Afschaffing slavernij in Suriname en het Caribisch gebied (1863)

Bronnen over het lange proces van afschaffing

Kop conceptversie afschaffing slavernij Suriname (1862).
Alles uitklappen

Dit artikel bevat bronnen met racistisch taalgebruik. Gezien de historische waarde van de bronnen is besloten om ze desondanks te tonen. Het racistische taalgebruik komt niet terug in de tekst van het artikel.

Wanneer het over (de afschaffing van de) slavernij gaat, wordt in archiefdocumenten vaak gesproken van ‘eigenaren’, ‘eigendommen’ en ‘bezit’. Omdat een mens nooit echt het bezit kan zijn van iemand anders, worden deze woorden in dit artikel tussen aanhalingstekens geplaatst. 

De West-Indische Compagnie (WIC) verovert in 1624 een deel van Brazilië op Portugal. Onder Portugees gezag wordt op deze plantages vooral suiker geproduceerd, om te verkopen in Europa. Voor het werk op deze plantages ontvoeren de Portugezen tot slaaf gemaakte mensen uit West-Afrika, die zij hierna dwingen te werken op plantages. Na de inname van dit deel van Brazilië, wil de Republiek de suikerproductie voortzetten. Maar door de oorlog tussen de Republiek en Portugal kunnen Nederlanders geen tot slaaf gemaakte mensen kopen van Portugal. Het bestuur van de WIC besluit vervolgens zelf een systeem van mensenhandel en slavernij in te richten. Dit koloniale systeem dient één doel: winst maken. Om dit doel te kunnen behalen, wordt dit systeem verankerd in wetgeving. Ook in de Republiek van de 17e eeuw is er al sprake van weerstand tegen slavernij, met name vanuit protestants-christelijke hoek. In de Republiek zelf is slavernij zelfs verboden. Toch besluit Nederland actief deel te nemen aan de Trans-Atlantische mensenhandel en slavernij. 

De WIC en de Trans-Atlantische mensenhandel

In 1636 ontvoert de WIC de eerste duizend tot slaaf gemaakte mensen vanaf de voormalige ‘Goudkust’ naar Brazilië. Vanaf 1637 gaat Nederland Fort Elmina (in het huidige Ghana) gebruiken om tot slaaf gemaakte mensen tijdelijk gevangen te houden, voordat zij naar de andere kant van de oceaan worden meegenomen. Vanaf 1657 maakt de WIC het eiland Curaçao tot een centrum in de mensenhandel. Hier worden mensen gekocht en verkocht. 

In 1667 neemt Abraham Crijnssen namens de Republiek Suriname in. De oorspronkelijke bewoners van Suriname worden met geweld verjaagd. Hun land wordt afgenomen en heringericht tot een gebied vol plantages, dat vooral steunt op de slavernij van West-Afrikaanse mensen. 

Nederland is niet alleen in Brazilië, Suriname en Curaçao verantwoordelijk voor slavernij en mensenhandel, maar ook in andere delen van het Caribisch gebied, zoals op Sint-Eustatius, Sint-Maarten, Saba, Aruba en Bonaire. 

Slavernij en mensenhandel in Azië

Nederland is ook actief in mensenhandel en slavernij in Azië. De slavernij wordt daar al eerder, in 1860, afgeschaft via een ander wetsvoorstel. In dit artikel staat de afschaffing van slavernij in Suriname en het Caribisch gebied centraal. 

Eeuwenlang vechten mensen in slavernij op verschillende manieren voor hun vrijheid. Dit verzet kent vele vormen. Het voortzetten van eigen tradities, taal en kunst is een vorm van verzet, zeker wanneer de koloniale machthebbers dit verbieden. Ook vinden er tijdens de periode van slavernij regelmatig (gewapende) opstanden plaats. Op Curaçao vindt bijvoorbeeld in 1795 een opstand plaats onder leiding van Tula. Duizenden tot slaaf gemaakte mensen lopen op 17 augustus 1795 in een stoet richting Fort Amsterdam, om hun vrijheid te eisen. Dit eindigt in een bloederige strijd. Ook in Suriname vindt gewapend verzet plaats: de Marrons vallen daar tientallen jaren plantages aan. 

