2.01.01.01 Inventaris van de archieven van de Wetgevende Colleges van de Bataafse Republiek en van het Koninkrijk Holland, 1796-1810

Download inventaris als:PDF|XML Download inventaris Download inventaris Sluiten
Taalgebruik in onze archieven Taalgebruik in onze archieven Sluiten

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Voorgeschiedenis

In januari 1795 werd door toedoen van een Frans leger onder bevel van Ch. Pichegru (1761-1804) een einde gemaakt aan het meer dan tweehonderdjarig bestaan van de Republiek der Verenigde Nederlanden. In december 1794 trok dit leger over de bevroren rivieren de Republiek binnen, met in zijn voetspoor de in 1787 uitgeweken patriotten onder leiding van H.W. Daendels (1762-1818). Op verzet van enige betekenis stuitten zij nauwelijks. Op 18 januari nam stadhouder Willem V overhaast afscheid van zijn hof en zijn ambtenaren en begaf zich voor de rest van zijn leven in ballingschap, eerst in Engeland, later in Duitsland, waar hij in 1806 overleed.
In enkele steden ontstonden patriottische volksbewegingen, die de oude besturen dwongen tot heengaan. In Amsterdam werd op 19 januari het zittende stadsbestuur vervangen door Provisionele Representanten. Op 20 januari nam een Comité Revolutionair te Schiedam de macht over van de vroedschap en hield een dag later in de Grote Kerk een bijeenkomst, waarbij voor het eerst op Nederlandse bodem de erkenning plaatsvond van de geheiligde beginselen van Vrijheid en Gelijkheid, gegrond op de Eeuwige en onvervreemdbare Rechten van den Mensch
W.J. Goslinga, De Rechten van den Mensch en Burger (Den Haag 1936) 86 e.v.
. Diezelfde dag werd de door Nederlandse revolutionaire patriotten uitgeroepen Bataafse Republiek door meegereisde afgevaardigden van de Franse regering erkend.
Op initiatief van Amsterdamse revolutionairen, die bij acclamatie waren benoemd tot Provisionele Vertegenwoordigers van het Volk van Amsterdam, werden stappen ondernomen om de Staten van Holland om te zetten, dat wil zeggen de zittende leden van de Staten van Holland te vervangen door revolutionairen. Zij kregen steun van medestanders in verschillende Hollandse steden. Zodoende werden de oude Staten van Holland op 26 januari 1795 vervangen door Provisionele Representanten van het Volk van Holland. Stadhouderschap, raadpensionarisschap en ridderschap werden afgeschaft en de rechten van de mens en van de burger geproclameerd. De oude wijze van stemmen per stand en per stad werd door een hoofdelijke stemming vervangen, de wil van het soevereine volk kwam in plaats van de corporatieve rechten van de standenstaat. Elke representant moest de volgende eed afleggen: "Ik zweere, dat ik gehouw en getrouw zal zijn aan de onvervreemdbare Rechten van den Mensch en Burger, aan het Volk en aan de Wet; en dat ik mij in de betrachting van de plichten daaruit voortvloeiende, zal gedragen als een getrouw en eerlijk man. Dat zweere ik of ik beloove het
Goslinga, De Rechten van den Mensch en Burger, 89.
".
In de overige gewesten voltrok zich in de loop van januari en februari, meer of minder spontaan, een soortgelijke ontwikkeling. Toen Zeeland op 3 maart 1795, als laatste gewest, dezelfde manier van representatie had ingevoerd waren daarmee ook de Staten-Generaal 'om'. De oude vroedschappen werden vervangen door 'provisionele representanten', die nu de 'municipaliteit' (de gemeenteraad) vormden. Zij kozen weer de Provisionele Representanten van de Provincies. Vanuit deze provinciale besturen werden afgevaardigden gekozen voor de Staten-Generaal.
De nieuwe tijd werd ook verwoord in de bepalingen van het Haags Verdrag van 16 mei 1795 dat regelingen bevatte inzake het afstaan van bepaalde gebiedsdelen, het toestaan van inkwartieringen en het opleggen van oorlogsschattingen. Bovendien kwam het land nu opnieuw in oorlog met Engeland, wat funeste gevolgen voor de economie zou hebben.

