Terug naar zoekresultaten

1.08.11 Inventaris van het archief van de Nassause Domeinraad, (1218) 1581-1811 (1842)

Voer een zoekterm in
VorigeVolgende

Archief

Titel

1.08.11
Inventaris van het archief van de Nassause Domeinraad, (1218) 1581-1811 (1842)

Auteur

M.C.J.C. van Hoof, E.A.T.M. Schreuder, B.J. Slot

Versie

11-12-2022

Copyright

Nationaal Archief, Den Haag
(c) 1997 cc0

Beschrijving van het archief

Naam archiefblok

Nassause Domeinraad
Nassause Domeinraad vanaf 1581

Periodisering

archiefvorming: 1581-1811
oudste stuk - jongste stuk: 1218-1842

Archiefbloknummer

1261

Omvang

; 16871 inventarisnummer(s) 488,25 meter

Taal van het archiefmateriaal

Het merendeel der stukken is in het. Een klein gedeelte is gesteld in talen als het,en het
Nederlands
Latijn
Frans
Duits

Soort archiefmateriaal

Normale geschreven en gedrukte documenten. Kennis van het 13e t/m 18e eeuwse handschrift is noodzakelijk: de Nederlandstalige stukken van vóór ca. 1700 zijn geschreven in het gotische cursiefschrift, met name in de oud-Hollandse klerkencursief.

Archiefdienst

Nationaal Archief

Locatie

Den Haag

Archiefvormers

Aalst, heer van Acquoy, Heer van Agentschap van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau Ameland, Heer van Antwerpen, Burggraaf van Baarle-Nassau, Heer van Baarn, Heer van Bentheim, Heer van Bergen op Zoom, Heer van Borculo, Heer van Borsele, Heer van Bourgogne, Heer van Boxmeer, Heer van Bracque, Heer van De Breda, Heer van Bredevoord, Heer van Brussel, Paleis te Buren, Graaf van Bütgenbach, Heer van College van Administratie der Goederen in Holland gelegen van de Prins van Oranje College van Administratie over de door de Fransen geabandonneerde Goederen van de Vorst van Nassau Cortenbach, Heer van Cortgene, Heer van Cranendonk en Eindhoven, Baron van Culemborg, Heer van Dasburg, Heer van Dieren, Heer van Diest, Heer van Directie der Publieke Domeinen en Geestelijke Goederen Directie der Staatsdomeinen in Holland Dongen, Heer van Eemnes, Heer van Friesland, Heer van Geertruidenberg, Heer van Geertruidenberg, Kastelein van Gorzen Orizand, Heer van Grave en Cuijk, Heer van Gravenhage, 's, Oude Hof in het Noordeinde Gravenhage,'s, Huis Den Bosch Grimbergen, Heer van Het Loo, Heer van Hohenlohe, Van Holede, Heer van Hulsterambacht, Heer van IJsselstein, Heer van Intendant van de Nassause Domeinen in de Zuidelijke Nederlanden Kruidberg, Hofstede de Lannoy, Heer van Leerdam, Graaf van Lek, Heer van de Lekkerkerk, Heer van Lichtenvoorde, Heer van Liesveld, Heer van Lingen, Heer van Meerhout, Heer van Meurs, Graaf van Ministerie van Financiën, Administratie der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau Monster, Heer van Monsterambacht, Heer van Montfort, Heer van Naaldwijk, Heer van Nassau, Van Nassause Domeinraad Nassause Domeinraad, Ontvanger-Generaal Nassause Domeinraad, Thesaurier en Rentmeester-Generaal der Domeinen Nederheim, Heer van Neerem, Heer van Niervaart, Heer van Nieuwburg, Huis ter Nispen, Heer van Noord-Beveland, Heer van Oosterhout, Heer van Oploo, Heer van Orange, Prince d' Orange, Prins van Oranje, Van Oranje-Nassau, Van Paifve, Heer van Peen, Heer van Polanen, Heer van Princeland, Heer van Prinsenland, Heer van Raad en Rekenkamer Ravestein, Heer van Rollencourt, Heer van Roosendaal, Heer van Russon, Heer van Rutten, Heer van Scherpenisse, Heer van Secretariaat van Staat voor de Financiën, Secretarie de Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau Sichem, Heer van Sint-Maartensdijk, Heer van Sint-Maartensdijk, Kapittel van Sint Maarten Soest, Heer van Soestdijk, Heer van St. Vith, Heer van Stadhouders van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel Steenbergen, Heer van Steenwijk, Heer van Ter Eem, Heer van Thesaurier-Generaal en Raden van Financiën, Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau Tholen, Heer van Veere, Markies van Vianden, Graaf van Vlissingen, Heer van Vorst, Heer van Vriesland, Heer van Wernhout, Heer van Westcappel, Heer van Westland, Heer van Willemstad, Heer van Zelhem, Heer van Zevenbergen, Heer van Zichem, Heer van Zuid-Beveland, Heer van Zwaluwe, Heer van

Samenvatting van de inhoud van het archief

De Nassause Domeinraad was het bestuurscollege dat het beheer over de domeinen van de familie Oranje-Nassau uitoefende. Deze landgoederen strekten zich uit over het gehele territorium van de Republiek, maar lagen overwegend in Holland, Zeeland, (Noord-)Brabant en Gelderland. Ook in Duitsland, Luxemburg en Frankrijk (vnl. het prinsdom Orange) had men bezittingen.
Oorspronkelijk was de domeinraad gevestigd te Breda en later vanaf eind zestiende, begin zeventiende eeuw te Den Haag aan het Binnenhof. De Raad- en Rekenkamer, zoals zij ook wel werd genoemd, telde vijf tot zeven leden met daarnaast een griffier of secretaris als belangrijkste ambtenaar.
Het beheer van de goederen vergde een uitgebreide verantwoording door tal van rentmeesters die ter plekke waren belast met o.a. het toezicht op heerlijke rechten, als bijvoorbeeld het recht op de wind of op de visvangst. Al deze rechten en bevoegdheden leverden bij elkaar aanzienlijke inkomsten op ter bekostiging van de hofhouding (paleizen, kunstcollectie e.d.). Voor het verdere beheer was in elk domein tevens een grote hoeveelheid functionarissen aangesteld variërend van hoveniers tot predikanten. Dit gold eveneens het terrein van bestuur en rechtspraak met de aanstelling van schout en schepenen.
Het archief bevat de notulen van de domeinraad; thesauriersrekeningen (m.b.t. de uitgaven) en het ambtboek met gegevens over aanstellingen in elk domein. Verder zijn er per domein reeksen rentmeestersrekeningen, gebundelde correspondentie over tal van onderwerpen van bestuurlijk-juridische aard en losse stukken (meestal met een financiële inslag). Op een aantal series bestaan zowel eigentijdse als latere nadere toegangen.

