2.08.30.04 Inventaris van de archieven van het Amortisatiesyndicaat, 1823-1841

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Het Amortisatiesyndicaat 1823-1841

Organisatie en taken
Bij de Wet van 27 december 1822, S.59, werd het Amortisatiesyndicaat ingesteld, zulks met opheffing van de twee voorafgaande (en hierin samengesmolten) instellingen: de Amortisatiekas, en het Syndicaat der Nederlanden. De Amortisatiekas was een "sinking fund" geweest; een fonds ter stelselmatige aflossing der staatsschuld, zonder optreden naar buiten. Het Syndicaat was hetgeen men thans een stichting zou noemen (te dien tijde werd deze benaming op economische instellingen nog niet toegepast). Het was een staatsfonds, over eigen baten beschikkend en gerechtigd daarvoor "bons" of handelspapier, uit te geven, met vrijere gestie dan aan de Staat zelf mogelijk zou zijn.
Het Amortisatiesyndicaat nu verenigde met deze beide instellingen het beheer en de beschikking over de Staatsdomeinen. Gelijk in Frankrijk de "biens nationaux" tot stijving der Staatskas hadden gestrekt zou ook het Amortisatiesyndicaat, als stichting, rechtspersoon, met een deel van het Staatsvermogen en de Staatsinkomsten op vrijere wijze kunnen financieren, buiten budget en volksvertegenwoordiging om; zulks ter vermindering van de Staatsschuld, maar vooral ter financiering van onderscheidene objecten van openbaar nut.
Het bestuur van het Amortisatiesyndicaat berustte bij een talrijke Algemene Vergadering, bij een (niet in de wet voorziene) Permanente Commissie daaruit; beide onder voorzitterschap van de Minister van Financiën, onder wie een vice-president werkzaam was; de eigenlijke leiding berustte, door tussenkomst van vertrouwensmannen, bij Koning Willem I persoonlijk. Voor het dagelijks beheer der domeinen, wegen en vaarten was sinds 1829 een gecommitteerde uit de permanente commissie aangewezen.
In de Franse tijd was het domeinbeheer met de dienst der Registratie verenigd geweest. Hierop werd terstond na de bevrijding teruggekomen: bij Souverein besluit van 16 december 1813 no. 52 werd een College van Raden en Rekenmeesters der Domeinen, met een Hoofdadministrateur, ingesteld en krachtens souverein besluit van 26 april 1814 (Stcrt. 1814 no. 110) werd de afscheiding per 1 mei van dat jaar volledig doorgevoerd. De leiding van het domeinbeheer aan het "Departement der Domeinen" opgedragen. De ontvangers der registratie bleven met de inning en verantwoording der domeininkomsten belast.
Bij de Wet tot instelling van het Amortisatiesyndicaat ging het domeinbeheer aan die nieuwe instelling over en daarmede een gedeelte van het domeinpersoneel. De inspecteur-generaal der domeinen, J.A. Berman, kreeg zitting in de Permanente commissie van het Amortisatiesyndicaat en werd daarvan later de Gecommitteerde tot het dagelijks beheer der domeinen.
De toenmalige staat der domeinen kan men leren kennen uit de gegevens in de Handelingen van de Staten-Generaal 1821/1822, bijlagen blz. 545 e.v. Krachtens Koninklijk besluit van 14 april 1823 no. 114 (vermeld bij Boogaard, Wetten en besluiten v.d. Waterstaat I, blz. 279) gingen ook de "conservatiën der wateren en bossen" in de Zuidelijke gewesten aan het Syndicaat over; hetzelfde gold voor de onroerende goederen der kerkfabrieken in de zuidelijke provinciën (K.B. 6 juli 1822, S. 18).