De Nationale Vergadering (1 maart 1796 - 31 augustus 1797 en 1 september 1797 - 22 januari 1798)

Op 4 maart 1795 werd aan het op die dag opgerichte Comité tot de Algemene Zaken van het Bondgenootschap te Lande (kortweg het Comité te Lande), dat de opgeheven Raad van State verving, opdracht gegeven een plan op te stellen voor de verkiezing en de werkwijze van een Nationale Vergadering en de daaraan toe te kennen bevoegdheden. Over de vraag in hoeverre de Nationale Vergadering tevens de Staten-Generaal zou dienen te vervangen, bestond geen overeenstemming. Pas na uitgebreide beraadslagingen zou daarover een beslissing vallen. De Staten-Generaal waren echter nog steeds een bondgenootschappelijk lichaam. Daarom moest het op 29 mei 1795 ingediende ontwerp voor de verkiezing van een Nationale Vergadering nog door de afzonderlijke gewesten bestudeerd worden. Vooral het opgeven van de gewestelijke soevereiniteit ten gunste van de eenheidsstaat viel menig gewest zwaar. Op 30 december 1795 werd het conceptreglement voor de verkiezingen en de bevoegdheden van de Nationale Vergadering echter vastgesteld en gaven Groningen, Friesland en Zeeland als laatste gewesten hun verzet op. De toekomstige Nationale Vergadering was inmiddels wel aan een reglement gebonden waarin een vergadertechniek was vastgelegd die elke radicale beslissing vrijwel onmogelijk maakte.
Meer dan een jaar had men nodig om tot een definitief reglement voor de verkiezing van de Nationale Vergadering te komen. Stemgerechtigd, zo werd uiteindelijk bepaald, waren alle mannelijke burgers van twintig jaar en ouder, mits zij het afgelopen jaar niet langer dan maximaal drie maanden uit de armenkassen ondersteuning hadden gekregen. Bovendien moesten zij een voorgeschreven verklaring afleggen, waarmee zij de volkssoevereiniteit erkenden en alle erfelijke ambten en waardigheden voor onwettig hielden. De verkiezing tot representant vond indirect (getrapt) plaats. Hiertoe werd het land verdeeld in 126 districten met zo'n 15.000 zielen per district. Elk district werd weer verdeeld in 30 grondvergaderingen. Een grondvergadering telde dus 500 zielen. In elke grondvergadering werd vervolgens één kiezer aangewezen waarna de 30 kiezers van een district uit hun midden de vertegenwoordiger voor de Nationale Vergadering aanwezen, welke dus ging bestaan uit 126 leden, `representanten' genaamd. Na een niet geheel voltooide volkstelling werden in januari 1796 in twee trappen de verkiezingen gehouden voor de afgevaardigden naar de Nationale Vergadering voor een periode van anderhalf jaar (1 maart 1796 tot en met 31 augustus 1797). Degenen die gekozen werden, moesten ten minste dertig jaar oud zijn en zonder ruggespraak bij hoofdelijke stemming de algemene landsbelangen behartigen.
Op 1 maart 1796 vond de eerste bijeenkomst plaats van de Nationale Vergadering, die het volk van de eenheidsstaat-in-wording vertegenwoordigde en onder leiding stond van Pieter Paulus (1754-1796), die de vergadering traditiegetrouw opende met gebed. Na de opening zouden de leden van de Staten-Generaal uiteengaan, waarmee dit instituut na meer dan twee eeuwen ophield te bestaan. Op die 1e maart waren er van de 126 leden echter nog maar negentig aanwezig, vanwege het feit dat in Friesland en Zeeland nog geen verkiezingen waren gehouden in verband met de vertraagde toetreding van deze gewesten. Gaandeweg viel de Vergadering uiteen in drie facties, te weten de door Pieter Vreede (1750-1837) aangevoerde Unitarissen, die uitgingen van een ondeelbare nationale soevereiniteit, de Federalisten die een stelsel voorstonden waarin de scheiding der machten en een grote mate van lokale en gewestelijke zelfstandigheid het centrale gezag in evenwicht moesten houden en de Moderaten onder leiding van R.J. Schimmelpenninck (1761-1825) die zich in geen van beide opvattingen volledig konden vinden.
In de Nationale Vergadering van 1796 en 1797 speelden de Unitarissen een belangrijke en stimulerende rol, onder andere blijkend uit de verdediging van voorstellen voor de één- en ondeelbaarheid van Nederland, de toelating van Joden tot de Nationale Vergadering, de scheiding van kerk en staat, het toekennen van het recht van petitie, de opheffing van de gilden en de afschaffing van de slavenhandel.
Toch waren de scheiding van kerk en staat en de één- en ondeelbaarheid van de staat voortdurend een bron van meningsverschillen. Tijdens de Republiek was de gereformeerde kerk de heersende kerk, wier predikanten door de staat werden betaald en van welke kerk men lid diende te zijn, wilde men een overheidsambt bekleden. De zogenaamde 'dissenters', (doopsgezinden, remonstranten, lutheranen) alsmede de rooms-katholieken en Joden waren daardoor achtergesteld bij de gereformeerden, hetgeen zich niet verdroeg met de leer van de Franse revolutie, die 'Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap' predikte. Na langdurige beraadslagingen werd op 5 augustus 1796 bij decreet bepaald dat er een scheiding van kerk en staat moest plaatsvinden en er dus geen bevoorrechte kerk meer kon zijn.
De vraag in hoeverre de Bataafse Republiek één natie moest zijn met een centraal bestuur en een beperkte gewestelijke soevereiniteit, werd vooral beheerst door de hiermee direct in verband staande samensmelting van de gewestelijke schulden (de 'Amalgame' genaamd). Holland, dat in zijn eentje een schuld had van 455 miljoen gulden vond tegenover zich de andere provincies met een gezamenlijke schuld van 155 miljoen gulden. Onnodig te zeggen dat Holland vóór samensmelting van de schulden was en de meeste andere provincies hiertegen
Niet elke representant uit Holland was voor de 'amalgame'. Zie bijvoorbeeld het dagboek van Willem Hendrik Teding van Berkhout (L. de Gou, Dagboek van een patriot. Journaal van Willem Hendrik Teding van Berkhout ('s-Gravenhage, 1982; 118 en 121-123).
.
Naast de uitvoering van de bestuurlijke taken van de voormalige Staten-Generaal was de voornaamste taak van de Nationale Vergadering het ontwerpen van een constitutie. Uit de vergadering werd daartoe een commissie benoemd, bestaande uit 21 leden (6 Hollanders, 1 Drent en 2 leden uit elke andere provincie, Limburg, dat Frans gebied was, uitgezonderd). Deze commissie werd belast met het ontwerpen van een constitutie, een grondwet dus.
Zie voor de archieven van deze en van de tweede commissie: zie rubriek A.4.2.1.
De eerste maal dat de commissie bijeen kwam was op 27 april 1796. Op 10 november 1796 had de commissie een Plan van Constitutie gereed. Na aanbieding aan de Nationale Vergadering bezetten de leden der commissie weer de hun toekomende plaatsen in de Vergadering, die voor de duur van het commissiewerk door vervangers waren ingenomen. Mede door de samenstelling van de commissie had het Plan een sterk federalistisch karakter gekregen. Na diepgaande besprekingen besloot de vergadering op 29 november 1796 met 66 tegen 52 stemmen om het ontwerp als grondslag voor haar 'deliberatiën' (beraadslagingen) te aanvaarden. In de loop der volgende maanden werd het plan door vele wijzigingsvoorstellen van onder andere de commissie-Hahn in unitaristische zin bijgesteld, wat uitmondde in een nieuw Ontwerp van Constitutie, aangeduid als het 'dikke boek', waarin de eenheid van de staat centraal stond. Op 30 mei 1797 aanvaardde de Nationale Vergadering het ontwerp en hoopte zij, ruim twee jaar na het ontstaan van de Bataafse Republiek, haar constituerende taak als beëindigd te kunnen beschouwen. Het uitermate ingewikkelde ontwerp van meer dan duizend artikelen moest evenwel nog aan de grondvergaderingen worden voorgelegd. De tegenzin bij zowel Unitarissen als Federalisten in het ontwerp was zo groot dat het op 8 augustus 1797 met 108.761 tegen 27.955 stemmen werd verworpen. De opkomst onder de kiezers bedroeg slechts 33% en in geen enkele provincie kreeg het ontwerp een meerderheid.
Omdat de zittingsduur van de Nationale Vergadering op 1 september 1797 afliep, werden reeds op 1 augustus 1797 verkiezingen voor de nieuwe Vergadering gehouden. Zowel Unitarissen als Federalisten kwamen versterkt in de Vergadering terug ten koste van de Moderaten, zodat overbrugging van de geschillen moeilijker dan ooit leek. Door een tweetal gebeurtenissen, te weten een staatsgreep in Frankrijk op de 18de Fructidor (4 september 1797) en de verloren slag bij Kamperduin op 11 oktober, waarvan de schuld op rekening van antirevolutionaire krachten werd geschoven, kregen de Unitarissen wat meer de wind in de zeilen. Nu ook werd de gematigde Franse gezant F. Noël (1755-1841) vervangen door de radicalere Ch. Delacroix (1741-1805), die grote invloed had op de politieke ontwikkelingen in de Bataafse Republiek. Bij een deel van de Unitarissen ontwikkelde zich nu het plan voor een 'Bataafse'' 18de Fructidor, dat wil zeggen een radicale staatsgreep die de Nationale Vergadering zou zuiveren van Federalisten en een nieuwe, unitarische grondwet zou ontwerpen.
Op de 18de Fructidor (4 september 1797) had in Frankrijk een zuivering plaats. De royalisten werden uit de raden verwijderd.
Op 22 januari 1798 werd aan de hand van een door de Fransen goedgekeurd draaiboek een staatsgreep gepleegd met medewerking van de Franse generaal B.C. Joubert (1769-1799) en generaal Daendels. De Federalisten werden gedwongen de vergadering te verlaten. De overige leden van de vergadering moesten een verklaring afleggen van afkeer van het stadhouderschap, het federalisme, de regeringsloosheid en de aristocratie. Degenen die dit weigerden werden ook uit de vergadering verwijderd. Daarna proclameerde de romp van de Nationale Vergadering zich tot Constituerende Vergadering.
De tweede Nationale Vergadering heeft overigens weinig constructiefs tot stand gebracht. Al bij de aanvang van de zittingsperiode werd zij overspoeld door vele rekesten (verzoekschriften) van voor- en tegenstanders van het bepaalde in het verworpen grondwetsontwerp inzake de godsdienst en de voorgenomen samensmelting van de schulden.

De Constituerende Vergadering (22 januari 1798 - 4 mei 1798) en het Provisioneel Uitvoerend Bewind (25 januari 1798 - 12 juni 1798)

De eerste besluiten van de Constituerende Vergadering waren de vernietiging van het reglement van de voormalige Nationale Vergadering, de proclamatie van de vernietiging van de gewestelijke soevereiniteit en de instelling van een Provisioneel Uitvoerend Bewind, bestaande uit vijf leden. De nieuwe Grondwetcommissie, teruggebracht van eenentwintig tot zeven leden, kwam betrekkelijk snel met een ontwerp voor de dag. Op 10 maart was reeds een ontwerpgrondwet gereed dat een week later door de Constituerende Vergadering werd aanvaard, waarna het op 23 april aan de grondvergaderingen, die inmiddels van echte en vermeende Orangisten en Federalisten waren gezuiverd, werd voorgelegd. Met een meerderheid van 153.913 voor en 11.597 tegen, dat is een kleine 40% van het totaal aantal volwassen mannen
Kossmann, De Lage Landen, 56.
, werd het ontwerp nu aangenomen. Ruim drie jaar na de omwenteling was er dus eindelijk een grondwet die bekend werd onder de aanduiding: de 'Staatsregeling van 1798'. Vervolgens nam de Constituerende Vergadering, inmiddels slechts voor een derde met nieuwe leden aangevuld, op 4 mei het besluit zichzelf tot Vertegenwoordigend Lichaam uit te roepen, in plaats van de daarvoor constitutioneel voorgeschreven verkiezingen uit te schrijven.

Het Vertegenwoordigend Lichaam (niet-constitutioneel uitgeroepen) (4 mei 1798 - 12 juni 1798)

Dit niet-constitutioneel uitgeroepen Vertegenwoordigend Lichaam splitste zich in twee Kamers. Het ontwerpen van wetten en besluiten werd aan de Eerste Kamer (64 leden) voorbehouden en het bekrachtigen van de wetsontwerpen aan de Tweede Kamer (30 leden).
Het Vertegenwoordigend Lichaam benoemde verder de vijf leden van het Provisioneel Uitvoerend Bewind, die op hun beurt werden bijgestaan door acht agenten (ministers). Dit orgaan bleek niet opgewassen tegen zijn taak en was bovendien intern verdeeld. Twee van de agenten, I.J.A. Gogel (Financiën) en J. Spoors (Marine), konden zich niet verenigen met de door P. Vreede uitgezette koers. Bovendien had het de ontwikkelingen in Frankrijk tegen.
In het moederland van de revolutie had een wisseling van de wacht plaatsgevonden, die een einde had gemaakt aan de radicale (jacobijnse) invloed. Na benaderd te zijn door Gogel en Spoors pleegde Daendels, wederom gedekt door de Franse generaal Joubert, op 12 juni 1798 een tweede staatsgreep. De regering werd overgenomen door een Intermediair Bestuur, dat een dag later (13 juni 1798) een Intermediair Wetgevend Lichaam benoemde. In beide organen gaven nu de Moderaten de toon aan.

Het Intermediair Wetgevend Lichaam van het Bataafse Volk en het Intermediair Uitvoerend Bewind (12 juni 1798 - 31 juli 1798)

Spoors en Gogel riepen zichzelf tot directeur uit en kozen zelf de overige drie leden van het (Intermediair) Uitvoerend Bewind. In samenspraak met het inmiddels benoemde Intermediair Wetgevend Lichaam werd gewerkt aan maatregelen tot uitvoering van de Staatsregeling van 1798. De belangrijkste taak was daarom het organiseren van nieuwe verkiezingen voor legitiem gekozen volksvertegenwoordigers. De reglementaire verkiezingen daartoe werden op 31 juli 1798 gehouden. Via getrapte verkiezingen en met algemeen kiesrecht voor mannen, behoudens diegene die om politieke en welstandsredenen (men mocht niet langer dan drie maanden uit de armenkassen ondersteund zijn) waren uitgesloten, werd zo een constitutioneel Vertegenwoordigend Lichaam gekozen.

Het Vertegenwoordigend Lichaam van het Bataafse Volk (constitutioneel gekozen)(31 juli 1798 - 17 oktober 1801) en het Uitvoerend Bewind (17 augustus 1798 - 17 oktober 1801)

Het nu wettig gekozen Vertegenwoordigend Lichaam, waarin overwegend gematigde progressieven zitting hadden, moest de grondwet in organieke wetten uitwerken. Daartoe was dit lichaam in twee Kamers gesplitst. De Eerste Kamer ontwierp de wetsvoorstellen die door de Tweede Kamer bekrachtigd moesten worden. Op dezelfde wijze koos men een moderaat gezind Uitvoerend Bewind van vijf leden, onder wier gezag acht agenten (ministers) leiding gaven aan een gelijk aantal ministeries. Naast deze agenten bestonden er nog twee raden, die de buitenlandse bezittingen beheerden.
De Staatsregeling van 1798 trad in werking. De belangrijkste taak van het Uitvoerend Bewind was toezicht uit te oefenen op de stipte uitvoering van de door het Wetgevend Lichaam uitgevaardigde wetten. Bovendien was het belast met het toezicht op de departementale (provinciale) en gemeentebesturen en de gerechtshoven en rechtbanken. Ook de krijgsmacht was aan dit bewind ondergeschikt.
Het Uitvoerend Bewind slaagde er niet in om de vele door de Staatsregeling van 1798 vereiste hervormingen te realiseren. Het bestuur bleek te gecentraliseerd om de staatsmachinerie soepel te laten werken. Het Vertegenwoordigend Lichaam putte zich uit in politieke debatten en rivaliteiten. Toch werd er niet verlangd naar een terugkeer van het oude regime, zoals bleek uit het ontbreken van binnenlandse steun bij de mislukte Russisch-Engelse inval in 1799. Intern had men geen gevaar te duchten.
Van Franse zijde echter werd wel druk uitgeoefend op de politieke ontwikkelingen in de Bataafse Republiek. De grondwet van 1798 bepaalde dat er voor 1804 geen veranderingen in de staatsregeling mochten worden aangebracht. Toch werd er door het Franse bewind al in 1801 druk uitgeoefend om te komen tot een andere bestuursvorm, omdat de Eerste Consul, Napoleon Bonaparte, van mening was dat de Bataafse steun ontoereikend was. Nadat het Vertegenwoordigend Lichaam het voorstel had verworpen om de grondwet twee jaar eerder te herzien, werd er met Franse steun op 14 september 1801, buiten de volksvertegenwoordiging om, een nieuwe, autocratische staatsregeling geproclameerd. Het volk werd uitgenodigd zich hierover op 1 oktober in de grondvergaderingen uit te spreken. Door de massaal weggebleven kiezers als voorstander aan te merken, werd de verkiezingsuitslag (van 16.771 stemmen voor en 52.219 stemmen tegen) omgebogen in een aanvaarding van de nieuwe staatsregeling. Volgens deze regeling zou de macht worden toevertrouwd aan een Staatsbewind en een Wetgevend Lichaam.

Het Staatsbewind (17 oktober 1801 - 29 april 1805) en het Wetgevend Lichaam (2 november 1801 - 29 april 1805)

De staatsgreep van 1801 en de daarop volgende reorganisaties maakten veel van de vernieuwingen van de voorgaande jaren ongedaan. Het moeizaam begonnen democratische experiment werd vervangen door een autocratisch bestuur met een behoudend beleid. Op 16 oktober 1801 werd het Staatsbewind geïnstalleerd. Dit college van twaalf leden werd belast met de uitvoerende macht, maar tevens werden de belangrijkste bevoegdheden van het voormalig Vertegenwoordigend Lichaam naar deze 'twaalf stadhouders' overgeheveld. Zo ging op dit college het recht van initiatief over en kreeg het de zeggenschap over leger en vloot. Ook benoemde het in eerste instantie de leden van het Wetgevend Lichaam, de opvolger van het Vertegenwoordigend Lichaam.
Het Wetgevend Lichaam bestond uit nog maar één Kamer van vijfendertig leden, waarvan slechts twaalf van te voren aangewezen leden de door het Staatsbewind ingediende wetsvoorstellen mochten bediscussiëren, waarna het voltallige Wetgevend Lichaam het wetsvoorstel kon aannemen of verwerpen. Bovendien mochten zij slechts tweemaal per jaar, gedurende zes of acht weken, zitting houden
Van 15 april tot 1 juni en van 15 oktober tot 15 december, Art. 54 Staatsregeling 1801.
.
Met de samenballing van alle macht in één college werd een nieuw principe geïntroduceerd: het autoriteitsprincipe. Ook het censuskiesrecht deed zijn intrede. Vele voormalige regenten keerden terug op de bestuurskussens en beijverden zich om de gewestelijke en plaatselijke autonomie zo ver mogelijk te herwinnen en te verdedigen.
Toch lag in de terugkeer van de gewestelijke en stedelijke autonomie tevens de onmacht van het Staatsbewind besloten. Het miste de daadkracht om de tegenstribbelende gewesten en steden te beteugelen. Na de hervatting van de oorlog met Engeland in 1803 achtte Napoleon het voortbestaan van dit bewind niet langer opportuun. Toen hij zich in mei 1804 tot keizer had gekroond, zette hij het Staatsbewind onder steeds grotere druk en besloot ten slotte, in april 1805, tot de instelling van een éénhoofdige leiding in de vorm van het raadpensionarisschap. Voor de vorm werd deze staatsregeling, waarbij de verkiezing van Rutger Jan Schimmelpenninck tot raadpensionaris was inbegrepen, nog door een volksstemming bekrachtigd. De uitslag was tekenend voor de betrokkenheid van de kiezers. Van de ruim 350.000 kiezers stemden er 14.093 voor en 136 tegen.

De Raadpensionaris (29 april 1805 - 5 juni 1806 ) en het Wetgevend Lichaam, genaamd de Vergadering van Hun Hoogmogenden (15 mei 1805 - 9 juli 1806)

Op 29 april 1805 werd R.J. Schimmelpenninck door het aftredend Wetgevend Lichaam geïnstalleerd als Raadpensionaris. Hij alleen had het recht van initiatief en legde zijn wetsvoorstellen voor aan de Staatsraad voor advies en aan het Wetgevend Lichaam ter goedkeuring. Evenals de vijf Secretarissen van Staat (ministers) waren de leden van deze colleges door hem persoonlijk benoemd. Het Wetgevend Lichaam werd gereduceerd tot negentien leden, die de titel Hun Hoogmogenden, vertegenwoordigende het Bataafse Gemenebest mochten dragen. Evenals hun voorgangers mochten ook zij maar tweemaal per jaar, gedurende zes weken, zitting houden en alleen stemmen over wetsvoorstellen die door de raadpensionaris waren ingediend. Op allerlei terreinen werd nu vorm gegeven aan de hervorming van staat en samenleving. De geringe medewerking hier te lande aan de invoering van het Continentaal Stelsel, waarmee Napoleon de kusten van het Europese continent voor Engelse goederen wilde afsluiten, leidde wederom tot keizerlijke interventie. De betrekkelijke onafhankelijkheid van de Bataafse Republiek paste niet in het machtspolitieke spel van Napoleon. Schimmelpenninck moest plaats maken voor koning Lodewijk Napoleon Bonaparte.