Impact van het verzet

Er is niet één specifieke oorzaak van de afschaffing van slavernij aan te wijzen. Er zijn meerdere oorzaken, die gezamenlijk tot dit moment leiden. Het verzet van tot slaaf gemaakte mensen is hier één van. De opstanden en de dreiging daarvan maken dat het systeem van slavernij op de lange termijn niet houdbaar is. De machthebbers beginnen slavernij steeds meer te zien als een bedreiging voor het behoud van de koloniale macht. 

De verhalen over opstanden en verzet bereiken bovendien keer op keer Europa. Daar versterken ze het abolitionisme, een beweging die strijdt voor de afschaffing van slavernij en invloed uitoefent op de politiek. 

Gezichtsverlies en economische overwegingen

Het abolitionisme speelt in Engeland en Frankrijk een grote rol in het besluit om de slavernij af te schaffen, in 1833 en 1848. Deze landen leggen druk op Nederland om hetzelfde te doen. De angst om internationaal gezichtsverlies te lijden zorgt ervoor, in combinatie met economische overwegingen, dat Nederland vanaf de jaren ’40 van de negentiende eeuw afkoerst op de afschaffing. Toch duurt het nog lang voordat het echt zover is. 

Samenvattend zijn verzet, abolitionisme, internationale druk en economische belangen factoren die elkaar versterken en in samenspel leiden tot het besluit om de slavernij af te schaffen. 

Eén van de redenen dat het afschaffingsproces lang duurt is de invloed van plantage-eigenaren op de politiek. In de loop van de negentiende eeuw merken ook zij dat in Nederland de steun voor slavernij afbrokkelt. Omdat zij financieel veel te verliezen hebben bij de afschaffing, vertragen zij jarenlang het proces. 

Plantage-eigenaren stellen dat de slavernij wettelijk geregeld is. Hierdoor zien zij de afschaffing van slavernij als een ‘onteigening van eigendom’; ze vinden dat hun ‘eigendommen’ worden ‘afgepakt’ door de Nederlandse regering. 

In een brief uit 1842 schrijft een groep plantage-eigenaren hierover. Zij vinden dat de regering de leiding moet nemen bij de afschaffing van de slavernij. De redenen die zij noemen laten goed zien hoe plantage-eigenaren denken over de afschaffing.

De plantage-eigenaren schrijven vooral over hoe belangrijk het is dat het in de kolonie Suriname rustig blijft, en dat de kolonie behouden blijft. Ook vinden zij dat de ‘eigendommen’ van plantage-eigenaren beschermd moeten worden:

dat hangende het onderzoek dezer zoo gewigtige als teedere zaak, de rust en veiligheid der kolonie, niet worden gestoord, hare ingezetenen beveiligd, en de aldaar gelegene eigendommen, niet benadeeld worden. […]

De ondergetekenden zullen bij dit hun eerbiedig adres, niet uitweiden, in een betoog van het groot belang des geheelen vaderlands, bij het voortdurend vreedzaam bezit, en de instandhouding der kolonie Suriname, en de hooge noodzakelijkheid die er bestaat, om vooral te zorgen, dat dat vreedzaam bezit, en die instandhouding, door het aanwenden van verkeerde, onpassende, of ontijdige middelen, niet worden bedreigd, of in gevaar gebragt – daar toch Uwe Majesteit daarvan evenzeer, als zij zelven, ten volle zal zijn overtuigd.

Verder schrijven ze over wat er moet gebeuren als de slavernij wordt afgeschaft. Zij willen dan geld (een ‘schadeloosstelling’) van de staat: 

..en bijaldien die overtuiging leiden mag, tot eene emancipatie der slaven in de kolonie Suriname, dat alsdan, aan de eigenaren dier slaven eene behoorlijke schadeloosstelling voor den afstand van hun eigendom worde verleend; gelijk zulks niet meer dan regt en billijk is.

Deze brief maakt duidelijk dat de plantage-eigenaren enkel bezig zijn met economische belangen en hun eigen financiële positie. 