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer
De goederen van het huis van Oranje-Nassau
"Wij Willem bij de gratie Gods Prins van Orange en Nassau, Graaf van Catzenellenbogen, Vianden, Dietz, Spiegelberg, Buren, Leerdam en Culemborg, Markies van Veere en Vlissingen, Baron van Breda, Diest, Beilstein, die stad Grave en het land van Cuijk, IJsselstein, Cranendonk, Eindhoven en Liesveld, onafhankelijk Heer van de vrije en soevereine erfheerlijkheid Ameland, Heer van Borculo, Bredevoort, Lichtenvoorde, Het Loo, Geertruidenberg, Klundert, Zevenbergen, de Hooge en Lage Zwaluwe, Naaldwijk, Polanen, St. Maartensdijk, Soest, Baarn en Ter Eem, Willemstad, Steenbergen, Montfort, St. Vith, Bütgenbach en Dasburg, Erfburggraaf van Antwerpen etc. etc." Zo begint een van de vele oorkondes van Willem V waaruit blijkt hoe omvangrijk, hoe verscheiden en hoe verspreid het goederenbezit van de Oranjes aan het einde van de achttiende eeuw was. Dit bezit was vanaf de vijftiende eeuw door vererving, schenking of koop in de familie gekomen, hoewel er tussentijds ook gedeelten weer verloren gingen (zie tabel 1). De grondslag voor dit goederenbezit werd gelegd door Engelbrecht van Nassau (ca. 1370-1442) die als eerste graaf van Nassau zijn intrede deed in de Nederlanden. Hij trouwde in 1403 met Johanna, erfdochter van het rijke bezit der Polanens. De belangrijkste goederen van dit geslacht lagen in het westen van de huidige provincie Noord-Brabant.
Een andere grondlegger van de bezittingen van de Nassaus was graaf René van Chalon (1519-1544). In 1528 erfde hij alle bezittingen en rechten van het huis van Oranje en Chalon, met de titel 'prins van Oranje'. René van Chalon stierf reeds op 25-jarige leeftijd. Erfgenaam van zijn omvangrijke bezit was zijn neef, die aldus -elf jaar oud- prins van Oranje mocht noemen. Willem van Oranje huwde tot vier maal toe, maar voor zijn goederenbezit was vooral zijn huwelijk met Anna gravin van Buren in 1551 van belang. Door dit huwelijk werd zijn bezit nog eens aanzienlijk vergroot.
1584-1609
Na de moord op prins Willem in 1584 ontstond er onenigheid over de erfenis tussen zijn drie zonen Philips Willem, Maurits en Frederik Hendrik. De erfeniskwestie speelde zich af in een tijd dat het gebied in Brabant, waarin de belangrijkste bezittingen van de Nassaus lagen, frontgebied in de oorlog tegen Spanje was. Mede daardoor was het bezit van en de controle over de nalatenschap niet alleen een particuliere kwestie, maar speelden politieke belangen een rol. De goederen in het door Spanje gecontroleerde gebied waren geconfisqueerd door de Spaanse overheid.
De geschillen over de erfenis spitsten zich vooral toe op de goederen in Brabant, met name Breda en Steenbergen. Samen met Maria, de oudste dochter van Willem van Oranje uit zijn eerste huwelijk met Anna van Egmond, had Philips Willem, oudste zoon van Willem, de krachtigste aanspraken op (delen uit) de erfenis als gevolg van het devolutierecht. Dit recht bevoordeelde bij erfenis de kinderen uit een eerste huwelijk boven de kinderen uit volgende huwelijken en gold met name in het Brabantse erfrecht. Het had tot gevolg dat Philips Willem, naast de goederen van zijn moeder afkomstig, recht had op Diest, Breda, Grimbergen en Cranendonk, zonder deze te hoeven delen met de 'nakinderen' ( Dr. P. Scherft, 'Philips Willem, een displaced person' in: Jaarboek vereniging 'Oranje-Nassau Museum' (1980), p. 36. ) . In het politieke krachtenveld tussen de Republiek en Spanje nam Philips Willem een kwetsbare positie in. Op 13-jarige leeftijd door Philips II in gijzeling genomen en sindsdien in Spanje verblijvend, werd hij meer geïdentificeerd met de Spaanse zaak dan met die van de Republiek. Zijn goederen in het gebied van de Republiek werden voor hem beheerd door zijn zuster Maria. Zijn goederen in het gebied van Spanje werden door zijn door de Spaanse koning aangestelde 'voogden' Karel van Berlaymont en Philips van Ongnyes beheerd. Na de inname van Breda in 1590 beheerde Maurits, met toestemming van de Staten-Generaal en tegen de zin van Maria, de bezittingen van Philips Willem ( C.M. van der Kemp, Maurits van Nassau, prins van Oranje, in zijn leven, waardigheden en verdiensten (Rotterdam, 1843), pp. 120 e.v. ) .
Na het overlijden in 1601 van Pijll, de nog in functie zijnde curator van het sterfhuis, trok Maurits ook de administratie van de nog ongedeelde boedel uit de nalatenschap van zijn vader naar zich toe, met uitzondering dus van de goederen afkomstig van Anna van Buren en Orange. Uit de opbrengsten betaalde hij de rechthebbenden, onder wie Louise de Coligny, de weduwe van Willem I, hun toelagen.
In 1603 wees Philips Willem zijn halfbroer Maurits aan tot zijn universeel erfgenaam, waarschijnlijk in het kader van de onderhandelingen met de Franse koning over het Prinsdom Orange. ( J.P. van den Cappelle, Philips Willem, prins van Oranje (Haarlem, 1828), pp. 75 ) In 1606 sloot Maria een overeenkomst met Philips Willem, die inmiddels uit de Spaanse gijzeling was bevrijd. Hierin stond zij aan hem alle goederen afkomstig van hun moeder Anna van Egmond af tegen een jaarrente van 10.000 gulden. In datzelfde jaar besloten de Staten-Generaal om Philips Willem in het vrije bezit van zijn goederen in Brabant: Breda, Oosterhout en Steenbergen te stellen. Tot een ongestoorde uitvoering van deze resolutie kwam het niet, omdat Maurits Philips Willem in de uitoefening van zijn rechten dwarsboomde. ( P. Scherft, Het sterfhuis van Willem van Oranje (Leiden, 1966) pp. 249 e.v. en C.M. van der Kemp, Maurits van Nassau III, p. 56. )
Dit werd in 1609 met een 'Tractaat van Partage' opgelost. Hoewel ook de dochters van Willem I aanspraken maakten op de erfenis, waren zij geen deelnemers in de uiteindelijke verdeling van de boedel. Hun aanspraken werden via hun broers geregeld. Ieder van de broers had de verplichting een zeker deel van de jaargelden aan zijn zussen en/of moeder te voldoen. De dochters van Charlotte de Bourbon ontvingen de bezittingen in Bourgondië.
Philips Willem werd erkend als eigenaar van Orange, alle goederen in Franche-Comté en Vlaanderen. Ook kreeg hij alle bezittingen onder de Franse kroon, behalve dus de goederen in Bourgondië, en in Brabant, behalve Grave en Cuijk. Maurits verkreeg het markiezaat van Veere, de heerlijkheden Niervaart en de Lek en Grave en het land van Cuijk. Frederik Hendrik behield Geertruidenberg, de Hooge en Laage Zwaluwe en de visserijen in de Grote Waard. ( P. Scheft, Het Sterfhuis, p. 272 e.v. )
Uiteindelijk kreeg Frederik Hendrik na de dood van Maurits in 1625 alle goederen in zijn bezit.
1702-1734
Na de dood van koning-stadhouder Willem III in 1702 dreigde het bezit van het huis Oranje-Nassau voor een groot deel in handen van de koning van Pruisen te komen. Frederik I, koning van Pruisen, maakte aanspraak op de erfenis van Willem III op grond van het testament van Frederik Hendrik. Hij was via zijn moeder, de oudste dochter van Frederik Hendrik, verwant aan het huis van Oranje. Willem III had echter zijn neef, de Friese stadhouder Johan Willem Friso, tot universeel erfgenaam benoemd. ( Zie hierover: W.A. Ridder van Rappard, 'De aanspraken van Frederik I van Pruisen op de erfenis van de koning-stadhouder Willem III' in Tijdschrift voor Geschiedenis 79/2 (1966); G.J. Rive, Schets der staatkundige betrekkingen tusschen de republiek der Vereenigde Nederlanden en het koningrijk Pruissen, tot het huwelijk van Prins Willem V (1701-1967) (Amsterdam, 1873) ) De Staten-Generaal waren door Willem III aangewezen als executeurs-testamentair van zijn nalatenschap.
De eerste daad van de koning van Pruisen was de bezetting van de graafschappen Lingen en Meurs, die daarmee voorgoed voor de Oranjes verloren gingen. De aanspraken van de koning waren echter niet onomstreden. Totdat er een regeling tussen de koning van Pruisen en Johan Willem Friso van Nassau over de verdeling van de nalatenschap was vastgesteld, behielden de Staten-Generaal het executeurschap-testamentair.
Geen van de betrokken partijen wilde de geschillen over de nalatenschap voor de rechter brengen. Er werd dus onderhandeld. Deze onderhandelingen werden abrupt afgebroken toen Johan Willem Friso, die onderweg was naar Den Haag voor een definitieve regeling van het geschil, in 1711 bij een ongeluk in het Hollands Diep verdronk. De Staten-Generaal besloten kort daarna, mede met het oog op het voortslepen van de onderhandelingen, aan beide partijen het genot van een bepaald inkomen toe te kennen, deels bestaande uit inkomsten toe te kennen, deels bestaande uit inkomsten uit specifieke, door de Staten-Generaal aan te wijzen goederen, deels bestaande uit een geldbedrag afkomstig uit alle door de Generaliteitsvergadering beheerde goederen te zamen. De bezittingen werden voorlopig 'geëxtraheerd' (onttrokken) onder uitdrukkelijk beding dat geen van de partijen rechten kon ontlenen op grond van deze regeling. De goederen die aldus aan de koning van Pruisen werden toegewezen waren Naaldwijk, Honselersdijk, het huis in het Noordeinde, Wateringen, het Opstal, het Hondertland, de Oranjepolder, 's-Gravenzande, het huis Nieuwburg en Hooge en Lage Zwaluwe. De nog minderjarige zoon en dochter van Johan Willem Friso en diens weduwe Maria Louisa van Hessen-Kassel ('Marijke-Meu') ontvingen de volgende bezittingen: Steenbergen, Oosterhout en Dongen, Willem- en Mariapolder, Prinsenland, Hulsterambacht, Ijsselstein, Granendonk en Eindhoven, Bredevoort en de Burense tienden, Diest en Zichem, het huis te Brussel en Noord-Beveland. ( NDR inv.nr. 300; Algemeen Rijksarchief, Resoluties van de Staten-Generaal d.d. 28 Juli, 24 Augustus en 24 oktober 1711, 5 september en 1 oktober 1712. ) Uiteindelijk werd in 1732 een akkoord bereikt over de erfenis. Dit kwam er op neer dat de koning van Pruisen over het algemeen de bezittingen die buiten het grondgebied van de huidige Benelux lagen, kreeg en de prins van Oranje de goederen daarbinnen. Ook behield de koning de domeinen die in 1711 door de Staten-Generaal voorlopig aan hem waren toegewezen. Deze goederen -waaronder het Haagse paleis Noordeinde en Honselersdijk- werden door koning Frederik II van Pruisen in 1754 tegen een vergoeding van 700.000 gulden weer aan het huis Oranje-Nassau afgestaan. ( N. Japikse, De geschiedenis van het huis van Oranje-Nassau (Den Haag, 1938), 2 dln; deel II, p. 131 ) Alleen het voor Pruisen vrij gunstig gelegen domein Montfort werd pas in 1769 door de prins van Oranje terug gekocht. Op 1 april 1734 werden de Staten-Generaal door de prins gedéchargeerd als executeurs testamentair. ( NDR inv.nr. 300 ) .
1795-1813
In 1795, toen de Fransen de Republiek binnentrokken en de stadhouderlijke familie overhaast naar Groot-Brittannië vluchtte, werden de Nassause goederen door de Fransen in bezit genomen.
Met het huis Oranje-Nassau werd reeds op 16 mei 1795, bij het Haagse Verdrag tussen Frankrijk en de Bataafse Republiek, een officiële regeling getroffen. Daarbij verkreeg de laatstgenoemde het eigendom over de Nassause domeinen, die door Frankrijk in bezit waren genomen. Dit verdrag werd bevestigd door de afspraken in het vredesverdrag van Amiens van 1802 tussen Groot-Brittannië en Frankrijk, waarin tevens de afstand van en de schadeloosstelling voor de domeinen, goederen en waardigheden van het Oranjehuis werden geregeld. Deze afspraken werden vervolgens bevestigd in een overeenkomst tussen de Bataafse Republiek en het huis Oranje-Nassau van 1804, waarin de hoogte van de schadeloosstelling was vastgesteld. Deze overeenkomst werd echter nooit uitgevoerd, omdat het Wetgevend Lichaam van de Bataafse Republiek haar nooit zou ratificeren.
Intussen werden met ingang van november 1796 de domeinen genationaliseerd door de toenmalige Nationale Vergadering.
Tijdens het koningschap van Lodewijk Napoleon werd een gedeelte van de voormalige Nassause domeinen aan hem afgestaan. De aan de koning afgestane domeinen dienden een bedrag van 500.000 gulden op te brengen. Als de inkomsten minder zouden bedragen, dan zouden er meer domeinen aan de domeinen van de Kroon worden toegevoegd. Aan de koning werden de volgende domeinen afgestaan: Oosterhout, Dongen en Ter Brake, Breda, Grave en Cuijk, Oploo, Cranendonk en Eindhoven, Steenbergen, Roosendaal en Nispen, Het Loo, Dieren, Borculo, Bredevoort en Lichtenvoorde. Voorts werden de domeinen, geadministreerd door de Commissie van Breda aan de koning afgestaan. ( De Commissie van Breda beheerde domeinen gelegen in het grondgebied van Staats-Brabant die in buitenlandse handen waren en in gebieden afhankelijk van buiten de voormalige Republiek gelegen abdijen en kapittels. )
Na 1813
Na terugkeer van de toekomstige koning Willem I in 1813 en zijn aanvaarding van de soevereiniteit, bleven de voormalige Nassause domeinen in bezit van de staat. Willem I maakte geen aanspraken op het bezit van zijn voormalige domeinen. Hij ontving een jaarlijks inkomen, waarvan een gedeelte moest worden opgebracht door de zogeheten Kroondomeinen. Het eigendom van deze domeinen kwam bij de Domeinwet van 1822 aan de Kroon. Koning Willem II zou het eigendom van deze domeinen vervolgens weer overdragen aan de staat. De inkomsten bleven bestemd voor de Kroon. Naast dit inkomen ontving de koning jaarlijks een bedrag voor het onderhoud van de hem ter beschikking gestelde paleizen, te weten paleis Noordeinde, paleis Het Loo, het paleis op de Dam in Amsterdam en Huis ten Bosch. Het Prinsenhof in Leeuwarden kwam door aankoop weer in het bezit van het Oranjehuis. Het paleis en domein Soestdijk werd door de staat aan de prins van Oranje, de latere koning Willem II, in eigendom gegeven als dank voor zijn krijgsverrichtingen tijdens de veldtocht van 1815. ( Japikse, Geschiedenis, pp. 214, e.v. )
Met de oprichting van het Amortisatiesyndicaat in 1824 werd het beheer en de administratie van de voormalige Nassause domeinen bij deze instelling ondergebracht. Uit de opbrengsten van de verkoop van de domeinen zou een deel van de staatsschuld worden afgelost. Ook het archief kwam onder het beheer van het Amortisatiesyndicaat.
De Domeinraad
Geschiedenis van de Domeinraad
De heerlijkheden van de Nassaus werden in hun naam beheerd door een vaste 'Raad en Rekenkamer', later Nassause Domeinraad geheten. Deze Raad bestond uit deskundigen op rechtskundig en financieel terrein.
De instelling van een Raad en Rekenkamer heeft hoogstwaarschijnlijk onder graaf Engelbrecht II van Nassau (1475-1504) plaats gevonden. ( Drossaers I, I, p. VI. ) Vergeleken met het landsbestuur in Brabant en Holland gingen de Oranjes vrij laat over tot een gecentraliseerd en ambtelijk gestructureerd bestuur en beheer van hun domeinen. Zij stonden hierin overigens niet alleen. Zo benoemden de markiezen van Bergen op Zoom, de graven van Buren en de heren van Culemborg ook pas tegen het einde van de vijftiende en in de loop van de zestiende eeuw raden voor het beheer van hun domeinen. ( Aldus H.M. Brokken, 'De heren van Breda en hun archief' in: Noordbrabants Historisch Jaarboek 1 (1984) pp. 17-18. Zie verder: A.P. van Schilfgaarde, Het archief der Heeren en Graven van Culemborg. Eerste stuk. Inleiding, inventaris, lijst van kaarten en tekeningen (Den Haag, 1949); W.A. van Ham, Inventaris van de archieven van de Raad en Rekenkamer van de Markiezen van Bergen op Zoom. Eerste stuk: Algemene inleiding (Den Bosch, 1980) )
Tot aan de Spaanse inname van Breda in 1581 was de Domeinraad gevestigd in het kasteel aldaar. De prins benoemde na de Spaanse bezetting nieuwe leden, waarop de nieuw gekozen Raad zich in Delft gevestigde. Het archief van de Domeinraad zou overigens in Breda achterblijven totdat in 1637 Breda werd bevrijd en een groot deel van het archief naar Den Haag werd gezonden.
In de geschiedenis van de Domeinraad zijn er behalve het vertrek uit Breda in 1581 nog enkele andere precaire momenten aan te wijzen, als gevolg van conflicten over de bezittingen van het Oranjehuis, die hiervoor al werden genoemd.
Allereerst was daar het conflict rondom de afwikkeling van de nalatenschap van Willem van Oranje.
De goederen uit zijn sterfhuis werden tussen 1584, het jaar waarin hij vermoord werd, en 1609, toen zijn nalatenschap definitief verdeeld werd tussen zijn zoons Philips Willem, Maurits en Fredrik Hendrik, door verschillende administraties beheerd. De goederen afkomstig van Anna van Egmond en de 'vaderlijke' goederen in Brabant, bestemd voor Maria en Philips Willem, werden beheerd door Anna en haar Raad. Deze goederen omvatten Buren, Leerdam, IJsselstein, St. Maartensdijk, Breda, Oosterhout en Steenbergen. Breda, Oosterhout en Steenbergen waren bezet en geconfisqueerd door Spanje en leverden bijgevolg nauwelijks iets op. ( Scherft, Het sterfhuis, pp. 96 e.v. ) De nog onverdeelde boedel werd beheerd door de curatoren van het sterfhuis. In deze Raad hadden Van Steelant en Nicolaas Pijll zitting. Onder de onverdeelde boedel vielen de Hooge en de Lage Zwaluwe, de heerlijkheden in het Westland, Lek en Polanen, Niervaart, Geertruidenberg, Veere en Vlissingen en de visserij in de Grote Waard. Ook hier gold dat de goederen die in door Spanje bezet gebied lagen weinig opleverden voor de boedel van Willem I. Maurits liet zich bij het beheer van de aan hem toekomende goederen bijstaan door een Raad. Na het overlijden van Nicolaas Pijll in 1601, trok Maurits de gehele administratie van de onverdeelde boedel in het sterfhuis aan zich. Na de definitieve regeling van de boedel van Willem I waren er drie domeinraden werkzaam: die van Philips Willem in Breda, die van Maurits in Den Haag bij de Zuidpoort van het Binnenhof en die van Frederik Hendrik eveneens in Den Haag, in het paleis Noordeinde. Na de dood van Maurits in 1625 werd de nalatenschap van Willem van Oranje onder Frederik Hendrik weer in één hand herenigd en beheerd door één Raad. Deze Nassause Domeinraad bleef sindsdien tot 1767 gehuisvest in een pand rechts van de Zuidpoort van het Binnenhof. Het archief van de Domeinraad kreeg een plaats in de charterkamer van de prins boven de raadkamer van het Hof van Holland op het Binnenhof. Het ging hier om afgesloten archief, waarschijnlijk het archief dat uit Breda naar 's-Gravenhage was verhuisd. Deze raadkamer bevond zich boven de Rolzaal, een van de oudste gedeeltes van het Binnenhof. De thesaurie was gevestigd in een pand direct grenzend aan de zuidzijde van de Grote Zaal (Ridderzaal). In 1767 werd het huis bij de Zuidpoort ontruimd ten behoeve van de bouwplannen voor de uitbreiding van het Stadhouderlijk kwartier op het Binnenhof. De Domeinraad verhuisde naar het gebouw, waar voorheen de kastelenij was gevestigd, grenzend aan de Grenadierspoort van het Binnenhof. Het huis was door Willem IV ten behoeve van de Raad aangekocht. ( A. Ising, Het Hof te 's-Gravenhage. De prinsen van Oranje op het Stadhouderlijk Kwartier ('s-Gravenhage, 1898), p. 40-41 en 44 e.v.; J. de Riemer, Beschrijving van 's Graven-Hage (' Gravenhage 1730), pp. 125 en 161; Joh. P.M. Goudeau, Van Kwartier van Hun Hoogmogenden tot Ministerie van Algemene Zaken, Kabinet van de Minister-President (Den Haag, 1980), pp. 48-49. )
Een tweede periode waarin meer dan een Domeinraad functioneerde was ten tijde van het geschil met de koning van Pruisen over de nalatenschap van koning-stadhouder Willem III.
De Staten-Generaal als executeurs-testamentair belastten de Domeinraad met de administratie van de bezittingen in de nalatenschap. Toen in 1711 aan de minderjarige kinderen van Johan Willem Friso en hun moeder Maria Louise van Hessen-Kassel goederen uit de boedel werden geëxtraheerd, werd de administratie van deze goederen aan het reguliere beheer van de overige domeinen door de domeinraad onttrokken.
De voogden over de kinderen van Johan Willem Friso benoemden een Raad en Rekenmeesters der geëxtraheerde goederen, die een administratie voerden welke strikt gescheiden was van die van de 'gewone' Domeinraad. ( NDR inv.nr. 1528. ) .
Tot raden en rekenmeesters werden benoemd: Johan Reinhard van Dalwigh, envoyé van de landgraaf; Jacob Wiers, Johan van Essen en Johan van Schuylenburch. Als griffier werd aangesteld Johan van Schuylenburch, als thesaurier Willem van Assendelft en als auditeurs Dirk Swart en Jacob Pesters. De laatste legde pas in 1718 zijn eed af en trad vanaf dat moment in functie.
Naast de geëxtraheerde goederen administreerde deze Raad ook Soest, Baarn en Ter Eem. Deze goederen waren na de dood van prins Willem III aan de Staten van Utrecht toebedeeld. In 1714 werden deze goederen door prinses Maria Louise van Hessen-Kassel, moeder van Johan Willem Friso, weer van de Staten van Utrecht teruggekocht. ( NDR inv.nr. 768, folio 1517 e.v. ) In 1732, toen er een overeenkomst was gesloten met de koning van Pruisen over de verdeling van de goederen, werd de Domeinraad over de geëxtraheerde goederen opgeheven en de administratie over de voormalig geëxtraheerde goederen opgenomen in het geheel.
De opvolgers van de Domeinraad
In 1795 met de confiscatie en de inbezitneming van de Nassause domeinen door de gewestelijke besturen, werd de Domeinraad ontslagen. Het beheer van de voormalige Nassause domeinen werd 'provisioneel' opgedragen aan de verschillende gewestelijk besturen. Deze besturen benoemden ieder een commissie om de goederen te beheren. In Holland werden administrateuren van de goederen van de prins van Oranje, gelegen in Holland, benoemd. Goederen buiten de Republiek, zoals bv. Montfort, werden beheerd door de Franse Representanten. De domeinen in de Generaliteitslanden werden beheerd door het Comité tot de algemene Zaken van het Bondgenootschap te Lande.
Het zwaartepunt van de administratie bleef in Holland liggen. De Hollandse administratie had de beschikking over het archief van de Domeinraad, wat in Den Haag bleef. De administratie in Holland bleef gevestigd in de ruimte van de voormalige Nassause Domeinraad. Het was ook de Vergadering van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland die de Nassause Domeinraad bij decreet van 5 Maart 1795 ontsloeg. De daaropvolgende dag, 6 maart, beëindigde de Nassause Domeinraad officieel haar werkzaamheden. ( NDR inv.nr. 183. ) Vanuit Holland en door het Comité tot de Algemene Zaken van de Staten-Generaal werd er geijverd voor het onderbrengen van het beheer van de goederen in één administratie. Het Comité van Algemeen Welzijn, dat de supervisie over de Hollandse administratie had, stelde in een rapport van 25 maart 1795 dat de domeinen als een geheel zouden moeten worden beheerd, en niet per 'landschap' gesplitst. ( NDR iv.nr. 805. ) Teven stelde het Comité omwille van de continuïteit functionarissen van de 'oude' Domeinraad aan te stellen. De prins had op zijn vlucht een aantal belangrijke papieren meegenomen, waaronder een blaffaard van obligaties. De kennis en ervaring van de 'oude' Domeinraad zouden hard nodig zijn om de nieuw aan te stellen Raad goed te kunnen laten functioneren. Zolang daarover geen beslissing werd genomen, werd ook in Holland de administratie provisioneel geregeld. Van de oude Domeinraad werd een aantal leden en functionarissen aangesteld.
De administrateuren van de domeinen, gelegen in Holland kregen van hun superieuren de uitdrukkelijke oekaze geen archiefstukken over te dragen. Dit verbod was mede ingegeven door de problemen die het splitsen van het archief met zich mee zou brengen. Bovendien had Holland daarmee een wapen in het streven naar een gecentraliseerd beheer.
Geregeld adviseerde het Comité van Algemeen Welzijn en de administrateuren met klem het beheer van de goederen van de stadhouder in de Republiek centraal te regelen. ( ARA, Archieven van de gewestelijke besturen in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1798 en hiermee samenhangende commissies, 1782-1802, dl I, (Archief van het Comité van Algemene Welzijn), inv.nr. 124, 23 juni 1795. ) De reden was een eenvoudige: zonder centraal beheer was het niet mogelijk de crediteuren van de boedel te betalen. Alle schulden van de Prins van Oranje waren in 1772 door de thesaurier Van Olden overgenomen op de thesaurie. Dat betekende dat deze schulden niet meer berustten op onderscheiden domeinen, maar op de domeinen als geheel. Het Comité was niet precies op de hoogte van de grootte van de schuld: 'doordien de geweezen stadhouder de daartoe nodige papieren en bescheiden heeft medegenoomen', maar men schatte de renten op zo'n 350.00 gulden! De inkomsten van de goederen in Holland zouden zo'n 120 tot 130 duizend gulden bedragen. De motivatie voor het voorstel voor een centraal beheer was dus vooral gelegen in de schuldenlast, die alleen verminderd kon worden door de beschikking over alle revenuen uit de domeinen. Daarbij zal meegespeeld hebben dat de meeste schuldeisers van de stadhouder zich in Holland bevonden. Toch duurde het tot in 1796, tot de totstandkoming van de Nationale Vergadering, voordat deze kwestie definitief werd geregeld. Toen plaatste de Nationale Vergadering het beheer en de administratie weer onder centraal gezag. De Nationale Vergadering benoemde een Commissie van Superintendentie over de domeinen van de gewezen stadhouder. ( NDR inv.nr. 200. Het archief van de Commissie van Superintendentie bevindt zich in het archief van de Nationale Vergadering. ) De archieven van de domeinen werden door de provinciale autoriteiten in Holland aan de administratie over de domeinen overgedragen. In juli van dat jaar werd een instructie voor de 'Administrateurs van den door de Franschen geabandonneerden Boedel van den Vorst van Nassau', zoals het college inmiddels heette, opgesteld. ( Decreten van de Nationale Vergadering, juli 1796 (Deel 5) p. 78. ) Tot 1811 - het jaar waarin de Bataafse Republiek bij Frankrijk werd ingelijfd - behielden de voormalige Nassause domeinen een eigen administratie binnen het departement van Financiën. Afhankelijk van wisselingen van staatsvorm, van staatshoofd en van de organisatie van de overheid veranderde deze administratie van naam en soms van personeel, hoewel gedurende die jaren de administratie grotendeels op de zelfde leest geschoeid bleef. Het waren ook voor een deel dezelfde ambtenaren die deze administratie bestierden. Belangrijke ambtenaren in die dagen waren inspecteur E. Temminck, commissaris A.J. Verbeek en thesaurier A.C. Molière. De administratie was achtereenvolgens opgedragen aan de volgende instellingen:
