Bezig met laden van scans...

2.27.134 Inventaris van het archief van de Staatscommissie Euthanasie, 1982-1985

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Voorgeschiedenis

Op 29 januari 1976 heeft de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa aanbeveling nr. 779, inzake de rechten van zieken en stervenden (Recommendation on the rights of the sick and dying) aangenomen.
In deel II van deze aanbeveling wordt het Comité van ministers aanbevolen de lidstaten van de Raad van Europa uit te nodigen om nationale commissies voor onderzoek in te stellen, samengesteld uit vertegenwoordigers van alle geledingen uit de medische professie, juristen, moraaltheologen, psychologen en sociologen.
Deze onderzoekscommissies zouden belast dienen te worden met
  • het uitwerken van ethische regels voor de behandeling van stervenden;
  • het vaststellen van tot richtsnoer dienende medische principes met betrekking tot het treffen van speciale maatregelen, teneinde het leven te verlengen;
  • het onderzoeken van onder andere de situatie, waarin leden van de medische professie zich zouden kunnen bevinden – bijvoorbeeld in verband met mogelijke sancties welke voorzien zijn in de burgerlijke - of strafwetgeving – wanneer zij ervan hebben afgezien kunstmatige maatregelen te nemen tot verlenging van het proces van het sterven bij patiënten, bij wie de doodstrijd reeds is begonnen en van wie het leven niet gered kan worden bij de huidige stand van de medische wetenschap, óf wanneer zij ingegrepen hebben door het nemen van maatregelen, die er vóór alles toe dienen het lijden van zulke patiënten te verlichten en die een neveneffect kunnen hebben op het proces van het sterven; en tenslotte met
  • het onderzoeken van het probleem van de schriftelijke verklaringen, opgesteld door juridisch handelingsbekwame personen, waarin artsen worden gemachtigd maatregelen, die het leven verlengen, achterwege te laten, in het bijzonder wanneer de hersenen definitief hebben opgehouden te functioneren.
De aanbeveling nr. 779 is er de aanleiding toe geweest, dat tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van de rijksbegroting van het toenmalige Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne voor het jaar 1979, het vraagstuk van de euthanasie aan de orde is gesteld. Bij die gelegenheid werd door Kamerleden een motie ingediend, waarin de regering werd uitgenodigd tot het instellen van een staatscommissie. Die motie is toen aangenomen. Staatssecretaris mevrouw E. Veder-Smit van Volksgezondheid en Milieu-hygiëne verklaarde zich bereid deze motie ten uitvoer te brengen.

Instelling van de staatscommissie

In het kader van de voorgenomen uitvoering van de motie heeft voornoemde staatssecretaris bij brief van 9 oktober 1979 (DgVgz/MBO nr. 34137) de voorzitter van de Gezondheidsraad verzocht om advies uit te brengen inzake euthanasie. Zij stelde in dat verzoek voor dat het verlangde advies het mogelijk moest maken de taakstelling van een in te stellen staatscommissie concreet te kunnen formuleren. Bij brief van 25 maart 1982 heeft de voorzitter van de Gezondheidsraad, gehoord de Beraadsgroep Gezondheidsethiek en het College van Advies en Bijstand van de Gezondheidsraad, het door de ‘Commissie Belinfante’ uitgebrachte advies inzake euthanasie aangeboden aan de Minister en de Staatssecretaris van Volksgezondheid en Milieuhygiëne.
In haar advies heeft de commissie zich niet uitgesproken over de toelaatbaarheid van euthanasie en de daarbij naar haar mening nauw betrokken hulp bij zelfdoding. Het advies gaf een beperkte omschrijving van het begrip euthanasie. Daarnaast gaf het advies een inventarisatie van problemen en moeilijkheden, die zich in de praktijk rond het sterven en bij de toepassing van euthanasie en het verlenen van hulp bij zelfdoding voordoen. Ook behandelde de commissie de vraag of en in hoeverre een taak van de overheid moest worden gezien met betrekking tot het vraagstuk van euthanasie en hulp bij zelfdoding. Tenslotte bevatte het advies argumenten die pleitten voor èn tegen wijziging van de artikelen 293 en 294 van het Wetboek van Strafrecht.
De Ministerraad heeft op 1 oktober 1982 de instelling van de staatscommissie goedgekeurd. De instelling werd bekrachtigd met het koninklijke besluit van 18 oktober 1982. nr. 3. Op 19 oktober 1982 werd de Staatscommissie Euthanasie, mede namens de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, geïnstalleerd door de Minister van Justitie, J. de Ruiter.

