De eerste tien jaar
De Wet openbaar lichaam Rijnmond betekende in 1964 de instelling van een bovengemeentelijke organisatie, die 24 gemeenten omvatte
Het Rijnmondgebied omvatte in 1964 vierenentwintig gemeenten: Abbenbroek, Barendrecht, Brielle, Capelle aan den IJssel, Geervliet, Heenvliet, Hekelingen, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Oostvoorne, Oudenhoorn, Poortugaal, Rhoon, Ridderkerk, Rockanje, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse, Vierpolders, Vlaardingen, Zuidland en Zwartewaal. Met ingang van 1 januari 1980 werd het aantal gemeenten in het Rijnmondgebied door samenvoeging c.q. herindeling tot zestien teruggebracht: Barendrecht, Bernisse (gevormd door Abbenbroek, Geervliet, Heenvliet, Oudenhoorn en Zuidland), Brielle (met Zwartewaal en Vierpolders), Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Krimpen aan den IJssel, Maassluis, Poortugaal, Rhoon, Ridderkerk, Rotterdam, Rozenburg, Schiedam, Spijkenisse (waaraan in 1966 Hekelingen was toegevoegd), Vlaardingen en Westvoorne (gevormd door Oostvoorne en Rockanje). In 1985 bedroeg het aantal gemeenten in het Rijnmondgebied vijftien als gevolg van de samenvoeging van Poortugaal en Rhoon tot de nieuwe Albrandswaard.
. Met Rijnmond kreeg het binnenlands bestuur een zwaar bestuurslichaam - een rechtstreeks door de bevolking van het gebied gekozen raad van 81 leden, een door de Kroon benoemde voorzitter en zes uit en door de raad gekozen leden van het dagelijks bestuur - met een lichte taak, een "bestuurlijk experiment" dat 21 jaar zou gaan duren.
De Rijnmondtaak bestond uit een viertal taken namelijk een planologische, een coördinerende, een potentiële uitvoerende en een adviserende. Het vaststellen van een streekplan voor het Rijnmondgebied was van meet af een uitvoerende taak.
De raad van Rijnmond, het hoogste orgaan van het openbaar lichaam, kon richtlijnen voor de gemeenten in het Rijnmondgebied vaststellen met betrekking tot een tiental onderwerpen, namelijk:
- de aanleg van havens en de daarbij behorende bedrijfsterreinen,
- de vestiging van bedrijven op deze terreinen,
- de industrievestiging,
- de woningbouw,
- de toepassing van de Woonruimtewet 1947,
- de openluchtrecreatie,
- de aanleg en verbetering van land- en waterwegen,
- oeververbindingen,
- het vervoeren van personen en goederen,
- de bestrijding van de verontreiniging van water en lucht.
De Rijnmondwet gaf de mogelijkheid een richtlijn bij weigerachtigheid om te zetten in een (dwingende) aanwijzing
Hiervan is echter nimmer gebruik gemaakt.
.
Tevens konden de bestuursorganen van het openbaar lichaam bepaalde gemeentelijke bevoegdheden uitoefenen wanneer deze waren overgedragen door de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van een gemeente in het Rijnmondgebied.
Het openbaar lichaam kreeg voorts in de jaren 1966-1972 tevens tot taak het jaarlijks woningbouwcontingent te verdelen over de gemeenten in het Rijnmondgebied
Inv.nrs. 1213-1217.
.
De komst van de Wet openbaar lichaam Rijnmond betekende slechts de voorlopige afronding van een discussie. Een zwaar bestuurslichaam met een lichte taak bleek al snel geen gelukkige oplossing te zijn. Twee veranderingen waren denkbaar. De taak bleef hetzelfde en het bestuur wordt daaraan aangepast ofwel de taak wordt vergroot en verzwaard zodat een zwaar bestuurslichaam een adequaat karakter krijgt. Het Rijnmondbestuur koos voor het laatste en ging daarop anticiperen. De gemeente Rotterdam, tot 1965 voorstander van een (sterke) bovengemeentelijke organisatie, veranderde met de komst van de nieuwe burgemeester de heer W. Thomassen van standpunt en koos voor eerstgenoemde verandering.
