Het verslag van de Directie aan Commissarissen met bijlagen is de belangrijkste bron van gegevens over de Bank. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw wordt het geheel steeds omvangrijker en bevat een enorme hoeveelheid samengestelde gegevens, waarvan een groot gedeelte niet in het verslag aan de aandeelhouders is opgenomen.
De door de President en Commissarissen getekende balansen over 1814 –
1864 zijn in de bijlagen opgenomen. Na 1865 is een ongetekend exemplaar opgenomen.
Jaarverslag tot en met 1914
Het Verslag van de Directie aan Commissarissen met bijlagen betreft organisatie en taken van de Bank. De hoofdstukken in het jaarlijkse Verslag van de Directie aan de Commissarissen zijn min of meer taaksgewijs opgezet. De structuur van het Jaarverslag en de Bijlagen wordt (tot 1933) niet
opgelegd in de Bankwet of een intern reglement.
De wettelijk vastgestelde Banktaken tot 1914 zijn in grote lijnen:
Het disconteren van wisselbrieven (vanaf 1814) en ander handelspapier (vanaf 1838);
Belenen van effecten en goederen (vanaf 1814) en van munten en muntmateriaal (vanaf 1864);
Handel in goud en ander muntmateriaal en in munten, en het doen vermunten van het materiaal (vanaf 1814);
Ontvangen van gelden in Rekening Courant van publieke instellingen (vanaf 1814) en van particuliere instellingen en personen (vanaf 1864);
Uitgifte van assignatiën op de Bank (vanaf 1814);
Bewaarneming (vanaf 1864);
Uitgeven van bankbiljetten (1814);
Handel in waardepapieren (vanaf 1888)
Bij wijze van voorbeeld de Inhoudsopgave van het verslag van 1886-1887 (Inv.nr. 1131): Directie en
Commissarissen;
Personeel; Gebouwen/meubelen; Aandelen; Bankbiljetten; Discontering; Belening; Operend Kapitaal; Bewaarneming; Verliezen op Discontering; Rentestand; Kapitaalbelegging en Reservefonds; Interestrekening; Provisie; Onkosten; Muntmateriaal; Specie; Bankassignatiën; Rekening Courant; Operatiekracht; Operatiën van de Bijbank; Agentschappen en Correspondentschappen 1e en 2e Klasse; Balans Winst en
Verliesrekening; Dividend.
Bijlagen tot en met 1914
De Bijlagen bij de jaarverslagen beginnen in 1814, net als het Jaarverslag zelf. De Bijlagen worden min of meer gestructureerd naar de posten op de Balans: als de balans wijzigingen ondergaat zie je dat terug in de bijlagen.
In 1815 begint het Jaarverslag met de Bijlagen van één blad: “Balans der rekeningen van het Grootboek”, en de Staat van Repartitie
van het batig saldo, samen met de ondertekening van het examineren van de Balans.
In 1821 (nr. 1008) is de Repartitie (omslag van de kosten) er niet meer.
Vanaf1822 zijn er statistische overzichten. Deze zijn afzonderlijk geborgen.
In 1847 (nr. 1034) zijn er naast de Balans losbladige overzichten met Overgenomen effecten, Speciën en Bankbiljetten, Winst en Verlies, Disconto, Mouvementen.
In 1855 (nr. 1041)
worden de Balansgetallen in een extra bijlage gespecificeerd per maand.
In 1861 komen daar de Bijlagen met overzichten van Muntmateriaal en Onbetaald gebleven wissels bij.
Na 1864 worden de Bijlagen veel omvangrijker en meer gedetailleerd.
Er komt een Bijlage Rentestand Disconto gespecificeerd per maand en per Land. Toegevoegd zijn ook de Bijlage Algemene Verificatie van de Bankbiljetten en Kas door de
President, Directeur en Secretaris. En de Bijlage “Bijbank en Agentschappen” met overzichten per maand en per Agentschap van Bankbiljetten, Specie et cetera. Ook een aparte Bijlage met Beleningen van Effecten en van goederen bij Agentschappen; en Bijlage Gebouwen en Meubelen Onkosten (later ook personeel).
De Bijlagen worden in 1864 ook uitgebreid met de bijlagen Niet Overlegd aan Commissarissen en Niet Overlegd aan
Directie. Deze Bijlagen worden A en B genoemd.
