Geschiedenis van de archiefvormer
De archiefvormer bestond onder de volgende benamingen:
- Universitair Asylfonds, 1948-1968
- Stichting Vluchtelingen-studenten UAF (University Assistance Fund) 1968 - ....
Het UAF werd in 1948 opgericht door medewerkers en studenten van de Nederlandse universiteiten, uit solidariteit met de voor de communistische machtsovername gevluchte Tsjechische studenten. De aanzet werd gegeven door het Comité Adhaesie Tsjechische Studenten in Utrecht, op 24 februari in het leven geroepen als reactie op het neerslaan van een studentenopstand in Praag. Met een grote handtekeningenactie en protestbijeenkomsten haalde het comité het wereldnieuws.
Op 9 april daarna riep de rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam, prof. G.C. Heringa op tot de instelling van een Universitair Asylfonds; bij die bijeenkomst waren alle rectores magnifici van de Nederlandse universiteiten en hogescholen aanwezig
Hogescholen waren toen de Technische Hogeschool Delft, de Economische Hogescholen te Rotterdam en Tilburg en de Landbouwhogeschool te Wageningen, thans allen universiteiten.
. Deze bijeenkomst leidde meteen tot de oprichting van het fonds. Dit fonds ondersteunde uiteindelijk vijftig toegelaten Tsjechische studenten. Het onderhield contacten met de International Refugee Organisation, die zich ook bezig hield met de opvang van displaced persons uit de Tweede Wereldoorlog en later aangekomen vluchtelingen in Nederland, vanaf 1954 opgevolgd door de Nederlandse Federatie van Vluchtelingenhulp.
Een ander samenwerkingsverband ontstond met de Midszenty-stichting - vernoemd naar een door de regering van de Hongaarse volksrepubliek gevangen genomen kardinaal - die bemiddelde voor de plaatsing van uitgeweken Hongaarse studenten in Nederland. Deze samenwerking werd na de Hongaarse opstand van 1956 geïntensiveerd. Later bleken ook vluchtelingen-studenten zich aan te melden, die niet afkomstig waren van landen van het Warschaupact, zoals uit Zuid-Afrika na het bloedbad van Sharpeville (1961). Het werd duidelijk dat niet alleen van communistische zijde repressie kwam. In dat jaar richtte de International Student Conference
Er bestonden twee internationale studentenorganisaties, waarvan de oudste, de ISU (International Student Union) mede studenten verenigde uit landen van het latere Warschau pact. In reactie daarop werd de ISC opgericht, die vooral studenten uit de landen uit het NAVO-pact verenigde. De Nederlandse studentenraad was indertijd bij de ISC aangesloten; de in 1963 opgerichte Studentenvakbeweging pleitte voor aansluiting bij de ISU.
het International University Exchange Fund op, dat voortaal als centrum diende voor de achtergrondinformatie op grond waarvan het UAF zijn beleid kon richten. Met name kwam er veel informatie over Afrika en Latijns Amerika binnen, die tot .heroriëntatie leidde. Belangrijke gebeurtenissen die tot vluchtelingenstromen leidde waren de onderdrukking van de Praagse Lente in Tsjechoslowakije (1968), de staatsgreep van het kolonelsregime in Griekenland (1969) welk bewind culmineerde in de bloedig onderdrukte studentendemonstratie van 1972, de koloniale oorlog van de Portugese dictator Salazar in Angola, met Portugese deserteurs en Angolese vluchtelingen als gevolg, en de staatsgreep van Pinochet in Chili (1971).
In 1969 veranderde het Universitaire Asylfonds zijn naam in Stichting voor Vluchtelingen-studenten UAF (University Assistance Fund). De reden was dat het fonds niet alleen universitaire studie ondersteunde, maar ook studie voor hoger beroepsonderwijs en kunstacademie. In dat jaar werd op aandrang van de Tweede Kamer een regeling aangenomen waarbij verdragsvluchtelingen (waaronder een groot deel van de 50 Tsjecho-slowaken uit 1968) in aanmerking kwamen voor een rijksstudietoelage. Deze toelagen werden aan het UAF uitgekeerd en via deze instantie aan de bursalen gedistribueerd.
De uitkeringen aan bursalen via het UAF werden door het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen als een aparte begrotingspost opgevoerd, zodat het leek alsof het UAF voor zijn werk werd gesubsidieerd. Dit is echter nimmer het geval geweest.
