In verband met te ondernemen pogingen tot herovering van Nederlands-Indië zouden de geallieerden in eerste instantie veel informatie over de archipel nodig hebben. Het vergaren van actuele inlichtingen en het opzetten van sabotage-acties was weliswaar aan de geallieerde instellingen ISD en later AIB opgedragen, deze activiteiten konden in geen enkel door de Japanners bezet gebied worden uitgevoerd indien niet werd beschikt over gedetailleerde informatie inzake de betreffende area. Voor het uitzetten van sabotage-groepen of het aan land zetten ('inbrengen') van spionnen waren gedetailleerde kaarten en was informatie over samenstelling van bevolking, over werking van het plaatselijke bestuur en dergelijke onontbeerlijk. Deze informatie kon slechts worden verkregen door gebruik te maken van instellingen en personen die of over een goede terreinkennis beschikten of deskundig waren op het gebied van bestuursorganisatie en lokale bevolking. Die specialistische kennis met betrekking tot Nederlands-Indië was vrijwel het enige 'wapen' dat de Nederlandse civiele en militaire autoriteiten in dit stadium van de oorlog in stelling konden brengen.
In Australië waren in het voorjaar van 1942 slechts twee Nederlanders aanwezig die ervaring hadden met inlichtingenwerk. A.H.J. Lovink was degene die op de meeste ervaring kon bogen. Hij was tot februari 1942 hoofd van de Dienst Oost-Aziatische Zaken (DOAZ) te Batavia en behoorde tot de uitverkorenen die vóór de capitulatie van het KNIL uit Nederlands-Indië mochten vertrekken, onder andere vanwege zijn grote kennis van de Japanse verbindingen en de organisatie van de Japanse inlichtingen-diensten.
Salm kreeg van schout-bij-nacht F.W. Coster de opdracht een inlichtingendienst te formeren. Bij de opbouw hiervan kon hij gebruik maken van personeel van de Koninklijke Marine en van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger. De dienst werd gevestigd te Melbourne, onder andere omdat daar de staven van de Australische krijgsmachtonderdelen waren gevestigd en Salm te Melbourne gebruik kon maken van diensten van Australische en Britse militairen.
De medewerkers van de Nefis (zoals de inlichtingenorganisatie al snel werd genoemd; de officiële naam was tot april 1943 "Marine en Leger Inlichtingendienst") moesten zich tot ver in 1943 afzijdig houden van het 'actieve' inlichtingenwerk, dat wil zeggen het zelfstandig vergaren van inlichtingen uit bezet gebied. Het actieve inlichtingenwerk werd, zoals eerder vermeld, ondergebracht bij het Allied Intelligence Bureau.
3.2 reorganisatie
Begin 1943 was MacArthur niet onder de indruk van het inlichtingenwerk met betrekking tot Nederlands-Indië; alle inlichtingenoperaties die tot dan toe op touw waren gezet waren falikante mislukkingen geworden. Pogingen om 'parties' aan land te zetten waren of mislukt of men ontving geen berichten van de afgezette groepen.
De Jong, 191
In januari 1943 heeft Van der Plas een onderhoud met MacArthur die dan op bezoek is in Australië. Hij zegde Van der Plas alle steun en medewerking toe bij de reorganisatie van de inlichtingendienst voor Nederlands-Indië. De activiteiten met betrekking tot Nederlands- Indië zouden voortaan geheel door de Nederlanders moeten worden bestierd, dus los van het A.I.B.
ARA/Coll. v.d. Plas, B8; De Jong, 11c, 197
Dit betekende dat de Nederlandse tak van Sectie A van het AIB werd ondergebracht bij de Nefis. De naam van de nieuwe afdeling werd Nefis-III. Met de inlijving van de sectie van Quéré in de organisatie van de Nederlandse inlichtingendienst in Australië op 1 april 1943 werd de Nefis officieel opgericht (tot dan toe was de officiële naam Marine en Leger Inlichtingendienst, maar al vanaf juni 1942 was de naam Nefis in zwang).