In 1853 krijgt een commissie de opdracht om onderzoek te doen naar de slavernij en hoe de afschaffing moet gaan plaatsvinden. In 1855 en 1856 komt deze commissie met twee rapporten, één over Suriname en één over de eilanden in het Caribisch gebied. 

In het rapport over Suriname stelt de commissie dat afschaffing van de slavernij de enige manier is om de kolonie Suriname te behouden. Doordat de Nederlandse mensenhandel in 1814 afgeschaft is, zijn er steeds minder tot slaaf gemaakte mensen in Suriname. De commissie benoemt dat op termijn een overgang nodig is van een plantage-economie die op tot slaaf gemaakte mensen draait naar één die steunt op betaalde krachten. 

Zowel uit de brief van plantage-eigenaren, als uit de conclusie van de Staatscommissie, wordt duidelijk dat economische argumenten de boventoon voeren. Voor veel politici en betrokkenen heeft de afschaffing weinig te maken met het leed van de mensen in slavernij. 

Een uitgebreid wetsvoorstel 

In 1862 presenteert de regering een wetsvoorstel, in de vorm van een pakket. Het pakket bevat 4 onderdelen: 

1) afschaffing van de slavernij in Suriname en het Caribisch gebied

2) compensatie van de ‘eigenaren’: de lobby van plantage-eigenaren blijkt invloedrijk. Het voorstel maakt geld vrij voor schadevergoedingen aan deze groep. 

3) immigratie van nieuwe arbeidskrachten naar Suriname: in het voorstel wordt geld vrijgemaakt voor het aantrekken van ‘contractarbeiders’.

4) Staatstoezicht: vrijgemaakte mensen in Suriname worden verplicht om nog een periode lang als contractarbeider voor een plantage-eigenaar te werken.

De regering maakt het parlement duidelijk dat het pakket als geheel moet worden goedgekeurd. Als één onderdeel van het pakket geen meerderheid haalt, haalt het hele voorstel het niet. 

Een meerderheid halen voor de afschaffing lijkt voorafgaand aan de debatten haalbaar. Maar doordat de afschaffing in het voorstel gekoppeld wordt aan andere zaken die op dat moment politiek moeilijker liggen, nemen de debatten uiteindelijk 8 dagen in beslag. 

Uit de debatten in het parlement blijkt dat een meerderheid de slavernij onethisch vindt. Toch is dit niet het belangrijkste argument dat politici maken. Zij benadrukken tijdens de debatten vooral dat de slavernij niet goed is voor het imago van Nederland. Ook blijkt dat de meerderheid vooral vóór afschaffing is, omdat dit als dé manier wordt gezien om Suriname als kolonie te behouden. En het is duidelijk dat het parlement slavernij alleen wil afschaffen, als de plantage-eigenaren een flinke schadevergoeding krijgen. 

Eindelijk akkoord

In 1862 gaan de Staten-Generaal uiteindelijk akkoord met het wetsvoorstel. In Suriname krijgen plantage-eigenaren voor iedere tot slaaf gemaakte persoon die vrijkomt 300 gulden. Op Sint-Maarten is dit anders: daar is de vergoeding 150 gulden per vrijgekomen persoon. Op de overige eilanden gaat het om 200 gulden per persoon. De mensen die vrijkomen uit slavernij krijgen niets.

Borderellen

Omdat de regering er zeker van wil zijn dat de staat niet teveel betaalt, moet elke ‘eigenaar’ een borderel opmaken. Een borderel is een lijst van mensen die men ‘in bezit’ heeft. De Rekenkamer houdt precies bij hoeveel geld er wordt uitgegeven aan de voormalige ‘eigenaren’: in totaal bijna 12 miljoen.  

Deze borderellen zijn nu heel belangrijk voor nazaten van tot slaaf gemaakte mensen, omdat zij hierin onderzoek kunnen doen naar het leven van hun voorouders. Dit onderzoek is voor veel mensen emotioneel, omdat zij via deze koloniale administratie oog in oog staan met het leed dat hun voorouders is aangedaan.  

Hieronder wordt een borderel getoond van plantage … in Suriname. 

