De nogal fragmentarische departementsarchieven bevatten gegevens betreffende de details van de bedrijfsvoering van de verschillende kamers. Het zijn resten van de administratie van het departement van de equipage (uitrusting van schepen en navigatie), het soldijkantoor (personeelsadministratie betreffende de VOC-dienaren in het octrooigebied en op de schepen), het departement van de commercie (verkoop van de koopwaar en inkoop van goederen voor Indië; in de kamer Zeeland heette dit het departement van de koopmanschappen), het departement van de ontvang (betalingsverkeer, beheer van de onroerende goederen; in Zeeland heette dit het departement van de thesaurie), en de opperboekhouder (aandelenkapitaal, leningen, betalingen in de Republiek).
Van de meeste kamers zijn grote fragmenten van het archief van de opperboekhouder en van het soldijkantoor bewaard gebleven. Alleen van de kamers Amsterdam en Zeeland en dan nog slechts zeer uitgedund zijn bescheiden van de andere departementen aanwezig. Wel kunnen persoonlijke archieven en verzamelingen van bewindhebbers en personeel in de Republiek soms lacunes opvullen of een indruk geven van de opbouw van de verdwenen archieven.
De archieven van de departementen van de ontvang/thesaurie en van de commercie/koopmanschappen zijn zo onvolledig dat zij slechts in beperkte mate nuttig zijn voor onderzoek.
I. Soldijkantoor
Het soldijkantoor was belast met de administratie van het voltallige personeel in de verschillende vestigingen en kantoren van de VOC tussen Kaap de Goede Hoop en de Baai van Nagasaki, alsmede aan boord van de VOC-schepen die voeren op de intra-Aziatische routes. Deze administratie is voor de periode 1700-1791 vrijwel volledig bewaard gebleven. Het personeel in de Republiek valt buiten het bestek van deze beschouwing.
De achttiende-eeuwse personeelsadministratie bestaat uit: 1) de generale land- en zeemonsterrollen, 2) de scheepssoldijboeken en 3) de rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren
De volgende aanwijzingen en uiteenzettingen zijn gebaseerd op systematische bestudering van dit volumineuze archiefbestand; zie: F. Lequin, Het personeel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Azië in de achttiende eeuw, meer in het bijzonder in de vestiging Bengalen (2 delen; Leiden 1982); hoofdstuk I en pp. 580-592 geven details over archivalia die op het personeel betrekking hebben.
.Het geheel bevat persoonsgegevens van zo'n 620.000 mensen en beslaat ruim 1,2 miljoen pagina's. De banden bestrijken in totaal ongeveer 245 meter en nemen één vijfde van alle VOC-archieven in beslag. De hoeveelheid werk die de peroneels- en soldijadministratie met zich meebracht, mag blijken uit de volgende rekensom. Gaan we uit van één origineel exemplaar plus zes kopieën generale land- en zeemonsterrollen, twee reeksen rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren en één reeks scheepssoldijboeken, dan omvat dat ruim 2.275.000 pagina's die op het algemeen soldijkantoor in Batavia zijn geschreven. Uit de generale landmonsterrollen voor Batavia 1700-1791 blijkt dat er gemiddeld 137 man werkzaam waren op de vier 'schrijfafdelingen' in Batavia: de generale secretarie, het algemeen soldijkantoor, het soldij-visitekantoor en de monsterrolschrijvers. In dezelfde periode waren er gemiddeld zes dienaren werkzaam 'aan de generale monsterrol'. Gaat men van de bekende gegevens uit, dan diende de totale produktie van deze mensen 1.225.000 pagina's te zijn. Dat betekent tien bladzijden per dag per dienaar, wanneer men uitgaat van de toen gebruikelijke zesdaagse werkweek en zevenurige werkdag.
Behalve de monsterrollen en soldijboeken bevat het archief van het soldijkantoor nog andere stukken betreffende de afwikkeling van salarisaanspraken, met name een serie testamenten van in Indië overleden VOC-personeel (inv. nrs. 6847-6927) en andere stukken betreffende nalatenschappen. In het navolgende zal alleen aandacht worden geschonken aan de personeelsadministratie.
Ofschoon zij als aparte reeksen in de inventaris zijn opgenomen, vormen de generale land- en zeemonsterrollen, de scheepssoldijboeken en de rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren een onderling samenhangend geheel. Het is een belangrijke bron zowel voor onderzoek naar een individuele Compagniesdienaar als voor serieel onderzoek (zoals, om een voorbeeld te noemen, naar de mortaliteit van de Europeanen in de Oost).
De leesbaarheid van de generale land- en zeemonsterrollen en de rollen der gekwalificeerde civiele en militaire dienaren is goed; de scheepssoldijboeken daarentegen zijn nogal eens moeilijk te ontcijferen.
Mechanisme van de personeelsadministratie.
Alle zes VOC-kamers in de Republiek hadden niet alleen eigen schepen, maar ook hun eigen personeel en personeelsadministratie. De personeelsadministratie in de Republiek was gedecentraliseerd. In Indië was zij gecentraliseerd in het zogenoemde algemeen soldijkantoor in Batavia, dat geleid werd door de algemeen soldijboekhouder.