Het dagelijks bestuur van Rijnmond stelde in 1968 een 'Interimrapport' op betreffende de structuur van Rijnmond, dat tevens een voorstel bevatte tot het vervaardigen van een voorontwerp van wet tot wijziging van de Wet Openbaar Lichaam Rijnmond; versterking van de positie van Rijnmond als bovenlokaal bestuur was het doel.
In de daaropvolgende jaren verschenen nota's, adviezen van commissies en verraste de voorzitter van Rijnmond in 1970 de raad van Rijnmond met een eigen voorstel. Dit voorstel over de structuur van het openbaar lichaam, met als bijlage een schets betreffende een voorontwerp van wet tot wijziging van de Wet Openbaar Lichaam Rijnmond, werd aangeduid als de 'lex Fibbe'; het openbaar lichaam - genaamd 'Groot-Rotterdam' in plaats van 'Rijnmond' - zou eigen, rechtstreekse taken dienen te gaan vervullen. Met de 'lex Fibbe' (in geamendeerde vorm) verklaarde de raad van Rijnmond zich akkoord.
Ten departemente was inmiddels een concept-voorontwerp Wet Gewest Rijnmond gemaakt. De raad van Rijnmond sprak in 1971 uit dat dit concept-voorontwerp geen uitzicht bood op de oplossing van de bestuurlijke problemen in het gewest; hij was voorstander van de vorming van een stadsgewest 'sui-generis' (van eigen karakter) ter behartiging van regionale belangen in het Rijnmondgebied
Een stadsgewest behelst voor het betrokken gebied een opheffing van de gemeenten en een integratie van gemeentelijke en provinciale taken, met daarbij eventueel rijkstaken. Uit: Rotterdam; Grenzen aan de macht? pag. 66. (literatuur nr. 5).
.
Ook de gemeenteraad van Rotterdam werd voorstander van vorming van een stadsgewest.
De raad van Rijnmond nam in de jaren 1966-1974 een aantal besluiten die betrekking hadden op het uitoefenen van gemeentelijke bevoegdheden:
- Vanaf 1966 werd overleg gevoerd met gemeenten in het Rijnmondgebied over de overdracht van gemeentelijke bevoegdheden tot het inrichten van een centrale post ambulancevervoer
Inv.nrs. 1572 en 1575.
,
- besloot de raad van Rijnmond in 1970 in te stemmen met de overdracht van gemeentelijke bevoegdheden die de ontsluiting van het recreatiegebied "De Bernisse" beoogden en was het openbaar lichaam vanaf 1972 in gesprek met enkele gemeentebesturen over de overdracht van bevoegdheden op het gebied van de buitenstedelijke recreatie
Inv.nrs. 1712, 1715 en 1729.
,
- een motie van de raad van Rijnmond leidde in 1971 tot onderzoek naar en effectuering van de overdracht van gemeentelijke bevoegdheden inzake de uitvoering van de Hinderwet
Inv.nrs. 491-504 en 506.
. Organisatorisch leidde dit tot de oprichting van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR); deze dienst werd gevestigd in Schiedam
Inv.nrs. 607-630.
,
- in de jaren 1971-1972 werd, eveneens op basis van artikel 38 van de Wet openbaar lichaam Rijnmond, van de gemeentebesturen in het Rijnmondgebied de bevoegdheid verkregen voor de planning van scholen voor het gemeentelijk voortgezet onderwijs
Inv.nr. 1653.
.
De gewestvorming, met de daarbij behorende bestuurlijke problematiek, bleef onderdeel uitmaken van vergaderingen.
Op 15 mei 1972 aanvaardde de raad van Rotterdam de motie Lems, waarbij een aantal van zijn bevoegdheden voor spoedige overdracht aan Rijnmond in aanmerking werd gebracht. Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bracht in september 1972 een nota gewestvorming uit, waarin de regionale taken werden opgesomd die naar zijn mening in aanmerking kwamen voor rechtstreekse opdracht aan het openbaar lichaam.
De raad van Rijnmond nam op 22 januari 1973 de motie Weststrate aan, die ervan uitging dat de vorming van een stadsgewest nog geruime tijd zou duren. Daarom bepleitte deze motie dat bij besluit van de Kroon, op verzoek van Rijnmond,bevoegdheden van de gemeenten naar het openbaar lichaam zouden overgaan.
In oktober 1973 verscheen een voorontwerp van wet tot wijziging van de Wet openbaar lichaam Rijnmond dat voorzag in het toekennen van bevoegdheden van gemeenten aan het openbaar lichaam, met de daaraan gekoppelde financiële regeling. Dit wetsontwerp was de voorloper van de Wet van 28 maart 1979, Staatsblad 195, tot wijziging van de Wet openbaar lichaam Rijnmond, waarbij verruiming van bevoegdheden werd verkregen en een en ander tot een definitieve oplossing werd gebracht.
Voor wat betreft de eerste tien jaren van het openbaar lichaam (1965-1974) werd door een gecommitteerde medio 1973 als voorlopige conclusie geuit:
"Het openbaar lichaam Rijnmond heeft in de periode van 1965 tot 1970 (onder het bewind van het eerste dagelijks bestuur) beleefd met de pet in handen staande, aan ieder die er naar luisteren wilde gevraagd of Rijnmond misschien nog iets kon of mocht gaan doen. Die periode bracht niet zoveel praktische resultaten, maar had toch wel een wegbereidend karakter en effekt.
In de periode 1970-1974 werd de pet in de hand een bokshandschoen en was de beleefdheid ook veranderd in een wat meer wilskrachtig en agressief toontje.
Echter in beide perioden konden we toch met een zeker gemak optreden, omdat we niets te verliezen hadden dan onze 'ketenen'. Nu gaan we bevoegdheden met mondjesmaat krijgen en moeten we onszelf bewijzen tegenover de bevolking. De 'macht van de machteloosheid' gaat wat van ons afvallen, ook al zijn onze wensen nog bij lange na niet vervuld"
Inv.nr. 305.
.
Het dagelijks bestuur van Rijnmond stelde bij de begroting 1974 met betrekking tot de eerste tien jaren van het openbaar lichaam dat "Rijnmond heeft zich in de eerste jaren voornamelijk beziggehouden met onderzoekingen op diverse terreinen. De laatste jaren is het accent van de Rijnmond-activiteiten geleidelijk van onderzoek verlegd naar de aanpak van concrete projecten. De funktie van Rijnmond is sinds het oprichtingsjaar 1965 duidelijk veranderd van studieorgaan naar 'doe'-orgaan. Het jaar 1974 kan als keerpunt worden beschouwd. Steeds meer concrete zaken worden tot uitvoering gebracht. Het nut en de noodzaak van Rijnmond tekenen zich scherper af"
Inv.nrs. 317 en 346.
.
Met betrekking tot de wijze waarop het openbaar lichaam bestuurde wordt verwezen naar het hoofdstuk "Wijze van taakuitoefening door het Openbaar Lichaam Rijnmond".
Opheffing
Eind april 1984 besloot de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken (tot dien de splitsing van Zuid-Holland en provincewording van Rijnmond met klem bepleitende) plotseling dat de provincie Zuid-Holland ongedeeld moest blijven, taken en bevoegdheden konden overgaan op de provincie en het openbaar lichaam Rijnmond moest worden opgeheven. Hoofdreden was dat het voortbestaan van het openbaar lichaam niet (meer) paste in het kabinetsbeleid ten aanzien van de bestuurlijke reorganisatie.
Het bestuurlijk experiment Rijnmond had bijna 20 jaar bestaan
Gedurende deze periode hebben zich 'geschikte' momenten voorgedaan voor een ingrijpen door het ministerie van Binnenlandse Zaken, bijvoorbeeld eind 1968 na het vertrek van mr V.G.M. Marijnen (als gevolg van zijn benoeming tot burgemeester van 's-Gravenhage), in de periode 1974-1978 en in 1982 na het vertrek van dr ir A.P. Oele (als gevolg van zijn benoeming tot Commissaris der Koningin in de provincie Drenthe).
.
Bij Wet van 19 februari 1986, Staatsblad 47, werd besloten het openbaar lichaam Rijnmond op te heffen.
Ten aanzien van de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond werd afgesproken deze dienst als organisatorische eenheid te laten voortbestaan.
Krachtens Koninklijk Besluit van 19 februari 1986, Staatsblad 48, trad met ingang van 1 maart 1986 de Wet opheffing openbaar lichaam Rijnmond in werking. Een nieuw bestuurlijk experiment, de provincie Zuid-Holland zorgt voor het bestuurlijk evenwicht in de regio Rijnmond, nam een aanvang.