De interne organisatie van de Nefis per 1 april 1943 zag er schematisch aldus uit:
De taken en werkzaamheden van Nefis-I en II ondergingen na april 1943 geen wezenlijke veranderingen.
De instelling van Nefis-III, de nieuwe loot aan de stam, betekende dat de Nefis rechtstreeks betrokken zou raken bij de geallieerde oorlogvoering. Veel meer dan bij het bedrijven van de General intelligence en Security diende met de wensen van het geallieerde opperbevel rekening te worden gehouden.
De Directeur Nefis stond onder rechtstreeks gezag van de Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten (BSO), Helfrich,
Invnr. 515
en indien deze niet in Australië verbleef (wat veelal het geval was) onder de OBSO, maar instructies over te ondernemen activiteiten ontving van het Bureau Intelligence van MacArthur's Algemeen Hoofdkwartier (G.H.Q.-G2). De ontvangen instructies diende hij te coördineren met de bevelen van de BSO/OBSO en de wensen van de Indische Commissie. Contacten met het AIB werden in stand gehouden door een verbindings-officier van de Nefis bij GHQ-G2.
zie inventarisnummers 7294-7300
Nieuwe wijzigingen in de organisatie en bevelsverhoudingen werden in 1944 ingevoerd na het uitvechten van diverse controverses waardoor Salm vertrok als Directeur Nefis en in die functie werd opgevolgd door Spoor.
De wijzigingen in de organisatie en de bevelsverhoudingen werden door Helfrich vastgelegd in een wijziging van de instructie voor de Directeur Nefis van 9 januari 1944.
Invnr. 515
Uit een praktisch oogpunt werd de Nefis rechtstreeks onder de OBSO gesteld; Helfrich zelf was immers weinig in Australië en de communicatie met Ceylon was voor het leiden van een dienst 'op afstand' niet geschikt.
De Nefis werd verplicht advies in te winnen bij Van der Plas inzake politieke aangelegenheden of voorziene contacten met de Indonesische bevolking.
Nefis-I wordt opgedeeld in een afdeling die de geografische gegevens en een afdeling die de 'operational intelligence' gegevens verzorgt. Pas in juni 1944 zou een verdere uitwerking volgen en de splitsing worden geformaliseerd.
Invnr. 515
Een formele wijziging in de organisatie werd door Spoor in juni 1944
Invnr. 2
aan de OBSO Van Oyen voorgelegd. Als redenen voor de reorganisatie voert Spoor aan de steeds toenemende werkdruk, de herovering van Nederlands-Indisch grondgebied en de daaraan gepaard gaande vraag naar meer en gedetailleerder informatie en noodzakelijke efficiëntere en meer gespecialiseerde inrichting van de werkzaamheden.
Zowel de aanleiding tot de reorganisatie als de aangedragen oplossing voor de gesignaleerde problemen verschillen niet wezenlijk van eerdere reorganisaties.
Te veel onderwerpen worden door één kantoor behandelt en door onvoldoende specialisatie wordt vaak dubbel werk verricht. In de nieuwe opzet wordt het aantal secties verdubbeld van drie naar zes:
De reorganisatie laat na afloop een nieuw beeld zien van de Nefis.
Sectie II en III blijven in vrijwel ongewijzigde vorm bestaan.
Bij Sectie I vindt een accentverschuiving van de werkzaamheden plaats; meer aandacht voor opleiding, instructie en 'briefing' van personeel belast met de counter-intelligence bij de NICA-detachementen die in bevrijd gebied optreden.
Sectie III wordt 'ontlast' van haar administratieve taken: archief, personeelszaken en transportaangelegenheden worden voortaan door de Algemene Dienst verzorgd, zodat concentratie op de kern van de toegewezen taak kan plaatsvinden. Tevens krijgt de sectie de beschikking over een eigen materialendepot, zodat niet telkens een beroep op het AIB behoeft te worden gedaan.
De sub-sectie 'Operational Intelligence' (Sectie I-1) wordt als aparte sectie IV in de organisatie geplaatst en krijgt de beter passende naam Military Intelligence. De taak blijft ongewijzigd.