Vertrok er een schip van bijvoorbeeld de kamer Amsterdam uit Amsterdam met bestemming Batavia, dan werden direct na vertrek alle opvarende VOC-dienaren van dat schip in twee identieke scheepssoldijboeken geregistreerd. Bij aankomst in Batavia werden de soldijrekeningen van deze dienaren in het scheepssoldijboek afgesloten en werd de door de Compagnie verschuldigde gage over de duur van de reis op het tegoed van iedere individuele dienaar bijgeschreven. Een uittreksel uit het scheepssoldijboek met de stand van het saldo (de soldijrekening) werd aan iedere dienaar afzonderlijk verstrekt. Het ene exemplaar van het in Batavia terechtgekomen scheepssoldijboek werd naar de kamer Amsterdam teruggezonden. Het andere bleef berusten in het algemeen soldijkantoor in Batavia.
Volgen we nu één dienaar op de voet die zijn Indische loopbaan doorliep in bijvoorbeeld Batavia en Bengalen. Bleef hij enige jaren in Batavia, dan werd ieder jaar per 31 augustus op het algemeen soldijkantoor de verdiende gage bijgeschreven op de betreffende bladzijde van het scheepssoldijboek waarin de rekening van deze dienaar werd bijgehouden. Hij was verplicht jaarlijks op 30 juni persoonlijk te verschijnen op het algemeen soldijkantoor ten behoeve van de registratie in de generale monsterrol. Jaarlijks ontving hij tevens een uittreksel uit het scheepssoldijboek met het nieuwe saldo van zijn rekening. Gedurende zijn loopbaan kon de dienaar een hele collectie van soortgelijke uittreksels verzamelen, die hij moest bewaren. Op het moment van vertrek naar Bengalen werd zijn soldijrekening in Batavia gesloten. Een uittreksel werd hem meegegeven met het nieuwe saldo inclusief de over het gedeelte van het lopende jaar (tot de vertrekdatum uit Batavia) verschuldigde gage. Dit nieuwe uittreksel vertoonde de dienaar na aankomst in Bengalen, waarna inschrijving in de personeelsboekhouding op het hoofdkantoor van de vestiging Bengalen in Chinsura plaatsvond.
Gedurende zijn verblijf in Bengalen verscheen de dienaar op 30 juni op de jaarlijkse monstering op het soldijkantoor in Chinsura, dan wel op de administratie van één van de aan het hoofdkantoor ondergeschikte kantoren. In het laatste geval zonden deze kantoren de opgave naar Chinsura door. Ook in Bengalen werd jaarlijks per 31 augustus de gage op de rekening bijgeschreven en een uittreksel aan de dienaar gegeven. Zowel van beide jaarlijkse registraties als van eventueel overlijden of vertrek uit Bengalen hield het hoofdkantoor Chinsura het algemeen soldijkantoor in Batavia op de hoogte. Alle kantoren en vestigingen van de VOC tussen Kaap de Goede Hoop en Japan informeerden het algemeen soldijkantoor in Batavia over aan te brengen mutaties in de scheepssoldijboeken door middel van de zogenoemde 'comptoirboeken', die niet meer beschikbaar zijn. Mutaties in de soldijrekeningen van dienaren aan boord van de schepen op de intra-Aziatische routes werden aan het algemeen soldijkantoor bericht via de zogenoemde 'binnenlandsche scheepsboeken', die evenmin bewaard zijn gebleven. Het soldijkantoor in Batavia schreef deze mutaties bij in de zogenoemde 'slapers': de 'originele' exemplaren van het scheepssoldijboek en van de land- en zeemonsterrol.
Van de tenminste éénjaarlijkse bijschrijving in de 'slaper' van het scheepssoldijboek bracht het algemeen soldijkantoor de personeelsadministratie van de kamer Amsterdam op de hoogte met behulp van een zogenoemde 'quohier', een uittreksel uit het scheepssoldijboek. Zo was de kamer Amsterdam in staat het andere exemplaar van het scheepssoldijboek bij te houden. Het algemeen soldijkantoor moest ook jaarlijks kopieën in zesvoud van de generale land- en zeemonsterrol verzorgen ter verzending naar de zes kamers in de Republiek.
Kreeg de dienaar ontslag van de Hoge Regering in Batavia, dan ontving hij persoonlijk op het algemeen soldijkantoor tegen inlevering van de in de loop van zijn loopbaan verzamelde soldijrekeningen een laatste soldijrekening met het definitieve tegoed. In ruil voor deze laatste rekening ontving de dienaar zelf, of een gemachtigde, na terugkeer in de Republiek van het soldijkantoor van de kamer waarbij hij in dienst was geweest het op die rekening vermelde bedrag. In geval van overlijden buiten de Republiek werd het tegoed aan een familielid of een gemachtigde uitbetaald.
Dienaren die in Indië, en dus niet in de Republiek, bij de Compagnie in dienst waren getreden, stonden in de monsterrollen vermeld als 'in dienst' en ressorteerden onder de kamer Amsterdam. Daar deze categorie mensen niet per schip naar de Oost ging, bestaan voor hen geen scheepssoldijboeken. Wel werd voor deze categorie de soldijadministratie in Batavia en de Republiek op analoge wijze als voor de andere dienaren gevoerd.
Generale land- en zeemonsterrollen
De monsterrollen geven jaarlijks een volledige opgave van het land- en zeepersoneel in Indië met als peildatum 30 juni. Het ging in de achttiende eeuw om gemiddeld 18.500 man landpersoneel en 3200 man zeepersoneel. Er waren jaarlijks dus gemiddeld bijna 22.000 dienaren in het handelsgebied van de VOC werkzaam.
Op 11 oktober 1686 besloten de Heren Zeventien tot het instellen van een jaarlijkse registratie van het volledige personeel te land en ter zee in het octrooigebied. Voor 1686 werd blijkbaar geen algemene registratie van personeel gedaan.