De Koning van Holland en het Wetgevend Lichaam/Hun Hoogmogenden (5 juni 1806 - 1 juli 1810)

Op 5 juni 1806 werd Lodewijk Napoleon Bonaparte, de broer van de Franse keizer, tot koning van het Koninkrijk Holland gekroond. De reeds begonnen omvorming naar een éénhoofdige centrale leiding met ondergeschikte lagere bestuurslichamen werd voortgezet.
In de nieuwe grondwet werd de macht van het Wetgevend Lichaam nog meer beknot dan voorheen. De koning bepaalde de samenstelling van dit Wetgevend Lichaam. Het ledental werd gebracht op 38 (later 42, door uitbreiding van het grondgebied met Oost-Friesland) en men kwam nog maar eens per jaar, gedurende twee maanden, bijeen. De procedure van vaststelling van wetten bleef weliswaar dezelfde als voorheen, maar de koning kon eveneens door de wet gemachtigd worden om het wetgevend gezag zonder de medewerking van Hun Hoogmogenden uit te oefenen. Bovendien verloren zij het recht van bekrachtiging van traktaten, het recht van gratie, het recht van abolitie of remissie van door rechterlijk vonnis opgelegde straffen en ten slotte, in februari 1807, ook nog de titel Hun Hoogmogenden.
Hoewel Lodewijk Napoleon welwillend stond tegenover de Bataafse belangen, wat hem in zekere zin de titel De Goede Koning opleverde, ontbrak het hem aan speelruimte tegenover zijn keizerlijke broer, hetgeen hem, in combinatie met zijn lichamelijke handicap, ook nog de aanduiding De Lamme bezorgde. Zijn verzet tegen een al te stringente toepassing van het Continentaal Stelsel ondermijnde de blokkade van Engeland. Dit leidde uiteindelijk tot zijn abdicatie onder druk van door zijn broer veroorzaakte omstandigheden.
In de periode 1 juli 1810 tot 9 juli 1810 was er een Provisioneel Regentschap werkzaam, dat ook na 9 juli, tot de komst van de Hertog van Plaisance, nog korte tijd het gezag uitoefende als Algemeen Bestuur. Op 9 juli 1810 werd de volledige inlijving van Nederland bij Frankrijk bij keizerlijk decreet afgekondigd.
De laatste vergadering van het Wetgevend Lichaam werd gehouden op 27 juli 1810. Een van de laatste bezigheden was de benoeming van een delegatie naar Parijs, van vijftien leden (het latere Conseil pour les Affaires d'Hollande), die mee moest werken aan de samenstelling van een algemeen reglement op de organisatie van de geannexeerde Hollandse departementen. Nederland had de laatste schijn van zelfstandigheid verloren.

De inlijving bij Frankrijk (9 juli 1810 - 20 november 1813)

Het decreet van 9 juli 1810 verklaarde Holland met het keizerrijk Frankrijk verbonden, Amsterdam werd de derde stad van het keizerrijk, de koninklijke lijfwacht werd verenigd met de keizerlijke en de bestaande belastingen zouden worden gehandhaafd tot 1 januari 1811. Op die datum zou de Franse administratie worden ingevoerd. Holland zou in het Rijk vertegenwoordigd zijn met zes senatoren in de keizerlijke Senaat, zes leden in de Franse Staatsraad, vijfentwintig in de Législative (Wetgevend Lichaam) en twee raadsheren in het Franse Hof van Cassatie.
De aartsthesaurier, Charles François Lebrun, hertog van Plaisance (Piacenza, Italië), kwam naar Amsterdam om op te treden als plaatsvervanger van de keizer (Algemeen Stedehouder van de keizer). Hij moest van alle ambtenaren en officieren de eed afnemen, toezien op de stipte naleving van keizerlijke besluiten, lopende zaken afwikkelen, op de begroting van 1810 een zo groot mogelijk bedrag reserveren voor de marine en Hollandse ministers die hem niet bevielen, vervangen. Op 1 januari 1811 zou hij benoemd worden tot Gouverneur-Generaal van de Hollandse departementen.
Op 18 oktober 1810 werd het Decreet van Rambouillet uitgevaardigd, waarbij het bestuur over de Hollandse departementen geregeld werd. Het decreet zelf was onderverdeeld in veertien titels met in totaal 220 artikelen. Dit decreet vormde in feite de grondwet tot 1813
H.T. Colenbrander, Inlijving en Opstand (Amsterdam 1913) 25.
. In de eerste titel werd het algemeen bestuur geregeld. De overige titels regelden onder andere het gebruik van de Nederlandse taal, de territoriale indeling in zeven departementen en de verdere onderverdeling in arrondissementen, de rechterlijke organisatie, de financiën, de conscriptie en de erediensten.
Het algemeen bestuur in de periode 1 januari 1811 - 20 november 1813 bestond uit de Gouverneur-generaal (Lebrun), de Intendant-generaal van Financiën (Gogel) en de Intendant van Binnenlandse Zaken (F.J.B. d'Alphonse) en directeuren voor Waterstaat (Van den Houte, later J.H. Mollerus), de Schatkist (R. Voûte), de Douane (Coquebert-Montbret), de Publieke schuld (Six van Oterleek) en Politie (Devilliers du Terrage). De Gouvernementssecretarie (Secrétairerie des Commandements) werd geleid door Verheijen, die onder Lodewijk Napoleon kabinetssecretaris was geweest. In de voorgaande jaren was al een grote mate van centralisatie bereikt, in de periode van de inlijving werd dit proces voltooid.
Na de Volkerenslag bij Leipzig op 20 oktober 1813 tussen de Grande Armée en de legers van de Coalitie werd op initiatief van G.K. van Hogendorp op 20 november 1813 een Algemeen Bestuur der Vereenigde Nederlanden geproclameerd dat de macht in handen zou nemen tot de prins van Oranje in Nederland zou zijn teruggekeerd. Deze arriveerde op 30 november 1813 in Scheveningen. Op 6 december 1813 aanvaardde hij de soevereiniteit over het Nederlands grondgebied.
Willem I maakte voor de opbouw en het bestuur van het koninkrijk dankbaar gebruik van het goedlopende bestuursapparaat, zoals zich dat na 1795 ontwikkeld had
G.D. Homan, Nederland in de Napoleontische tijd (Haarlem 1978), 125.
.