Hoe het Amortisatiesyndicaat het domeinbeheer zocht te activeren in het belang ener verhoogde geldelijke opbrengst is, met name voor zoveel de verkooppolitiek betreft, in het aangehaalde werk van Dr. Riemens te vinden. Voor deze verkoop waren algemene bepalingen vastgesteld op 7 jan. 1825 (Bijv. Stbl. XIII, blz. 1).
Bij Koninklijk besluit van 8 juni 1828 no. 93 (Bijv. Stbl. 1828 IV blz. 1032-1035) is een gewijzigde organisatie voor het beheer der domeinen tot stand gebracht, met verdergaande uitsluiting van de dienst der Registratie. Er werden vijf domeinressorten ingesteld:
1e ressort te Arnhem, bevattende de provinciën Gelderland, Noord-Brabant en Overijssel,
2e ressort te Amsterdam, bevattende de provinciën Noord- en Zuid-Holland, Utrecht, Friesland, Groningen en Drenthe,
3e ressort te Brussel, bevattende o.m. de provincie Limburg met inbegrip van het Nederlandse gedeelte,
4e ressort te Gent, bevattende o.m. de provincie Zeeland,
5e ressort te Luik, bevattende geen gedeelten van het tegenwoordige Nederland.
In elk ressort stond een administrateur aan het hoofd en was voorts een belangrijke plaats toegekend aan de inspecteur, die geregeld de bureaus der onder de ressorten behorende agenten moest bezoeken. De inspecteur van het ressort Amsterdam moest te 's-Gravenhage wonen.
Krachtens de algemene instructie door het Amortisatiesyndicaat vastgesteld, werden de door de regionale en plaatselijke domeinambtenaren gevormde archieven bij voortduring als eigendom van het Syndicaat beschouwd.
Bij secreet Koninklijk besluit van 20 juni 1819 La S4 is het Speciale Fonds voor de bevestiging en armering van het Zuidelijk Frontier ingesteld en de functie ervan bepaald. Het beheer ervan is in het jaar 1825 overgegaan aan het Amortisatiesyndicaat.
Bij Koninklijk besluit van 30 juni 1825 no. 96 was aan het Amortisatiesyndicaat de verplichting opgelegd aan het Fonds ter bevordering van de Nationale Nijverheid gedurende 15 jaren in totaal f. 7.500.000,-- voor te schieten. Daar de beleggingen tot op 1830 grotendeels in de Zuidelijke Nederlanden hadden plaatsgehad, volgde na de afscheiding van België een financiële débâcle.
Bij Koninklijk besluit van 12 augustus 1828 no. 110 (J.F. Boogaard, Wetten... op den waterstaat in Nederland, dl. I (1858) blz. 277) is aan het Amortisatiesyndicaat opgedragen het eigenaarsbeheer (onderscheiden van het technisch beheer) der wegen, vaarten, veren, droogmakerijen enz., en zulks met ingang van 1 januari 1829 (vgl. Kon. besl. 20 jan. 1829 no. 83, Boogaard alsv. blz. 280, en het Kon. besl. van 23 jan. 1830, Bijvoegsel Stbl. 1830 blz. 36, betr. de geldelijke verhouding deswege tot de provinciale besturen).
Omtrent de openbare werken van dat tijdvak zie men: de Handelingen der Staten-Generaal 1821-1822 Bijl. blz. 594-598, en de tekst bij Mees' Geschiedkundige Atlas.
Krachtens de wet van 27 december 1840 S.77 is het Amortisatiesyndicaat met het einde van dat jaar opgeheven, waarna een Commissie tot liquidatie de zaken nog korte tijd voortzette.
De gehele geschiedenis ervan vindt men beschreven bij: Hk. Riemens, Het Amortisatiesyndicaat, een studie over de staatsfinanciën onder Willem I; academisch proefschrift 1935 (Amsterdam).
Zie ook: Otten, F.J.M., Gids voor de archieven van de Ministeries en de Hoge Colleges van Staat 1813-1940. Den Haag, Instituut voor de Nederlandse Geschiedenis, 2004.