In het algemeen soldijkantoor in Batavia werden jaarlijks via de 'comptoirboeken' en de 'binnenlandsche scheepsboeken' de overzichten met de personeelsbezetting van alle vestigingen en kantoren van de VOC en van alle op de intra-Aziatische routes varende schepen verzameld. Deze opgaven werden ieder jaar herschreven tot één geheel, de generale land- en zeemonsterrol. Dit exemplaar werd als 'slaper' op het algemeen soldijkantoor bewaard en diende als basis voor de zes afschriften bestemd voor de zes kamers.
Door de weersomstandigheden was het onmogelijk dat de afzonderlijke rollen alle op hetzelfde tijdstip in Batavia beschikbaar waren. Een vaste door het weer gedecreteerde routine ontstond. Allereerst werden de opgaven van Batavia en van een vast aantal vestigingen die op tijd voorhanden waren, tot één geheel herschreven en gedateerd op de 15e januari volgend op de 30e juni waarop de opgave betrekking had. Dit was de zogenoemde eerste rol (a-rol genoemd in de op de generale land- en zeemonsterrollen gemaakte toegang). De later binnengekomen opgaven werden samengevoegd tot een eerste restantrol (b-rol) en eventueel een tweede restantrol (c-rol), over het algemeen gedateerd ten minste één jaar na de eerste rol. Soms werd een 'aparte rol' van één vestiging direct, dus niet via Batavia, naar de Republiek gezonden en alsnog ter completering bij de betreffende monsterrol gevoegd.
Van de zes series generale land- en zeemonsterrollen van de zes kamers zijn nog twee reeksen bewaard gebleven. De reeks van de kamer Zeeland begint in 1691, waarschijnlijk het eerste jaar dat er een generale land- en zeemonsterrol is gemaakt, en loopt door tot en met 1791 (inv. nrs. 11534-11820). De land- en zeemonsterrollen zijn in het archief van de kamer Zeeland in twee aparte series gesplitst. Alleen in de jaren na 1780 is de zeemonsterrol tussen de landmonsterrol opgenomen. De reeks van de kamer Amsterdam begint in 1720 en loopt ook door tot en met 1791 (inv. nrs. 5168-5239). De reeks van Zeeland vertoont meer lacunes dan die van Amsterdam. Af en toe kan de reeks van Zeeland voorzien in leemten in de reeks van Amsterdam. Beschouwt men de periode 1691-1791, dan heeft men de beschikking over een op één jaar na (1707) continue reeks van jaarlijkse opgaven die in totaal 126 banden omvat. De jaren 1790 en 1791 zijn zeer lacuneus; voor de jaren 1792 tot en met 1795 zijn geen generale land- en zeemonsterrollen in de VOC-archieven te vinden.
De wijze van registratie ging in een landmonsterrol als volgt. Binnen één bepaalde vestiging kwam eerst de opgave van het hoofdkantoor aan de orde, waarna de eventuele aan dat hoofdkantoor onderhorige kantoren volgden. De registratie van het personeel binnen één kantoor werd gepresenteerd per beroepscategorie; binnen één der op een kantoor aanwezige beroepscategorieën verliep de registratie van alle personeelsleden in strict hiërarchische orde. (Zie bijlage 9 voor de bladzijdeïndeling van de generale land- en zeemonsterrollen.)
Voor in de banden van de generale land- en zeemonsterrollen bevinden zich diverse overzichten uit de tijd zelf die enig inzicht in het omvangrijke materiaal bieden. Voor wat betreft de landmonsterrollen zijn dat opgaven van: 1) de namen van de in de monsterrol geregistreerde vestigingen (met folioverwijzing); 2) het totaal aantal dienaren van iedere vestiging apart; 3) het totaal aantal dienaren dat in de betreffende band is geregistreerd. De zeemonsterrollen zijn voorzien van opgaven van de namen van de opgenomen schepen met het aantal opvarenden (met folioverwijzing) en van het totaal aantal opvarenden van alle schepen te zamen.
Over het algemeen bevinden zich aan het einde van een landmonsterrol een zogenoemde 'korte sterkte' en een 'korte samentrekking'. Een 'korte sterkte' geeft een recapitulatie van de personeelssterkte van iedere in de monsterrol opgenomen vestiging afzonderlijk, geclassificeerd per vestiging en naar de binnen die vestiging voorkomende beroepscategorieën. De 'korte samentrekking' biedt een samenvatting van de totale omvang van ieder van de zeven beroepscategorieën, die te zamen het landpersoneel vormen, en die te vinden zijn in de betreffende monsterrol. In tegenstelling tot de 'korte sterkte' komt in laatstgenoemd overzicht geen specificatie voor van de namen van de verschillende vestigingen. In de loop van de achttiende eeuw werd de 'korte samentrekking' niet steeds consistent ingedeeld. Voor de jaren 1700 t/m 1755 en 1782 t/m 1791 zijn afzonderlijke recapitulaties te vinden betreffende de 'inlandsche dienaren' wier namen slechts nu en dan werden genoteerd; deze overzichten bevinden zich of in een aparte rol direct volgend op de 'korte sterkte', of aan het einde van de 'korte samentrekking' zelf.
Aan het einde van een zeemonsterrol is alleen een 'korte samentrekking' te vinden die een overzicht biedt van de omvang van de onder de opvarenden aanwezige beroepscategorieën aan boord van de geregistreerde schepen.