Geschiedenis van het archiefbeheer

In 1823 is door J.A. de Zwaan, commies chartermeester bij het Rijksarchief, een inventaris samengesteld van archivalia van de Wetgevende Colleges 1796- 1801 en van gedrukte stukken van het Staatsbewind, de 'Bataafse Republiek' en de Koninklijke Regering, 1801-1810. De archiefbestanden zijn meegekomen met de archieven van de Staten-Generaal en door De Zwaan daarvan afgescheiden. In de inventaris is sprake van stukken van de (1e en 2e) constitutiecommissie 1796-1798 (16 portefeuilles A tm Q).
In 1816 is door J. Couperus, de laatste griffier van het Wetgevend Lichaam een verzameling archivalia van het Wetgevend Lichaam 1801-1810 aangeboden aan de minister Secretaris van Staat en overgedragen. In 1854 zijn door het Kabinet des Konings overgedragen aan het Rijksarchief 'de oude archieven' van de hoogste organen van de uitvoerende macht (Uitvoerend Bewind tot en met Koning Lodewijk Napoleon en Prins Stedehouder/Gouverneur-generaal, ongespecificeerd), en een aantal expliciet beschreven afgedwaalde stukken van die organen, die naderhand bij het Kabinet des Konings terechtgekomen waren (afkomstig van Couperus, Dassevael en Verheijen). Bij de overname in november 1854 is niet van tevoren door het Rijksarchief een beschrijvende lijst opgemaakt en geen proces-verbaal opgesteld
Correspondentie hierover in archief van het Algemeen Rijksarchief; in de correspondentie van 1854-1855 geen overzicht aangetroffen. Gegevens over de overgedragen afgedwaalde stukken zijn te vinden in de archieven van de Staatssecretarie en het Kabinet des Konings onder de volgende exhibita: Archief Staatsecretarie (9 jul 1816 nr. 98; 17 jul 1816 litt. EE geheim; 14 feb. 1834 litt. K 4 geheim; 19 apr. 1837 nr. 151; 29 jun. 1838 litt E27 geheim); Archief Kabinet des Konings (18 jul. 1842 litt W 25 geheim; 24 feb. 1853 nr 68; 22 nov. 1854 nr 59; 17 feb. 1856 nr 88;In exh. van 24 feb. 1853 is nog sprake van retroacta: 17 mei 1849 nr 120, 13 jun. 1849 nr 5, 9 jul. 1849 nr 69 en 24 mei 1849 nr 7.)
In de Gestie van Bakhuizen van den Brink is geen specificatie van de overdracht van november 1854 opgenomen
R. Fruin, De Gestie van Dr. R.C. Bakhuizen van den Brink [...], ('s-Gravenhage, 1926).
. Voor uitgebreider onderzoek raadplege men het ' Overzigt van het Nederlandse Rijksarchief '.

De verwerving van het archief

Het archiefblok bevat archiefstukken onder verschillende rechtstitels verworven.