  • Administrateuren over de door de Fransen geabandonneerde goederen en commissie van superintendentie over de domeinen van de gewezen stadhouder, 1796-1798;
  • Agent van Financiën, 1798-1801;
  • Thesaurier-generaal en raden van Financiën, 1801-1805;
  • Secretaris van staat voor de Financiën, 1805-1806;
  • Minister van Financiën, 1806-1809;
  • Directeur der publieke domeinen, 1809-1809;
  • Directeur der staatsdomeinen, 1810-1811.
Een uitzondering vormde de aan koning Lodewijk Napoleon afgestane domeinen. In 1808 ging de administratie van deze domeinen over naar de intendant-generaal van het Koningshuis. Toch bleef een gedeelte van de administratie achter bij het departement van Financiën. De rekeningen werden door de administratie van de voormalige Nassause domeinen afgehoord. Rentmeesters wendden zich af tot de minister, of tot de intendant-generaal. In de praktijk kwam het voor dat stukken door de minister aan de intendant-generaal werden doorgezonden voor verdere afhandeling. Voor de domeinen, die niet aan de Kroon waren gecedeerd, bleef de administratie hetzelfde. Deze bleven apart geadministreerd binnen het departement van Financiën. ( Algemeen Rijksarchief, archief Ministerie van Financiën 1798-1813, inv.nr. 1127, folio 222 recto. Algemeen Rijksarchief, Tweede Afdeling, archief Kroondomeinen en hofhouding van koning Lodewijk Napoleon en de Franse keizer, toegang 2.01.25, inv.nrs. 114, 115, 119, 123. NDR inv.nr. 676, Broculo, Bredevoort en Lichtenvoorde, 25 mei 1808. ) Na de inlijving bij het koninkrijk Frankrijk werd op 31 december 1811 de administratie van de voormalige Nassause domeinen overgegeven aan het Enregistrement der domeinen, die in de verschillende provincies werd gevestigd. De ambtenaar Verbeek werd belast met de liquidatie van zaken tot eind 1811, onder toezicht van de intendant-generaal van Financiën. ( Algemeen Rijksarchief, Stukken van de administratie van de Nationale Domeinen en Geestelijke goederen, mei 1809 - april 1814, toegang 2.01.23, inv.nr. 32, 31 december 1811, nr. 23. Henny van Schie, Aantekeningen omtrent de organisatie van het Ministerie van Financiën over de periode 1798-1944 (uittreksel) (Den Haag 1992) )
Taken en bevoegdheden van de Nassause Domeinraad
Instructies
De Domeinraad moest zorgen voor een ordentelijk beheer van de Nassause domeinen en de hofhouding opdat de vorstelijk levensstijl van de Oranjes kon worden bekostigd. Steeds weer bleken de inkomsten uit de domeinen ontoereikend om de schulden van de Oranjes te delgen. Misbruiken in de administratie waren onder meer de oorzaken voor de tegenvallende inkomsten. Met behulp van strenge instructies voor de Domeinraad en zijn functionarissen probeerden de prinsen van Oranje hier paal en perk aan te stellen. Over het algemeen bleven echter de schulden van de Oranjes hoger dan de inkomsten uit hun domeinen.
Prins Willem van Oranje gaf als eerste een aanzet tot een instructie voor de Domeinraad. De prins ging niet alleen gebukt onder een enorme schuldenlast, maar werd ook geconfronteerd met ernstige onregelmatigheden gepleegd door enige rentmeesters in zijn domeinen. Na een onderzoek vaardigde de prins in 1558 een ordonnantie uit, waarbij alle rentmeesters voortaan aan een strenge controle van zijn Raad zouden worden onderworpen. Deze ordonnantie zou de grondslag vormen voor de eerste, echte instructie uit 1563. ( P.J. Veeze, De Raad van de Prinsen van Oranje tijdens de minderjarigheid van Willem III, 1650-1668 (Assen, 1932), pp. 19-20. ) Om een einde te maken aan de bestaande misbruiken in de administratie werd in deze instructie veel plaats ingeruimd voor de rekeningen. ( Zie Drossaers I, I, pp. VII-X, en P.J. Veeze, De Raad, p. 20. Voor een transcriptie van deze instructie zie Drossaers I, I, pp. XIX-XXXIX. ) Constantijn Huygens, secretaris van Frederik Hendrik, stelde in 1631 een nieuwe instructie op, die een jaar later werd aangevuld naar aanleiding van het financiële wanbeheer van de toenmalige rentmeester-generaal. ( NDR inv.nr. 780 en 786. ) Ook van later datum zijn er instructies bewaard gebleven, zoals uit 1652, 1677 en 1758. Veel wijken deze niet af van de instructie van Frederik Hendrik uit 1631. In sommige gevallen zijn de bepalingen wat uitvoeriger, is het ondersteunend apparaat in de vorm van commiezen, klerken en deurwaarders wat gegroeid of is het aantal leden van de Raad toegenomen.
Uit de instructies blijkt dat het beheer en het bestuur van de domeinen en de hofhouding van de prins tot de belangrijkste taken van de domeinraad behoorden. Daarnaast had de Raad een rechtsprekende bevoegdheid.
Beheer
Het beheer viel grosso modo uiteen in drie deeltaken, namelijk het afhoren en sluiten van de rekeningen van de rentmeesters, de hofhouding en de rentmeester-generaal; het houden van verpachtingen en de jaarlijkse inspectie van de domeinen.
Ieder jaar dienden rentmeesters en hoofdambtenaren van de hofhouding rekening en verantwoording af te leggen van hun inkomsten en uitgaven. In de zestiende eeuw reisden leden van de Domeinraad hiervoor naar de verschillende domeinen. ( Drossaers I, I, p. X. ) Gaandeweg ontwikkelde zich echter het gebruik dat rentmeesters hiervoor naar Den Haag kwamen. Drie maanden na afloop van het boekjaar - wat doorgaans op 31 december viel - werden zij geacht hun rekeningen te overleggen aan de domeinraad, zodat ze hier voor 1 mei gehoord en gesloten konden worden. Bleek de rentmeester na het sluiten van zijn rekening geld schuldig te zijn dan diende hij onmiddellijk voor betaling zorg te dragen. Bleef hij in gebreke, dan werd hem een boete opgelegd of werd zijn ambt verbeurd verklaard. Ten kantore van de Domeinraad werden de rekeningen door twee raden afzonderlijk afgehoord: één raad werd geassisteerd door de griffier, de ander door de auditeur. Rentmeesters dienden niet alleen jaarlijks hun rekeningen te laten afhoren, maar moesten ook maandstaten opsturen aan de Raad. De hofhouding diende wekelijks op maandag alle rekeningen en kohieren in, ter controle door de Raad. Voordat rentmeesters in hun ambt werden beëdigd dienden zij en 'suffisante' borg te stellen. In het archief van de Nassause Domeinraad behoren de rekeningen van de rentmeesters vaak tot de meest compleet bewaard gebleven series. Zij vormen een prachtige bron voor lokaal historisch onderzoek. ( In Staats-Brabant had de Domeinraad niet alleen rentmeesters voor de domeinen in dienst, maar vanaf 1648 ook rentmeesters voor de geestelijke goederen die met de vrede van Munster van de prins van Oranje waren gekomen. In het archief van de Domeinraad vormen deze rekeningen aparte series. ) Het houden van verpachtingen in de verschillende domeinen was een andere belangrijke taak van de Domeinraad. Pachtgelden vormden de grootste bron van inkomsten voor de prins van Oranje. Ieder lid van de Domeinraad kreeg voor zijn pachtreis een speciale commissie en instructie, waarin de Raad de condities en termijnen van de verpachtingen omschreef. Na afloop van de doorgaans openbare verpachting leverde de commissaris een verbaal over het verloop der verpachtingen in. Verpacht werden onder andere landerijen, tienden, visgronden (waarvan de belangrijkste in Geertruidenberg, Hondertland, Hooge en Lage Zwaluwe en Wartenon gelegen waren), tollen (te Lith en Cuijk), molens, bier- en wijnaccijnzen en gemene middelen (Willemstad). De verpachtingen namen meestal een paar dagen in geslag. ( Veeze, De Raad, pp. 51-52. ) Eenvoudige verpachtingen werden meestal door de rentmeester afgehandeld.
Het houden van verpachtingen werd vaak gecombineerd met een inspectiereis. Om ervoor te zorgen dat de raadsleden bij hun bezoeken ter plaatse hun taak onpartijdig zouden uitoefenen, dienden zij zich aan verscheidene voorschriften te houden. De instructie uit 1631 schreef bijvoorbeeld voor dat ieder jaar een andere gecommitteerde naar een bepaald domein moest worden gezonden. De raadsleden mochten niet in pachtzaken bemiddelen alvorens met de verantwoordelijke rentmeester te hebben overlegd. Ook was het niet toegestaan op dienstreis bij de rentmeesters te logeren. Velerlei zaken waren tijdens deze reizen voorwerp van inspectie. Zo werden de leenboeken van de griffier van het Leenhof en rekeningen van lokale autoriteiten gecontroleerd. De commissaris van de Domeinraad die in 1774 het domein Breda inspecteerde moest bijvoorbeeld in totaal 112 rekeningen van allerlei plaatselijke autoriteiten nalopen. Van sommige van die rekeningen zijn ook kopieën in het archief aanwezig. Verder werd tijdens zo'n jaarlijkse inspectie nagegaan welke reparaties en aanplantingen verricht moesten worden. Er werd gekeken of instructies en ordonnanties werden nageleefd en de rechten van de leenheer door de beambten werden gehandhaafd. Binnen zes weken na terugkomst in Den Haag dienden de raadsleden een verbaal in te leveren, waarbij een duidelijke borderel (beknopt overzicht) van de gecontroleerde rekeningen moest zijn gevoegd. Deze verbalen geven een goed beeld van de dagelijkse gang van zaken in het desbetreffende domein. Na 1795 bleef het beheer grosso modo op dezelfde leest geschoeid.
Bestuur
De Nassause Domeinraad was tevens belast met een bepaalde vorm van bestuur. De prins van Oranje was in een groot deel van zijn domeinen leenroerig aan een andere heer, maar er waren ook vrije heerlijkheden zoals de graafschappen van Lingen, Meurs, Leerdam, Buren en IJsselstein en het prinsdom Orange. Zijn bestuursmacht evenaarde in veel domeinen die van een soeverein heerser. In sommige domeinen trad op zijn beurt de prins zelf op als leenheer door gedeeltes van zijn heerlijkheid in leen uit te geven. Hiervoor werden zogeheten stadhouders van de lenen aangesteld. In het archief zijn hiervan leenboeken en rekeningen aan de rentmeester en de griffier van de lenen bewaard gebleven.
In al zijn gebieden bezat de prins heerlijke rechten, variërend van bijvoorbeeld het recht van de wind, wat inhield dat de heer zijn toestemming diende te geven bij de bouw van een molen, tot het belangrijke en lucratieve benoemingsrecht van lokale ambtenaren. Functionarissen als schouten, schepenen, dijkgraven en heemraden ontvingen aldus vaak hun aanstelling van de prins. In de gebieden die onder de jurisdictie van Oranje vielen werd in zijn naam -in geval van lage jurisdictie- recht gesproken door een schout, of -wanneer er sprake was van hoge jurisdictie- door een baljuw of drost. Bij geschillen met personen of lichamen waarover de prins geen zeggenschap had, was het Hof van Holland of de Raad van Brabant doorgaans de bevoegde rechtsinstantie.
Het recht van benoeming van lokale functionarissen strekte zich soms ook uit tot het geven van adviezen door de Raad bij het maken van nieuwe keuren en het afhoren van de stadsrekeningen. ( Drossaers I, I,p. X. ) Verder was het niet ongebruikelijk dat predikanten en schoolmeesters, die vaak ook als koster fungeerden, door de prins benoemd en betaald werden.
Tenslotte waren er natuurlijk nog functionarissen die gewoon in dienst waren van de Oranjes, zoals jachtopzieners, tuinmannen, architecten, de rentmeester. Het toezicht op deze functionarissen berustte bij de Raad. Deze bekeek of deze mensen zich wel aan de aan hen opgedragen ordonnanties en instructies hielden.
Rechtspraak
De Domeinraad had een rechtsprekende bevoegdheid in geschillen tussen bestuursambtenaren der domeinen onderling of tussen bestuursambtenaren en ingezetenen der domeinen. ( Zie voor judiciële rollen, NDR inv.nrs. 862-868. ) Daarnaast fungeerde de Raad als beroepsinstantie voor zaken die in de domeinen zelf eerst door lokale ambtenaren waren behandeld. Raadsleden brachten over hun toegewezen aanhangige zaken een rapport uit aan de Raad, waarna deze een vonnis uitsprak. Ging het om ingewikkelde kwesties, dan werd het advies van eigen advocaten ingewonnen. Bij alle rechtszaken voor het Hof van Holland, de Hoge Raad, de Raad van Brabant waarbij de prins betrokken was werd hij vertegenwoordigd door een procureur, die namens hem eiste of verdedigde. Het was de taak van de Domeinraad toezicht te houden op het juiste handelen van officieren, advocaten en procureurs die namens de prins in processen of geschillen waren verwikkeld.
Na 1795 verviel deze taak van de administratie van de voormalige Nassause domeinen.
Werkwijze
De voltallige Raad bestond blijkens de instructie van 1563 uit vijf leden. In de daarop volgende jaren wisselde het aantal leden van de Raad: soms vijf, dan weer zes of zeven. Daarnaast had de Raad een drietal ambtenaren in dienst: de rentmeester-generaal, de auditeur van de rekeningen en de griffier of secretaris. Er werd bijna iedere dag vergaderd. Tot aan het vertrek van de Domeinraad uit Breda in 1581 maakte de drossaard van Breda hiervan deel uit. Hij vervulde dan de rol van voorzitter. Hij legde de Raad overigens alleen zaken betreffende de jurisdictie en hoge heerlijkheid van stad en land van Breda voor. Na het vertrek van de Raad uit Breda moest de drossaard deze uitzonderlijke positie binnen de Raad zeer waarschijnlijk opgeven.
Formeel oefende de Domeinraad zijn taken uit door het verstrekken van adviezen aan de prins (of de voogden). Deze adviezen betroffen in principe alle zaken met betrekking tot het bestuur en beheer van de domeinen en de hofhouding. Ze kwamen bij meerderheid van stemmen tot stand. Wanneer de prins of de voogden een besluit hadden genomen, diende de Raad dat vervolgens uit te voeren. In hoeverre de prins altijd bij de daadwerkelijke besluitvorming in de Domeinraad was betrokken, is niet duidelijk.
Met name prins Willem Karel Hendrik Friso, de latere stadhouder Willem IV, was in dit opzicht initiatiefrijk. Reeds op jeugdige leeftijd belegde hij geregeld zogenaamde conferenties met de raden der geëxtraheerde domeinen, vaak in tegenwoordigheid van zijn opperhofmeester, opperstalmeester en opperkamerheer. Tijdens deze conferenties werden niet alleen concept-besluiten met betrekking tot de Nassause domeinen aan de prins ter goedkeuring voorgelegd, maar kwam de prins zelf ook met voorstellen ter verbetering van het beheer. ( NRD inv.nrs. 191-192, notulen van de conferenties over de periode 26 november 1731 - 26 januari 1736. ) Hoe serieus hij zijn taak nam blijkt uit een resolutie van zijn hand van 5 oktober 1731. Hierin verklaart hij onder andere: ' ... hebben wij geoordeelt dat van de verpligtingen die onse volkome meerderjarigheyd op ons legt de eerste en voornaamste was, dat wij hoe eer hoe liever onse gedagten lieten gaan over den toestand van de saeken van ons huys, en niets versuymde om se naa maate dat het nodig zoude zijn te redresseeren, en se in 't algemeen in goede en volmaakte ordre te brengen ... '. Vanaf 1751 werden door de Domeinraad wekelijks een aantal zaken ('poincten') aan de voogden van de toekomstige Willem V, Anna van Hannover en de hertog van Brunswijk en naderhand aan Willem V zelf voorgelegd, waarvoor men zijn instemming behoefde. ( Voor de 'poincten': NDR inv.nrs. 700-737. Zie in het algemeen over dit onderwerp, naast de notulen van de Domeinraad, NDR inv.nrs. 721-722 en 16535-16556. ) Dit gebeurde in de vorm van concept-adviezen, waarop de prins alleen nog maar met een ja of nee hoefde te antwoorden. In het overgrote deel van de gevallen ging de prins zonder meer akkoord. De 'poincten' waarvoor een beslissing van de prins was vereist, betroffen meestal aanstellingen van functionarissen in dienst van de prins of functionarissen waarvoor de prins benoemingsrecht had. Meestal werden deze punten aan het eind van de week gepresenteerd en ontving de Domeinraad de beschikkingen van de prins een à twee dagen later. Tegelijk met de 'poincten' werden aan de prins de concept-stukken ter ondertekening voorgelegd. Deze stukken zitten niet (meer) bij de 'poincten'. Adviezen over andere zaken, niet voortvloeiend uit een verzoekschrift, rapporten en maand- en kwartaalstaten betreffende de financiën werden apart van de 'poincten' aan de prins gepresenteerd. De leden van de Domeinraad werden bij hun werkzaamheden geassisteerd door een aantal vaste ambtenaren. ( Veeze, De Raad, pp. 57-58 en Drossaers, deel 1, pp. VII-X. )
De griffier had als taak het registreren en bewaren van de notulen, besluiten, commissies en ordonnanties. Verder handelde hij de ingekomen en uitgaande stukken af en droeg hij zorg voor hun bewaring. Leden van de Raad leverden na een inspectiereis hun verbaal in bij de griffier. Deze stelde ook de afgehoorde rekeningen aan de rentmeester-generaal ter hand. Hij bewaarde het grootzegel en andere cachetten van de Raad waarmee depeches werden bezegeld. Tenslotte droeg hij zorg voor het archief.
De belangrijkste zorg van de thesaurier en rentmeester-generaal gold de generale rekening van de domeinen en de hofhouding, die ieder jaar voor de eerste december van het daarop volgende jaar moest worden ingeleverd. Evenals de rentmeesters diende de rentmeester-generaal voor het aanvaarden van zijn ambt een aanzienlijke borg te stellen. Naast de verantwoording voor de inkomsten en uitgaven van de hofhouding en de domeinen, oefende hij samen met de Raad toezicht uit op de rentmeesters en controleerde hij de soliditeit en de liquiditeit van hun borgstelling. Ook leverde hij net als de rentmeesters maandstaten van zijn inkomsten en uitgaven in. Tenslotte trad de thesaurier en rentmeester-generaal in veel gevallen op financieel terrein op als een belangrijk adviseur van prins (en voogden). Behalve de griffier en de thesaurier dient hier de auditeur genoemd te worden, die de rekeningen afhoorde, apostilleerde, calculeerde en sloot.
Zoals reeds opgemerkt, probeerde de Domeinraad machtsmisbruik bij het bestuur en beheer van de domeinen te voorkomen door de verschillende taken op deze terreinen steeds aan andere raadsleden toe te vertrouwen. De verdeling van de commissies (opdrachten) voor de inspectiereizen werd elk jaar opnieuw in de vergadering gebracht. Omstreeks het midden van de 18e eeuw kwam hierin verandering, toen met het blijkbaar efficiënter achtte de domeinen in vaste 'departementen' te verdelen. Ieder departement omvatte gelijksoortige domeinen met een zelfde soort bestuur en beheer. Ook een gelijke verdeling van de 'emolumenten' voor de raadsleden bij het doen van verpachtingen, het afhoren van de rekeningen e.d. speelde een rol bij de verdeling in departementen. Het roulerend systeem voor inspectiereizen bleef overigens gewoon gehandhaafd.
Elk departement viel onder het éénjaarlijkse toezicht van een (ordinaris) (raad-)commissaris. Een uitzondering hierop vormde een aantal bezittingen in het derde departement: 'De Domeijnen geleegen in Oostenrijks Braband reeds door een Raed geadministreert werdende zoude geen jaerlijks opzigt nodig hebben, en genoeg zijn die om de drie jaeren eens na te gaen.'
Voor deze goederen was door de prins van Oranje een functionaris, meestal jurist, aangesteld met de titel van intendant(-generaal). Deze functionaris maakte dus niet direct deel uit van de Domeinraad in Den Haag maar viel wel onder het driejaarlijkse toezicht van de raad-commissaris van het derde departement. ( NDR inv.nr. 687. Over een corrupte intendant-generaal handelt het artikel van R. Spork, 'Jean Matthias Jacmain d'Ortho, raad voor de domeinen in de Oostenrijkse Nederlanden (1749-1761)' in: Nederlands Archievenblad (maart 1988), pp. 43-59. )
De indeling in vier departementen was als volgt:
Eerste departement Buren, Leerdam, Culemborg, IJsselstein, Soest, Baarn, Dieren, Het Loo, Bentheimse goederen, Oranjewoud, Leeuwarden, Ameland, Bredevoort, Groningen.
Tweede departement Liesveld, 's-Gravenzande, naaldwijk, Monster, Wateringen, Honselersdijk, Niervaart, de Zwaluwen, Geertruidenberg, Zevenbergen, Kruisberg (bij Santpoort), Oranjezaal (huis Ten Bosch), huis Ter Nieuwburg (te Rijswijk), Oude Hof (Paleis Noordeinde), het Hof te Den Haag (aan het Buitenhof).
Derde departement Veere, Vlissingen, Noord-Beveland, St. Maartensdijk, Scherpenisse, Hulsterambacht.
Driejaarlijks toezicht Diest, Zichem, Meerhout en Vorst, Vianden, Dasburg, St. Vith, Bütgenbach, Lannoy, Gimbergen, Burggraafschap Antwerpen, Paleis te Brussel, Rutten, Nederheim en Peen
Vierde departement Breda, Oosterhout, Roosendaal enNispen, Steenbergen, Prinsenland, Willemstad, Cranendonk en Eindhoven, Grave en het land van Cuijk.
Deze indeling in vier departementen paste in een algemeen streven van de Domeinraad tijdens het laatste kwart van de 18e eeuw om meer greep en controle te krijgen op de gang van zaken in de domeinen. Sinds de 16e eeuw waren rentmeesters verplicht via rekeningen verantwoording af te leggen van het door hen gevoerde beheer. In de jaren zeventig van de 18e eeuw werd dit niet langer voldoende geacht en dienden zij ook zogeheten generale rapporten en memories wegens ontvangen resoluties en orders in te leveren. Een generaal rapport bestond uit een standaard vragenlijst over het domeinbeheer, die ieder jaar door de rentmeester moest worden beantwoord. De memories vormden een instrument voor de Domeinraad om te controleren of en zo ja hoe aan zijn resoluties en orders was voldaan.
Na 1795 veranderde er niet veel aan de werkwijze van de administrateuren van de voormalige Nassause domeinen. De indeling in de departementen verviel, omdat een deel van de bezittingen niet was overgegaan in handen van de Bataafse Republiek.
De rentmeesters
In elk domein werd een rentmeester (en ontvanger) benoemd. De rentmeesters waren veelal van plaatselijke herkomst. Maar ook leden van de domeinraad en ambtenaren van de Domeinraad kregen wel een aanstelling als rentmeester in een domein. Het kwam regelmatig voor dat het rentmeesterambt een familieaangelegenheid werd. De zoon volgde de vader op als rentmeester. Het ambt van rentmeester werd ook vaak gecombineerd met andere ambten in een domein, zoals dat van jachtopziener, ontvanger van verpondingen, e.d. De rentmeester was vaak een belangrijk figuur in het domein.
De taak van de rentmeester bestond uit het innen en beheren van de leen- en pachtgelden, het controleren op naleving van regels, instructies en voorwaarden door de pachters, het (laten) administreren van de gang van zaken in het domein. De instructie voor de rentmeesters bevatte voornamelijk aanwijzingen voor zijn financiële administratie. ( NDR inv.nr. 780. )
De rentmeester diende elke zes jaar een borg te stellen. Wat betreft de financiën was de rentmeester rechtstreeks verantwoording schuldig aan de Domeinraad. De wijze waarop die verantwoording diende te geschieden, was nauwkeurig vastgelegd in de instructies voor de rentmeesters. Zo moesten de rentmeesters ook elke maand staten inleveren van de inkomsten en uitgaven en een manuaal van inkomsten en uitgaven bijhouden. Geregeld werden de rentmeesters door de domeinraad gemaand hun maandstaten in te leveren.
Raden, rekenmeesters, thesauriers en rentmeesters-generaal
[De data van de zittingsperioden van de raden zijn met behulp van de in het ARA aanwezige bronnen en literatuur niet altijd meer te achterhalen. Gegevens zijn ontleend aan de repertoria op de notulen, NDR inv.nrs. 638-679; het 'Ambtboek, inv.nr. 685-687; registers 'Gemengd domestique', NDR inv.nrs. 562-569, andere literatuur en bronnen waaraan gegevens zijn ontleend staan vermeld in de noten.]
Raden van Willem I
Van de Domeinraad van Willem I werd na de instelling in 1584 van een college van administratie voor het sterfhuis van Willem I weinig meer vernomen. De Raad functioneerde niet meer en hield op te bestaan. ( Scherft, Het Sterfhuis, p. 35. )
  • Montanus (Steven van den Berghe), ca. 1550-1568
  • Jan van Renesse, drost van Breda, ca. 1550
  • Hugo Maubus, ca. 1550
  • Jan Hovelmans, ca. 1564
  • Jacob Vlas, ca. 1564
  • Willem de Vos, ca. 1564
  • Michiel Piggen, ca. 1564
  • Philips van Marnix van St. Aldegonde, 1569-1584
  • Pierre l'Oyseleur de Villiers, ca. 1577-1584 [Zie NNBW, V, c. 412.]
  • Thomas Vlas (Lineus), ca. 1578-1599 NNBW, V, c. 59.
  • Arend van Dorp, 1572-1584 [Zie W.W. van Driel, Familliearchief Van Dorp, 1503-1657 (inleiding en inventaris) (Den Haag, 1986, 3 delen) II, pp. 120-124.]
  • Joannes Basius, ca. 1578-1584
  • Nicolaas Bruyninck, ca. 1578-1588 NNBW, V, c. 59.
  • Paul Knibbe, tot 1584
Curatoren of administrateuren van het sterfhuis van Willem I. Decreten van de Nationale Vergadering, oktober 1796 (deel 8) p. 362.
[Zie Scherft, Het sterfhuis, pp. 29, 74-79 en 113.]
  • Philips van der Aa, 1584-1585
  • Jacob Valcke, 1584-1585
  • Mark van Steelant, 1584-1588
  • Dirk van de Nijenburg, 1584-1587
  • Casembroot, 1585-1588
  • Nicolaas Pijll, 1585-1601
Raden van Philips Willem
  • Robert Moens
  • Jan Hovelmans
  • Willem van Steenhuys
  • Jan Aerts van Rijen, kastelein en schout van Oosterhout
  • Jean Baptiste Keeremans, de belangrijkste raad van Philips Willem, in 1603 in dienst getreden. Scherft, Het Sterfhuis, p. 242. In 1606 werd hij benoemd tot superintendant over de goederen in Noord- en Zuid-Nederland.
  • David Florisse de Riquebond, ca. 1618
  • Trigault, ca. 1618
  • Jean de Accosta, ca. 1618
  • Corneille Mautens, ca. 1618
Raden van Maria van Nassau,
[Zie Het Sterfhuis, pp. 66 en 148.]
  • Jacob Vlas
  • Johan Vermeren
  • Mark van Steelant
  • Jan van Steelant
  • Philips van Steelant
  • Philibert van Turnhout
Raden van Maurits,
[Zie Het Sterfhuis, pp. 60-61, 150, 185, 228, 231, 234, 255.]
  • Van Kinschot, 1584-1603
  • De Villiers, 1584-1590
  • Philips van der Aa, 1584-1595
  • Nicolaas Bruyninck, 1584-1588 [Zie NNBW, V, c. 59.]
  • Herman van Wittenhorst, 1584
  • Valkenborch
  • Van Berlicom, -1603
  • Gijsbert van Loon
  • Andries Hessels, 1591-1600
  • Philips van Marnix van St. Aldegonde, 1584-1595
  • Jacob van Malderee, 1595-
  • Cornelis van der Mijle, 1603
  • Weresteyn, ca. 1607
Raden van de prinsen van Oranje vanaf Frederik Hendrik
  • Tijmen van Volbergen, 1645-1646.
  • Constantijn Huygens van Zuylichem, (president), 1630-1687. [H.A. Hofmans, Constantijn Huygens (1596-1687). Een christelijk-humanistisch bourgeois-gentilhomme in dienst van het Oranjehuis (Utrecht, 1983), p. 143.]
  • Nicolaas Verbold, [ca. 1637]-?
  • Laurens Buysero, 1647-[1675]
  • Aarnout van Beaumont, 1630-1678
  • David de Willem, 1634-1658
  • Arend van Dorp, 1634
  • Johan de Knuyt, 1625-1654
  • Cornelis Paauw, 1632-1668 [Zie NNBW, IX, c. 762-763.]
  • Quirijn van Strijen, 1648-1656
  • Willem van Crommon, 1651-1655
  • Nicolaas Oudart, 1654-ca. 1665
  • Frederik Rivet, 1655
  • Willem Ketting de Jong, 1656-?
  • Jacob van Wevelinckhoven, 1656-1679
  • Constantijn Huygens, heer van Zelem, (de zoon) akte van survivance, 1661
  • Tot opvolging van zijn vader is het nooit gekomen. Wel werd Constantijn door Willem III aangesteld als secretaris. Hofmans, Constantijn Huygens, p. 297.
  • Johan van Vrijbergen, 1669-?
  • Johan Wierts, 1670-1684
  • Elias Stelt, 1672-1692
  • Johan Pesters, (president tusen 1692-1703), 1679-17 03
  • Diederik van Hogendorp, 1679-1705
  • Johan Andries Eckhard, (extraordinaris), [1686]
  • Willem van Schuylenburg, 1712-1735
  • Jacob Pesters, 1717-1735
  • Matthijs Lambertus Singendonk, 1724-1739
  • Paulus Huygens van Zuylichem, 1727-1737
  • Johan Duncan, 1734-[ca. 1755]
  • Jacob Staats van Halewijn van de Werve, 1735-1741
  • Jacob Reigersman, 1739-1762
  • Everhard François Schimmelpenninck van Meerkerke, 1739-1752
  • Pieter Benjamin de Beaufort, 1739-1777
  • Jan de Back, 1742-1758
  • Johan Vultejus, 1747
  • Frans Boemer, 1750-1770
  • Frederik Hendrik baron van Wassenaar, (president), 1751-[1771]
  • Campegius van der Straten, 1754-1761
  • Isaac van Schinne, 1754-1766
  • Carel de Verdun, 1757-1788
  • Jacob Carel Reigersman, 1761-1788
  • Jan Carel van der Borch van Langetrier, 1770-1782
  • Andreas Ardesch, 1770-1788
  • Abraham Perrenot, 1775-1784
  • Joachim Ferdinand de Beaufort, 1779-1788
  • Louis Stephanus le Jeune, 1782-1795
  • Willem baron van Lynden tot Hemmen, (president), 1783-1787
  • Carel Balthasar Wieling, 1788-1794
  • Anthony Jan Rijgerbos, 1788-1789 [Zie NDR inv.nr. 772]
  • Hermanus Tollius, 1789-1795
  • Paulinus Henricus de Dompire de Jonquières, 1792-1795
  • Jacob Amman, 1792-1795
Raden en Rekenmeester over de geëxtraheerde goederen
  • Johan van Schuylenburg, 1712-1734
  • Johan Rijnhard van Dalwigh, 1712-
  • Jacob Wierts, 1712-1717
  • Johan van Essen, 1712-1724
  • Jacob Pesters, 1716-1734
  • Johan Vultejus, 1718-1731
  • Matthijs Lambertus Singendonk, 1724-1734
  • Paulus Huygens van Zuylichem, 1727-1734
  • Johan Duncan, 1731-1734
  • Jacob Pesters, 1731-1734
Administrateuren van de goederen van de prins van Oranje in Holand gelegen, 1795-1796
  • Jacob Amman, 1795-1796 [Zie NDR inv.nr. 805]
  • Carel Edouard Schoorn, 1795-1796
  • Pieter Thomas van Son, 1795-1796
  • Johannes Hermanus Noordbeek, 1795-1796
Administrateuren over de door de Fransen geabandonneerde goederen van de vorst van Nassau, 1796-1798
[Decreten van de Nationale Vergadering, oktober 1796 (deel 8) p. 362.]
  • Johannes Hermanus Noordbeek
  • Wijnand Egbert van Dompseler
  • Evert Temminck
  • Johannes Jacobus Loke
  • Alexander Willem Swart
Agent van Financiën, 1798-1801
[NDR inv.nr. 748, missive nr. 2.]
  • Alexander Gogel, agent
  • Alexander Willem Swart, chef de bureau
  • Evert Temminck, inspecteur
Thesaurier-generaal en raden van Financiën, 1801-1805
[Besluit Staatsbewind 3 december 1801, nr. 88.]
  • A.S. Abbema, raad
  • I.H. Appelius, raad
  • J.A. de Vos van Steenwijk, raad, later thesaurier-generaal
  • P.L. de Kasteele, raad, [Zie ARA, Archieven van het ministerie van Financiën 1798-1813, inv. nr. 211 en 1122, folio 141 recto.]
  • Alexander Willem Swart, chef de bureau, 1801-1802. [Zie NDR inv.nr. 212, folio 649 en inv.nr. 671.]
  • Albert Jan Verbeek, commissaris
  • Evert Temminck, inspecteur, later commissaris
Secretaris van staat voor de Financiën, 1805-1806 [NDR inv.nr. 229.]
  • A. Gogel, secretaris van staat
  • Albert Jan Verbeek, commissaris
  • Evert Temminck, commissaris
Ministerie van Financiën, 1806-1809
  • Albert Jan Verbeek, commissaris
  • Evert Temminck, commissaris
Directeur der publieke domeinen, 1809-1810
  • Badon Ghijbon, chef
  • Albert Jan Verbeek, commissaris
  • Evert Temminck, commissaris
Directeur der staatsdomeinen, 1810-1811
  • Albert Jan Verbeek, commissaris
  • Evert Temminck, commissaris
Thesauriers en rentmeesters-generaal
[Ontleend uit: het Ambtboek, NDR inv.nr. 685-687 en Veeze, De Raad, p, 18 e.v.; Scherft, het Sterfhuis, pp. 30, 61, 100, 228.224.]
  • Mark van Steelant, omstreeks 1560
  • Jasper van Kinschot, 1583-1603 [Overgegaan met de administratie van het markiezaat van Bergen op Zoom.] Vanaf 1584 fungeerde hij als thesaurier van Maurits. Hij was tevens thesaurier-generaal van het markiezaat van Bergen op Zoom. [Scherft, Het Sterfhuis]
  • Godevaart Montens, 1603-[ca. 1615] (thesaurier van Maurits) [NDR inv.nr. 770, Instructie voor de thesaurier-generaal Van Panhuysen, 1616.]
  • Bartholomeus Panhuijsen, 1616-1621 (thesaurier van Maurits)
  • Catharina Vivien, weduwe en boedelhoudster van Bartholomeus Panhuijsen, 1621-1624
  • Thomas Brouart, 1625-1635
  • Tijmen van Volbergen, [1635]-1646 [Zie voor begindatum Veeze, De Raad, p. 23.]
  • Willem Kettingh de Jongh, 1646-1660
  • Pieter Ardes, 1660-1672
  • IJsbrand van Noordwijk, 1672-1678
  • Dirk Verhagen, 1678-[1688]
  • Op 27 oktober 1688 zijn de raden Willem van Schuylenburch en Diderick van Hogendorp gecommitteerd tot de zaken van de thesaurie. Verhagen stond als het ware onder curatele [NDR inv.nr. 566, folio 64]
  • Willem van Assendelft, 1701-1731
  • Johannes Cornelis Radermacher, 1732-1747
  • Campegius van der Straten, 1749-1761
  • Jacob Carel Reigersman, 1761-1795
  • Rudolph van Olden, 1788-1795
  • Abel Cesar Molière, 1795-1813
Overzicht van de verwerving en vervreemding van Nassause domeinen
( De domeinen zijn naar jaar van verwerving in het schema opgenomen )
Naamdomein jaartal Verwerving jaartal Vervreemding
Breda 1404 Door het huwelijk van Engelbrecht graaf van Nassau met Johanna van Polanen 1795 Bij het Haags Verdrag van 16 mei door Fankrijk aan de Bataafse Republiek afgestaan (verder aangehaald als Haags Verdrag)
Geertruidenberg 1404 Idem als Breda 1795 Haags Verdrag
Klundert (of Niervaart) 1404 Idem als Breda 1795 Haags Verdrag
Oosterhout en Dongen 1404 Idem als Breda 1795 Haags Verdrag
Brussel, paleis 1404 Idem als Breda 1756 Verkocht aan prins Karel van Lotharingen
Mechelen, huis te 1404 Idem als Breda ?
Lek, heerlijkheid 1404 Idem als Breda 1627 Door Maurits nagelaten aan zijn natuurlijke zoon Willem
Monster en Polanen 1404 Idem als Breda 1795 Haags Verdrag
Zundert en Nispen 1404 Idem als Breda ?
Drimmelen 1411 Door graaf Willem VI van Holland met deze heerlijkheid beleend 1795 Haags Verdrag
Steenbergen 1458 Door de verdeling van het gemeenschappelijk eigendom tussen Breda en Strijen 1795 Haags Verdrag
Diest 1499 Door graaf Engelbrecht II verkregen door ruiling met de heerlijkheden Millem, Gangelt en Vught 1795 Door Frankrijk in bezig genomen
Zichem 1499 Idem als Diest 1795 Idem als Diest
Meerhout en Vorst 1499 Idem als Diest 1795 Idem als Diest
Burggraafschap Antwerpen 1499 Idem als Diest 1795 Idem als Diest
Roosendaal en Nispen 1501 Gekocht door Engelbrecht van Nassau van Claas van Rijmerswaal 1795 Haags Verdrag
Hooge en Lage Zwaluwe 1518 Geschonken door Karel V aan graaf Hendrik III van Nassau 1795 Haags Verdrag
Orange 1544 Uit de nalatenschap van René van Chalon aan prins Willem I van Oranje 1702 Door Frankrijk in bezit genomen
1732 Aan Frankrijk
Goederen in Franche-Comté 1544 Idem als Orange [1702] Idem als Orange
Goederen in Dauphiné 1544 Idem als Orange [1702] Idem als Orange
Goederen in Bourgondië 1544 Idem als Orange 1609 Bij de verdeling van de nalatenschap van Willem I aan de dochters van Charlotte de Bourbon
Buren 1551 Door het huwelijk van prins Willem I van Oranje met Anna van Buren 1795 Haags Verdrag
IJsselstein 1551 Idem als Buren 1795 Haags Verdrag
Leerdam en Acquoy 1551 Idem als Buren 1795 Haags Verdrag
Cranendonk en Eindhoven 1551 Idem als Buren 1795 Haags Verdrag
St. Maartensdijk en Scherpenisse 1551 Idem als Buren 1795 Haags Verdrag
Goederen in Noord-Beveland - Kortgene 1551 Idem als Buren 1670 Kortgene door Willem III geschonken aan Willem van Nassau, heer van Odijk
1795 Noord-Beveland: Haags verdrag
Warneton 1551 Idem als Buren 1759 Bij vonnis van de Raad van Vlaanderen aan het huis van Isenghien toegewezen
Lannoy 1551 Idem als Buren 1618 Door Philips Willem van Oranje nagelaten aan Philips van Merode, graaf van Middelburg
Beverweerd 1564 Door Philips Willem geërfd van zijn grootmoeder van moederzijde 1625 Door Maurits aan zijn natuurlijke zoon Lodewijk geschonken
Lingen 1578 Aan Willem I geschonken door de Staten-Generaal 1702 In bezit genomen door de koning van Pruisen
1735 Aan de koning van Pruisen afgestaan
Veere en Vlissingen 1581 Gekocht door Willem I 1795 Haags Verdrag
Bergen op Zoom 1582 Geschonken aan Willem I door de Staten-Generaal 1648 Ingevolge de Vrede van Munster
Willemstad 1582 Gesticht door Willem I, door de Staten-Generaal met deze stad beleend 1795 Haags Verdrag
Hulsterambacht 1583 Beschonken aan Willem I door [Vlaanderen] als vergoeding voor het verlies van zijn goederen in Bourgondië 1795 Als bij Vlissingen
Grave en Cuijk 1595 Door Philips II aan prins Willem I in pandschap gegeven 1795 Haags Verdrag
1611 Door de Staten-Generaal, na aflossing van het pandschap, aan prins Maurits in leen gegeven
Meurs 1600 Geschonken aan prins Maurits door de graaf van Nieuwland 1702 In bezit genomen door de koning van Pruisen
1732 Aan de koning van Pruisen afgestaan
Prinsenland 1604 Bedijkt door prins Philips Willem 1795 Haags Verdrag
Het Oude Hof (huis in het Noordeinde te 's-Gravenhage) 1609 Geschonken door de Staten-Generaal aan Louise de Coligny en Frederik Hendrik 1795 Haags Verdrag
Bredevoort 1612 Door de Staten van Gelderland in panschap gegeven aan Maurits 1795 Haags Verdrag
Liesveld 1612 Geschonken door Erik van Brunswijk aan Ernst Casimir van Nassau 1795 Haags Verdrag
Naaldwijk 1612 Door Frederik Hendrik gekocht van de graaf van Aremberg 1795 Haags Verdrag
Honselersdijk 1612 Idem als Naaldwijk 1795 Haags Verdrag
Wateringen 1612 Idem als Naaldwijk 1795 Haags Verdrag
Ter Brake 1617 Door Philips Willem gekocht van de Johannieter orde 1795 Haags Verdrag
Châteaurenard [1620] Door Louise de Coligny aan Frederik Hendrik nagelaten 1647 Verkocht
Huis Nieuwburg te Rijswijk 1630 Door Frederik Hendrik gekocht van Philibert Vernatti 1793 Het huis door Willem V gesloopt en verkocht
Zuylenstein 1630 Door Frederik Hendrik gekocht van de Staten van Utrecht 1640 Door Frederik Hendrik geschonken aan zijn natuurlijke zoon Frederik
's-Gravenzande en Zandambacht 1638 Door Frederik Hendrik gekocht van de Staten van Holland 1795 Haags Verdrag
Huis ten Bosch ('s-Gravenhage) 1645 Gesticht door Amalia van Solms 1795 Haags Verdrag
Montfort 1647 Bij de Vrede van Munster door Spanje aan prins Willem II afgestaan, levering vindt plaats in 1653 1795 Haags Verdrag
Turnhout 1647 Bij de Vrede van Munster aan Amalia van Solms afgestaan 1732 Aan de koning van Pruisen afgestaan
Zevenbergen 1647 Idem als Turnhout 1795 Haags Verdrag
Dieren 1647 Door Willem II gekocht van de Commandeurs van de Duitsche Orde in Utrecht 1795 Haags Verdrag
Soest, Baarn, Ter Eem en Eemnes 1674 Door de Staten van Utrecht aan Willem III opgedragen 1795 Haags Verdrag
Oranjewoud 1676 Gekocht door prinses Albertina Agnes van Barent van Sevenaer 1795 Haags Verdrag
Goederen in Bentheim 1677 Door de Staten van Overijssel aan Willem III geschonken 1795 Haags Verdrag
Tol over de Maas bij Gennep 1678 Geschonken door de keurvorst Brandenburg aan Willem III 1732 Aan de koning van Pruisen afgestaan
Hoog-Soeren 1678 Geschonken door de Staten van Gelderland aan Willem III 1795 Haags Verdrag
Het Loo 1684 Door Willem III gekocht van Johan Carselis van Ulst 1795 Haags Verdrag
Ameland 1704 Gekocht door prinses Amelia van Anhalt-Dessau van de familie Schwartzenberg 1795 Heerlijke rechten worden verbeurd verklaard en ameland bij Friesland gevoegd
Culemborg 1748 Door het kwartier van Nijmegen geschonken aan prins Willem IV 1795 Haags Verdrag
Borculo en Lichtenvoorde 1776 Gekocht door prins Willem V van vorst Czartoriski 1795 Haags Verdrag
Oploo 1778 Gekocht door prins Willem V van een lid van de familie Van Welderen 1795 Haags Verdrag
Overzicht van leengoederen van de prins van Oranje
( Gebaseerd op het overzicht van leengoederen, opgesteld in 1766 (Zie NDR inv.nr. 1543, bijlage nr. 36). Schuingedrukt zijn de namen van leenheer en/of leenkamer. De nummers tussen {} zijn volgnummers van het leenregister van Holland. )
Luxemburg
1. Hare Keizerlijke en Koninklijke Majesteit/Provinciale Luxemburgse leenkamer
A. het graafschap van Vianden en de heerlijkheden van Daasburg, St. Vith en Butgenbach
Oostenrijks Brabant
2. Hare Keizerlijke en Koninklijke Majesteit/Provinciale Leenkamer van [Oostenrijks] Brabant te Brussel
B.
1.1 burggraafschap van Antwerpen
1.2 de stad, 't land en de heerlijkheid van Diest met watertol, veertol en doorvaart van de rivier en helft van de voogdij van Webbekom
1.3 het slot, de stad en 't land van Zichem met de heerlijke rechten
1.4 de stad, 't land van Scherpenheuvel met de heerlijkheid en jurisdictie
1.5 de helft van het dorp Meerhout met water- en windmolen, rechten, pachten etc.
1.6 de andere helft van Meerhout met Vorst met rechten, cijnzen, etc., exclusief de hoge heerlijkheid, en een huis in Meerhout
1.7 negen bunder land in Wolmerschem
1.8 de manschappen en achterlenen genoemd in het leenboekje Diericx van Heetvelde omtrent Antwerpen
2.1 windkorenmolen 'de Akkermolen' in Baarle-Hertog onder Turnhout
- Grimbergen met Londerzeel. ( Niet genoemd in de lijst. In 1757 verkocht aan hertog de Croy. )
Staats-Brabant
3. Staten-Generaal/Raad van Brabant/Leenkamer van Brabant te Den Haag
C.
1.1 de stad, 't land en het huis van Breda met de stad Steenbergen
1.2 de hofstede Wayenberg met acht bunders land
1.3 het dorp Zundert met hof, molen, wateren etc.
1.4 de goederen en heerlijkheden, de dorpen Maarheze, Budel en Soerendonk met de heerlijkheden
2. de heerlijkheden van Wernhout
3. de stad Grave en het land van Cuijk
4. de stad Eindhoven, het land en de burcht van Granendonk met de heerlijkheden, de dorpen Maarheze, Budel en Soerendonk met de heerlijkheden
5. de stad Willemstad met de polder van Ruigenhil
4. Leenkamer van de abdij van Tongerlo
D. 1/4 part in de tienden van Luiks Gestel
5. Raadsheer De Bordry/het Huis Hondsum
E. 3 zillen beemt te Vorst in de Veeken Broek
6. Commanderij van Beckevort
F. een erfcijnx van vier halsteren rogge uit een bunder land onder Beckevort
7. Abdij van Echternaken of Echternach
G.
1 twee hoeven genaamd Ten Rolde en Wildert gelegen te Waalre
2 twee scheuten tiende tot Oss
8. Gulden Huis van Rixtel
H. een erf, groot omtrent drie lopen zaailand onder St. Oedenrode
cijnzen onder Eerschot:
- zeven lopen rogge en een half en drie stuivers
- zeven lopen rogge en vijf stuivers uit drie lopen zaailand genaamd het Raamken
- zeven en een halve lopen rogge uit hetzelfde stuk land
- achttien groten uit een erf tot Eerschot
- vier groten uit een hofstede tot Eerschot
- twee en een halve stuiver uit een hofstede tot Eerschot
- tien lopen rogge uit een landje genaam het Raamken
- achttien groten uit een erf tot Eerschot
- zes groten uit een hofstede in Eerschot
Gelderland
9. Provinciale Gelderse Leenkamer
I.
1.1 het slot en kasteel aan de noordzijde van de stad Culemborg met burcht en stad Culemborg met de heerlijkheden daartoe behorende en landen en tienden in het broek van Landsmeer
1.2 de hofstede Muijswinkel met 55 morgen land in Ravenswaay
1.3 erven in Rijswijk [Gld] groot 30 morgen land
1.4 het huis binnen Vianen en 16 morgen land
1.5 twee hoeven land tot Beesd
1.6 het huis te Vredestein met hofstede en 5 morgen land geheten de Geroenen in Selmonde
1.7 de steenweerd boven Wijk bij Duurstede aan de Stichtse zijde gelegen
1.8 de weerd te Beusichem met de aanval buitendijks gelegen te Lekkerweerd met de Rode tiende
1.9 de Groesbeker tiende in Avezaath
1.10 het huis 't Loo met de helft van de erfgerechtigheid p het water van het dorp Apeldoorn waar de korenmolen gevestigd is
1.11 een stukje land, groot een halve schepel gezaai, voor het Posmeestershuis langs de Hoge weg en een akkertje voor het Hoveniers huis langs de gemene weg naar Apeldoorn en nog een schepel gezaai aan de overzijde, afgesplitst van het goed Ten Have in Apeldoorn
1.12 het hof tho Ochten in Ellecom met zeven delen en een keurdeel in het Ellecommer bos en een half deel in het Dierense bos en een hofstede tot Dieren
1.13 vier schepel gezaai ten oosten an de gemene weg van Apeldoorn afgesplitst van het goed Ten Have in Apeldoorn
1.14 het Veerengoed te Dieren gelegen tussen de erven van de heren van Bronkhorst en het hof te Dieren
2. de hofstede Reijgersvoort met 12 morgen land onder Tricht met de visserij voor Tricht bij Malsems sluis, een hoeve land op Acquoy, 2 guntmeren tot Reijgersvoort en een kampje land, geheten 'het kleijn weijdeken' te Salmonde
10. Provinciale Rekenkamer van Gelderland/Leenkamer van Bahr en Lathum
K. het erf en goed Middeldorp in Ellebom met huis, hof en boomgaard, groot zeven molders gezaai en drie en een half morgen weiland in drie percelen en een deijlinge in het Ellecomse bos
11. De heer van Tengnagel/Leenkamer van de heerlijkheid Bronkhorst
L. het erf en goed Avegoor in Ellecom
12 Baronesse Van Ensse/Leenkamer van het huis Swanenburg
L. het hof Schonevelt en de erven Goerverdink, Vaegedink, Nennenkate, het Lutteke Broekhuijs en Sligtenoorth gelegen in Wilsum, kerspel Ulsem in het nedergraafschap Bentheim
Holland
13. Staten van Holland/Grafelijkheid
M.
1.1 de maarschalkerij van Noord-Holland {1720}
1.2 een kleine tiende bij delft geheten de Draaijenburger tiende {1721}
1.3 een korentiende en smaltiende in Maasland {1722}
1.4 een korentiende en smaltiende genaamd de Zuid-Maaslandse tiende {1217}
1.5 de tiende in Hodenpijl bestaande in vier percelen waarvan de ene genaamd is: nieuwe poldertiende {1213}
1.6 de tweede: oude poldertiende {1214}
1.7 de derde: nieuwe poldertiende {1215}
1.8 de vierde: de tiende achter de kerk van Schipluiden {1216}
1.9 in De Lier het huis met 62 morgen land en een tiende {1723}
1.10 de ambachtsheerlijkheid van Capelle met huis en hofstad en grote en kleine tienden {1724}
1.11 de hofstad, huis en goederen van Teijlingen in het ambacht van Warmond {1725}
1.12 de wind in de parochie van Rijswijk {1726}
1.13 tot Rijswijk een cijns van 15 schellingen en uit de schote aldaar 8 schellingen {1727}
1.14 een korentiende in het ambacht van Rijswijk {1728}
2.15 hoge heerlijkheid en ambachtsheerlijkheid van Monster {1729}
2.16 alle heerlijkheden en gerechten van Monster, Monsterambacht, Poeldijk, Ter Heijde en half Loosduinen {1730}
2.17 het huis en hofstede van Polanen, boven en beneden, met de steenwerf alsmede de nederhoven binnen de uiterste grachten, 28 morgen land onder Monster, de windmolen te Monster en de wind tot Voswijk {1731}
2.18 de grote en smalle tienden in Monsterambacht {1733}
2.19 de poldertiende tot Monster {1734}
2.20 een kleine koren- en smalle tiende tot Monster {1735}
2.21 de korentiende tot Monster {1736}
2.22 de helft van de tiende van Loosduinredijk {1737}
2.23 tien morgen land te Monster {1738}
2.24 tien morgen land genaamd Waijlandt in Monster {1739}
2.25 een kleine tiende in het ambacht van Monster genaamd Heer Gerards de Bruijne tiende {553}
2.26 de korentiende en smaltiende in het ambacht van Monster en in Poeldijk genaamd de Tiende van Arkel {1110}
2.27 de helft van een korentiende in het ambacht van Monster genaamd Loosduinredijn {1740}
2.28 de korentiende en smaltiende op Heren Willemsveen en erfhuren van de venen aldaar {1741}
3.29 de tienden en goederen in de ban van Monster {1370}
4.30 de ambachtsheerlijkheid van Naaldwijk {1732}
4.31 de hoge heerlijkheid van de parochie en de heerlijkheid van Naaldwijk {1742}
4.32 de grote korentiende in het ambacht van naaldwijk {1743}
4.33 de tienden tot Honselersdijk {1744}
4.34 de wind in de parochie van Naaldwijk {1745}
4.35 de heerlijkheid van Honsel met toebehoren {1746}
4.36 de heerlijkheid van 's-Gravenzande en Zandambacht met alle toebehoren {1747}
4.37 het ambacht van Wateringen met toebehoren, de tienden in de Hoek groot 21 morgen land in de Poel, vijf morgen, en twee kampen groot 8 morgen, het goed te Haijmonde, 3 ponden en 15 schellingen uit de buttinge te Wateringen, het Gerrit Gerritsz. veer in Wateringen groot 21 morgen, het Hondertland binnen- en buitendijks met de heerlijkheden en 8 ponden uit de jaarbede van Wateringe {1748}
4.38 een tiende genaamd de grote tiende in het ambacht van Wateringen {1749}
5.39 de heerlijkheid van Hooge en Lage of Strijense Zwaluwen met toebehoren, o.a. de rietwaard Hollards Hille en de Eersthille met 't Hilleken de Blaak {1750}
6.40 de ambachtsheerlijkheid van Drimmelen met toebehoren {2115}
7.41 de ambachtsheerlijkheid en gerecht an Over Waspik {1748}
7.42 de hoge heerlijkheid, heerlijkheid en ambachtsheerlijkheid van Geertruidenberg en de Made, met de wind, het recht an landpoorteren, de tol tot Randenrode, de gruit te Leijndoek en Burgveld, het recht van patronaatsschap en de geestelijke goederen {955}
7.43 de stad, slot, land en heerlijkheid van Zevenbergen met alle toebehoren {1078}
7.44 de ambachtsheerlijkheden en gerechten van Almonde, Dubbelmonde, Twintighoeven en Standhazen met de tienden, molen, veren, visserijen vogelerij, gruiten, formenteiten, wilderden, moeren en de moeren boven Standhazen tot de palen an Brabant met de ambachtsheerlijkheid van de moeren {1751}
7.45 12 hoeven moers en wilderden met alle tienden, renten en vervallende nutschappen in Stevensambacht {1752}
7.46 tienden en renten in het ambacht van Drimmelen {1753}
7.47 de heerlijkheid van Niervaart met alle toebehoren {1754}
7.48 her Geerland van Drimmelen, groot 27 morgen {1779}
7.49 de ambachtsheerlijkheden en gerechten van Nieuw Lekkerland, Gijbeland, Brandwijk, Bleskensgraaf en Stevenland met tienden, veren, veersteden en alle toebehoren {1778}
8.50 de ambachtsheerlijkheid van Heemskerk en van Castricum met cijns, vrije vroonschulden en toebehorende tienden
8.51 de hofstede waarop het huis Heemskerk placht te staan, binnen de uiterste grachten en daarbinnen alle hoge en lage gerechten {1781}
8.52 op Hogendorp tot Heemskerk 14 viertel lands, de molenwerf, hof en tuin aldaar, de grote vrije Gorsweide groot 28 geersen; het kleine vrije Gors groot 12 geersen; 40 matmaden en 2 geersen land achter het huis op Akkermade {1782}
9.53 het markgraafschap van Veere met alle toebehoren {1755}
9.54 de stad en heerlijkheid van Vlissingen en Domburg met toebehoren {1756}
10.55 de stad en heerlijkheid van Westkapelle met alle juristictie, tol, vond, zeedrift, bastaarden, onbeheerde en geconfisqueerde goederen, etc. {1767} [1 in 1649 aan Middelburg verkocht]
10.56 de duinen en gevolgen van de zeedriften met andere gerechtighede beginnende met de afgang van 's Heren Westduinen en de jurisdictie van comburg met de polder strekkende voorbij Zoutelande {1768}
10.57 het recht van balance en issue en de recognities voor het recht van de wind {1796}
10.58 de baljuwschap en de secretarie {1770}
10.59 de accijnzen op wijen en bier in Westkapelle {1771}
10.60 de betaling van Tabbaarden en Bonnetten voor de wethouders {1772}
10.61 's Heren Vronen Zuid en Noord {1773}
11.62 het land van St. Maartensdijk met alle heerlijkheden en schonissen binnen en buiten {1757}
11.63 de ambachten in de parochie van Scherpenisse afkomstig van Frank van Borssele {1759}
11.64 het huis, dorpen en eigen goederen an St. Maartensdijk {1759}
11.65 ambacht van huis en dorp St. Maartensdijk, groot 16 gemeten {1760}
11.66 de tienden gelegen in Mallandt en het ambacht van Poortliet {1761}
11.67 de heerlijkheid, stad, slot en boomgaard van Kortgene met 993 gemeten ambacht {1774}. In 1670 aan de heer van Odijk geschonken.
12.68 Gaspaarden, Everdingen, Goilberdingen, Tulle en Honswijk {985}
12.69 Everdingen en Goilberdingen {958} ( In 1680 van Gaspaarden, Tullen en Honswijk gesplitst. )
12.70 2 hoeven land in Acquoy en 25 1/2 morgen land in de Rippekerwaard {986}
12.71 Lang-Bolgerij met de heerlijkheid, gelegen in Zijderveld {987}
13.72 het slot en heerlijkheid van Acquoy {1775}
14.73 het slot, stad en heerlijkheid van Leerdam en van der Lede {1776}
14.74 de heerlijkheid van Ijsselstein
15.75 het kasteel en sterke huis van Liesveld met de heerlijkheid {521}
15.76 de heerlijkheid van half Nieuwpoort {522}
15.77 de gerechte helft van Nieuwpoort met gerechten en toebehoren {522}
15.78 de heerlijkheid van Ammers Graafland en Gelkenesse van de achterlanden {523}
15.79 de koren- en smaltiende van Ammers Graafland, de achterlanden en Poelwijk {523}
15.80 een korentiende in Gelkenesse, in honte land en in Graveland tussen Nieuwpoort en de kerk van ammers {525}
15.81 de heerlijkheid van het dorp van Ottoland in de alblasserwaard {526}
15.82 de hoge heerlijkheid van Peursumambacht {527}
14. Willem Suurmond/Leenkamer van Raaphorst
N. een tiende gelegen aan de zuidzijde van de Gantel in de parochie van Monster en van Naaldwijk tussen de Swartendijk en de oude Poel vanouds genaamd Saal Bogaarts Tienden en de smaltienden aldaar
15. Graaf van Wassenaar/Leenkamer van Wassenaar en Zuidwijk
O.
1.1 een korentiende tot Wateringen
1.2 een kleine tiende in Wateringen genaamd de sondige Tiende
1.3 de smaltiende in Wateringen
16. Ridderschap en Edelen van Holland en West-Friesland/Abdij van Rijnsburg
P. de tienden vanouds genaamd de Alengeest en nu de Paarhorsttienden met smaltienden gelegen in Monsterambacht
17. Weduwe van de advocaat-fiscaal A. van Wesele/Hofstad en baronie van Haarlem
Q. de hofstad van de Hoge en Lage Doortogt, groot 64 morgen land, in het ambacht van Monster
Zeeland
18. Staten van Zeeland/Grafelijkheids Leenkamer
R.
1.0 de stad en heerlijkheid van Veere als markgraafschap
1.1 de stad van Veere met het kasteel van Sandenburg en 300 gemeten land zijnde de vrijheid van Veere
1.2 het Dorp van de Polder
1.3 het schor strekkende na Arnemuiden
1.4 de stad, het land en heerlijkheid van Vlissingen
1.5 het ambacht van Sandijk
1.6 land in Oud-Vlissingen
2.1 het land van St. Maartensdijk met de heerlijkheden
2.2 de polder van Waarhede
2.3 de abmachten in Scherpenisse gelegen, afkomstig van Frank van Borssele
2.4 het huis van St. Maartensdijk en de dorpen daarbij liggende
2.5 het ambacht van het huis en de dorpen van St. Maartensdijk
2.6 de tienden gelegen in Malland en in Old Ambacht van Poortvliet
3.1 ambacht in Walcheren, in Vlissingen groot 37 gemeten 17 roeden
3.2 ambacht in het nieuwe land van Cats in partijen groot 25 gemeten 278 roeden
3.3 ambacht in Cats beweste 's-Walts, Hamerstede, Redekingen en Nieuwer Kerke in twee partijen groot 774 gemeten 228 roeden
3.4 ambacht in het Noordambacht van Emelisse en Serwitte Kinderen ambacht in drie partijen 180 gemeten 24 roeden
3.5 ambacht voor de Meershoek in twee partijen groot 180 gemeten en 24 roeden
3.6 ambacht in Welle en Koningsheim in zeven partijen groot 2978 gemeten en 41 roeden
3.7 ambacht in Geersdijk en Wissekerke in 254 gemeten en 100 roeden
3.8 ambacht in Colijnnplaat groot 535 gemeten en 51 roeden
4.1 ambacht in de polder van Ravensoort groot 150 gemeten
4.2 ambacht in de polder van der Muijden groot 188 gemeten
4.3 ambacht in Claas van Steelands polder groot 60 gemeten
4.4 ambacht in St. Martenspolder groot 60 gemeten
5. zes partijen tienden in oud en nieuw Noord-Beveland
6. 228 gemeten in 's-Gravenhoeksken onder nieuw Noord-Beveland met ambachtsrecht en ambachtsgevolge
7. 1 gemet onder Sandijk waar de molen op staat
Utrecht
19. Staten van Utrecht/Provinciale Leenkamer
S.
1. goederen in het graafschap van Culemborg zonder specificatie
2. het goed genaamd de Oelte gelegen in Baarn
20. Staten van Utrecht/Leenkamer van Montfoort
T.
1.1 4 morgen land gelegen in Meerlo onder IJsselstein
1.2 4 morgen land mede gelegen in Meerlo
1.3 4 1/2 hond lands op het Oude Land onder Ijsselstein
2. 6 morgen land gelegen in het land van Ijsselstein, op het overoude land in de Rodercamp
3. 24 1/2 morgen land waarvan de 12 morgen bepaald zijn met haar uiterdijk aan de oostzijde van het huis van Liesveld strekkende tot de Tiendweg en de 12 1/2 morgen aan de westzijde van het voorschreven huis strekkende tot aan de Nieuwe Wetering
21. Proosdij van het Domkapittel
V.
1. 124 morgen land en 2 morgen 'eijgen' op Redingmeervelt [Culemborg]
2. de Weerden buitendijks [Culemborg]
3. de tienden op de Koornweerd [Culemborg]
4. de cijns binnen Culemborg, zo van geld, van was als van renten
5. 8 morgen land gelegen in Amerongen
22. Proosdij van Oud Munster
W.
1. 1 hoeve land gelegen onder Maurik op de Bisschops Graff in het overgericht van Langsmeer
2. een halve hoeve gelegen in het nedergericht van Langsmeer
23. Kapittel van St. Jan
X.
1. de tiende gelegen achter Culemborg in het Wijdhuizer veld
2. de halve tiende tot Weijde [Culemborg]
3. de Coolhorster tienden [Culemborg]
4. de tienden tot Ravenswaay [Culemborg]
5. niet gespecificeerde lenen waarmee de vorige eigenaars bekend waren
Buren
24. Zijne Hoogheid zelf
Y. goederen onder het graafschap Culemborg
IJsselstein
25 Zijne Hoogheid zelf
Z. een stuk grasland onder Baarn, groot 5 dammaten, gemeenlijk genaamd de Staten Graskamp nemende zijn inrit op het achterweggetje, beoostende de entree van Zijne Hoogheid
Overzicht van de afkortingen gebruikt in de eigentijdse toegangen
Afkorting Verwijst naar Inventarisnummers
f (=folio) bladzijde meestal in Rprov en in repertorium inv.nr. 637 naar registers 561-5787
Geest r, gR kopieboeken uitgaande stukken geestelijke goederen en aanstellingen 560-561, 596-597
geextrGeest r idem, in de geëxtraheerde domeinen (1713-1734) 575-576, 596
geextrR zie Rgeextr
gemR 'Gemengd domestiquen': stukken betreffende aanstellingen, instructies en beloning van leden van de hofhouding 562-569
Lias niet meer van toepassing
Not, Notas notulen/notulen geëxtraheerde goederen 1-83, 1510-1525
NotGeextr notulen geëxtraheerde goederen 1510-1525
RCanon register uitgaande stukken geestelijke goederen en aanstellingen in graafschappen 596-597
RGeextr register uitgaande stukken geëxtraheerde goederen 1528-1530
RGem zie gemR
RGr 'register Graafschappen': uitgaande stukken van belanghebbenden in de graafschappen Lingen, Meurs, Leerdam en Acquoy, Culemborg en IJsselstein 587-595
RO register Oranje (niet meer van toepassing)
RProv 'register Provinciale heerlijkheden': uitgaande stukken aan belanghebbenden in de provinciale domeinen 598-625
RVic registers betreffende predikanten en andere kerkelijke vunctionarissen 570-577
SecreteNot secrete notulen 552-553, 188-189, 188-190, 194-197
v vide (=zie)
Geschiedenis van het archiefbeheer
Beheer van het archief door de Domeinraad en opvolgers
Het archief van de Raad en Rekenkamer van de graaf van Nassau berustte te Breda onder het beheer van de rentmeester. Na 1518 kwam het beheer van het archief in handen van de griffier van de Raad. In 1563 vaardigde prins Willem I een instructie uit voor de Raad en Rekenkamer. In deze instructie worden ook enige aanwijzingen gegeven inzake het beheer van het archief.
Na de inname van Breda door de Spanjaarden in 1581 werd de Domeinraad in Breda opgeheven. Prins Willem I installeerde buiten Breda een nieuwe Domeinraad. Het archief van de Domeinraad tot 1581 bleef echter in Breda achter. Na het overlijden van Willem I in 1584 werden, na een langdurig geschil, in 1609 de domeinen in drieën gesplitst tussen Philips Willem, Maurits en Frederik Hendrik. ( J.H. Hora Siccama, 'Geschiedenis der Domeinen' in: Je Maintiendrai, red. prof. dr. F.J.L. Krämer, E.W. Moes en dr. P. Wagner, (II) Leiden, 2 dln, z.d. ) Er zijn dan ook drie domeinraden actief. Uit deze tijd zijn weinig stukken bewaard gebleven. De goederen komen na de dood van Philips Willem (1618) en Maurits (1625) weer in één hand, die van Frederik Hendrik. De Domeinraad was in 's-Gravenhage gevestigd. Het archief tot 1581 bevond zich nog in Breda. Na de bevrijding van Breda in 1637 werd een groot deel van het archief naar Den Haag gezonden. Er waren nog wel stukken achtergebleven op het kasteel van Breda, maar dat lijken uitzonderingen. Het archief kwam te berusten in de charterkamer van de prins boven de raadkamer van het Hof van Holland. De prinsen van Oranje gaven meermalen instructies voor het in goede orde bewaren van het archief. Het archief vormde immers het bewijsmateriaal voor de rechten op de goederen. Aanwijzingen voor het bewaren van de stukken staan ondermeer in de instructies uit 1631, 1677 en 1758 voor de Nassause Domeinraad. ( NDR inv.nr. 686, 771. ) De originele charters dienden apart geborgen te worden. Voorts dienden alle stukken per domein opgeborgen te worden in loketkasten. Ook werden er aanwijzingen gegeven wie bevoegd was de stukken te raadplegen en uit te lenen. In Den Haag werd in de 17e eeuw het archief geïnventariseerd in 44 inventarissen en werden de charters in regestvorm beschreven. In 1682 werden deze laatste inventarissen door griffier Tollius gecollationeerd met de stukken. ( NDR inv.nr. 835-840 en 823. ) Deze inventaris, die in 1790 door de toenmalige griffier Ferrand werd gecontroleerd en aangevuld, kan beschouwd worden als de belangrijkste inventaris. Hij bestaat uit zes delen en beschrijft voornamelijk charters en 'losse' stukken, akten, pachtcondities e.d.. Er staan geen rekeningen in beschreven. Elk deel van de inventaris Tollius/Ferrand is ingedeeld naar domein, in aansluiting op de ordening van het archief. Iedere rubriek beschrijft de stukken betreffende een domein, met een verwijzing naar de kast en het loket waarin de stukken zich bevonden. Enkele rubrieken betreffende een domein zijn onderverdeeld in subrubrieken. De rubrieken zijn genummerd van 1-200. Het zesde en laatste deel betreft de stukken van het 'Doorluchtige Huis'. De hoofdstukken in dit deel zijn niet genummerd. Het betref hier stukken, die voor het merendeel zijn overgebracht naar het Koninklijk Huisarchief (huwelijken, scheidingen, erfkwesties, testamenten, opvoeding, commissies etc.). De inventaris van Tollius/Ferrand, met uitzondering van het zesde deel, functioneerde tot in 1997 als toegang op een deel van het archief van de Nassause Domeinraad. Bij het opmaken van een lijst van de in het archief aanwezige registers in 1763, werd de verdwijning van registers van voor 1637 aangetekend, zonder dat bekend was sinds wanneer de registers verdwenen zouden zijn. ( NDR inv.nr. 768, folio 1383. ) Deze registers zijn nooit terug gevonden en ontbreken nu nog.
In 1758 werden er twee commissarissen aangesteld om orde te brengen in het archief en inventarissen van het aanwezige op te maken. Hun instructie geeft gedetailleerde aanwijzingen hoe het archief van de Domeinraad geïnventariseerd diende te worden. Daaruit blijkt dat naast de stukken betreffende het 'Doorluchtige Huis' en de goederen, zich ook stukken betreffende de politieke rechten, het stadhouderschap, de Oost- en West-Indische Compagnie bij het archief van de Domeinraad bevonden. De stukken moesten per domein worden opgeborgen in loketkasten. Waren er van een domein veel stukken dan diende de stukken te worden geordend in subrubrieken. De stukken betreffende meerdere domeinen tezamen kwamen te liggen bij het domein wat als eerste genoemd werd. In de archieven van de overige in het betreffende stuk genoemde domeinen werd een simpel afschrift van het betreffende stuk geborgen. Generale stukken werden apart onder een rubriek opgeborgen in de loketkasten. Van de stukken dienden per domein een inventaris gemaakt te worden, of een bestaande gereviseerd, die bij de betreffende stukken kwam te liggen. Ook moest er een generale inventaris worden opgemaakt, die volgens de ordening van het archief moest worden ingedeeld. Dat desondanks de stukken niet altijd zorgvuldig werden opgeborgen mag blijken uit een ontwerp voor de inrichting van de griffie van de domeinraad door de griffier Ardesch uit 1786. Daarin schrijft hij: ' ... dewijl de ondervinding meer dan eens heeft geleert, dat wanneer, dan door de een, dan door de ander de bij den Raad gerequireert wordende stukken van de liassen zijn afgenomen de een het dikwils op den ander laat aankomen, om die naderhand wederom aan de liassen en wel onder de vereijschte datums, te rijgen, waardoor die stukken dan hier en daer komen te slingeren en lichtelijk in 't ongereede konnen geraaken ... '.
In 1767 verhuisde de Domeinraad naar het gebouw van de gewezen kastelenij bij de Grenadierspoort. In die tijd werd ook een repertorium op de rekeningen in het archief van de Domeinraad vervaardigd. ( NDR inv.nr. 827 )
Na het vertrek van Willem V naar Engeland in 1795 werden de Nassause domeinen geconfisqueerd door de provinciale overheden. Het archief bleef vooralsnog op zijn plaats. De ambtenaren van de Hollandse administratie werd uitdrukkelijk verboden enig archiefstuk af te staan aan de gewestelijke rechtsopvolgers van de Domeinraad. In 1796 werd het beheer en de administratie weer onder centraal gezag geplaatst. De bedreiging dat het archief zou worden opgesplitst was hiermee van de baan.
In 1798 werden de domeinen tot nationaal eigendom verklaard. In dat jaar werd een klerk door de Agent van Financiën gemachtigd om alle stukken 'van geen belang' of door ouderdom onleesbaar te vernietigen. ( NDR inv.nr.210, resolutie van 1 augustus 1798, nr. 10. ) Waarschijnlijk zijn er toen heel veel stukken verdwenen, vooral ingekomen en uitgaande brieven.
Voor de overdracht van het archief naar het departement van Financiën werd er in 1808 een inventaris van de overblijvende stukken opgemaakt door Albert Verbeek, secretaris. In 1822 kwam het archief, tezamen met het archief van de secretarie van de Friese stadhouders onder beheer van het Amortisatiesyndicaat in Amsterdam.
Oude ordening van het archief
Het archief van de Nassause Domeinraad is chronologisch en naar onderwerp geordend. De ruggengraat van het archief wordt gevormd door de chronologisch geordende notulen/besluiten van de Raad en zijn opvolgers.
De ingekomen stukken bij de domeinraad werden naar domein aan liassen geborgen bij de rekeningen van de rentmeesters. Op de stukken werd een verwijzing naar de datum van behandeling in de vergadering aangebracht. Deze liassen zijn waarschijnlijk voor het grootste gedeelte vernietigd aan het eind van de 18e eeuw. De ingekomen stukken betreffende het reilen en zeilen van de administratie van de Raad, het in 's-Gravenhage aangestelde personeel en raden en betreffende financiële zaken werden geliasseerd bewaard onder de noemer 'Gemengd' of 'Administratie'. Daarnaast was er een rubriek 'Het Doorluchtige Huis', waarbij de stukken betreffende de familieaangelegenheden en particuliere zaken van de leden van het huis van Oranje werden geborden.
Vanaf 1798 werden de ingekomen stukken in één serie samengebracht, geordend op de datum van de eerste behandeling van een ingekomen stuk in de vergadering en voorzien van een doorlopend nummer. Ingekomen stukken van later datum werden bij het eerste stuk gevoegd en kregen het nummer van dat stuk. In de notulen wordt bij de behandeling van de stukken verwezen naar het nummer van de stukken. Uitgaande stukken werden afbeschreven in verschillende registers, die werden ingedeeld naar domein. De onderwerpen, behandeld in die stukken, zijn ook terug te vinden in de notulen, op of rond de datum van het stuk. De stukken in de registers zijn vaak opgenomen op datum van expeditie, terwijl de behandeling in de Domeinraad een dag of meer vroeger plaatshad. Iedere serie registers betrof een deel van het goederencomplex van de Oranje-Nassaus.
De eigentijdse toegangen op de registers van notulen en uitgaande stukken worden gevormd door repertoria. In de repertoria zijn korte samenvattingen van de stukken en notulen opgenomen, ook weer ingedeeld naar domein en 'Gemengd'. Deze repertoria vormen een redelijk bruikbare toegang op de registers, zij het dat de stukken per domein chronologisch staan beschreven en niet verder zijn onderverdeeld in rubrieken. De repertoria zijn waarschijnlijk in de tweede helft van de 18e eeuw opgemaakt.
Daarnaast werd er in die periode een soort index op de notulen en registers van uitgaande stukken betreffende de daarin voorkomende benoemingen en commissies van functionarissen gemaakt, het zogeheten Ambtboek. De stukken betreffende de zaken die aan de prins werden voorgelegd vindt men in de registers 'Poincten'. Naast deze 'Poincten' vindt men in het archief brieven, die de Domeinraad heeft verzonden aan de prinsen van Oranje betreffende de afdoening van zaken, waarvoor een goedkeuring van de prins was vereist. Na afdoening werden deze brieven opgeborgen in het archief van de Raad. Ook brieven, gericht aan de prins van Oranje, waarvoor de Domeinraad door de prins om advies werd gevraagd zijn in het archief opgeborgen.
De stukken betreffende de afzonderlijke domeinen en goederen werden per domein opgeborgen. Rekeningen van de rentmeesters en de verbalen van de leden van de raad van hun inspectietochten werden apart in serie bewaard. Bij de rekeningen behoorden ook de bijlagen. Deze zijn voor een groot deel versnipperd geraakt in het archief. Zo waren de condities van verpachtingen oorspronkelijk bijlagen bij de rekeningen.
Naast de rekeningen en de bijlagen dienden de rentmeesters ook andere stukken, zoals b.v. registers van cijnzen, van leven en brievenboeken aan de domein over te geven. De rentmeesters dienden meermalen een inventaris te maken van hun archief. Van overleden rentmeesters werd er vaak een inventaris van de boedel gemaakt. Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw dienden de rentmeesters ook rapporten en memories over de leveren aan de Domeinraad. Deze werden in een register gebonden bewaard. Door de thesaurier werden aparte registers bijgehouden van de ingekomen en uitgaande stukken en van de ordonnanties (betalingsopdrachten van de Domeinraad aan de thesaurier). ( Deze ordonnanties zijn geïndiceerd op leverancier. ) Daarnaast bracht de thesaurier, anders dan de griffier en de auditeur, rechtstreeks advies uit aan de Prins van Oranje en aan de Domeinraad op zijn taakgebied: de financiën. De Raad en Rekenmeesters der geëxtraheerde goederen vormden een apart archief, zoals ook in hun instructie uitdrukkelijk staat vermeld. Ook de rekenmeesters over de administratie van de domeinen herkomstig van het huis van Oranje-Nassau (1807-1811) vormden eigen archief.
Het archief van de Domeinraad verhuisde in 1808, tezamen met het archief van de secretarie van de Friese stadhouders, van 's-Gravenhage naar Amsterdam, waar het departement van Financiën werd gevestigd. In 1822 kwam het archief onder beheer van het Amortisatiesyndicaat dat in dat jaar was opgericht. Een deel van deze archieven werd in 1826-1828 overgedragen aan het Rijksarchief. Het betrof het archief van de stadhouderlijke secretarie en stukken van de Nassause Domeinraad betreffende bezittingen buiten Nederland, zoals prinsdom Orange, Diest, burggraafschap Antwerpen. In deze periode ontstond er ook een dispuut tussen het Koninklijk Huis enerzijds en het Rijksarchief anderzijds over de uiteindelijke bestemming van de archieven van de vorsten van Oranje-Nassau en hun familie als privépersonen, als stadhouders en als heren en bezitters van goederen in Nederland en daarbuiten. Het geschil werd beslecht met een voorstel van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij de stukken die 'dadelijk betrekking hadden tot het geslacht van Oranje-Nassau of die voor dat geslacht van meerder belang waren dan voor 's Lands algemene geschiedenis dan voor het geslacht van Oranje-Nassau waren, het eigendom van 's Rijksarchief zouden blijven.' Koning Willem I kon zich met dit voorstel verenigen. ( R.C. Bakhuizen van den Brink, Overzigt van het Nederlandsche Rijksarchief ('s Gravenhage 1854), p. 42. ) In 1834 werd tot schifting van dit van het Amortisatiesyndicaat afkomstige en op het Rijksarchief berustende archief van de Nassause Domeinraad overgegaan. Het Koninklijk Huis verwierf hierbij 267 'stukken' (bestanddelen) en op het Rijksarchief bleven 275 stukken achter. De toenmalige rijksarchivaris Bakhuizen van den Brink had zijn bedenkingen tegen de uitkomst van de schifting op basis van het voorstel van de minister van Binnenlandse Zaken. Hij vond de schifting onnauwkeurig. Bakhuizen van den Brink vond echter troost bij de beschikking van de koning dat het de rijksarchivaris vrij stond afschriften van stukken in het Huisarchief te maken. ( Bakhuizen van den Brink, Overzigt, pp. 44 e.v. ) Volgens de lijst kwamen de volgende stukken bij het Koninklijk Huisarchief terecht ( Archief van het ARA, inv.nr. 10, 11 september 1834 en doos 3.4. ) :
  • stukken van particuliere aard (geboorte, overlijden, huwelijk),
  • stukken betreffende militaire zaken,
  • stukken betreffende het stadhouderschap, voornamelijk in Groningen, Friesland en Drenthe,
  • diverse stukken,
  • correspondentie met verwanten, vorsten, vorstelijke personen, ambassadeurs,
  • brieven van en aan regenten en regeerders, meest in Friesland en Groningen,
  • stukken betreffende de nalatenschap van Willem III,
  • stukken betreffende het prinsdom Orange,
  • stukken betreffende het huisvan Oranje,
  • stukken betreffende het huis van Nassau,
  • stukken betreffende de moederlijke en vaderlijke goederen van prins Philips Willem,
  • brieven van en aan onderscheidene personen van het huis van Oranje-Nassau.
Het Rijksarchief behield:
  • stukken betreffende Groningen en Ommelanden, Friesland en Drenthe, plakkaten, statuten, reglementen, resoluties en stukken betreffende de staatscolleges,
  • stukken betreffende het leger en oorlogszaken,
  • stukken betreffende afzonderlijke plaatsen in Friesland en Groningen,
  • staten van oorlog,
  • resoluties van de Staten-Generaal.
Het betrof vooral stukken, afkomstig van de Friese tak van het huis van Oranje-Nassau, die rond 1770 naar Den Haag waren overgebracht. Een groot deel van het archief van de Nassause Domeinraad berustte nog in Amsterdam. Toen het Amortisatiesyndicaat in 1840 werd opgeheven kwamen de archieven van de Nassause Domeinraad te berusten bij de afdeling Domeinen van het ministerie van Financiën. In 1844 stelde de commies Van der Jagt een rapport op over de archieven in beheer bij het departement van Financiën en opgeslagen in Amsterdam. ( ARA, Archief Amortisatie Syndicaat, inv.nr. 1608 [L]. ) Volgens zijn rapport bevond zich een groot deel van het archief van de Nassause Domeinraad in de lokalen van het departement, deels in ongeordende staat. De stukken betreffende Vianden en St. Vith, Dasburg en Bütgenbach werden in 1849 overgedragen aan de Commissie voor de nalatenschap van koning Willem II. Stukken betreffende Soestdijk werden aan het Koninklijk Huis overgedragen. ( Zie inventarissen van Van Geijt, commies bij de Permanente Commissie van het Amortisatiesyndicaat, Collectie oude inventarissen, Nassause Domeinraad, Doos 1, 40.1 en 40.2. ) Het departement van Financiën droeg in 1860, 1861 en 1863 stukken, aanwezig in het St. Jorishof te Amsterdam, aan het Rijksarchief over. ( Archief ARA, inv.nr. 24, 4 september 1860 en inv.nr. 29, 2 mei 1863. ) Hiertussen bevonden zich naast stukken afkomstig van o.a. de Raad van State, Hollandse domeinen, Grafelijkheidsdomeinen in Zeeland, ook stukken afkomstig van de Nassause domeinen. Het ging hierbij om de volgende stukken:
  • leenregisters, cijnsboeken, pachtboeken van goederen in Holland, Zeeland, in Gelderland, in Noord-Brabant, in het tegenwoordige België,
  • rekeningen van goederen in Holland, in Zeeland, in Gelderland, in Utrecht, in Friesland, in Noord-Brabant, in Limburg, in het tegenwoordige België en Duitsland,
  • algemene rekeningen en diversen,
  • charters betreffende rechten van eigendom,
  • kaarten van de goederen gelegen in Holland, in Gelderland, in Utrecht, in Noord-Brabant,
  • diverse kaarten,
  • rekeningen van de rentmeester van Veere,
  • rekeningen van de thesaurie van Veere,
  • rekeningen van de rentmeester van Zichem,
  • rekeningen van de rentmeester van Meerhout,
  • rekeningen van de rentmeester van Grimbergen,
  • rekeningen van de lenen van Grimbergen,
  • registers van resoluties van de Domeinraad betreffende Diest,
  • register van brieven betreffende Diest, Zichem, Meerhout, Vorst, Grimbergen,
  • cijnsboeken van Zichem,
  • registers van koopkondities etc. van Diest, Zichem, Meerhout en Vorst,
  • stukken betreffende de Brabantse domeinen,
  • stukken betreffende Ijsselstein, Zevenbergen, Hooge en Lage Zwaluwe, Bentheimse goederen, Soestdijk en Elst, Breda, Leerdam, Buren, Maartensdijk, Eindhoven, Klundert, Veere, Oosterhout, Steenbergen, Roosendaal en Prinsenland, Grave en Cuijk, Willemsstad, Bredevoort, Geertruidenberg, Vlissingen,
  • stukken betreffende Veere,
  • stukken betreffende Diest, Zichem, Meerhout, Vorst en Grimbergen.
Daarna zijn met een zekere regelmaat stukken afkomstig van de Nassause Domeinraad door het ARA verworven. Hieronder waren stukken in de collectie van Nispen, die in 1941 door het Algemeen Rijksarchief werd verworven.
Toch is niet het gehele archief van de Nassause Domeinraad aan het Rijksarchief overgedragen. In het Koninklijk Huisarchief bevinden zich stukken, die deel uitmaakten van het archief. Deze zijn op een andere wijze dan via het ministerie van Financiën aan het Huisarchief gekomen. Met name de stukken, beschreven in de inventaris van Tollius onder de kop 'Het Doorluchtige Huis' berusten in het Koninklijk Huisarchief. Deze stukken maakten onderdeel uit van het archief van de Nassause Domeinraad, wegens hun belang voor het beheer van de goederen van het huis van Oranje Nassau.
De verwerving van het archief
Het archiefblok bevat archiefstukken onder verschillende rechtstitels verworven.

Inhoud en structuur van het archief

Verantwoording van de bewerking In 1882 voltooide Hingman zijn inventaris van de archieven van de Nassause Domeinraad, die zich bevonden in het Rijksarchief. ( Staatscourant 1883, 212 en VROA 1868. ) In deze inventaris stond het belangrijkste en meest omvangrijke bestand beschreven. De eerste 1000 inventarisnummers betroffen stukken van algemene aard afkomstig van de domeinraad in Den Haag, zoals resoluties, ingekomen en uitgaande stukken, verbalen, akteboeken, processtukken, stukken betreffende de nalatenschap van Willem III en stukken afkomstig van de thesaurie van de Domeinraad. De overige 9000 inventarisnummers betroffen in een willekeurige volgorde de stukken betreffende de verschillende domeinen onder het beheer van de Raad. In de uit 1682 stammende inventaris 'Nassause Domeinraad Folio' van de hand van griffier Tollius stonden de charters en losse stukken betreffende verwerving en het beheer van de domeinen beschreven. Het betrof bijvoorbeeld koopaktes, rentebrieven en stukken betreffende grensgeschillen. Ter gelegenheid van de verhuizing van het Rijksarchief van het Plein naar het Bleijenburg werden de collecties, die door het gebouw verspreid waren geraakt, door Bondam beschreven in een plaatsingslijst. ( VROA 1903, pp. 6-7. ) Waarschijnlijk betrof het de Nassause Domeinarchieven 'Verspreide Stukken', 'Verspreide Charters' en 'Zolder'. Deze lijst is door R. Spork in 1983 nader uitgewerkt. In 1948 zijn de stukken van vóór 1581 door dr. S.W.A. Drossaers gelicht en beschreven in een inventaris. Ook de stukken betreffende Buren zijn door haar samengebracht en beschreven in een inventaris.
In 1941 verkreeg het ARA de collectie Van Nispen, waarin veel stukken, afkomstig van de Nassause Domeinraad. Een deel van deze stukken is door Drossaers beschreven in haar inventaris. R. Spork en W. van den Berg beschreven in 1989/90 de stukken betreffende de Zuidelijke Nederlanden uit de diverse archiefblokken en het bestand 'Zolder' in een inventaris. In de loop der jaren werden de aanwinsten van delen van het archief van de Nassause Domeinraad beschreven in verschillende lijsten. Al deze inventarisaties en aanwinsten resulteerden anno 1992 in een totaal aantal van 16 toegangen op het niet door Drossaers beschreven deel van het archief. Deze waren an sterk wisselende kwaliteit. In 1992 werd besloten alle stukken, die niet door Drossaers waren beschreven, in één inventaris samen te brengen. De totale omvang van het huidige archief, dat zich in het Algemeen Rijksarchief bevindt, bedraagt 635 strekkende meter.
Ordening van het archief
Bij de inventarisatie van de verschillende bestanden in het archief van de Nassause Domeinraad is zoveel mogelijk de oude ordening gevolgd. De stukken zijn geordend naar domeinen en 'algemeen'. De notulen, series ingekomen en uitgaande stukken, repertoria en indices zijn ondergebracht onder de rubriek Stukken van algemene aard. Voor de stukken die niet aan één domein konden worden toegeschreven zijn nieuwe rubrieken gecreëerd. De stukken afkomstig van de thesaurie en van de Raad van de geëxtraheerde domeinen zijn in een aparte rubriek ondergebracht. Deze rubrieken zijn voor zover ze niet geografisch te ordenen stukken betreffen, samen met de stukken van algemene aard ondergebracht in deel 1 van deze inventaris. De stukken betreffende meer dan één domein die geografisch niet nader te ordenen waren zijn ondergebracht in deel 2. De delen 3-11 bevatten stukken in geografische ordening. Deel 12 gevat enkele gedeponeerde archiefbestanden, terwijl deel 13 stukken bevat die in het archief werden aangetroffen, maar waarvan niet een duidelijk verband met het archief van de domeinraad of met ander archiefbestanden kon worden vastgesteld.
De hoofdindeling in de delen 3-11 is als volgt:
  • Deel 3: Domeinen in Friesland (Ameland inbegrepen)
  • Deel 4: Domeinen in Gelderland
  • Deel 5: Domeinen in Utrecht
  • Deel 6: Domeinen in Holland (de oude provincie Holland, dus inclusief de delen van die provincie die tot de huidige provincies Noord-Brabant en Utrecht behoren, b.v. Geertruidenberg en IJsselstein)
  • Deel 7: Domeinen in Staats-Brabant en Gelders Overkwartier
  • Deel 8: Domeinen in Zeeland en Staats-Vlaanderen
  • Deel 9: Domeinen in de Zuidelijke Nederlanden en Luxemburg
  • Deel 10: Domeinen in Frankrijk
  • Deel 11: Domeinen in Duitsland (het betreft hier slechts enkele stukken betreffende domeinen in het grensgebied met Nederland).
De delen 3-11 bestaan elk uit afzonderlijke bestanden voor ieder domein. Voor zover er stukken zijn die niet op afzonderlijke domeinen te splitsen waren, zijn deze in een apart hoofdstuk aan het begin van het deel opgenomen. Zoveel mogelijk is getracht een uniforme ordening in alle domeinrubrieken te volgen met een rubriek 'algemeen' -niet naar afzonderlijke onderwerpen te ordenen stukken- en rubrieken met afzonderlijke onderwerpen. De rubriek algemeen bevat bijvoorbeeld de verbalen van de leden van de Raad van hun inspectiereizen naar het domein, memories en rapporten van de rentmeester en ingekomen en uitgaande brieven bij de Domeinraad. De stukken betreffende de verwerving en vervreemding van de goederen, rechten en bevoegdheden in een domein zijn ook ondergebracht in een aparte rubriek. Voor het bestuur en beheer zijn twee aparte rubrieken gecreëerd. De rubriek Bestuur bevat de stukken betreffende de activiteiten van de Raad gericht op een ordelijke gang van zaken in het domein, zoals regelgeving, de bevoegdheden en het functioneren van de lokale bestuurders en de uitvoering van regelgeving van hogere bestuurslagen zoals de Provinciale Staten en de Generaliteit.
Onder de rubriek Beheer zijn de stukken betreffende de economische exploitatie van de goederen en rechten ondergebracht. Deze rubriek is onderverdeeld in subrubrieken betreffende uitgaven: bouw en onderhoud van onroerende goederen. Daarna volgen de subrubrieken die zowel op inkomsten als uitgaven betrekking hebben: schulden, vorderingen en de financiën, waarvan de rekeningen van de rentmeesters het grootste deel uitmaken.
Elk hoofdstuk betreffende een domein wordt voorafgegaan door een inleiding. Daarin wordt beschreven hoe en wanneer het domein is verworven en vervreemd; een korte omschrijving van het gebied; een beschrijving van de goederen, rechten en bevoegdheden van de prinsen van Oranje in het domein; een beschrijving van het beheer door de rentmeester -alleen als dat van het gebruikelijke beheer door de rentmeester afweek- en aanwijzingen voor de gebruiker met verwijzingen naar archieven betreffende het gebied die in ander archiefbewaarplaatsen berusten. Bij een groot deel van de inleidingen zijn literatuurlijsten gevoegd. Deze zijn niet uitputtend, maar geven een overzicht van de literatuur die bij het onderzoek ten behoeve van deze inventaris is gebruikt. Verschillen per hoofdstuk in de indeling, de titels van de rubrieken, de redactionele vorm, de spelling van eigennamen e.d. die het gevolg zijn van het feit dat een groot aantal auteurs van deze inventaris heeft meegewerkt, zijn -voor zover zij geen afbreuk doen aan de opzet van de inventaris- gehandhaafd. De spelling van de persoonsnamen kan variëren. Zo zijn in de inleidingen de namen van bijvoorbeeld de rentmeesters vaak letterlijk overgenomen uit het Ambtboek. In het inventarisgedeelte is gekozen voor modernisering van deze namen.
Bij deze inventaris zijn een Lijst van kaarten (Aanhangsel 1), een zoekwijzer Centraal Register Particuliere Archieven (Aanhangsel 2), een verklarende woordenlijst (Aanhangsel 3), een index en een concordans gevoegd. De Lijst van kaarten die betrekking hebben op de Nassause domeinen geeft een (niet volledig) overzicht van de kaarten, die zijn aangetroffen bij de bestanddelen in dit archief en in de verzamelingen kaarten die bij het algemeen Rijksarchief berusten. De zoekwijzer Centraal Register Particuliere Archieven, geeft de gebruiker van deze inventaris een handleiding bij onderzoek naar stukken betreffende een (of meer domeinen) die mogelijkerwijs berusten in archieven van particulieren (natuurlijke personen, families, stichtingen/verenigingen). De Verklarende woordenlijst is samengesteld uit termen die naar het oordeel van de bewerkers van het archief een verklaring behoefden. De woordenlijst is dus niet uitputtend. De verklaring die wordt gegeven bij de termen in de woordenlijst is gericht op een beter begrip van de term bij het onderzoek in deze inventaris. Andere mogelijke verklaringen van een term zijn niet opgenomen. De index bevat namen van instellingen en geografische en persoonsnamen, die in de inventaris voorkomen. De stukken zelf zijn dus niet geïndiceerd!
Series in het archief
Veel series (gelijkvormige stukken over een aaneengesloten periode) in het archief zijn niet meer compleet. Uit het archief zijn, zoals al eerder vermeld, veel stukken verdwenen. Voor een deel is nog te reconstrueren wat verloren is geraakt. Dat zijn dus de liassen met ingekomen stukken en registers van uitgaande stukken. Daarnaast zijn de verbalen van de inspectiereizen van de leden van de Raad fragmentarisch bewaard gebleven. Vrijwel alle verbalen van voor het midden van de 18e eeuw zijn niet meer in het archief aanwezig.
Ook zijn veel bijlagen bij de rekeningen van de rentmeesters en de thesaurier verloren gegaan. Registers van voor 1637 zijn niet meer in het archief aanwezig. Ook van de rekeningen van de rentmeesters van voor 1637 nog maar een enkel exemplaar aanwezig. De series staan beschreven in de volgorde waarin zij in de inventaris voorkomen.
Het grootste deel van deze series is te vinden in de rubriek Stukken van algemene aard.
Notulen
Als eerste dient hier de serie notulen te worden genoemd. In de notulen is de behandeling van alle zaken die bij de Domeinraad binnenkwamen, hetzij schriftelijk, hetzij mondeling door leden van de Raad of door belanghebbenden zelf, genotuleerd. Genotuleerd werd een omschrijving van het onderwerp, het genomen besluit en de eventuele tekst van het uit te vaardigen stuk. Ook zijn er teksten van ingekomen stukken in de notulen opgenomen. Ook is vermeld wanneer onderwerpen zijn aangehouden, in commissie gegeven of aan de prins van Oranje gepresenteerd.
Registers van uitgaande stukken De series 'Heerlijkheden in de Provincien', 'Graafschappen' en de registers betreffende Buren, Breda, Oosterhout, Dongen en de heerlijkheden in het Westland ( NDR inv.nrs. 583-595 en 598-628 ) , bevatten uitgaande stukken aan belanghebbenden bij de respectieve domeinen. Het gaat hierbij om akten en andere stukken betreffende aanstellingen, koop en verkoop van grond, uitgifte in erfpacht van grond, octrooien, vergunningen en verboden, instructies voor functionarissen, contracten, reglementen, plakkaten e.d. Het grootste gedeelte bestaan uit commissies en instructies. Ook zijn in deze registers stukken te vinden van benoemingen van ambten buiten de domeinen, waarvoor de prins van Oranje benoemingsrecht had. In de registers betreffende geestelijke zaken ( NDR inv.nrs. 560-561, 570-577, 596-597 ) treft men stukken aan betreffende de toekenning van beneficiën, vicarieën, renten, pensioenen e.d. die zijn gevestigd op de geestelijke goederen. Verder bevatten de registers stukken betreffende de benoeming van predikanten, hun beloning en behuizing, de benoeming tot kanunnik en de verpachting van tienden. De registers 'Gemengd Domestique' ( NDR inv.nrs. 562-569 ) bevatten uitgaande stukken voor functionarissen in Den Haag, voor leveranciers van diensten en goederen en de met een uitkering begunstigden en stukken betreffende het algehele financiële beheer. Voorts vindt men in deze registers stukken betreffende aanstellingen, beloning en instructies van personeel betrokken bij de hofhouding, zowel in Den Haag, als in de huizen te Rijswijk en Honselersdijk. ( Onderzoek in deze registers levert gegevens op over de staat en grootte van de hofhouding, de uitgaven aan salarissen en leveranciers en de wijze waarop de uitgaven ten behoeve van het voeren van de hofhouding werden gedekt. )
Ook vindt men in deze registers stukken betreffende de thesaurie: de afbetaling van de schulden van de Oranjes, stukken waarbij de afbetaling van een uitgave wordt toebedeeld aan de rentmeesters van bepaalde domeinen, stukken betreffende de betaling van gelden door de rentmeesters aan de thesaurier-generaal, als voorschot op het slot van de rekening, stukken betreffende voorschotten en aangegane schulden in de vorm van obligaties. In het laatste register van deze serie zijn ook stukken afgeschreven betreffende de huwelijken van de erfprins van Oranje met Wilhelmina van Pruisen en van de erfprins Carel van Brunswijk met prinses Frederika Louisa Wilhelmina.
Repertoria en indices
Er zijn in het archief verschillende eigentijdse toegangen te vinden: de toegangen naar onderwerp en de toegangen op soort stukken zoals notulen en uitgaande en ingekomen stukken. De repertoria geven toegang tot de notulen en registers van uitgaande stukken van de Domeinraad. In de repertoria zijn samenvattingen van notulen en uitgaande stukken opgenomen. De repertoria van de notulen en besluiten beslaan de periode 1679-1811. Soms worden ze ook indices genoemd. Zij zijn ingedeeld naar domein en naar 'Gemengd'.
In de rubriek 'Gemengd' zijn alle zaken samengebracht die niet aan een andere rubriek toegekend konden worden. Het betref de zaken die ook te vinden zijn in de registers van uitgaande stukken 'Domestique'. Verder heeft deze rubriek onderwerpen als onderhandelingen in verband met geschillen met het huis Isenghien, circulaires aan functionarissen in alle domeinen, verbalen van de inspecties van de leden van de Raad, regeling van de uitvaart van prinses Anna, beheer van de stukken betreffende huwelijk, overlijden, testamenten, e.d., de aankoop van goederen, bijvoorbeeld Westland en Montfort van de koning van Pruisen, beheer van het graf te Delft. In de andere rubrieken zijn alleen onderwerpen binnen het terrein van het domein opgenomen. Een andere 'algemene' serie zijn de agenda's op ingekomen stukken, mei 1809-1811.
Naast de hierboven genoemde toegangen, zijn er nog de repertoria en indices op uitgaande stukken betreffende bepaalde onderwerpen. Dat zijn het 'Ambtboek', de repertoria betreffende wet- en regelgeving en betreffende geestelijk goederen en functionarissen. De indices geven naar onderwerp toegang tot de registers van uitgaande stukken en de notulen. Het 'Ambtboek' ( NDR inv.nrs. 685-687 ) geeft per domein een opsomming van de aangestelde functionarissen in de domeinen en in de Domeinraad. Ook wordt kort aangeduid in welk verband die beambten in de Domeinraad ter sprake gekomen zijn: bijvoorbeeld aanstelling, instructie, beloning of ontslag. Door verwijzingen naar de dag van bespreking in de Domeinraad kan de complete informatie nagelezen worden in de notulen. Van het Ambtboek is een index van namen en van domeinen beschikbaar op de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief.
Registers van aantekeningen Dit zijn registers met aantekeningen en opmerkingen ( NDR inv.nrs. 764-769 ) betreffende de verschillende domeinen, dorpen en steden en onderwerpen in alfabetische volgorde. Per domein wordt hier een overzicht gegeven wanneer het desbetreffende domein door de Nassaus is verworven en welke goederen de rechten tot het domein behoorden. Ook staan de geschiedenis, de bestuursvorm en de geografie van het domein erin beschreven. Deze registers zijn uiterst informatief over de domeinen in de tijd van de Oranjes. Ook staan er gegevens in over de leden van het huis van Oranje, over de administratie van het huis en financiële gegevens. Zij zijn waarschijnlijk in de tweede helft van de 18e eeuw opgemaakt. Van deze registers is een alfabetisch index op geografische- en persoonsnamen beschikbaar op de studiezaal van het Algemeen Rijksarchief.
Ordonnantieboeken De ordonnantieboeken bevatten afschriften van betalingsopdrachten van de prins en de Domeinraad aan de thesaurier en rentmeester-generaal. Op een deel van deze ordonnantieboeken (NDR inv.nrs. 992-1020) en de rekeningen van de rentmeesters-generaal ( NDR inv.nrs. 1044-1185 ) bestaan alfabetische indices. Deze indices zijn door tussenkomst van een van de medewerkers van de studiezaal te raadplegen. Het gaat om:
  1. Index op persoonsnamen (ambachtslieden, kunstenaars, leveranciers etc. aan wie een betaling werd verricht voor geleverde diensten). Dit is de meest uitgebreide index (drie kaartenbakken).
  2. Index op onderwerpen (o.a. aannemerswerk, schildpadwerk, tuinsieraden) (een kaartenbak).
  3. Index op plaatsnamen (een kaartenbak).
  4. Ongesorteerde fiches, m.n. voor de tweede helft 18e eeuw (twee kaartenbakken).
De geëxtraheerde domeinen
De Raden en Rekenmeesters der geëxtraheerde domeinen hielden eenzelfde ordening van het archief erop na als de gewone Domeinraad. Onder deze rubriek staan de notulen van de raden beschreven, met een eigentijds repertorium. De stukken per domein zijn opgenomen onder de desbetreffende rubrieken in deze inventaris. De repertoria op de uitgaande stukken en de indices geven toegang tot de registers van de Raden en Rekenmeesters der geëxtraheerde domeinen.
Series per domein
Een aantal series staat beschreven onder het betreffende domein. Het gaat om de rekeningen, de condities van verpachtingen en verkoop, de registers van cijnzen, de registers van de lenen, de verbalen van de inspectiereizen, de memories en de rapporten van de rentmeesters.
De rekeningen van de rentmeesters
De rentmeesters dienden elk jaar hun rekening in te leveren bij de auditiekamer van de Domeinraad. In de rekeningen werden alle inkomsten uit de goederen en rechten per jaar verantwoord. De rentmeester maakte van zijn jaarrekening meerdere exemplaren op. Hij maakte tenminste een exemplaar voor de auditiekamer, en een exemplaar voor hemzelf, het rendantsexemplaar genoemd (rendant=rekeningplichtige). Na afhoring zond de Raad het rendantsexemplaar ondertekend terug naar de rentmeester. Soms zijn rendantsexemplaren bij de auditiekamer achtergebleven. Van de rekeningen van de rentmeesters is bij vrijwel elk hoofdstuk van deze inventaris een inhoudsopgave van de rekening uit een bepaald jaar opgenomen. Daaraan is te zien hoe de rekening is opgebouwd en welk posten voorkomen. In de rekeningen zijn voorin de commissies voor de rentmeester opgenomen. De bijlagen bij de rekeningen zijn meestal verdwenen. Wel zijn de rekeningen nog vaak voorzien van een borderel -een korte samenvatting van de rekening- en een loquatur, een stuk met aantekeningen aan de Domeinraad op de rekening. Ook in de rekeningen zelf vindt men vaak aantekeningen aan de Domeinraad op de gepresenteerde posten. In de rekeningen worden in veel gevallen de betaalplichtigen of ontvangers genoemd. Sommige posten zijn verzamelposten, de gegevens van de individuele betaalplichtigen staan ergens anders geregistreerd. Alleen bij de eerste betaling staat dan de naam van een (nieuwe) betaalplichtige.
Condities van verpachtingen
De condities van verpachtingen vormden oorspronkelijk bijlagen bij de rekening van de rentmeesters. Onroerende goederen, zoals molens, boerderijen, landerijen en veerponten, maar ook goederen, zoals visrechten, jachtrecht, de inning van tienden, e.d. werden door de prinsen van Oranje verpacht. De goederen werden op een openbare veilig verpacht. De condities van verpachtingen zijn een soort pachtovereenkomsten. In de condities staan de voorwaarden waaraan een pachter zich diende te houden en een omschrijving van de goederen, vaak met geografische aanduidingen (percelen, huizen). De condities werden tot slot ondertekend door de pachters. De series condities van verpachtingen zijn helaas verre van compleet.
Registers van cijnzen
In de registers van cijnzen en/of renten werden de vaste heffingen op onroerende of roerende goederen in een domein afgeschreven. De registers zijn vaak topografisch ingedeeld, bijvoorbeeld naar het dorp waar de landerijen waarop een cijns geheven werd lagen, of de straat waarin de cijnsplichtige huizen staan. Elk goed waarop een heffing rustte, vormt een post in het register. Bij elke post staat de naam van de cijnsplichtige, meestal een eigenaar of pachter van het goed aangetekend. De registers betreffen vaak een lange periode, waarin aantekening werd gehouden van de betaling van de heffingen. Daarom staan per post vaak alle namen van de opeenvolgende eigenaren of pachters in die periode. De registers hebben vaak ook een verwijzing naar een vorig register, of een volgend register. Per post staat dan het folionummer vermeld waarop de post verschijnt in dat vorig of volgend register. Op die manier zijn over een lange reeks van jaren alle eigenaren en/of pachters van een goed te achterhalen. Omdat de series registers van cijnzen en van renten vaak niet compleet zijn, is terugzoeken een moeizaam en geduldig karwei.
Heffingen zoals cijnzen en renten werden niet in alle domeinen geheven. Het recht om deze heffingen op te leggen komt vooral voor in de domeinen in Brabant, Limburg en de Oostenrijkse Nederlanden.
Registers van lenen
In de domeinen waar de prins van Oranje leenheer was, had hij een administratie van de lenen, de Leenkamer genoemd en een griffier, vaak griffier van de lenen of Leenkamer genoemd. Bij verandering van rechthebbende op een leen, diende de nieuwe rechtshebbende, de leenman, het leen te verheffen. Dat hield in het doen van hulde en manschap en het betalen van hofrechten en heergewaad. De belofte van hulde en manschap werd gedaan in handen van de leenheer, of diens plaatsvervanger (stadhouder) en leenmannen, in de Leenkamer van de leenheer. Van de leenverheffing (door leenman) en het voorzien van het leen door de leenheer aan de leenman werd een verleibrief opgemaakt. Daarin werd het leen omschreven, met alle 'gevolgen' en vastgelegd dat hulde en manschap waren gedaan, hofrechten en heergewaad waren betaald. De verleibrief werd opgemaakt door de leenheer of zijn stadhouder. Elke verandering van eigenaar werd in het leenboek, of register van de lenen ingeschreven. Daarin werden in chronologische volgorde de akten die werden uitgegeven afgeschreven. De registers behoorden in het archief van de Leenkamer, de leenheer dus. Van deze leenregisters zijn repertoria gemaakt, zowel in de periode dat de administratie nog functioneerde, als daarna door archivarissen en onderzoekers. In de repertoria vindt men de lenen omschreven, (ligging, grootte, begrenzing) met een opgave van opeenvolgende leenmannen. Deze repertoria zijn vaak gepubliceerd.
Verbalen van inspectiereizen
De verbalen (verslagen) van de inspectiereizen naar een of meerdere domeinen werden door de leden van de Domeinraad opgemaakt. Meestal staat voorin een extract uit de notulen van de Domeinraad met de commissie (opdracht) aan een raad zich naar bepaalde domeinen te begeven. In het verslag staan vrij nauwkeurig de wederwaardigheden van een raad tijdens zijn inspectie beschreven. Achterin het verbaal zijn de bijlagen opgenomen. In het verbaal zijn de bijlagen opgenomen. In het verbaal staan verwijzingen naar die bijlagen. De verbalen van voor c. 1750 zijn niet bewaard gebleven.
Memories van rentmeesters Vanaf 1776 werden de rentmeesters verplicht een memorie bij te houden: een '... bijsonder boeck ten halve plicq [op de linkerhelft van een in de lengterichting in dubbelgevouwen bladzijde] aentekening te houden van alle ontfangen resolutien en ordres en in de margine wanneer en in hoeverre aan deselve is voldaan ...' ( NDR inv.nr. 661, 8 februari 1776. ) Deze memories zijn per jaar ingedeeld.
Generale rapporten
Ook vanaf 1776 dienden de rentmeesters een rapport op te maken, volgens een vaste formule over een aantal voorgeschreven onderwerpen.
Zoeken in het archief
Voor het zoeken in het archief van de Nassause Domeinraad bestaat er een aantal hulpmiddelen. Er zijn nadere toegangen die zijn vervaardigd bij de bewerking van het archief door medewerkers van het Algemeen Rijksarchief en er zijn de eigentijdse toegangen, gemaakt door de Domeinraad.
Op deze inventaris is een index gemaakt van geografische namen, persoonsnamen en namen van instellingen die in de beschrijvingen van de bestanddelen van het archief voorkomen (dus niet op namen die voorkomen in de stukken zelf). Bijlage 1 bij deze inventaris geeft een overzicht van de kaarten met betrekking tot dit archief. In de inleidingen per domein staat aangegeven of er kaarten betreffende het domein berusten in de verzameling Kaarten Hingman. Ook staan in de inleidingen verwijzingen naar archieven uit de periode 1581-1811, die elders berusten. Van het 'Ambtboek' staat de onderzoeker een toegang beschikbaar op naam van de functionaris, op functie en op domein. Ook van de registers van historische aantekeningen staat de onderzoeker een nadere toegang tot beschikking.
Bij onderzoek in dit archief is het raadzaam om naast de stukken per domein ook de notulen te raadplegen. Deze zijn toegankelijk met de eigentijdse toegangen. Eigentijdse toegangen zijn hulpmiddelen die een organisatie maakt om gericht te kunnen zoeken in het eigen archief. De eigentijdse toegangen in het archief van de Nassause Domeinraad werden gemaakt in de 17e tot 19e eeuw, en ze verwijzen vooral naar de series van algemene aard: de notulen en de registers met ingekomen of uitgaande stukken. Deze eigentijdse toegangen bestaan uit repertoria, indices en agenda's. Een index noemt alleen de onderwerpen die voorkomen in de registers waarnaar die index verwijst. Een repertorium noemt niet alleen de onderwerpen, maar geeft bovendien per onderwerp samenvattingen van de inhoud van de notulen of brieven waarnaar verwezen wordt. Een agenda ten slotte houdt aantekening van het inkomen, afdoen en uitgaan van stukken.
Tenslotte verwijzen wij naar drie tabellen hierboven
  • en vervreemding van Nassause domeinen'
    'Overzicht van de verwerving
  • van de prins van Oranje' geeft een lijst van de lenen die door de Nassaus gehouden werden van verschillende leenheren.
    'Overzicht van leengoederen
  • gebruikt in de eigentijdse toegangen' geeft een overzicht van de door de Domeinraad gebruikte afkortingen. In de repertoria en indices geven deze afkortingen aan naar welke registers van uitgaande stukken wordt verwezen.
    'Overzicht van de afkortingen

Aanwijzingen voor de gebruiker

Openbaarheidsbeperkingen
Volledig openbaar.
Beperkingen aan het gebruik
Reproductie van originele bescheiden uit dit archief is, behoudens de algemene regels die gelden voor het kopiëren van stukken, niet aan beperkingen onderhevig. Er zijn geen beperkingen krachtens het auteursrecht.
Materiële beperkingen
Het archief kent beperkingen voor het raadplegen van stukken als gevolg van slechte materiële staat.
Een klein aantal stukken van dit archief is in een slechte materiële staat, wat tot gevolg heeft dat deze niet aangevraagd kunnen worden. Een opgave van de desbetreffende inventarisnummers op deze plaats is nagelaten, aangezien de materiële staat en de bijbehorende raadpleegmogelijkheden niet een permanente situatie vormen (restauraie, verfilming etc.). Bij het aanvragen met de terminal krijgt u mededeling ter zake.
Andere toegang
In de index op het ambtboek zijn de namen, functies en domeinen opgenomen die te vinden zijn in het ambtboek van de Nassause Domeinraad.
Op de leenregisters van de Heren van Polanen en de Lek (inventarisummers 7318 - 7321) is een digitale index beschikbaar (oud toegangsnummer 1.08.05)
Aanvraaginstructie
Openbare archiefstukken kunnen online worden aangevraagd en gereserveerd. U kunt dit ook via de terminals in de studiezaal van het Nationaal Archief doen. Om te kunnen reserveren dient u de volgende stappen te volgen:
  1. Creëer een account of log in.
  2. Selecteer in de archiefinventaris een archiefstuk.
  3. Klik op ‘Reserveer’ en kies een tijdstip van inzage.
Citeerinstructie
Bij het citeren in annotatie en verantwoording dient het archief tenminste éénmaal volledig en zonder afkortingen te worden vermeld. Daarna kan worden volstaan met verkorte aanhaling.
VOLLEDIG:
Nationaal Archief, Den Haag, Nassause Domeinraad, nummer toegang 1.08.11, inventarisnummer ...
VERKORT:
NL-HaNA, Nassause Domeinraad vanaf 1581, 1.08.11, inv.nr. ...

Verwant materiaal

Beschikbaarheid van kopieën
Inventarisnummers van dit archief zijn in kopievorm beschikbaar
Verwante archieven
Behalve het archief van de Domeinraad in Den Haag (1.08.01 - Nassause Domeinraad: Raad en Rekenkamer te Breda, 1170-1580 (1582)) zijn soms op lokaal niveau archieven van rentmeesters of andere functionarissen bewaard gebleven. Voor de Nassause domeinen in Noord-Brabant zie: Rijksarchief in Noord-Brabant (ed.), Onderzoeksgids voor domeinarchieven betreffende Noord-Brabant, ca. 1300-1981 ('s-Hertogenbosch, 1993). Verder worden er (delen van) rentmeesterarchieven bewaard in de rijksarchieven in Zuid-Holland, Gelderland, Zeeland en Overijssel.

Bijlagen

NaamdomeinjaartalVerwervingjaartalVervreemdingAfkortingVerwijst naarInventarisnummers

Archiefbestanddelen

    • Aanwijzingen voor de gebruiker

      Algemene gegevens over het gebied van stad en land van Breda, de verwervingsgeschiedenis, de rechten van de heer van Breda, het lokale bestuur en de daar geldende rechtspraak etc. zijn te vinden in de registers met 'Aanteekeningen en aanmerkingen omtrend de onderscheydene domeinen - Orange Nassau', NDR inv.nrs. 764-769. Op deze serie is een afzonderlijke index gemaakt.

      Van het domein Breda is een serie 'ingekomen en minuten van verzonden stukken' bewaard gebleven, geordend naar onderwerp. Deze serie vormt een goed uitgangspunt voor onderzoek naar allerlei onderwerpen. Deze registers bieden dikwijls een aanknopingspunt voor verder onderzoek in de resoluties van de Nassause Domeinraad in het hoofdarchief.

      De hoofdindeling is als volgt:

      IHistorie der Baronie en Baronnen.
      IIDe Heer en Baron. Hierin bevinden zich stukken betreffende zijn rechten, bevoegdheden en inkomsten.
      IIIDe Baronie. Dit deel betreft bestuur en rechtspraak in Stad en land van Breda.
      IVDe Stad.
      VHet Land.

      In de inventaris, NDR inv.nrs. 7938-8084 staat een uitgebreide inhoudsopgave vermeld.

      Voor een algemeen beeld van de exploitatie van de domeinen zijn de verbalen van leden van de Domeinraad wegens hun jaarlijkse inspectiereizen NDR inv.nrs. 8089-8115 een zeer geschikte bron.

      In het archief van het domein van Breda bevinden zich zes, vanaf het jaar 1768 vijf series rekeningen, opgemaakt door verschillende soorten rentmeesters. De meeste series beginnen in het jaar 1638, toen Breda door toedoen van Frederik Hendrik definitief van Spaanse in Staatse handen overging. De meeste series lopen door tot 1810, toen de domeinen in handen van koning Lodewijk Napoleon en later in handen van het ministerie van Financiën overging en als bijlage volgen na de inleiding de inhoudsopgaven van deze series.

      1. Rekeningen van de rentmeesters van de domeinen

      Het betreft een serie rekeningen over de jaren 1634-1675 en 1707-1809. Naast de gebruikelijke kopie-commissies en akten van borgtocht bevindt er zich soms in de eerste rekening een Lijst van bij de rentmeester berustende boeken, registers en kaarten.

      In deze serie worden vooral inkomsten uit heerlijke rechten verantwoord.

      2. Rekeningen van de rentmeesters van de kapittelen andere geestelijke goederen

      Het betreft de inkomsten uit alle geestelijke goederen van de kapittels, pastorieën, en vicarieën binnen de stad en baronie van Breda, die na de verovering van Breda door Frederik Hendrik in 1637 aan de heer van Breda kwamen. Met kapittelgoederen werd bedoeld de inkomsten uit de bezittingen van het collegiaal kapittel van Breda. Deze bestonden uit inkomsten uit goederen, geestelijke bedieningen en waardigheden. Het betreft een vrijwel doorlopende serie rekeningen van 1638-1768. Daarna werd deze gecombineerd met de hierna onder 3. vermelde serie.

      3. Rekeningen van de rentmeesters van de pastorale en andere geestelijke goederen aangekomen met de vrede van 1648

      Bij de Vrede van Munster van 30 januari 1648 tussen de koning van Spanje en de Staten-Generaal verwierf de Republiek in Staats-Brabant: stad en markiezaat van Bergen op Zoom; stad en baronie van Breda; stad en meierij van Den Bosch en de stad Grave en het land van Cuijk.

      Ingevolge deze vrede kwamen aan de heer van Breda vrijwel alle kloosters, godshuizen, pastorieën en andere geestelijke goederen en beneficiën in stad en land van Breda gelegen, met alle inkomsten, renten en goederen.

      Het is een vrijwel doorlopende serie rekeningen van 1648-1768. Daarna werd deze gecombineerd met de onder 2. genoemde serie.

      4. Gecombineerde rekeningen van de rentmeesters van de geestelijke aangeslagen kapittels en pastorale goederen.

      Het is een doorlopende serie rekeningen van 1769-1810.

      5. Rekeningen van de ontvangers van de erfgranen van land en baronie van Breda

      Het is een doorlopende serie rekeningen van 1669-1810. Het betreft pacht uitgedrukt in rogge, gerst of evene. Deze moest worden omgerekend naar de daarvoor geldende prijzen op de markt van Thorn.

      6. Rekeningen van de griffiers en rentmeesters van de lenen

      Er bestaat een vrijwel doorlopende serie rekeningen van 1638-1791. De griffier van de lenen was o.a. verplicht ieder jaar een rekening op te maken van de inkomsten uit de heergewaden.

      De kopieën van stads- en dorpsrekeningen, die zich in het archief bevinden, inv. nrs. 8272-8294 etc., hebben niets met het eigenlijke beheer van de heerlijkheid te maken (zie hiervoor: Verantwoording van de inventarisatie).

      7. Cijnsboeken

      Deze geven belangrijke informatie over de eigendomsgeschiedenis van onroerend goed. Cijnsboeken werden tegelijk met een rekening ingeleverd, waarbij in de rekening hiernaar wordt verwezen. In een rekening vindt men het totale cijnsbedrag voor een bepaald gebied vermeld; cijnsboeken zijn zelf veel uitgebreider. In sommige cijnsboeken komt een naamindex voor, weliswaar alleen op de nieuwe eigenaars, niet op de vorige.

      Er zijn grote verschillen tussen de administratie, bijgehouden in de cijnsboeken.

      • soms worden betalingen niet vermeld.
      • soms is er een willekeurige volgorde, soms is er een indeling naar straat (stad Breda) of plaats.
      • belangrijk is te weten aan wie goederen precies toekomen: aan de prins als heer van Breda of aan de prins als patronaatsheer voor kapittels en kapelanieën of inkomsten verbonden aan prebendes en beneficiën. Er zijn n.l. vaak twee soorten cijnsboeken: voor de wereldlijke cijnzen en voor de geestelijke cijnzen.

      8. Condities van verkoop en verpachting

      Deze stukken zijn een belangrijke bron bij onderzoek naar pachters van bepaalde rechten of onroerende goederen. Deze bestaan niet alleen uit de eigenlijke condities/voorwaarden, maar bevatten ook de gegevens over het onroerend goed in kwestie met de naam van de oude pachter, de eerste bieder (i.v.m. strijkgeld), naam van diegene die uiteindelijk de koper, huurder of pachter is en van zijn borgen. Een dergelijke openbare verpachting of verkoop vond plaats o.l.v. de rentmeester of een lid van de raad, in het bijzijn van enige lokale functionarissen.

      9. Kaarten uit de collectie kaarten (VTH) betreffende de Baronie van Breda, afkomstig uit het archief van de Nassause Domeinraad

      Inv.nrs. 1639-1641, 1651-1654,1676-1682.

      Bijlage 1 Functionarissen benoemd door de prins

      Overzicht van ambten te begeven door de prins in de stad en de baronie van Breda in het jaar 1759: NDR inv. nr. 799, p. 3-16. Zie ook inv. nr. 685, folio 30verso-184.

      De stad

      Drossaard Stadhouder van de lenen Schout Rentmeester van de domeinen Rentmeester van de geestelijke goederen met de vrede aangekomen Rentmeester van de nieuwe geestelijke goederen Rentmeester van de granen Griffier van de stad en dorpen Secretaris van Breda en Teteringen Stokhouder Fourier Ontvanger van de granen Griffier van de lenen Secretaris van de gem. Landsvergadering Comptoirbode van de stad en baronie Secretaris van de Weeskamer Postmeester Ontvanger der verpondingen Advocaat van Zijne Majesteit Servitiemeester Landmeter van de baronie Praeceptor van de Latijnse School Conciërge van de Escurie Conciërge van het huis en kasteel Majoor van de burgerij Conciërge van het stadhuis Rentmeester van het Gasthuis Notarissen Controleur van de werken Hovenier van de hoven en tuinen Organist van de Grote Kerk Opsteller van de bestekken 's Heren timmerman 's Heren metselaar Verwer Ziekentrooster Voorlezer in de Grote Kerk Loodgieter en pompmaker Smid en slotenmaker Koster van de Waalse Kerk Voorlezer van de Waalse Kerk Koster van de Duitse Kerk Treder van de blaasbalk Portier van het donjon Portier van de poort na Belcrum Portier van de Haagse Poort Portier van de Bospoort Opzichter van de jacht en bossen Portier van de Ginnekse Poort Boswachter van het Mastbos Warandmeester van de waranden Boomsluiter en havenmeester Bakenmeester van de rivier de Marke Boswachter van het Ulvenhoutse en verdere bossen van Ginneken en Bavel Plantagemeester Bode van Breda op Den Hage Brandmeester van de brandspuit Opzichter van de 7 hoeven op de Noord

      Het land

      Schout in Ginneken, Gilze en Bavel Stokhouder van Gilze Secretaris en stokhouder van Ginneken en Bavel Koster aldaar Secretaris van Gilze en Rijen Koster aldaar Schoolmeester Voorlezer Voster van Gilze Koster van Ginneken en Bavel Schoolmeester van Ginneken Voorlezer Schoolmeester van Bavel Voorlezer Schout van De Hage Secretaris Stokhouder Voster Koster Schoolmeester Voorzangers Schoolmeester op de Beek onder De Hage Organist van De Hage Plantagemeester onder De Hage Rentmeester van De Braque Comptoirbode aldaar Schout van Alphen, Baarle en Chaam Stokhouder aldaar Secretaris Voster van Chaam Koster Schoolmeester Voorlezer Voster van Alphen Koster van Alphen Schoolmeester Voster van Baarle Koster Schoolmeester Rentmeester van Oosterhout en Dongen Gezworenen van de Willemspolder Dijkgraaf van de nieuw bedijkte landen onder Oosterhout achter Leyzen Notaris van Oosterhout Penningmeester van de nieuw bedijkte landen onder Oosterhout of Willemspolder Comptoirbode van de rentmeester Schout en kastelein van Oosterhout Controleur van de domeinen van Oosterhout Franse schoolmeester te Oosterhout Dijkgraaf van Zijne Hoogheids landen en van de West- en Republ. polders onder Oosterhout Penningmeester van de Westpolder Secretaris van Oosterhout Stokhouder aldaar Gezworenen van de West- en Republ. Polders Vosters van Oosterhout Dijkgraaf van de nieuwe dijkage tussen de Groenendijkse haven en Dongendijk Penningmeester aldaar Gezworenen aldaar Voster te Houten onder Oosterhout Schoolmeester aldaar Warand- en plantagemeester te Oosterhout Schoolmeester te Oosterhout Koster Voorzanger Organist Dijkbode van Zijne Hoogheids landen en aanwassen aldaar Sluiswachter aldaar Notaris te Oosterhout Schout van Dongen Stokhouder Secretaris Landmeester aldaar en van Oosterhout Voster van Dongen Gezworenen over de dijk langs de Donge onder Oosterhout Koster en schoolmeester te Dongen Gezworenen van 's heren aanwassen in het Broek te Oosterhout Schout van Roosendaal en Nispen Secretaris aldaar Notaris te Roosendaal Stokhouder van Roosendaal en Nispen Voster aldaar Schoolmeester te Roosendaal Een bijschool aldaar Voorzanger aldaar Koster, schoolmeester en voorzanger te Nispen Notaris te Roosendaal Koster aldaar Schout van Etten Secretaris Stokhouder van Etten Leur en Sprundel Koster en schoolmeester te Sprundel Voster van Etten Leur Voorzanger en schoolmeester te Etten Koster Dijkgraaf en penningmeester van de polders van Zwartenberg onder Etten Schout van Zundert en Rijsbergen Secretaris en stokhouder Voster van Rijsbergen Notaris van Zundert Voster van Zundert Opzichter van de moeren en bossen aldaar Ondervoster, schutter en bogter Koster en schoolmeester van groot en klein Zundert Koster en schoolmeester van Rijsbergen Schout en dijkgraaf van Terheijden behalve Zonzeel etc. Dijkgraaf van Zonzeel Vlassel etc. Secretaris van Terheijden Notaris te Terheijden Stokhouder Penningmeester van de Zonzeelse polder Gezworenen van de gem. polder Gezworenen van de binnenpolder van Terheijden Dijkbode van de Zonzeelse polder Voster van Terheijden Penningmeester van de binnenpolder onder Terheijden Gezworenen van de polderkens Hazeldonk, Hoekenburg etc. onder Terheijden Penningmeester van die polderkens Koster en schoolmeester van Terheijden Koster, voorlezer en schoolmeester van Teteringen Voster aldaar Gezworenen van de Hartelse polderkens Penningmeester van die polderkens Ontvanger van Chaam Ontvanger van Teteringen Ontvanger van Oosterhout Ontvanger van Terheijden Ontvanger van Roosendaal Ontvanger over Gilze en Rijen Ontvanger van Ginneken en Bavel Ontvanger van Etten Ontvanger van Dongen Ontvanger over groot- en klein Zundert en Rijsbergen Ontvanger van De Hage Ontvanger van Alphen Ontvanger over Baarle en het gehucht van Castelre Schout, rentmeester, griffier en stadhouder van de lenen van Wernhout Voster aldaar Secretaris en stokhouder 's lands docter in de baronie van Breda Opzichter van de jacht in de baronie

      Bijlage 2 De rentmeesters

      - De hieronder vermelde jaren betreffen jaren van functioneren van de rentmeesters. De jaren sluiten niet helemaal aaneen omdat de perioden van waarneming door weduwe of erfgenamen niet staan vermeld. Als bronnen zijn gebruikt: het Ambtboek, registers uit de serie ingekomen en uitgaande stukken en de desbetreffende rekeningen van de rentmeester.