Een geheel nieuwe sectie is de Sectie V: Civil Affairs Intelligence met als taken:
- verzamelen en coördineren van alle gegevens die belangrijk zijn voor de herovering van Nederlands-Indië en die niet van geografisch of militair- technische aard zijn.
- geven van voorlichting over sub 1 aan Nederlandse en geallieerde instanties.
De nieuw geformeerde Sectie VI: Technische Photo Sectie (TPS) tenslotte had haar bestaan feitelijk te danken aan de verhuizing van de Nefis van Melbourne naar Brisbane. In Melbourne kon nog gebruik worden gemaakt van de 'Film and Photo Unit' van de Netherlands Indies Government Information Service (NIGIS), maar in Brisbane niet. De organisatie zou tot aan de verhuizing van Australië naar Batavia na de Japanse capitulatie niet meer veranderen. Vóór die verhuizing vond nog wel een reorganisatie plaats. Die reorganisatie anticipeerde op de veranderde taakstelling van de Nefis, waarin geen plaats meer was voor special intelligence en special operations. Het organisatieschema ziet er najaar 1945 als volgt uit:
Aan de sectie II-3 Oorlogsmisdaden werd in januari 1946 toegevoegd het Bureau tot opsporing van Oorlogsmisdadigers, dat in het najaar van 1945 was ingesteld.
In het oorspronkelijke schema ontbreken de afdelingen VII en IX. Er van uitgaande dat zij wel bestaan hebben zijn ze wel in dit schema opgenomen, maar in het archief zelf ontbreekt elke aanwijzing wat de taak van deze afdelingen geweest zou kunnen zijn.
Naast de Nefis zouden in Nederlands-Indië aparte inlichtingendiensten bestaan van het KNIL en de Marine.
Naast de organisatie van het Hoofdkantoor bevatte de Nefis-organisatie (en later ook de CMI) na de verhjuizing naar Batavia ook een groot aantal Buitenkantoren. Het grootste deel van het operationele inlichtingenwerk werd door deze kantoren en de onder hen ressorterende Buitenposten verricht. Dat operationele werk bestond uit het ondervragen van personen, het vergaren van inlichtingen omtrent de ontwikkelingen in de regio waar het kantoor gevestigd was door middel van het opbouwen en in stand houden van een inlichtingen-netwerk en het volgen van de media. Daarnaast stond een Buitenkantoor in voortdurend contact met de civiele en militaire autoriteiten in de regio.
In 1948 wordt het gehele inlichtingenbouwwerk in Nederlands-Indië gereorganiseerd. De reorganisatie had te maken met een verminderde beschikbaarstelling van personeel aan de Nefis door de verschillende departementenvan algemeen bestuur in verband met de slechte rechtspositie van Nefis-personeel, maar ook met het versnipperde aanbod van intelligence-materiaal. Want hoewel Nefis altijd al gebruik maakte van de inlichtingen die door de diverse legereenheden werden verzameld, had de dienst nooit enige zeggenschap over de te velde opererende inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Met de reorganisatie die in september 1948 van kracht werd zou dat wel het geval zijn. In de opmaat naar de reaoganisatie werd dit beschreven als "grotere centralisatie in de leiding en uitvoering, waarmee nauw is verbonden een doelmatig gebruik van de beschikbare middelen".
inventarisnummer 499
Tevens zou de nieuwe dienst nauw samen moeten gaan werken met de niet-militaire inlichtingendiensten van de deelstaten van de toekomstige Verenigde Staten van Indonesië. De Nefis werd met die reorganisatie vervangen door de Centrale Militaire Inlichtingendienst (CMI) die onder het bevel kwam te staan van het Directoraat Militaire Inlichtingen, gevormd door de Commandant der Zeemacht en de Legercommandant.
De nieuwe organisatievorm, die tot aan de soevereiniteitsoverdracht en dus tot en met de liquidatie van de Centrale Militaire Inlichtingendienst stand zou houden, was als volgt: