Prinsjesdag - over Rijksbegroting, Miljoenennota en bezuinigingen

Prinsjesdag 1978, minister Andriessen met het miljardenkoffertje in de Tweede Kamer. Foto: Bert Verhoeff, Collectie Anefo
16 september 2026

De opening van het nieuwe parlementaire jaar op de derde dinsdag in september (Prinsjesdag) kent een aantal hoogtepunten. De rijtoer van de koninklijke familie, de hoeden van de genodigden, de balkonscène en ook het aanbieden van de Miljoenennota aan de Tweede Kamer. Volgens een vertrouwd ritueel doet de minister van Financiën dat na afloop van de bijeenkomst in de Ridderzaal. In het koffertje van de minister zit de Miljoenennota, die het verhaal achter de cijfers uitlegt, evenals de begrotingen van de verschillende ministeries voor het komende jaar.

Dit jaar was het kabinet laat met het rondkrijgen van de Rijksbegroting. De coalitiepartijen moesten het niet alleen eens worden over de gemeenschappelijke financiële en politieke keuzes, maar ook rekening houden met de wensen van de oppositiepartijen. Het minderheidskabinet Jetten-I is namelijk afhankelijk van de oppositie om begrotingsvoorstellen aangenomen te krijgen.

Begrotingsvoorstel 

Ieder ministerie legt in een begrotingsvoorstel vast hoeveel het in 2027 mag uitgeven. Dat voorstel wordt in de vorm van een begrotingswet voorgelegd aan de Tweede en Eerste Kamer. Die moeten deze wet goedkeuren.

Wanneer de economie in Nederland minder stabiel is en kosten oplopen, zoals nu het geval, moeten kabinetten financieel pas op de plaats maken. Bezuinigingen staan dan voor de deur. Het blijft altijd een puzzel om met de coalitiepartijen, maar ook met de oppositie, overeenstemming te vinden waar hoeveel geld naartoe gaat en waar juist bezuinigd kan worden. In de Miljoenennota 2027 spreekt de minister van Financiën van de noodzaak van hervormingen (lees: bezuinigingen) om onze verzorgingsstaat en welvaart in stand te kunnen houden.

‘Bestek ’81’

Eind jaren zeventig moest Nederland ook bezuinigen. De oliecrisis van 1973-1974 had de Nederlandse economie hard geraakt. De sterk gestegen olieprijs zorgde ervoor dat bedrijven en burgers meer geld kwijt waren aan energie. Ook liep de industriële werkgelegenheid terug en nam de werkloosheid fors toe. Tegelijkertijd stegen de overheidsuitgaven en sociale uitkeringen sterk. Nederland kreeg daardoor te maken met oplopende begrotingstekorten en een toenemende staatsschuld. Het kabinet-Van Agt I (1977–1981) bracht op 30 juni 1978 de nota ‘Hoofdlijnen van het financiële en sociaal-economische beleid voor de middellange termijn’ uit. Deze beleidsnota, beter bekend als ‘Bestek ’81’, bevatte een omvangrijk pakket bezuinigingen en ombuigingen voor de periode 1978–1981, ter grootte van ongeveer 10 miljard gulden.

In de Troonrede drie maanden later sprak koningin Juliana: ‘De werkloosheid heeft heel veel mensen getroffen. Hun aantal dreigt nog groter te worden. De Nota Bestek'81 toont de ernst van de economische situatie en bevat een beleidsplan. Volgens sommigen is het te drastisch, volgens anderen niet kordaat genoeg.’

Felle weerstand

De regering sprak de hoop uit ‘op een openhartige en onbevooroordeelde gedachtenwisseling over hetgeen ons allen nu te doen staat.’ De discussies in de Tweede Kamer lieten zien dat er felle weerstand tegen de uitvoering van ‘Bestek ’81’ bestond. Het ging niet alleen om bezuinigen, maar vooral om de vraag wie de rekening van de economische crisis moest betalen. De regeringspartijen CDA en VVD waren voor een beperking van de groei van de overheidsuitgaven, een minder snelle groei van de sociale zekerheid en loonmatiging. De grootste oppositiepartij PvdA had vooral kritiek op de onrechtvaardige lastenverdeling. Volgens PvdA-fractievoorzitter Joop Den Uyl kwamen de bezuinigingen te veel terecht bij mensen met lagere en middeninkomens, evenals bij mensen die afhankelijk waren van sociale voorzieningen. De PvdA wilde juist dat mensen met hogere inkomens een groter deel van de offers zouden brengen. Ook vond deze partij dat het kabinet onvoldoende deed om de werkloosheid te bestrijden.

Minister stapt op

Al vrij snel na publicatie van Bestek ’81 ging het economisch nog slechter. De tweede oliecrisis van 1979 had de economie verder geraakt en het financieringstekort liep op. Daardoor kwam de uitvoering van het beleidsplan onder druk te staan; de maatregelen bleken onvoldoende. In de coalitie ontstonden spanningen over de bezuinigingen. Minister van Financiën Frans Andriessen (CDA) stapte op omdat hij vond dat er veel harder moest worden bezuinigd. Een aanvullende bezuinigingsronde onder de naam ‘Operatie ’80’ volgde. Met het aantreden van het kabinet Lubbers I in 1982 volgden nog grotere bezuinigingen. 

Bronnen bij het Nationaal Archief

2.08.5298 Inventaris van het archief van het Directoraat-Generaal Rijksbegroting van het Ministerie van Financiën, (1919) 1940-1979 (1991)