Geschiedenis van de archiefvormer
Maurits Willem Raedinck van Vollenhoven, heer van Cleverskerke, werd op 25 november 1882 te Haarlem geboren. Hij studeerde archeologie te Rome en trad na zijn studie in de diplomatieke dienst. Achtereenvolgens was hij werkzaam op de legaties te St. Petersburg (1908-1913), Madrid en Lissabon (1913-1914), Brussel (1914-1919) en wederom Madrid (1919-1921).
Als 'minister-protecteur' was hij in Brussel gedurende de Eerste Wereldoorlog, samen met de gezanten van de Verenigde Staten en Spanje, verantwoordelijk voor de import en distributie van levensmiddelen in België en Noord-Frankrijk, had hij bemoeienissen met het voorkomen van de vernietiging van de Belgische kolenmijnen en het stoppen van Engelse luchtaanvallen op Antwerpen en Brussel.
Een groot deel van zijn activiteiten tijdens de Eerste Wereldoorlog heeft Van Vollenhoven beschreven in zijn Memoires. Beschouwingen, belevenissen, reizen en anecdoten (Amsterdam 1946).
De gezant te Brussel was de Belgische regering in ballingschap naar Le Havre gevolgd zodat Van Vollenhoven ook als hoofd van de legatie optrad. Tot 1917 als gezantschapsraad en daarna als minister-resident. Voor zijn optreden als 'minister-protecteur' werd hem na de oorlog door enkele Belgische stadsbesturen het ere-burgerschap verleend en ontving hij van de universiteit van Leuven een ere-doctoraat in de letteren en wijsbegeerte.
Na zijn vertrek uit Brussel (hij werd in 1919 tot gezant te Madrid benoemd) werd door mr B.C.J. Loder, lid van de Hoge Raad, een onderzoek ingesteld naar de activiteiten van Van Vollenhoven met betrekking tot financiële middelen die het gezantschap ter beschikking stonden tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Zie inventarisnummer 2.
De uitslag van dat onderzoek was zodanig dat het Van Vollenhoven in 1921 noodzaakte tot het verzoeken om eervol ontslag uit de diplomatieke dienst.
Dat ontslag werd hem verleend bij Koninklijk Besluit van 18 februari 1921, no. 67.
Sindsdien heeft Van Vollenhoven, die na zijn ontslag uit de diplomatieke dienst te Madrid bleef wonen, tot enkele jaren voor zijn overlijden in 1976 (hij was toen 93 jaar) een nimmer aflatende strijd met het ministerie van Buitenlandse Zaken gevoerd voor eerherstel. In eerste instantie door te trachten de zaak te heropenen en een nieuw onderzoek door een 'Eereraad' in te laten stellen.
Zie inventarisnummer 3.
Dit onderzoek gaf hem niet voldoende genoegdoening en betekende tevens geen heropneming in de gelederen van de diplomatieke dienst.
Na dit onderzoek is hij blijven corresponderen met de diverse betrokken personen, het ministerie van Buitenlandse Zaken en derden om erkenning te krijgen voor de naar zijn mening grote verdiensten die hij Nederland bewezen heeft.
In het departementaal archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken bevindt zich een conduite dossier over Van Vollenhoven vanaf 1946. De vooroorlogse correspondentie is waarschijnlijk in de meidagen van 1940 vernietigd.
Geschiedenis van het archiefbeheer
De in de navolgende bladzijden beschreven stukken zijn na het overlijden van Van Vollenhoven in 1976 op zijn verzoek door zijn weduwe overhandigd aan de Nederlandse ambassadeur te Madrid, die de stukken doorstuurde naar het departement van Buitenlandse Zaken te Den Haag. Daar werden de stukken bewaard in de kast van de Chef van de Directie Buitenlandse Dienst (vanaf 1986 de Hoofddirecteur Dienst Buitenlandse Zaken). In 1989 werden de bescheiden naar het semistatisch archief gezonden.
De collectie bevond zich bij ontvangst in een zeer wanordelijke staat. Blijkbaar had Van Vollenhoven diverse stukken 'gebundeld' in enkele enveloppen.
Zie inventarisnummer 14.
De verwerving van het archief
Overbrenging van een overheidsarchief
De verwerving van het archief
Het archief is krachtens bepalingen van de Archiefwet overgebracht.