Werkwijze van de staatscommissie

De Staatscommissie Euthanasie heeft na de installatievergadering van 19 oktober 1982 in totaal nog 29 maal plenair vergaderd. Met de voorbereiding van de agenda voor de plenaire vergadering en de planning van werkzaamheden werd een agendacommissie belast die bestond uit de voorzitter Mr. H. J. M. Jeukens, Raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden, de leden prof. S. A. de Lange, hoogleraar neurochirurgie aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam en prof. dr. H. J. J. Leenen, hoogleraar sociale achtergronden van gezondheid en gezondheidszorg aan de Universiteit van Amsterdam, en het secretariaat bestaande uit de secretaris dr. ir. M. W. de Kleijn-de Vrankrijker.
Naast de plenaire vergaderingen heeft de staatscommissie, zo daaraan behoefte bestond, ook in kleinere kring, in tijdelijke werkgroepen, vergaderd. Deze werkgroepen, die gevormd werden door ter zake deskundige leden van de staatscommissie, hadden veelal tot taak om met betrekking tot een specifiek onderwerp advies uit te brengen aan de plenaire vergadering. Op deze manier zijn in de loop van de werkzaamheden van de staatscommissie een juridische en een medische werkgroep gevormd alsmede een werkgroep rechtsvergelijking. Teneinde haar werkzaamheden zoveel mogelijk te structureren, heeft de staatscommissie eerst een werkprogramma opgesteld en de verschillende onderwerpen geïnventariseerd waaraan zij op grond van haar taakopdracht aandacht zou moeten geven. Deze inventarisatie bestond onder meer uit
  • een overzicht van de belangrijkste vragen met betrekking tot de verschillende aspecten van doden op verzoek en hulp bij zelfdoding;
  • een overzicht van de vraagpunten die in het advies van de Gezondheidsraad werden gesignaleerd; en
  • een schriftelijke enquête onder de leden ten einde een inzicht te krijgen in de bij hun levende meningen.
Bij de verdere werkzaamheden van de staatscommissie hebben de resultaten van deze enquête steeds als uitgangspunt gediend. Hierna heeft nog één keer bij de leden een schriftelijke meningspeiling plaatsgevonden. Deze peiling betrof het al dan niet wijzigen van de artikelen 293 en 294 van het Wetboek van Strafrecht. Naast hun reacties op de voornoemde enquêtes hebben verschillende leden uit eigen beweging schriftelijke bijdragen geleverd ten behoeve van de besprekingen in de plenaire vergaderingen en in de werkgroepen.
Contacten met derden
De staatscommissie heeft in haar werkzaamheden veel inlichtingen ingewonnen bij personen en instellingen. Zo zijn er contacten geweest met belangenorganisaties zoals de Stichting voor Vrijwillige Euthanasie, de Nederlandse Vereniging voor Vrijwillige Euthanasie, het Informatiecentrum voor Vrijwillige Euthanasie, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunde, de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot Bevordering van de Farmacie, en de secretaris van de Commissie Suïcide van de Gezondheidsraad. Naast de hierboven genoemde contacten is er ook door andere organisaties en particulieren contact gezocht met de staatscommissie. Dit geschiedde schriftelijk of telefonisch via het secretariaat van de staatscommissie. Verder zijn er in juni 1984 een aantal hoorzittingen georganiseerd, waarvoor belanghebbende en belangstellende organisaties en instellingen werden uitgenodigd.
Rechtsvergelijkend onderzoek
Conform het advies van Werkgroep Rechtsvergelijking, bestaande uit de leden Kuyper, Leenen en Nieboer heeft de staatscommissie het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC) van het Ministerie van Justitie verzocht een rechtsvergelijkend onderzoek te verrichten met betrekking tot wetgeving, jurisprudentie of literatuur omtrent ‘het doden op verzoek’ of ‘de hulp bij zelfdoding’ in een aantal Europese landen. Na de afronding van dit onderzoek concludeerde de werkgroep in december 1983 dat aan de hand van de resultaten verder rechtsvergelijkend onderzoek niet nodig was. De conclusies werden geformuleerd in een preadvies dat de instemming kreeg van de staatscommissie.

Eindrapport en opheffing van de commissie

Na de afronding van de werkzaamheden heeft de staatscommissie een driedelig eindrapport opgesteld, en dit rapport op 9 juli 1985 aan de minister aangeboden. Daarna heeft de minister bij beschikking de staatscommissie ontbonden.

Geschiedenis van het archiefbeheer

Verantwoording voor het archief

In de instellingsbeschikking van de Staatscommissie Euthanasie stond in artikel 5 dat het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de commissie zou dienen te geschieden met inachtneming van de bepalingen van artikel 9, vierde lid, van het Besluit algemene secretarie-aangelegenheden rijksadministratie (Stbl. 1980, 182). Ofschoon aan de secretaris van de commissie het beheer was opgedragen, werd conform het gebruik bij het voormalig Ministerie van Volksgezondheid en Milieuhygiëne de postregistratie verzorgd door de afdeling AZ/PAZ. De registratie van de ingekomen en uitgaande stukken geschiedde met behulp van het fichedoorschrijfsysteem.
De archiefstukken werden op het secretariaat chronologisch in ordners opgeborgen en na opheffing van de staatscommissie overgedragen aan de afdeling AZ/PAZ. De volledige schriftelijke neerslag, inclusief de agendaboeken, besloeg toen ongeveer 6 strekkende meters. Als ingangen op de stukken werden gebruikt de vergaderdatum, het archief-stuknummer, en het SCE-vergaderstuknummer. Een overzicht van de SCE-vergaderstuknummers is bewaard en in de inventaris opgenomen onder inventarisnummer 48. Hierdoor is het makkelijk na te gaan in welke vergadering een bepaald stuk behandeld is.

Verantwoording voor de bewerking

Tijdens de bewerking zijn alle dubbele stukken, waarop geen aantekeningen gemaakt waren, vernietigd. Verder is voor de overige vernietigde stukken gebruik gemaakt van de vastgestelde lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken, vastgesteld bij gemeenschappelijke beschikking van de Minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne, respectievelijk geregistreerd met de kenmerken MMA/AR nr. 216.158 en AZ/PAZ nr. 81803.
Na bewerking kwam 1,125 meter voor bewaring in aanmerking.
De bewerking heeft plaatsgevonden met als doel het archief van de Staatscommissie Euthanasie over te brengen naar het Nationaal Archief zodat het kan worden geraadpleegd in het kader van cultuurhistorisch onderzoek. In 2026 heeft de overbrenging plaatsgevonden.