Een voorbeeld uit 1897 (Inv.nr. 1093): De Bijlage A “Niet Overlegd aan Commissarissen” bevat Staten van onkosten (Tractementen aan bestuur en beambten, toelagen aan Agenten, toelagen en emolumenten aan beambten bij Agentschappen), Onafgehaalde Dividenten, Buitenlandse portefeuille, Rekening Courant, Goudmutatiën, Goudmakelaars (betaalde provisie), Goud en Zilver van en
naar Buitenland, Verwisseling bij de Hoofdbank, Saldo Disconto Hoofdbank en Agentschappen. Kopie Verslag Commissarissen. Bij latere Bijlagen A ook: Provisierekeningen, Staat van Metalen, Muntmateriaal, van Hoofdbank, Staat der Saldi van Crediteuren, Staat van Reservefonds, Staat van betaalde Provisie, Uitstaande Kapitalen, Overzichten van effecten, Correspondentschappen, Agentschappen en Bijbank.
De Bijlage B “Niet Overlegd
aan Directie” (1897) bevat: Aandelen, Middelcijfers, Gemiddeld opererend Kapitaal, Beleningen – Rekening Courant, Disconteringen, Bankbiljetten in circulatie, Aangekondigde wekelijkse balansen – Overzicht, Korte beleningen bij de Bijbank, Verwisseling Bankbiljetten-Specie. Andere Staten: Staten van Kasmutaties van de Hoofdbank, Geprolongeerde specie, Geprolongeerde effecten en Goederen, Gesloten en afgeboekte Beleningen, Opererend
Kapitaal van Agentschappen, Staat van gecreëerde bankbiljetten.
Vanaf 1871 (Inventaris nr. 1057) beginnen de Bijlagen met een Inhoudsopgave. Daarin worden de Bijlagen opgesomd en genummerd van 1 t/m 14. De twee Bijlagen “Niet Overlegd” worden niet genummerd en zitten op de plaats van nummer 15 en 16.
Vanaf de tijd dat er een Inhoudsopgave is, is ook te zien dat de Bijlagen 1en 2 (Statistiek Boeken) en 3 (Boek der
Disconteringen) niet bij de Bijlagen van het verslag zitten.
In 1892 is één structuur van de (handgeschreven) Inhoudsopgave van de Bijlagen gangbaar tot 1900. In 1900 wordt dezelfde Hoofdstukindeling gedrukt en wordt alleen het jaartal handgeschreven ingevoegd.
In 1893 verschijnt de extra Bijlage nr. 15, Reservefonds, Kapitaalsbelegging (twee Staten Reservefonds en pensioenfonds).
In 1896 begint de Bijlage nr. 16,
Bewaarneming. Deze twee nummers blijven gehandhaafd.
In 1900 verschijnt een ongenummerde Bijlage Staat van Goudmateriaal op de Hoofdbank en een ongenummerde Bijlage Gedisconteerde Schatkist promessen.
Bij wijze van voorbeeld de inhoudsopgave van een van de Bijlagen halverwege de eerste helft van de 20e eeuw:
1. De Statistiek Boeken (met een Balans van iedere werkdag en middencijfers van
iedere maand)
2. Het Boek der Disconteringen
3. Rentestand (ook internationaal) en Opererend Kapitaal (van ieder Bankkantoor)
4. Verliezen op Disconteringen, dat wil zeggen onbetaald gebleven Wisselbrieven
5. Beleningen, betreft zowel effecten, goederen als specie
6. Bankbiljetten (het aantal op 31 maart in omloop en in het depot zijnde bankbiljetten) en Bankassignatiën
7. Verwisseling, van
bankbiljetten tegen specie (munten) en bankbiljetten, en specie tegen bankbiljetten (voor alle Bankkantoren)
8. Muntmateriaal (inventaris van de voorraad per maand)
9. Procesverbaal der Kasverificatie (op 31 maart)
10. Bijbank en Agentschappen (Overzichten van Operatiën en Staten)
11. Correspondentschappen 1e klasse
12. Correspondentschappen 2e klasse
13. Onkostenvergoeding aan Rijks
Schatkist / Gebouwen en Meubelen (Specificatie van de onkosten van Hoofdbank, Bijbank, Agentschappen en Correspondentschappen. Vergoeding aan ´s Rijks-Schatkist)
Met aparte bijlage met correspondentie met de minister over de muntkwestie
XVI niet aanwezig
De statistische overzichten bevatten dagelijkse saldi van o.a. het opererend kapitaal (bijvoorbeeld disconto’s, beleningen en voorschotten in rekening-courant), van opeisbare schuld (bijvoorbeeld bankbiljetten en bankassignaties) en van de waarde van de metaalvoorraad van de Bank. Vanaf boekjaar 1858/1859 is per jaar ook steeds opgenomen een overzicht van zowel de gemiddelde als de totale maand- en jaarcijfers per post.
