook kaarten opgenomen die behoren tot het archief van het Topografisch Bureau Batavia. Het in Batavia achtergebleven archief van de Topografisch Bureau is, voor zover bewaard, nu in beheer bij het Arsip Nasional in Jakarta.
Algemene secretarie van de Nederlands-Indische regering (te Batavia) en de daarbij gedeponeerde archieven (1942-1950)
Het oudere archief van de algemene secretarie, over de jaren 1816 tot 1942, berust in het Arsip Nasional in Jakarta. Het archief van de periode 1942-1950 berust deels in het Arsip Nasional en deels in het Nationaal Archief. Een deel is indertijd naar Nederland overgebracht omdat het ging om informatie van een politiek, vertrouwelijk dan wel persoonlijk karakter.
Tot het Nederlandse gedeelte behoren een aantal kaarten, tekeningen en affiches. Deze stukken zijn beschreven in de inventaris van De Graaff en Tempelaars (1990) en in een plaatsingslijst door R.Th.M. Guleij (code ASB).
Historisch overzicht van de koloniale kaartarchieven in Nederland

De verwerving van het archief

Het archiefblok bevat archiefstukken onder verschillende rechtstitels verworven.
In 1856 en de jaren daarna kreeg Algemeen Rijksarchivaris Bakhuizen van den Brink zijn zin en werden oude koloniale archieven en de 17de en 18de eeuwse kaarten en tekeningen van koloniaal gebied aan het ARA overgedragen.
Zowel kaarten berustende in Den Haag als in Amsterdam (archiefdépôt koloniën in het Westindisch slachthuis) werden overgedragen: Verbalen Koloniën 15 september 1856 nr. 19 en 7 december 1866 nr. 22 en 24 febr. 1866 nr. 76.
Zij werden beschreven in de catalogus van Leupe (1867). Van deze overdracht werden overigens een aantal kaarten en tekeningen uitgezonderd; in het hier beschreven bestand bevinden zich dan ook kaarten en tekeningen van rechtsvoorgangers van het ministerie, naast oudere gedeponeerde archivalia, van voor 1814.
In 1865 kocht het ARA de kaart van Celebes die door Aubert in opdracht van Loten vervaardigd werd.
De Nederlandse bezittingen ter kuste van Guinea zijn [bij het Sumatra Verdrag van 6 april 1871] verkocht aan aan de Engelsen. De archieven werden overgebracht naar Nederland. Het ministerie van Koloniën droeg het archief vervolgens over aan het ARA. De kaarten werden in 1880 overgedragen.
In 1915 werd de verzameling Schneither in zijn geheel overgedragen aan het ARA.
De erven Baud droegen in 1916 hun deel van het archief Engelhard over aan het ARA.
Een bestand van militaire kaarten en tekeningen behorend tot het archief van het ministerie van koloniën is in het verleden door het ministerie overgedragen aan de Sectie Militaire Geschiedenis van de Landmachtstaf. In 1991 werd overeengekomen met deze Sectie dit bestand opnieuw te verenigen met het kaarten- en tekeningen- archief van koloniën.