1.04.19 Inventaris van het archief van de Nederlandse Bezittingen in Voor-Indië, 1703-1826

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Archiefvorming

Geschiedenis van het archiefbeheer

De gegevens voor deze tekst zijn vooral ontleend aan het artikel van Mr. R. Bijlsma in het Nederlandsch Archievenblad , No. 34, van 1931-1932: "De aan Nederland gebleven bescheiden van de etablissementen in Voor-Indië".
Volgens artikel 8 van het tractaat van Londen van 17 Maart 1824 (het zoogenaamde Sumatra-tractaat) stond Nederland aan Engeland af al zijn etablissementen op het "Vasteland van Indië". Daar de bezittingen op de kust van Malabar reeds krachtens het Londensch tractaat van 13 Augustus 1814 aan Engeland waren gekomen, bestonden in 1824 deze etablissementen in Voor-Indië uit de factorijen in Bengalen, op de kust van Coromandel en Madura, te Suratte. Tot het verrichten van de overgave dezer gebieden benoemde de Hooge Regeering te Batavia den 6 Februari 1825 als commissarissen: den resident van Chinsurah in Bengalen, het opperhoofd van Sadras op de kust van Coromandel en den resident te Suratte. De instructies voor deze commissarissen bepaalden ten aanzien van de archieven dezer gebieden: "Hij is geautoriseerd van aan de Britsche gecommitteerden over te geven (voor den commissaris te Sadras is hier bijgevoegd: en op de onderscheiden kantoren te doen overgeven) alle archieven, plans, kaarten met al hetgeen tot de administratie behoort, met uitzondering echter van het secreet verbaal en archief en van zoodanige papieren, als noodig zijn tot de verantwoording van comptabele ambtenaren of tot de examinatie dier verantwoordingen, alle welke stukken herwaarts zullen worden opgezonden".
Het grootste gedeelte der archiefbescheiden ging dus over aan de Engelschen. Een summiere beschrijving hiervan vindt men in het gedrukte "Verslag van een onderzoek, in 1929-1930 op last van den Gouverneur-Generaal ingesteld" door Mr. J. van Kan, lid van den Raad van Nederlandsch-Indië en oud-hoogleeraar te Batavia, getiteld "Compagniesbescheiden en aanverwante archivalia in Britsch-Indië en op Ceylon", te Batavia uitgegeven in 1931 (253 pp.).
De bescheiden, die krachtens de bepalingen der genoemde instructies aan de Nederlandsche autoriteiten bleven, werden naar Batavia gezonden, vanwaar zij in 1863, met andere bescheiden, naar het Rijksarchief te 's-Gravenhage werden overgebracht. Bij deze laatste overbrenging was de oorspronkelijke opzet geweest, ten Rijksarchieve te deponeeren het archief van de Nederlandsche factorij in Japan tot c.1842, hetwelk van Decima naar Batavia was getransporteerd. Op last van den Gouverneur-Generaal is men bij de uitvoering van dit voornemen echter verder gegaan. "Tevens heeft genoemde landvoogd het nuttig geacht aan de verlangde Japansche archieven toe te voegen al die oude documenten, welke in het archief ter Algemeene Secretarie aanwezig zijn en betrekking hebben op Formosa, China, Bengalen, Coromandel, Malabar, Ceilon, Perzië en de Kaap de Goede Hoop".
De gestie van Dr. R.C. Bakhuizen van den Brink als archivaris des Rijks, 1854-1865, hoofdzakelijk uit zijne ambtelijke correspondentie toegelicht door Mr. R. Fruin, 's-Gravenhage, 1926, p. 219.
Op het Rijksarchief te 's-Gravenhage werd deze archiefmassa door den adjunct-archivaris Mr. Heeres in 1888 onderzocht
Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven, 1888, p. 11.
en in 1893 voorloopig beschreven
Verslagen omtrent 's Rijks Oude Archieven, 1893, p. 7.
, ingedeeld volgdens de bezittingen, waarop de stukken betrekking hebben. Deze ordening, hoewel voorziende in een practische behoefte, voldeed evenwel niet aan de eischen der archivistiek, zooals deze zich sindsdien ontwikkeld heeft. Dit gaf den Algemeenen Rijksarchivaris Mr. R. Bijlsma aanleiding, in 1935 aan ondergeteekende de definitieve ordening en inventarisatie op te dragen.
Deze taak bestond allereerst in het splitsen van bedoelde archiefmassa in: "Bescheiden uit het archief der Hooge Regeering te Batavia", "Archief der Nederlandsche factorijen in China" en "Aan Nederland gebleven bescheiden uit de archieven der bij het tractaat van Londen van 17 Maart 1824 aan Engeland afgestane Nederlandsche bezittingen in Voor-Indië", welke laatstgenoemde stukken, kortweg "Bescheiden der voormalige Nederlandsche bezittingen in Voor-Indië", beschreven zijn in de navolgende inventaris.
Het viel soms moeilijk bij de splitsing der archiefmassa te beslissen, welke stukken waren aan te merken als bescheiden uit het archief der Hooge Regeering te Batavia of als restanten van de archieven der voormalige Nederlandsche bezittingen in Voor-Indië. Voor Coromandel en Suratte was er evenwel aanknooping bij de lijsten, opgemaakt bij de overdracht dezer bezittingen in 1825 aan de Engelschen, waarop de aan Nederland blijvende bescheiden vermeld staan.
Nader te bespreken in de speciale "Inleidingen" tot de inventaris van de archieven der respectieve bezittingen.
Voor het overige beslisten de aard der stukken benevens teekens en merken op de omslagen.
Nadat aldus de restanten der archieven in Voor-Indië gereconstrueerd waren, werden de hiertoe behoorende bescheiden systematisch geordend en van een doorloopende nummering voorzien.
In de onderstaande inventaris worden derhalve beschreven de restanten van drie archieven: dat van de residentie Bengalen, dat van de opperhoofdij Coromandel en Madura, dat van de residentie Suratte.
"Residentie" en öpperhoofdij" waren de titels dezer gebieden bij de overdracht aan Engeland in 1825.
Aan elk dezer archiefrestanten-inventarissen gaat vooraf een "Inleiding" ter bespreking van datgene, wat op het respectieve archiefrestant afzonderlijk betrekking heeft.

De verwerving van het archief

Het archief is bij Koninklijk Besluit of ministeriële beschikking overgebracht.