Essqueibo en Demerara in de eerste helft van de 18e eeuw
Het dagelijks bestuur van de kolonie werd geleid door de hoogste vertegenwoordiger van de WIC in de kolonie, de commandeur (vanaf 1752 directeur-generaal). Hij was aanvoerder van de troepen en voorzitter van de bestuursraad, de Raad van Politie. In feite was hij autonoom en diende alleen rekening te houden met de wensen van de Bewindhebbers van de WIC, de Heren Tien, en de Kamer Zeeland van de WIC. De Raad van Politie was een bestuursorgaan, deze Raad behandelde niet-Justitiële zaken en was te vergelijken met de burgemeesters en vroedschap in een stad in de Republiek der Verenigde Nederlanden. De Raad van Politie bestond uit de commandeur, de secretaris, de WIC-klerk en twee directeuren van WIC-plantages. De secretaris was de vice-commandeur en verzorgde samen met het secretariaat de boekhouding. In de jaren ’40 van de 18e eeuw werden Raden (Raadsleden) uit de plantersgemeenschap toegelaten tot de Raad van Politie, in de jaren ’80 hadden er drie planters zitting in deze Raad.
Het rechtspreken in de kolonie werd door de Raad (of Hof) van Justitie verricht. Ook daarin hadden de commandeur en de secretaris zitting, er was weliswaar een scheiding tussen de organen van bestuur en rechtspraak, maar dezelfde personen hadden zitting in de verschillende organen. De fiscaal bekleedde bijvoorbeeld meerdere functies, zo was hij de openbaar aanklager, inner van de ongelden en boetes en juridisch adviseur van de commandeur. De commandeurs, secretarissen en fiscalen waren doorgaans in de Republiek onderwezen in het Romeins recht (Ius Commune). Naast het Romeins en het Hollandse recht golden de ordonnantiën van de WIC als leidraad voor de rechtsprekenden. De rechtspraak was te verdelen in:
1) criminele (hoge) rechtspraak: over strafrechtelijke feiten waarvoor boetes, lijfstraffen, vrijheidsberovende straffen en ook de doodstraf geëist konden worden;
2) civiele (middelbare) rechtspraak: rechtspraak in burgerlijke zaken – zoals geschillen over eigendom – en voor kleinere overtredingen die met een boete konden worden afgedaan;
3) vrijwillige (lage) rechtspraak: het overdragen en bezwaren van onroerende goederen.
De Heren Bewindhebbers van de WIC ontvingen duplicaten van de belangrijkste uitspraken van de Raad van Justitie en konden indien zij het nodig achtten, en indien mogelijk, een uitspraak wijzigen. In het geval er beroep aangetekend werd tegen een beslissing van de Raad van Justitie werd het beroep en het gehele dossier naar de Heren Tien gezonden. De Heren Tien legden de zaak voor aan de Staten van Zeeland, Holland of zelfs de Staten-Generaal. De Staten-Generaal hadden de mogelijkheid de stukken te sturen naar de Hoge Raad van Holland en Zeeland. De Hoge Raad kreeg alleen de meest belangwekkende zaken te behandelen zoals ten tijde van de bestuurlijke crisis in Suriname in 1750. In Essequibo en Demerara werd in geval van gemeend onrecht vaak direct de Staten van Zeeland gecontacteerd middels een rekest.
Een andere WIC-functionaris was de commissaris van train en vivres. Deze had vooral een logistieke taak, hij zorgde voor de voorraden en de verstrekking van de rantsoenen waar elke WIC-beambte en militair recht op had. Het was zijn taak zorg te dragen voor voldoende voorraad van de meest uiteenlopende zaken: rogge/tarwemeel, wit Engels meel, vlees, vis, lijnolie, traanolie, wit lood, zwartsel, touw, zeilgaren, spijkers, sloten, bijlen, deur- en vensterhangers, kapmessen, schoppen, hamers, potten, krammen, beitels, ijzeren kogelvormen, weegschalen, ijzeren gewichten, “domme krachten”, kalk, tras, pek, terpentijn, koperen deurkrukken, koperen lepels, slijpstenen, plaat lood, kwasten, lantaarns, luiwagens, vloervegers, stoelen, trommelvellen, perkament, bont papier, patroonpapier, rood leer, papierpers, blauw grijn, doek, Vlaams linnen, groen laken, grof laken, allerlei soorten linnen, spiegels, scheermessen, schaven, koperen en ijzeren trompen, vishaken, negerpijpen, zandlopers, hoeden, kousen, knopen, sabels en oranje vaandels.
Een van de belangrijkste taken van de chirurgijn majoor was het inspecteren van de slaven voordat zij aan land werden gebracht. Daarnaast werd hij ingezet om zowel de Europese als Afrikaanse zieken van ziekenzorg te voorzien.
De belangentegenstellingen tussen de Heren Tien, de vertegenwoordigers in de kolonie en de plantage-eigenaren waren groot. Vaak was het binnen deze groepen al moeilijk overeenstemming te krijgen over het te voeren beleid. In de Nederlanden zetelden de Heren Tien, de Bewindhebbers van de WIC die vertegenwoordigers had uit verschillende Kamers. Elke Kamer kwam op voor zijn eigen belangen en bij vergaderingen werd niet altijd consensus bereikt. In de kolonie zat een commandeur of gouverneur die het gezag namens de Heren Tien uitoefende. Niet zelden liepen de opvattingen van gouverneur en Heren Tien ook uiteen zodat zeer complexe situaties mogelijk waren. De planters mochten lange tijd niet meebeslissen over de besteding van hun gelden. Ze zouden pas in de jaren '40 mee mogen praten over de besteding van hun belastinggelden. Door de verhoging van bestaande en invoering van nieuwe belastingen ontstond er vaak frictie tussen de planters en de WIC en haar vertegenwoordigers.
De inkomsten van de WIC in Essequibo kwamen uit de heffing van last- en recognitiegelden en heffingen van hoofdgeld op de tot slaafgemaakte bevolking van de kolonie. Na het verlenen van landbouwconcessies werd het akkergeld, een vaste grondbelasting, geheven . De opbrengsten van de WIC-plantages was een laatste bron van inkomsten. Vaak hadden WIC-beambten één of meerdere plantages in hun bezit. Zodoende maakten de WIC-beambten zelf vaak deel uit van de zogeheten plantocratie. De verschillende commandeurs hadden vaak een of meerdere plantages in hun bezit. Vrijwel geen enkele WIC-beambte kon alleen van zijn officiële salaris leven, laat staan iets opzij leggen voor zijn oude dag, en voor omstreeks 1753 werden pensioenen alleen onder zeer buitengewone omstandigheden toegekend. Het gevolg was dat iedereen, van commandeur tot kajuitsjongen, op zoek was naar bijverdiensten.
Tot 1772 combineerde de commandeur van Demerara het commandeurschap met de functie van fiscaal . De Vendumeester was toezichthouder bij de openbare verkoop van de aangebrachte goederen en slaven, hij ontving een percentage van de goederen aan provisie, doorgaans iets van 1%. Kapitein Commissaris was de aanvoerder van de militie en was verantwoordelijk voor de verdediging van de kolonie, zowel voor buitenlandse als mogelijk binnenlandse vijanden.
Aan het einde van 18e eeuw selecteerde de gouverneur voor 3 tot 5 kolonisten/planters tot lid van de Raad van Politie. Deze kolonisten waren aangedragen door het College van Kiezers (na de Britse overname verbasterde ‘Kiezers’ naar 'Keizers'). Toen de Britten de koloniën in 1795 en 1803 innamen, handhaafde men de Nederlandse bestuursorganen, inclusief de Raad van Politie.