Geschiedenis van het archiefbeheer

De archieven van het Amortisatiesyndicaat

Ter uitvoering van zijn taak bracht nu het Syndicaat, in zijn dienstgebouw het St. Jorishof achter de Oude Waalse Kerk te Amsterdam (thans (=1947) deel van het Rijksbelastinggebouw aan de Hoogstraat), een omvangrijk archief bijeen. Niet slechts de archivalia van het oude Syndicaat en de Amortisatiekas, niet slechts de archieven van de centrale domeinbesturen welker taak de instelling overnam, maar ook vele archiefbestanddelen van vroegere domeinbeheerders, met name alle archivalia betreffende de Hollandse domeinen en de Nassause domeinen. De Utrechtse kapittelarchieven werden ter plaatse gelaten en onder een aparte archivaris gesteld. Ook van domeinarchivalia in andere provinciën werd met de overlegging van lijsten volstaan. Deze verzameldrift werd aangewakkerd zowel door het meer geactiveerde domeinbeheer, waarvan men groter rentabiliteit verwachtte, alsook door de uitspraak der civiele kamer van het Hooggerechtshof van 7 mei 1824 (W.Y. v. Hamelsveld, Verzameling van gewijsden II, 1826, blz. 30-40), waarbij voor de inning van domeininkomsten op dwangschrift (met toepassing van de Franse wet van 19 aug./12 sept. 1791, Rondonneau III p. 323) vereist werd gesteld de overlegging van een authentiek extract van de oorspronkelijke obligatoire titel aan de president der rechtbank die het dwangschrift executoir moest verklaren. De centrale dienst te Amsterdam ging nu voor de lijsten der obligatoire titels zorgen en begaf zich daartoe diep in het archiefonderzoek. Het is waarschijnlijk dat deze activiteit tot de opsporing en het behoud van tal van waardevolle bestanddelen geleid heeft. Maar het is daarnaast ook zeker dat het gebruik ervan voor één zeer bepaald doel aan de orde dier verzamelingen geen goed heeft gedaan.
Na de opheffing van het Syndicaat werd een deel van zijn archief overgenomen door de nieuw opgerichte Afdeling Domeinen aan het Ministerie van Financiën. Een ander en groter gedeelte evenwel, met name al wat van oudere datum was, bleef in het grote gebouw te Amsterdam achter. De heer J. Fraser, die thesaurier van het Amortisatiesyndicaat en ook al van het oude Syndicaat was geweest, bleef als Agent van het Ministerie van Financiën in het St. Jorishof zetelen en vormde dus een soort persoonlijke verbinding. Met hem bleef er ook de archiefambtenaar W.A. van der Jagt (met een hulpkracht).
Van der Jagt heeft zich voor de domeinarchieven verdienstelijk gemaakt en er o.a. toe meegewerkt dat de middeleeuwse bestanddelen daaruit de Rijksarchieven kwamen verrijken (vgl. o.m. R.C. Bakhuizen v.d. Brink, Overzigt van het Ned. Rijksarchief I, 1854, blz. 34-35, 38-40, 46-50).
Wat nu aan archieven van deze instelling zowel te Amsterdam als in het Ministerie van Financiën te 's-Gravenhage was overgebleven is in 1919 en 1920 naar het Algemeen Rijksarchief overgebracht (V.R.O.A. 1919 blz. 163-164, 1920 blz. 161). De ordening en beschrijving hiervan verliepen evenwel niet vlot en dit is te verklaren door de staat waarin de stukken zich bevonden. Het archief van deze instelling is op gecompliceerde wijze opgebouwd; latere onderzoekingen erin hadden een steeds verder gaande verwarring geschapen. Behalve kennelijke fouten, die hersteld moesten worden, stond men ook voor het lastige verschijnsel van opeenvolgende "oude orden". Zo is het te begrijpen, dat de weinig voldoening gevende bewerking van deze verzameling weinig voortgang maakte. Maar te betreuren is het, dat de Rijksarchiefdienst enerzijds protesteerde tegen het gebruik van dit archief in zijn ongeordende staat door het publiek (V.R.O.A. I, 1928, blz. 21), terwijl anderzijds de historicus Riemens in zijn voorbericht aantekende, dat dit archief "in treurige staat" verkeerde. Men liet later nog wel de series wat ordelijker plaatsen (V.R.O.A. 1938 blz. 8) maar toen in 1940 de oorlog kwam met zijn noodzaak tot snelle verplaatsing van archivalia op grote schaal, was deze verzameling daarvoor wel het minst geschikt. Als gevolg daarvan weer nieuwe en ernstiger verwarring.
Met verwijdering van het overtollige is thans (=1947) een summiere ordening en beschrijving tot stand gebracht, die slechts aan de eerste behoeften van overzicht en ordelijk beheer wil tegemoet komen. Er moet hierbij ook worden verwezen naar de grote verzameling archivalia betreffende het Amortisatiesyndicaat die onder de Algemene Rekenkamer berust en uit het door die Kamer uitgeoefende toezicht is voortgekomen.
S. Fockema Andreae (1947)

De verwerving van het archief

Overbrenging van een overheidsarchief