Dat gold echter niet voor de Portugese deserteurs, die eveneens door het UAF werden ondersteund. Het UAF moest daarom in de jaren '70 voor zijn opvang- en ondersteunings-werk nauwer samenwerken met de andere vluchtelingen- en bijstandsorganisaties, die echter in dat decennium ingrijpend in beweging waren. De Nederlandse Federatie van Vluchtelingenhulp werd in 1972 opgeheven, mogelijk door interne problemen over de Oost-Westverhoudingen. Een mede door het UAF in het leven geroepen Stichting Bijstand Buitenlandse Studerenden vormde samen met de Landelijks Stichting Welzijn Buitenlandse Werknemers het Nederlands Centrum Buitenlanders, waarin ook vluchtelingenorganisaties een rol speelden. Toen als opvolger van de Federatie in 1974 een voorstel werd gedaan tot oprichting van een stichting op basis van kerkelijke hulp besloot het UAF daarmee niet in zee te gaan, maar richtte het met professionele maatschappelijke organisaties als Eelease en Amnesty International de Vereniging "Voor Vluchtelingen" op. Beide organisaties fuseerden in 1979; de organisaties die bij de oprichting van de oorspronkelijk rivaliserende instellingen waren betrokken, namen als "leden-rechtspersonen" zitting in het algemeen bestuur. Deze positie heeft het UAF nog steeds. Ook heeft het bemoeienis met de Stichting Vluchteling, die in 1976 werd opgericht. Twee jaar later nodigde die stichting het UAF en andere bijstandsorganisaties uit om in een werkgroep zitting te nemen. Hieruit ontstond een Raad van Toezicht, die inzage kreeg in alle beleidsstukken van het bestuur.
Het UAF kon nu zijn rol als verstrekker van studiebeurzen (hetzij van rijkswege hetzij uit eigen inzamelingen) binnen de context van de steeds intensiever georganiseerde vluchtelingenopvang voortzetten. Hierin speelde zij een eigen rol. Zij verstrekte niet alleen beurzen en toelagen aan erkende vluchtelingen, maar - in ieder geval in de jaren '90 - ook aan asielzoekers die in opvangcentra of op opvangadressen op een beschikking wachtten. Daardoor hanteerde zij bij haar steun zelf geformuleerde criteria voor cliëntaanneming, die konden afwijken van het toelatingsbeleid van de IND en zijn voorgangers; per slot van rekening had ook een terugkerende asielzoeker iets aan een hogere opleiding.
Overigens waren cliënten van het UAF reeds aanvaarde cliënten van de Vereniging Vluchtelingenwerk, die immers in eerste instantie moesten beoordelen of het zin had een asielzoeker bij zijn aanvraag te begeleiden. De betrokken personen waren in ieder geval op redelijke gronden - voorlopig - in Nederland toegelaten.
Het feit dat het UAF zelf criteria toepaste voor de cliëntbepaling had gevolgen voor de organisatie. Het UAF had tot 1968 een algemeen bestuur, bestaande uit afgevaardigden van de toenmalige universiteiten en hogescholen, uit wier midden een dagelijks bestuur werd benoemd dat zich met de inzameling en uitkering van toelagen bemoeide. Na 1968 professionaliseerde de organisatie zich. Het bestuur benoemde een directeur, die in zijn werk werd bijgestaan door de volgende commissies:
- De Financiële commissie, die zich bezig hield met inzamelingen, acties en de verantwoording. Men hield collectes, verkocht agenda's aan eerstejaars studenten, gaf de gelegenheid aan personen en instellingen om vluchtelingenstudenten te adopteren en na 1968 ook periodieke schenkingen te verrichten.
- De Sociale commissie, die zich bezig hield met de intake en aanneming van cliënten. Deze commissie moest beoordelen of de aspirant-cliënt inderdaad als vluchteling kon worden aangemerkt of in zijn land van herkomst door politieke oorzaken in zijn studie werd belemmerd; tevens moest zij beoordelen of hij op grond van zijn vooropleiding voor de gevraagde studie in aanmerking kwam. De commissie kwam regelmatig bijeen om te beslissen over gevallen waarbij discussie mogelijk was (de zogen. "ruitjes"). Zie ook de omschrijving in het desbetreffende lijstnummer. In bepaalde gevallen kon tegen een beslissing van der sociale commissie beroep worden aangetekend bij een Commissie van Beroep. Aanvankelijk beoordeelde zij ook of de studievorderingen een voortzetting van de toelage rechtvaardigde, maar dit werd later overgelaten aan.
- De begeleidingscommissie, die bovendien bemiddelde bij alle procedures, die voor een normale aanvrage om studiefinanciering of plaatsing van een student in een universiteit of inrichting van hoger beroepsonderwijs vereist waren.
- De commissie Voorlichting of Pers en Publiciteit, die zich bezig hield met de vormgeving van folders en de redactie van het sedert 1957 verschijnende kwartaalblad Momentopname.
Geschiedenis van het archiefbeheer
Het archief werd beheerd door het dagelijks bestuur, vanaf 1968 door de directeur van het UAF. In het academisch jaar 1969 verhuisde het archief naar het hoofdkantoor van de FC Dondersstraat; mogelijk heeft voor deze verhuizing een selectie plaats gevonden. Daarna is het archief redelijk volledig bewaard gebleven.
Het archief werd in het begin van 2004 door de directie van het UAF aan het Nationaal Archief geschonken. Hierbij werd bepaald dat het Nationaal Archief de vrijheid had om bescheiden die naar zijn oordeel niet voor blijvende bewaring in aanmerking kwamen te vernietigen. In beginsel werd overeengekomen dat het archief volledig openbaar zou zijn. Met het oog op de Wet Bescherming Persoonsgegevens is in nader overleg met het bestuur besloten de openbaarheid met betrekking tot individuele persoonsgegevens van cliënten te beperken.
Schenking (van een niet overheidsarchief)
De verwerving van het archief
Het archief is door schenking verworven.