In 1812 werd luitenant-generaal Hugh Lyle Carmichael benoemd tot luitenant-gouverneur van Demerara. Hoewel hij in mei 1813 stierf, heeft hij in zijn korte tijd als gouverneur verschillende grote wijzigingen doorgevoerd. In mei 1812 veranderde hij de naam van de hoofdstad Stabroek in Georgetown, ter ere van de Engelse koning George III. Het Nederlands was tot dan toe de officiële taal van de rechtbank, maar Carmichael beval dat alle juridische documenten in het Nederlands en het Engels moesten worden geschreven. Hij stuitte op felle tegenstand van de Nederlandse planters die invloed hadden op de Raad van Politie, en met name het College van Keizers, dat werd beschouwd als hun exclusieve domein. Zonder goedkeuring uit Groot-Brittannië af te wachten, schafte Carmichael het College van Keizers af, door de taken over te dragen aan de financiële vertegenwoordigers bij de Rekenkamer van het beleid. Het College van Keizers werd in 1831 opnieuw opgericht als een kiescollege voor het Court of Policy.
Berbice
In de kolonie Berbice ontstond een bestuursstructuur die niet erg afweek van die van Suriname, Essequibo of Demerara. De kolonie Berbice werd bestuurd door een gouverneur en een Raad van Regering. De gouverneur werd aangesteld door de Directie van de Sociëteit van Berbice maar ontving zijn commissie van de Staten Generaal, in wiens handen hij ook de eed aflegde. Uiteraard was de gouverneur ondergeschikt aan de orders van de Directie. In de kolonie had hij in alle zaken, zowel politieke als militaire het hoogste gezag; doch was verplicht voor al deze zaken de Raad van Regering bijeen te roepen. De Raad van Regering, later Raad of Hof van Politie genaamd, bestond bij provisie, behalve uit de gouverneur, uit personen die door de gouverneur werden gekozen uit een dubbeltal. Deze dubbeltallen werden de eerste maal door de gezamenlijke kolonisten, daarna door de overige raadsleden opgesteld. De Raad diende de gouverneur van advies en besliste mèt hem bij meerderheid van stemmen. Het was de gouverneur en de Raad verboden iets te ondernemen dat tegen het octrooi of zijn artikelen inging. De criminele justitie berustte bij deze Raad van Regering, later Raad of Hof van Politie genaamd. De civiele justitie berustte bij de Raad of het Hof van (Civiele) Justitie, onder voorzitterschap van de gouverneur. Het Hof van Politie bestond uit 6 personen, waarvan er om de 2 jaar 3 aftraden. De leden werden door de gouverneur gekozen uit een dubbeltal, dat werd opgesteld door de gouverneur en de Raad van Regering. Het dubbeltal kon bestaan zowel uit leden van de Raad van Regering als uit overige kolonisten. De besluiten kwamen tot stand bij meerderheid van stemmen; bij staking der stemmen besliste de gouverneur. Van de vonnissen door het Hof van Justitie gewezen was revisie door de Staten Generaal mogelijk. De functie van fiscaal blijkt in beide Hoven aanvankelijk ook door de gouverneur te zijn waargenomen, later door de secretaris. De leden der Hoven werden gekozen uit de kolonisten.
In de praktijk werden de directeuren en eigenaren van plantages gekozen. Het lidmaatschap mocht een gekozene niet weigeren; hij ontving echter geen salaris en pas later werden verblijfkosten vergoed. De rechtspraak, in handen van juridisch ongeschoolden, bleef uiterst gebrekkig. Herhaalde malen werden de Raden door de Directie voor onrechtvaardigheden terecht gewezen. In 't bijzonder tegenover de negers werd vaak onbillijk opgetreden. Na de gouverneur waren de belangrijkste ambtenaren de boekhouderopzichter generaal, de secretaris en de landmeter-ingenieur. De opzichter generaal, die belast was met het toezicht op de opzichters der Sociëteitsplantages, had tevens als tweede man zitting in het Hof van Politie. De zetel van het bestuur was het fort Nassau. In het stenen gebouw in het fort woonde de gouverneur, de secretaris en de officieren van de bezetting. Hier vergaderden ook de beide Hoven. De instelling dat de gouverneur 2x daags "open tafel" moest houden op kosten van de Sociëteit, werd ca. 1760 afgeschaft.