Op de monsterrollen is een gedetailleerde toegang gemaakt die aangeeft waar de opgaven van de diverse vestigingen en kantoren met personeelsterkten te vinden zijn, en die inzicht geeft in de aanwezigheid van de diverse registers en overzichten uit die tijd
F. Lequin, Toegang op, en systematisch overzicht van de getalsmatig ontlede en in kaart gebrachte gegevens uit de 126 banden generale land- en zeemonsterrollen van de VOC 1700-1791 (typoscript; Leiden 1978).
. Bijlage 10 biedt een schematisch overzicht welke vestigingen voor welke jaren in de landmonsterrollen zijn te vinden.
Scheepssoldijboeken
Uit de monsterrollen valt het gegeven te halen met welk schip het personeel dat in de Republiek bij de VOC in dienst trad, in Indië arriveerde. Dit gegeven geeft toegang tot de scheepssoldijboeken. Een kleine complicatie treedt op indien men te maken heeft met een dienaar die onderweg aan Kaap de Goede Hoop voor langere of kortere tijd verbleef. In zo'n geval zijn de carrièregegevens te vinden in het scheepssoldijboek van het schip waarmee deze dienaar uit de Republiek vertrok.
Eerste bladzijde uit de generale landmonsterrol met de registratie van de Gouverneur-Generaal Willem Arnold Alting, 1781 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 5229):
Bladzijde uit het scheepssoldijboek van het schip Middelburg met de registratie van de onderkoopman Willem Arnold Alting, 1750 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 13047):
In principe had ieder uit de Republiek vertrokken schip een eigen scheepssoldijboek dat ook de naam van het betreffende schip droeg. Een scheepssoldijboek heette ook wel 'principaal grootboek'. Tot het moment van aankomst in Batavia had een scheepssoldijboek het karakter van een scheepsmonsterrol, in de zin van een overzicht van opvarenden. Na aankomst in Batavia werden in de exemplaren van de scheepssoldijboeken in Batavia en in de Republiek de mutaties in de carrière van de dienaren bijgehouden. Van ruim 90% van alle in de achttiende eeuw uit de Republiek naar Indië uitgevaren schepen zijn de scheepssoldijboeken bewaard gebleven. Dit is niet zo verbazingwekkend als het lijkt. Ook tot lang na de opheffing van de VOC moest de personeelsadministratie beschikbaar blijven ter verificatie van financiële aanspraken van nabestaanden van oud-VOC-dienaren
Archief van het ministerie van Koloniën, inv. nrs. 2990-3010; Archief van de Comptabiliteit Oost-Indische Bezittingen, inv. nrs. 149-165, 167, 190 (zie Lequin, Personeel, 230, noot 64).
. Tot ver na 1795 werden mutaties in de scheepssoldijboeken aangebracht. In 1813 werd bijvoorbeeld ten behoeve van deze materie de Algemeene Commissie tot Liquidatie der Pretentiën in 's-Gravenhage opgericht.
De collectie scheepssoldijboeken van alle zes kamers telt 2996 banden. De zogenoemde 'nieuwe serie', verreweg het grootste gedeelte, betreft de achttiende eeuw. De 'oude serie' beslaat slechts 203 banden: 22 banden betreffende de periode 1633-1670, de overige 181 banden bestrijken de jaren 1672-1699. De 'nieuwe serie' (2793 banden) begint in 1699/1700 en loopt tot en met 1794/1795. Daar de kamer Amsterdam het meeste personeel had, is bijna de helft (1374 banden, inv. nrs. 5269-6842) afkomstig uit het archief van deze kamer. In de archieven van de andere kamers zijn respectievelijk 636 (Zeeland, inv. nrs. 12672-13307), 210 (Enkhuizen, inv. nrs. 14637A-E, 14638-14842), 205 (Delft, inv. nrs. 13876-14080), 195 (Rotterdam, inv. nrs. 14102-14296) en 181 (Hoorn, inv. nrs. 14348-14527I) banden scheepssoldijboeken bewaard gebleven. De thans beschikbare scheepssoldijboeken zijn de exemplaren die na aankomst van de schepen in Batavia naar de Republiek werden teruggezonden.
Een scheepssoldijboek bestaat uit een reeks 'rekeningen courant'; voor iedere dienaar is tenminste twee bladzijden ingeruimd. De linker- en rechterbladzijde zien er oppervlakkig gezien uit als een debet- en een creditzijde van een wat groot uitgevallen huishoudboekje. Bij nader inzien is het ingewikkelder. (Zie bijlage 11 voor de bladzijdeïndeling van de scheepssoldijboeken.)
De linkerbladzijde. Van boven naar beneden komen de volgende posten voor: 1) twee maanden gage handgeld aan de dienaar; 2) de door de dienaar zelf te bekostigen uitrusting met eventueel van de VOC geleend geld; 3) eventueel een ander schuldbedrag van de dienaar (de 'vaderlandse schuld'); 4) één of meer bedragen van uitbetalingen door de VOC in de Republiek uit de te goed staande gage van de dienaar aan familieleden of gemachtigden, tijdens het verblijf van de dienaar in Indië; 5) de laatste uitbetaling van de VOC in de Republiek na afsluiting van de loopbaan in Indië, hetzij na overlijden, hetzij na repatriëring.
De rechterbladzijde. Van boven naar beneden komen de volgende posten voor: 1) de uitbetaling, dan wel gehele of gedeeltelijke creditering door de VOC, van de over de reis naar Batavia verschuldigde gage; 2) hiervan afgetrokken werd een eventuele schuld van de linkerbladzijde; 3) bedragen die op het tegoed van de dienaar door de VOC werden bijgeschreven betreffende de gehele dan wel gedeeltelijke gage over een geheel of een gedeeltelijk soldijboekjaar (1 september tot en met 31 augustus). De hoogte van die bedragen hing af van de mate waarin de dienaar zijn officiële gage gebruikte voor zijn levensonderhoud en van de mate waarin hij beschikte over inkomsten uit bijvoorbeeld particuliere handel. Deze bijschrijvingen hadden steeds betrekking op in het afgelopen boekjaar verrichte werkzaamheden. Bleef een dienaar vele jaren in één vestiging, dan werd jaarlijks per 31 augustus gage bijgeschreven. Bij iedere creditering werd de plaats van werkzaamheid vermeld. Bijschrijving vond ook plaats bij iedere mutatie in de plaats van werkzaamheid. Eén uitzondering is er op de regel dat uit de vermelding van de plaats van werkzaamheid de geografische loopbaan van een dienaar valt af te leiden. De dienaren werkzaam op het eiland Deshima in de baai van Nagasaki staan geregistreerd als in dienst in Batavia.
Met nadruk dient te worden gesteld dat de posten op de rechterbladzijde van het scheepssoldijboek geen uitbetalingen aan de dienaar in Indië zijn. Uit de soldijrekeningen van die dienaren die tijdens hun Indisch verblijf in het geheel geen uitbetalingen door de VOC in de Republiek lieten doen (posten linkerbladzijde) blijkt dit duidelijk. Bij die rekeningen verschijnt de som van de op de rechterbladzijde gecrediteerde bedragen als enig door de VOC in de Republiek uitgekeerd bedrag (de laatste uitkering) op de linkerzijde.
De op de rechterbladzijde vermelde posten betreffen alleen de officiële VOC-gages, dus exclusief eventuele emolumenten en legale aandelen in de winst. Een uitzondering hierop geldt voor de dienaren in Kanton. Voor hen staat hun legale en soms aanzienlijke aandeel in de winst in de scheepssoldijboeken vermeld.
De reeks posten eindigt in verreweg de meeste gevallen met hetzij de datum en plaats van overlijden, hetzij de datum waarop een dienaar Batavia heeft verlaten of in de Republiek is aangekomen. In sommige gevallen is het laatst gecrediteerde bedrag op de rechterbladzijde het laatste gegeven over een loopbaan van een dienaar; er ontbreekt dan de vermelding van zijn overlijden, of van zijn vertrek of terugkeer in de Republiek. Zelden zijn zowel de vertrekdatum uit Indië als de aankomstdatum in de Republiek op de rechterbladzijde van een scheepssoldijboek vermeld. Wellicht was het zo geregeld dat de vertrekdatum uit de Oost werd genoteerd indien een dienaar op de terugreis geen betaalde functie aan boord had en dat in het geval van vermelding van de aankomstdatum in de Republiek dit wel zo was.
Aan het begin van een scheepssoldijboek is een zogenoemd 'alphabet' of 'register' op voornamen van de geregistreerde dienaren te vinden. Binnen één bepaalde letter is de volgorde niet alfabetisch. Deze indices zijn niet altijd betrouwbaar. Daarnaast kunnen soms in een scheepssoldijboek bepaalde stukken die op een dienaar betrekking hebben, zijn meegebonden: een testament van een onderweg overleden opvarende of een testament en/of een boedelbeschrijving van een in Indië overleden dienaar.
Er bestaat een klapper die toegang geeft tot de nummers van de 'oude serie' en de 'nieuwe serie' scheepssoldijboeken, onderverdeeld in de zes kamers
Klapper op de scheepssoldijboeken van de VOC, Algemeen Rijksarchief (typoscript; z.p. z.d.).
.
Rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren
Uit de scheepssoldijboeken is bekend op welke plaatsen een dienaar gedetacheerd was (plaats van werkzaamheid). Dit gegeven verschaft met behulp van een klapper op geografische namen toegang tot de rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire Deze klapper is aanwezig in de leeszaal van het Algemeen Rijksarchief, code 1.04.24.]. Deze rollen betreffen het hogere ('gequalificeerde') landpersoneel, dat wil zeggen alle hogere civiele rangen te beginnen bij jong assistent, en alle hogere militaire rangen te beginnen bij sergeant.
De rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren geven onder meer het in de scheepssoldijboeken ontbrekende gegeven in welke rang en functie een dienaar op de betreffende plaats van werkzaamheid zijn leven sleet. Tevens verschaft deze bron inzicht in het bevorderingssysteem van de VOC.
De rollen bevatten jaarlijks de personalia voor alle gekwalificeerden in alle VOC-vestigingen over de jaren 1701 tot en met 1787, inclusief het voor de generale land- en zeemonsterrollen ontbrekende jaar 1707. Zowel voor de kamer Amsterdam als voor de kamer Zeeland is een complete reeks bewaard gebleven (inv. nrs. 5240-5261 en 11821-11928). Het soldijkantoor in Amsterdam bond de civiele rollen met de militaire rollen samen, in Zeeland werden ze soms gescheiden gehouden. Per band is telkens een ongelijk aantal jaren samengebonden.
Eerste bladzijde uit de rol van de gekwalificeerde civiele dienaren met de registratie van de Gouverneur-Generaal Willem Arnold Alting, 1783
(ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 5260):
Generale staat van de zes kamers der VOC, 1771 (ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 13764):
Jaarlijks zonden alle vestigingen hun opgaven met als peildatum in het algemeen 30 juni naar Batavia, met uitzondering van Kaap de Goede Hoop, waarvan de opgave rechtstreeks naar de Republiek werd gezonden. Deze individuele opgaven, de civiele en militaire dienaren in één overzicht, werden herschreven tot twee aparte opgaven, gedateerd Batavia ultimo februari van het jaar dat volgde op de datum waarop de registratie betrekking had. Er onstond dus één aparte rol, ingedeeld per vestiging, voor alle gekwalificeerde civiele dienaren in alle vestigingen en één aparte rol voor alle dienaren
F. Lequin, Klapper op de plaatsnamen die voorkomen in de rollen van de gekwalificeerden van de kamer Amsterdam, 1701-1787 (typoscript; Leiden 1976).
gekwalificeerde militaire dienaren in alle vestigingen. De Kaap zond haar opgave in één algemene opgave direct naar de kamer Amsterdam, die aldaar met de andere opgaven werd meegebonden. Arriveerde een opgave van een vestiging met vertraging in Batavia, dan werd die rol (civiele en militaire dienaren in één opgave) afzonderlijk naar de kamer Amsterdam gezonden.
De rollen zijn ingedeeld per vestiging en de opgave van de individuele dienaren geschiedt binnen de vestiging in hiërarchische volgorde van hoog naar laag. (Zie bijlage 12 voor de bladzijdeïndeling van de rollen van de gekwalificeerde dienaren.)
Met uitzondering van de afzonderlijke (nagezonden) rollen, zijn de rollen van de gekwalificeerden voorzien van verschillende indices. Indices op in de rol voorkomende namen van VOC-vestigingen komen onregelmatig voor; zij zijn bovendien verre van volledig en weinig gedetailleerd. De reeds genoemde klapper van alle in de rollen van de gekwalificeerde civiele en militaire dienaren voorkomende geografische plaatsnamen alsmede een plaatsnamenregister met alle in de rollen voorkomende spellingsvarianten biedt hier uitkomst.
Regelmatig komen er indices op de voornamen van de opgenomen dienaren voor, in de tachtiger jaren zijn deze echter meestal op familienaam. Bij de registers voor de civiele dienaren voor de jaren 1737 t/m 1787, en bij de registers voor de militaire dienaren voor de jaren 1765 t/m 1768, 1770, 1772 t/m 1775, 1777, 1779 t/m 1781, en 1785 t/m 1787 gaat het slechts om in Batavia gedetacheerde dienaren.
Uit het voorgaande blijkt op welke wijze de afzonderlijk besproken bronnenreeksen als één geheel beschouwd kunnen worden. Bijlage 13 geeft dit schematisch weer.
II. Opperboekhouder
De VOC had geen centrale boekhouding. Tot het einde toe is de boekhouding onoverzichtelijk en versnipperd gebleven, ingericht alsof het een serie gelegenheidsondernemingen zonder onderling verband betrof in plaats van één handelscorporatie. Wel maakten de kamers ieder jaar hun balans op, aan de hand van de grootboeken en journalen. De balansen lijken in onze ogen tamelijk gebrekkig, mede doordat de rekeningen van de activiteiten in Europa en Azië geheel gescheiden werden gehouden. De zes resulterende balansen werden door een commissie uit de Heren Zeventien samengevoegd tot een 'generale staat'.
Iedere kamer van de Compagnie had een eigen opperboekhouder. In de kamers Amsterdam en Zeeland werd hij geassisteerd door enige klerken. De boekhouders hielden de journalen en grootboeken, en de inschrijfregisters en transporten van de aandelen bij. Naast de boekhouders had iedere kamer haar kassiers, die het beheer hadden over het in kas zijnde contante geld. Alle uitgaven moesten worden genoteerd in een specieboek of kasboek.
Kapitaalinschrijvingen en uitdelingen
Bij de oprichting van de VOC in 1602 werd bepaald dat iedere ingezetene van de Republiek financieel in de onderneming kon deelnemen. Het bedrag werd vrijgelaten en de inschrijvers konden hun kapitaal in meerdere termijnen storten. Men kon inschrijven bij een kamer naar keuze. Het aandeel, dat ook wel actie werd genoemd, had geen uniforme nominale waarde en was steeds verhandelbaar: het kon worden verkocht, geruild of beleend. Transporten van de aandelen moesten geschieden voor de boekhouder ten overstaan van een of twee bewindhebbers die de transportakte medeondertekenden.
Iedere kamer deelde dividend uit op basis van het bij die kamer ingeschreven kapitaal. De uitdelingen geschiedden over het bedrag waarmee een participant deelnam. Het percentage werd door de Heren Zeventien ieder jaar of om de paar jaar vastgesteld. Het uitkeren gebeurde soms in de vorm van specerijen. In 1679 moest de Compagnie voor het eerst noodgedwongen dividend uitkeren in de vorm van obligaties. Deze obligaties waren onopeisbaar en de Compagnie kon ze altijd aflossen.
De oudste inschrijvingsregisters van de kamers Amsterdam en Zeeland zijn bewaard gebleven en gepubliceerd (inv. nrs. 7064 en 13794)
J.G. van Dillen, Het oudste aandeelhoudersregister van de Kamer Amsterdam der Oost-Indische Compagnie. Werken uitgegeven door de vereniging Het Nederlands Economisch-Historisch Archief 14 ('s-Gravenhage 1958); W.S. Unger, 'Het inschrijvingsregister van de kamer Zeeland der Verenigde Oost-Indische Compagnie', Economisch-Historisch Jaarboek 24 ('s-Gravenhage 1950) 1-33.
. Ook aanwezig zijn de grootboeken met kapitaalrekeningen van de aandeelhouders (inv. nrs. 7067, 13795-13797 en 13799). De grootboeken van de kamer Zeeland lopen door tot 1710. Iedere aandeelhouder heeft hierin een aparte rekening-courant, met vermelding van de schulden en vorderingen, die het gevolg waren van wijzigingen in het aandelenbezit van een participant.
Van alle kamers zijn transporten van de acties, vaak met bijlagen, bewaard gebleven (Amsterdam, inv. nrs. 7083-7118; Zeeland, inv. nrs. 13802-13805 en 13807-13812; Delft,inv. nrs. 14089-14092; Rotterdam, inv. nrs. 14298-14301; Hoorn, inv. nrs. 14549-14551; en Enkhuizen, inv. nrs. 14849-14852). De registers beginnen omstreeks 1750 en lopen meestal door tot de liquidatie van de Compagnie. Alleen in het archief van de kamer Hoorn bevinden zich nog zeventiende-eeuwse transporten. De transporten zijn te vinden op voorgedrukte formulieren. De bijlagen kunnen interessante gegevens bevatten over verkoper en koper zoals functie, beroep en woonplaats. Indien een transport in verband met een erfenis plaatsvond, zijn vaak extracten van testamenten aanwezig.
Aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de koper een afschrift van het transport kreeg, kan het bezit van acties door een persoon, en de omvang van dat bezit, alleen worden aangetoond uit de transportregisters en de grootboeken met kapitaalrekeningen.
Het archief van de kamer Amsterdam bezit een serie grootboeken van de uitdelingen (afgiften) op acties over de periode 1628-1796 (inv. nrs. 7068-7081). De kamer Zeeland heeft deze grootboeken over 1710-1747 en 1760-1800 (inv. nrs. 13800 en 13806) en Enkhuizen over de jaren 1720-1802 (inv. nr. 14853). Ook in deze grootboeken is voor iedere participant een aparte post ingericht. Op de linkerbladzijde wordt vermeld hoeveel acties iemand bezit, op de rechter hoeveel ieder jaar of soms iedere twee jaar wordt uitgekeerd. De archieven van de kamers Amsterdam, Zeeland en Hoorn bezitten voorts enkele losse achttiende-eeuwse stukken over uitdelingen (inv. nrs. 7123-7125, 13801 en 14547).
De hierboven vermelde stukken betreffende kapitaalinschrijvingen, transporten en uitdelingen zijn niet alleen nuttig voor bedrijfseconomisch onderzoek. Zij kunnen gegevens verschaffen over zeer uiteenlopende onderwerpen, zoals individuele personen, de spreiding van het aandelenbezit van de Compagnie in de Republiek en de kapitaalkracht van verschillende bevolkingsgroepen. Zo is ook de rol van immigranten in de financiering van de Oostindische activiteiten in deze stukken te traceren.
Bladzijde uit het journaal van de opperboekhouder der kamer Amsterdam, 1706
(ARA Eerste Afdeling, VOC, inv.nr. 7144):
Uit Canton afkomstig porcelein uit het verongelukte schip Geldermalsen, ca.1750 (Privécollectie):
Geldleningen
Een tweede categorie stukken in de archieven van de opperboekhouders betreffen door de Compagnie geleend geld, verkregen uit de uitgifte van obligaties en 'anticipatiepenningen'. De obligaties hadden een lange looptijd. Bij het uitschrijven van de lening kregen de aandeelhouders voorrang. De obligaties werden aanvankelijk door twee, vanaf 1670 door vier bewindhebbers getekend.
Naast structurele geldtekorten had de VOC vaak te kampen met liquiditeitsproblemen na aankomst van de schepen uit Indië, voordat de veilingen hadden plaatsgevonden. De tegoeden van de gerepatrieerde VOC-dienaren en de door de schepen meegebrachte wissels moesten dan worden uitbetaald. In het voorjaar moest bovendien geld aan de participanten worden uitgedeeld. De Compagnie was genoodzaakt geld te lenen om deze betalingen te kunnen voldoen. Zij deed dit 'bij anticipatie', vooruitlopend op de opbrengsten van de verkoop van de handelswaar. De lening gold soms maar voor enkele weken en ten hoogste voor zes maanden.
Het archief van de kamer Amsterdam bevat nog een journaal en een grootboek van de renten op obligaties en een memoriaal van opgenomen anticipatiepenningen uit de achttiende eeuw (inv. nrs. 7128-7130). Van de kamer Zeeland zijn een journaal en grootboek van anticipatiepenningen uit 1680 aanwezig (inv. nr. 13832). Verder zijn, voornamelijk in de bescheiden van de kamers Amsterdam en Zeeland, nog wat losse stukken bewaard gebleven, zoals lijsten van obligatiehouders en van houders van anticipatiepenningen (inv. nrs. 7131-7133), rekeningen van de betaling van de 100e en 200e penning (inv. nrs. 7139-7140, 13831 en 13835 en 14304) en kwitanties (inv. nr. 14303). Deze stukken dateren van zeer uiteenlopende jaren gedurende het hele tijdperk van de Compagnie.
Boekhouding
De VOC paste een eigen vorm van dubbel of Italiaans boekhouden toe. Men hield zowel een journaal als een grootboek bij. Dagelijks terugkerende financiële handelingen werden eerst in een memoriaal opgetekend, zoals ontvangsten, betalingen, subsidies aan of van andere kamers, bij anticipatie opgenomen geld, aflossingen, inkomsten uit de verkoop van de handelsgoederen, uitdelingen aan de participanten, en betalingen van traktementen. In de kamers Amsterdam en Zeeland heette dit memoriaal het 'boek van de ontvangers' of 'boek van de thesauriers'. Vervolgens werden de gegevens in het journaal en het grootboek ingeschreven en uitgewerkt. Toegevoegd werden de hoeveelheid en prijs van de ingekochte en verkochte goederen. Het journaal was chronologisch ingedeeld, het grootboek rangschikte de gegevens per zakenrelatie, per produkt of per bestedingsdoel.