Na een lang proces schaft Nederland op 1 juli 1863 officieel de slavernij af in de koloniën in Suriname en het Caribisch gebied. Naar schatting 45.000 tot slaaf gemaakte mensen komen op die dag vrij. De mensen die in Suriname vrijkomen zijn vanwege het staatstoezicht nog 10 jaar verplicht om voor een plantage-eigenaar te werken. Zij zijn in 1873 pas echt vrij. Op Curaçao is er na de afschaffing sprake van het ‘Paga Tera-systeem’. Vrijverklaarde mensen moeten binnen dit systeem geld betalen aan hun voormalige ‘eigenaar’ en zonder betaling voor hem werken, om op het land te mogen blijven wonen. 

Nederland is in totaal 240 jaar lang medeverantwoordelijk voor slavernij in delen van Noord- en Zuid-Amerika. In die periode ontvoert Nederland 600.000 mensen van West-Afrika naar verschillende delen van Amerika.

De archieven waarin documenten over slavernij en de afschaffing voorkomen, zijn gevormd door de koloniale machthebbers. Hierdoor is het perspectief van de macht dominant in deze archieven. Als gevolg hiervan is goed te reconstrueren wat plantage-eigenaren, koloniale bestuurders en politici van de afschaffing vinden. Het perspectief van tot slaaf gemaakte mensen is echter veel moeilijker vast te stellen op basis van deze bronnen. Dit is ook zichtbaar in dit artikel, waarin het vooral gaat om belangen van de koloniale machthebber. 

Hoewel de koloniale archieven altijd dit machtsperspectief in zich hebben, zijn in sommige bronnen wel stemmen van onderdrukte en tot slaaf gemaakte mensen terug te vinden. De woorden van Coffy, leider van de opstand in Berbice in 1763, zijn bijvoorbeeld terug te lezen in het archief van de Sociëteit van Berbice: 

daen de Hr. Plantters en Directeuren sijn d’oorsaak weegens het oorlog, weijlen Sie het volk Seere misshandlet hebben, enog over de natur met shleegen en swippen getrakteert (red. al te erg geslagen en mishandeld), soo hebben wij er niet lengger kenne uitstaan.

En ook Tula neemt het woord in koloniale bronnen over de opstand van 1795: 

Wij zijn al te zeer mishandelt, wij zoeken niemand kwaad te doen, maar zoeken onze vrijheid. 

De woorden van Coffy en Tula laten zien dat tot slaaf gemaakte mensen zich niet passief neerleggen bij hun onderdrukking, maar dat zij op uiteenlopende manieren strijden voor vrijheid, waardigheid en zelfbeschikking.

Waarschuwing

In onderstaande bron komt racistisch taalgebruik voor. 

Onderstaande gegevens zijn nodig om de archiefstukken op te vragen in het Nationaal Archief. Gedigitaliseerde stukken kunnen in hoge kwaliteit gedownload worden.

Kaart van Fort Elmina 
Verzameling buitenlandse kaarten Leupe, 1584-1813 (1865)
4.VEL, inventarisnummer 773. 

Brief aan de koning van plantage-eigenaren (1842)
Archief van het Ministerie van Koloniën, 1814-1849
2.10.01, inventarisnummer 4277.

Afschaffing slavernij Caribische eilanden - conceptversie (1862)
Archief van het Kabinet des Konings, (1814) 1841-1897.
2.02.04, inventarisnummer 1383B pagina 1.

Afschaffing slavernij Suriname - conceptversie (1862)
Archief van het Kabinet des Konings, (1814) 1841-1897.
2.02.04, inventarisnummer 1383B pagina 11.

Relaas van Tula (1795)
Archieven van Curaçao, Bonaire en Aruba, 1707-1828 (1859)
1.05.12.01, inventarisnummer 105, scan 408.

Borderel van Plantage de Molhoop (1862)
Archief van de Algemene Rekenkamer 1814-1919: Comptabel Beheer.
2.02.09.08, inventarisnummer 226, scan 418.

Van de Brief aan de koning van plantage-eigenaren (1842) is een transcriptie en hertaling beschikbaar:

Transcriptie en hertaling Brief aan de koning van plantage-eigenaren (1842)