Vanaf boekjaar 1862/1863 tot en met 1962 worden de posten van deel I nader uitgesplitst in deel II. De gegevens zijn ontleend aan de dagbalans (geheime staat)
Op grond van de statuten van 1864 art. 37 was de Bank verplicht tot het uitbrengen van een jaarlijks verslag aan de aandeelhouders. Voor die tijd bestond alleen het jaarlijks verslag aan het toezichthoudende orgaan, de commissarissen
Tot de vaste onderdelen van het kwartaalbericht behoren: 1. Een beschouwing over toestand en ontwikkeling van de Nederlandse economie in het kwartaal; 2. Een overzicht van officiële mededelingen van de Bank aan het publiek (m.n. persberichten en mededelingen bij de weekbalans); 3. Een kroniek van economische en financiële beleidsmaatregelen van de Bank (tot 1987); 4. Een statistische bijlage, met tabellen van meest
door de Bank verzamelde economische gegevens. Naast het vaste gedeelte zijn er in het kwartaalbericht 1 of meer artikelen opgenomen over actuele economische thema's
Tot 1982 heet de Engelse vertaling van het Kwartaalbericht Quarterly Statistics, vanaf 1983 Quarterly Bulletin
Het vierde deel ontbreekt
Volgens aantekening op de omslag zijn deze stukken in 1933 ontvangen van W. Croockewit uit de nalatenschap van H. Croockewit
Een overzicht van deze publicaties is verschenen in het Staatkundig en Staathuishoudkundig Jaarboekje voor 1864
In deze map bevindt zich de parlementaire behandeling van het wetsontwerp in de Eerste en Tweede Kamer
Dit Reglement vervalt bij de vaststelling van de Statuten van 1863
De eerste Secretaris van de Bank C.S. van Lennep overlijdt op 14-10-1821 en wordt opgevolgd door Jhr. mr. W. Roëll
Dit Reglement vervalt bij de vaststelling van de Statuten van 1863
Rechtskundig Adviseur waren achtereenvolgens Mr. J. Bondt (25-3-1814 / 8-8-1845) advocaat-consulent van 25-3-1814 tot en met 8-2-1839, daarna consulent tot zijn dood 8-8-1845; Mr. A.A.J. Lublink (8-1839 / 3-1845); Mr. B. Donker Curtius (3-1845 / 8-1856); Mr. M.H. 's Jacob (8-1856 / 8-1872); Mr. A. Philips ((8-1872 / 10-1891); Mr. M.J. Pijnappel (10-1891 / 11-1894); Mr. F.A. Molster (11-1894 / 12-1936); Mr. J.H. Worst (2-1937 / 31-3-1943; 7-5-1945 / 31-12-1948); Mr. K.O.M. Wolters (1-4-1943 / 7-5-1945); Mr. H.G.W. Worst (1949 - ??)
In de periode 1814 – 1864 worden de president en de secretaris – die in deze periode formeel geen deel uitmaakt van de directie van de Bank - direct door de Kroon benoemd, voor onbepaalde tijd. Kandidaten voor de functie van directeur – in totaal 5 - worden voorgedragen door de Gemeenschappelijke vergadering van Directie en Raad van Commissarissen en door de Kroon benoemd. Directeuren dienen een zeker aantal
Bankaandelen te bezitten en moeten elke 5 jaar aftreden, maar zijn direct herbenoembaar.
Na 1864 worden kandidaten voor de functie van president en secretaris - die nu formeel deel uitmaakt van de directie van de Bank - voorgedragen door de Gemeenschappelijke vergadering van Directie en Commisarissen en door de Kroon benoemd, voor een periode van 7 jaren. Directeuren worden benoemd door de algemene vergadering van
stemgerechtigde aandeelhouders, na voordracht van een aantal personen voor een openstaande functie door de Gemeenschappelijke vergadering van Directie en Commisarissen. Van 1864 tot 1948 zijn er 5 directeuren, en vanaf 1948 dienen er tenminste 3, en ten hoogste 5 directeuren te zijn. Directeuren moeten elke 5 jaar aftreden, maar zijn direct herbenoembaar. Dat laatste geldt ook voor de president en de secretaris.
Vanaf 1919
kunnen plaatsvervangende directeuren voor de periode van ten hoogste een half jaar benoemd worden door de gemeenschappelijke vergadering van Directie en Raad van Commissarissen
Deze dossiers bevatten in uiteenlopende mate ook In Memoriams, later gemaakte Curriculae Vitae en ander documentair materiaal over de persoon
De leden van de Raad van Commissarissen worden gekozen in de gewone Algemene vergadering van stemgerechtigde aandeelhouders
Niet alle bescheiden van aanstelling en ontslag per lid zijn aanwezig. Van sommige leden zijn helemaal geen bescheiden aanwezig