In het grootboek werden de bedragen die verband hielden met het bouwen en uitrusten van de schepen onder equipagekosten verantwoord, zoals de lonen van werklieden, materialen voor de scheepsbouw, de bevoorrading van de schepen voor de reis, en de meegegeven contanten, handelsgoederen en benodigdheden voor Indië. Ieder onderdeel had een aparte rekening, zoals bier, boter, brood, koopmanschappen en behoeften voor Indië, zeildoek, stuurmansgereedschap, en kajuitbehoeften. Sommige onderdelen werden op hun beurt weer nader gespecificeerd. Ook alle depositarissen, debiteuren en crediteuren werden opgetekend. Er werd in de grootboeken geen rekening van de retouren opgenomen. De autoriteiten in Indië gaven de inkoopwaarde van de retourgoederen op; die werd genoteerd in de resoluties van de Heren Zeventien. Een verlies- en winstrekening werd niet opgemaakt. Aan het eind van het boekjaar werden de saldi van de inkomsten en uitgaven overgebracht naar de post 'retouren generaal' in het grootboek.
In het chronologisch ingerichte journaal begint iedere post met het trefwoord dat ook in het grootboek wordt gebruikt. In de marge wordt verwezen naar de desbetreffende bladzijde van het grootboek. Ook in het grootboek begint iedere post met een verwijzing naar de desbetreffende bladzijde in het journaal. De aantekening in het journaal is het meest uitgebreid. Bijvoorbeeld bij een betaling aan een bakker voor geleverd brood wordt ook vermeld hoeveel brood deze heeft geleverd en wat de broden per stuk kosten. Het grootboek vermeldt alleen dat aan die bewuste bakker een bepaald bedrag is betaald voor geleverd brood. Het gemak van het grootboek voor onderzoek is dat alle uitgaven voor geleverd brood ten behoeve van een bepaalde uitreding bij elkaar staan.
Een journaal begint met een opsomming van degenen die na afsluiting van de vorige rekening nog vorderingen hadden en in dit boek om te continueren een credit krijgen. Dan volgen degenen die nog schulden hadden en nu een debet krijgen. De journalen zijn ingedeeld per kalendermaand. Eerst wordt bijvoorbeeld het totale bedrag genoemd dat in een maand aan derden is uitbetaald, welk bedrag vervolgens wordt gespecificeerd: arbeidslonen, barbiersbehoeften, behoeften voor het scheepsvolk, courtages van verkochte retouren, huishuur enzovoort. De vermeldingen zijn tamelijk uitgebreid. Een post arbeidslonen kan weer onderverdeeld zijn in verschillende betalingen. Iedere vermelding van betaling bevat de naam van de ontvanger.
Elke post begint met een verwijzing naar de bladzijde in het bijbehorende grootboek. Onder arbeidslonen staat in het grootboek vervolgens alleen de datum, vervolgens dat betaald is aan de ontvangers voor arbeidsloon op het pakhuis enzovoort, en het totale bedrag. Net als bij de grootboeken van de equipage staan ook hier weer alle bedragen bij elkaar, die gedurende de looptijd van het grootboek aan arbeidslonen zijn uitbetaald. Een nadeel voor de onderzoeker is dat de boekingen per equipage geschiedden en dus niet per individueel schip.
Uit de zeventiende eeuw zijn alleen de oudste journalen en grootboeken van de kamers Amsterdam en Zeeland bewaard gebleven (inv. nrs. 7142, 7169 en 13782-13785), alsmede een journaal van de kamer Enkhuizen (inv. nr. 14854). Het archief van de kamer Zeeland bezit nog enkele aparte journalen en grootboeken van de equipage over de jaren 1614-1628 (inv. nrs. 13786-13793). Vanaf 1700 zijn de journalen en grootboeken van de kamers Amsterdam, Hoorn en Enkhuizen (deze laatste kamer incompleet) bewaard gebleven (Amsterdam inv. nrs. 7143-7168 en 7170-7194, Hoorn inv. nrs. 14554-14623 en Enkhuizen inv. nrs. 14855-14909). De meeste grootboeken hebben bijgebonden of aparte indices. Het archief van de kamer Delft bezit een enkel journaal over 1768-1772(inv. nr. 14084) en de kamer Rotterdam een serie ongedateerde indices (inv. nrs. 14305-14315).
Het archief van de kamer Zeeland bevat enkele losse stukken betreffende de boekhouders en het boekhoudersambt, met name correspondentie (inv. nrs. 13770-13781); de kamer Hoorn bezit nog wat stukken afkomstig van de kassier (inv. nrs. 14541-14542). De kamer Amsterdam heeft uit de achttiende eeuw nog een serie balansen getrokken uit de grootboeken (inv. nrs. 7195-7204) en een serie notities ter boeking in de journalen (inv. nrs. 7206-7212). Verder zijn er enkele losse financiële stukken van de kamers Amsterdam, Zeeland, Delft en Hoorn bewaard gebleven (Amsterdam inv. nrs. 7214-7226; Zeeland inv. nrs. 13758-13769; Delft inv. nrs. 14082-14083 en 14085-14086; en Hoorn inv. nrs. 14543-14544).