      Rentmeesters van de domeinen van stad en land van Breda

      (

      NDR inv. nrs. 576, folio 42 recto en verso, en 1042

      )

      1594 - 1600 Adriaen Backer
      1600 - 1624 Johan van Gystaij
      1624 - [1630] Pieter uyt Mattenburch
      [1634] - 1654 Adriaan Verelst*
      1661 - 1684 Samuel Zuerius
      1684 - 1696 Pieter Georg Zuerius (zijn vader Samuel bedient het rentambt tijdens zijn minderjarigheid, d.w.z. tot in het jaar 1686)
      1696 - 1738 Josias Eckhardt
      1741 - 1758 Carel van Naerssen
      1761 - 1777 Carel Hendrik van Naerssen
      1778 - 1792 Gerrit Willem Motman
      Zijn commisssie dateert uit het jaar 1780!
      1798 - 1809 Emmericus de Weert
      1809 - 1810 Emmericus Carel de Weert

      * In het archief zijn rekeningen vanaf 1634 aanwezig.

      Rentmeesters van de kapittelen andere geestelijke goederen

      (

      NDR inv. nr. 685, folio 43verso, en 1044

      )

      1618 - 1637 Pieter uyt Mattenburch
      1637 - 1654 AdriaanVerelst
      1661 - 1662 Denijs van Rucphen, provisioneel rentmeester
      1662 - 1664 Denijs van Rucphen
      1665 - 1691 Johan van der Kaey
      1691 - 1692 Samuel du Castel (rekeningen voor 1691 en 1692 zijn echter op naam van Kip)
      1692 - 1702 Huybert Kip
      1704 - 1723 Carel van der Heyden
      1728 - 1734 Jacob van Eijs
      1735 - 1765 Willem Schoorn
      1766 - 1768 Laurens Pels

      Rentmeesters van de pastorale en andere geestelijke goederen, aangekomen met de vrede van 1648

      (

      NDR inv. nr. 685, f. 43recto en inv. nr. 1044

      )

      1648 - 1654 Adriaan Verelst (commissie is pas uit 1653!)
      1661 - 1664 Denijs van Rucphen
      1665 - 1689 Johan van der Kaey
      1692 - 1700 Huybert Kip
      1704 - 1727 Carel van der Heyden
      1728 - 1734 Jacob van Eijs
      1735 - 1765 Willem Schoorn
      1766 - 1768 Laurens Pels, waarnemend rentmeester

      Rentmeesters van de gecombineerde kapittel- en pastorale goederen

      1769 - 1792 Laurens Pels
      1796 - 1810 Johannes Adrianus Rycken

      Rentmeesters en ontvangers van de erfgranen

      (

      NDR inv. nr. 685, folio 44r en 1050.

      )

      1653 - 1657 Hendrik Joosten
      1657 - 1661 Denijs van Rucphen, provisioneel rentmeester
      1661 - 1664 Denijs van Rucphen
      1664 - 1668 Cornelis van Rucphen
      1669 - 1676 Johan Darmsse
      1676 - 1686 Samuel Zuerius
      1686 - 1696 Pieter Georg Zuerius (cie is van l684, eed wordt afgelegd in 1686)
      1696 - 1738 Josias Eckhardt
      1738 - 1784 Alexander Philemon Ekhardt (commissie is van 1738, eed van 1740)
      1785: Hendrik Adriaan Wiercx (waarnemend)
      1786 - 1793 Cornelis Evert Schoorn
      1794 - 1810 Florentius Cornelis Havermans (commissie is van 1798!)

      Griffiers van de lenen:

      (

      NDR inv. nr. 685, folio 40v en 1063

      )

      1607 Dingmans van der Locht
      1637 - 1664 Denijs van Rucphen
      1664 - 1668 Cornelis van Rucphen
      1668 - 1677 Johan Damisse
      1677 - 1704 Jacob van Buerstede
      1704 - 1736 Anthony van Buerstede
      1736 - 1746 Phillipus Johannes Tollius
      1746 - 1748 Christiaan Scholten
      1748 - 1775 Willem Hendrik Verbrugge
      1776: Rombout Melchior Damisse, waarnemend
      1776 - 1779 Willem Pieter van Persijn
      1779 - 1791 Gerard Johan Faree (rekeningen lopen t/m 1791)

      Bijlage 3 Voorbeelden van een inhoudsopgave van een rekening uit elke serie

      Van de domeinen van Breda uit 1743, NDR inv.nr. 8469.

      ONTFANGST

      Capittelen
      1Jaarchijnsen, Heere Chijnsen en Renten folio 12
      2Moolens folio 42
      3Tollen, veeren, Gruijten, visserijen en vervlooge Bieswarmen = bijenzwermen folio 58vo
      4Thienden folio 78
      5De kaatsbaan, stallen, eerste plaats in de vleeshalle, en verdere verhuurde huijsen binnen Breda folio 80
      6Landerijen binnen Breda, onder de Hage, Gilse, Baarle en Zundert folio 87vo
      7Landerijen onder Terheijden, nevens de Hoeven op den Noort, en groote Schans folio 110
      8Last-Geld van Turffschuijten folio 133
      9Vest-Gelden en Recognitiën folio 134vo
      10Hoffdiensten(= het afkopen van hofdiensten) folio 146
      11Leenen folio 146vo
      12Bastaart Goederen folio 147
      13Verkogt hout folio 151
      14De Savelhoeven, het Casteel van Boeverijen, den polder van Belcrum en de huijsingen van de groote en klijne Bouwerije binnen Breda folio 157vo
      15De Patrijsvangst folio 167vo
      16De Waranden folio 168vo
      17Cieringen folio 169
      18Bij panden van den Slagmoolen folio 174
      19Pond-gelden folio 175
      20Verkogte moeren folio 175vo
      21Gemengden Ontfangh folio 176vo
      22Atterminatiën folio 181
      23Rantsoengelden folio 181 vo
      24Den Een en twintigsten penningh folio 182
      25Den stuijver voor de illustere Schoolen folio 182vo
      26Geligte penningen folio 184
      27voorlijven folio 184vo
      28Affgeloste chijnsen en renten folio 186

      UIJTGIFTE

      Capittelen
      1Tractementen en pensionen folio 187
      2Renten folio 197
      3Acquesten folio 215
      4Penningen verantwoort en niet ontfangen folio 230vo
      5Reparatien aant' casteel folio 231vo
      6Reparatien en onderhoud aan de huijsingen in de doelestraat, in de bouwerijestraat, het huijs voor het casteel, de capelle in t coir, den gevangen tooren, en cappucijnenhoff folio 235
      7Reparatien en onderhout aan den polder van Belcrum, de waranden en het casteel van Boeverijen folio 236vo
      8Reparatien en onderhoud van de Moolens folio 237vo
      9Reparatien en onderhoud aan de bossen, sluijsen, waaterloopen en bruggen folio 243vo
      10Vacatien, Reijscosten, boodeloonen, strijkgelden en fooijen folio 251
      11Cieringen folio 254
      12Illustre schoole folio 256
      13Intressen folio 256vo
      14Gemengde uijtgiften en lasten folio 257vo
      15Extra ordinaire uijtgifte folio 263

      Van de kapittel- en andere geestelijke goederen van het jaar 1646, NDR inv.nr. 8547. ONTFANCK

      Capittelen
      IeEerst vande Thienden van de capittulaerien van Breda gelegen onder Ter Heyden, Wagenberck, Teteringen ende Molengracht.
      IIeAnderen ontfanck van lantpachten dije neffens des capittels thienden plagen (sic) verpacht te werden
      IIIeAnderen ontfanck van den eenentwintichsten penninck
      IVeAnderen ontfanck van rasoenen (opslag van 1schelling per pond bij het verpachten???<!--??? Staat ook zo in de gedrukte toegang.-->

      UYTGEVEN

      Capittelen
      IeEerst aende canonicken van Breda ende andere pensionarissen
      IIeAnder uytgeven aen gagien van predicanten, Sieckentrooster, Coster, Organist ende andere lasten der kercke binnen Breda... mitsgaders aen pensioenen aen eenige predicanten...
      IIIeAnder uytgeven van geaccordeerde gaigen ofte subsidien tot Onderhoudt van eenige schoolmeesters ten platten lande.
      IVAnder uytgeven van strijckgelden bij de hoochste insetters van de thienden..
      VGemengt uytgeven

      Van de pastorale en andere geestelijke goederen van Breda, aangekomen met de vrede van 1648. van het jaar 1671, NDR inv.nr. 8678. Ontfanck

      le cap[itte]leThienden onder Oosterhoudt
      2Landerijen aldaer
      3Rogge ende geltrenten aldaer
      4Thienden onder Rijsbergen
      5Landerijen aldaer
      6Rogge ende geltrenten aldaer
      7Tienden onder Sundert
      8Saeijlanden aldaer
      9Weijden en beempden al[dae]r
      10Rogge ende geltrenten aldaer
      11Thienden onder De Hage
      12Landerijen aldaer
      13Rogge ende geltrenten ald[ae]r
      14Thienden onder Ginneken
      15Landerijen aldaer
      16Rogge ende geltrenten ald[ae]r
      17Innecomen der pastorije van Etten
      18Innecomen der pastorije van Sprundel
      19Thienden onder Ghilse
      20Rogge ende geltrenten aldaer
      21Thienden en landerijen te Rijen
      22Rogge ende geltrenten aldaer
      23pastorije van Alphen
      24pastorije van Bavel
      25pastorije van Ter Heijden
      26pastorije van Dongen
      27pastorije van Teteringen
      28Rasoenen
      29xxj en penninck
      30Stuijver van de Illustere Schole
      31gemengden ontfanck

      Uijtgeeff

      1e cap[itte]leGaigen van predicanten
      2Gaigen van Costers
      3pensoenen aen gewesene pastooren
      4vacatien reijscosten bodeloonen
      5winnigen, strijckgelden
      6Renten
      7gunsten gratuiteijten etc.
      8gemengden uytgeeff

      Van de geestelijke aangeslagen kapittel- en pastorale goederen van Breda, van het jaar 1776, NDR inv.nr. 8767. Ontfang

      Kapittelen
      1.Chijnsen renten en Erfpagten
      2.Landen Weiden en Beemden
      3.Koorn Tiendens
      4.Tantum en Inkoomen van Thoornse en Kannunnikke (sic) Tiendens
      5.Lammertiendens
      6.Verkogt hout
      7.Afgeloste Tenten
      8.Alderhande Ontfang
      9.Extraordinaire Restanten

      Uitgaave

      Kapittelen
      1.Renten en cheinsen
      2.Benefitien of aan Gebenefitieerdens
      3.Tractement van de Rentmeester
      4.Tractementen van Predicanten en geaccordeerde Gratificatien
      5Tractementen van Organist, voorsangers, Kosters en Schoolmeesters
      6.Tractementen aan Perdikantsweduwen
      7.Vierde Kinds Praemien
      8.Verpondingen Dijkschotten en contributien
      9.Remissien
      10.Verpagtings kosten
      11.Verduisterde Cheinsen en Renten
      12.Subsidie aan de Stad Diaconie en Klassis te Breda
      13.Kosten van de Reekening
      14.Alderhande Uitgaave.

      Van de erfgranen van land en baronie van Breda van het jaar 1704, NDR inv.nr. 8838 Ontvangst

      Kap[ittelen]
      1Rogge onder Gilse
      2Rogge onder Alphen
      3Rogge onder Chaam
      4Rogge onder Baarle
      5Rogge onder Ginneken
      6Rogge onder Meer
      7Rogge onder Zundert
      8Rogge onder Rijsbergen
      9Rogge onder de Hage
      10Gerst onder Chaam
      11Gerst onder Ginneken
      12Gerst onder Rijsbergen
      13Gerst onder de Hage
      14Evene onder Alphen
      15Evene onder Chaam
      16Evene onder Baarle
      17Evene onder de Hage
      18Gemengden ontvangst

      Uijtgifte

      Kap[ittelen]
      1Renten
      2Pensioenen
      3ordinaire gagien en weddens
      4Uijtgifte van Garst
      5Intresten
      6Gemengde uijtgifte

      Verwerving

      Breda behoorde oorspronkelijk met o.a. Bergen op Zoom, Zevenbergen en Geertruidenberg tot het Graafschap Strijen.

      In de 12e eeuw is het land van Strijen gesplitst in een Hollands en een Brabants deel. Sindsdien waren Breda en Bergen op Zoom gezamenlijk in het bezit van de Heren van Breda, die leenroerig waren aan de hertog van Brabant.

      Eind 13e eeuw was het huis van Breda uitgestorven. In 1287 verdeelde de hertog van Brabant het gebied in twee lenen, zodat stad en land van Breda in handen kwamen van Raso van Gaveren, heer van Liedekercke, wiens geslacht het gebied in bezit hield tot 1327. (Gerard van Wezemale, heer van Kwabeecke, verwierf Bergen op Zoom).

      In 1327 werden stad en heerlijkheid van Breda verkocht aan de hertog van Brabant, waarna het gebied gedurende twaalf jaar tot het hertogelijk domein behoorde.

      In 1339 beleende de hertog van Brabant Willem van Duvenvoorde uit het geslacht Van Wassenaer met het vruchtgebruik. De eigendomsrechten werden door de hertog in 1350 aan Willem's neef Jan van Polanen verkocht. Na het overlijden van Duvenvoorde kwamen de stad en heerlijkheid van Breda geheel in handen van Jan van Polanen.

      De kleindochter van Jan van Polanen, Johanna, trouwde in 1404 met Engelbrecht, graaf van Nassau, waardoor Breda in handen van het geslacht Nassau overging.

      NDR inv.nr. 8127-8128.

      Eind 15e eeuw, onder graaf Engelbrecht II van Nassau, is te Breda de Raad en Rekenkamer, zoals de Nassause Domeinraad aanvankelijk heette, opgericht en te Breda gevestigd en fungeerde Breda als zetel van de administratie van alle Nassause domeinen. Ook toen in 1568 de goederen van Willem van Oranje verbeurd werden verklaard, bleef de Raad in functie, zij het onder toezicht van de Spaanse Raad van Beroerten. Na het sluiten van de Pacificatie van Gent kreeg Willem van Oranje weer de beschikking over zijn goederen, zij het slechts voor enkele jaren. Toen de Spanjaarden in 1581 Breda voor de tweede maal innamen is de Nassause Domeinraad vanuit Breda naar Delft verplaatst en later te Den Haag gevestigd.

      J.C.M. Pennings en E.A.T.M. Schreuder, 'Heer en Neester van Ameland tot de Zwaluwe' in: Jaarboek van het Oranje-Nassau Museum (1994), p. 48, Drossaers I, I, p X-Xl.

      In 1544 stierf René van Nassau, heer van Chalon en enige zoon van Hendrik III van Nassau, zonder kinderen na te laten. Kort voor zijn dood had hij in zijn testament al zijn bezittingen aan Willem van Nassau, de oudste zoon van zijn oom, Willem de Oude, vermaakt. Zo kwam het geslacht van Willem van Oranje in het bezit van stad en heerlijkheid van Breda. In 1552 werd hij plechtig ingehuldigd.

      Deze gegevens zijn gebaseerd op registers met 'Aanteekeningen en aanmerkingen omtrend de onderscheydene domeinen -Orange Nassau', NDR inv.nr. 764, folio 170-172 en op het artikel van F.F.X. Cerutti, 'De institutionele geschiedenis der stad tot de aanvang der 15e eeuw' in: Geschiedenis van Breda, deel I: De middeleeuwen, red. F.F.X. Cerutti e.a., (Schiedam, 1976).

      De opstand van de Nederlandse gewesten tegen Spanje, de strategische ligging van het gebied en de leidende rol van Willem van Oranje en diens zonen hebben een grote invloed op de geschiedenis van Stad en land van Breda gehad.

      Alleen al in de periode van 1567-1637 wisselde Breda vijf maal van heer, nu eens was het een prins van Nassau en dan weer de Spaanse koning, in zijn kwaliteit van hertog van Brabant:

      1552-1568 Willem van Oranje 1568-1576 Koning van Spanje 1577-1581 Willem van Oranje 1581-1590 Koning van Spanje 1590-1625 Maurits/Philips Willem/Prins Maurits 1625-1637 Koning van Spanje/Jan van Nassau-Siegen 1637 Frederik Hendrik

      Na de moord op prins Willem van Oranje in 1584 werd diens zwaar belaste boedel onder toezicht van colleges van curatoren gesteld, die de nalatenschap moesten afwikkelen. De erfopvolging leidde tot scherpe belangentegenstellingen tussen de oudste kinderen van Willem van Oranje, vooral tussen Maurits en Maria, die trachtte naast haar eigen belangen ook die van haar in Spanje gevangen gehouden broer Philips Willem te verdedigen. De elkaar opvolgende colleges van curatoren bleken niet voor hun taak berekend en gaven prins Maurits de kans de nog niet verdeelde erfenis voor zijn politieke aspiraties te gebruiken. De militaire successen van Maurits speelden hem in de kaart.

      Zo wist hij zes jaar na de geweldadige dood van Willem van Oranje Breda, dat sinds 1581 weer in Spaanse handen was, te heroveren (met behulp van het 'Turfschip'). Na deze succesvolle inname wilde hij er het bestuur overnemen, doch stuitte op tegenstand van zijn halfzuster Maria, die tevens als zaakwaarneemster van Philips Willem optrad. Zij stelde namens haar broer Philips Willem in 1590 en 1591 een nieuwe magistraat aan, die haar gezag ook erkende. Maurits wist echter de administratie over Breda in handen te krijgen dankzij de steun van deStaten-Generaal.

      Scherft, Het sterfhuis, p 152 e.v.; NDR inv. nr. 8129-8131.

      In 1596 keerde Philips Willem uit de Spaanse gevangenschap terug naar de Zuidelijke Nederlanden en trad in dienst van de nieuwe landvoogd aartshertog Albertus, hetgeen in de Republiek met wantrouwen werd vernomen. Hij hoopte zich in het bezit te stellen van zijn deel uit het vaderlijk erfgoed, zowel van de door de Spanjaarden geconfisqueerde goederen als van de goederen die zich op het territoir van de Republiek bevonden, waaronder Breda. De Staten-Generaal echter wensten hem, een katholieke prins in dienst van de vijand, niet tot de administratie toelaten. Maurits bleef nog lange tijd deze functie vervullen.

      Philips Willem trok zich enige jaren later van het Spaanse hof te Brussel terug. Dit feit en de succesvolle onderhandelingen over een bestand met Spanje maakten het de Staten-Generaal mogelijk hem tot de administratie van zijn goederen toe te laten. In 1606 benoemde hij Jean Baptist Keeremans tot superintendent van al zijn Nederlandse bezittinge.

      Scherft, Het sterfhuis, p. 246; NDR inv.nr. 8132.

      Toch bleven er tussen Maurits en Philips Willem nog jarenlang problemen rond de magistraatsbestelling te Breda bestaan: tot 1610 werden de benoemingen door prins Maurits gedaan.

      In 1609 werd prins Philips Willem plechtig als heer van Breda ingehaald, samen met zijn echtgenote Eleonora van Bourbon. De prins toonde zich tolerant in godsdienstige zaken. Wel had hij enkele botsingen met de Staten-Generaal, zoals over zijn weigering uit de Bredase kapittelgoederen de salarissen van de predikanten te betalen. Evenmin werd de benoeming van de katholieke Jean Baptiste Keeremans tot drossaard goedgekeurd. (In diens plaats stelde hij Johan van Aerssen aan). Reeds in 1618 overleed Philips Willem, zonder kinderen na te laten, en volgde prins Maurits hem als zijn erfgenaam op.

      In 1621 werden de vijandelijkheden tussen de Republiek en Spanje hervat en na een belegering van negen maanden wist de Spaanse veldheer Spinola de stad in 1625 te heroveren en kwam Breda weer in Spaanse handen.

      In Brabant brak nu de 'retorsiestrijd' uit over de vraag: wanneer men een stad veroverd heeft, beheerst men dan tevens het van die stad afhankelijke platteland? Elk der beide partijen hing de visie aan die hem het beste uitkwam: toen de Spanjaarden in 1625 Breda in handen kregen, stelde de inmiddels opgevolgde prins Frederik Hendrik dat hij nog altijd heer van het land van Breda was. (Na de verovering van 's-Hertogenbosch door Frederik Hendrik in 1629 oordeelden de Staten-Generaal dat behalve de stad de Meierij ook in hun handen gevallen was). Elk der partijen gebruikte deze steden als basis voor pesterijen in elkaars platteland, zoals arrestaties, belastingheffingen etc.

      Als bestuurszetel van de baronie koos Frederik Hendrik Geertruidenberg. Daar werden het leenhof en de hoofdbank -nu ui tsluitend bestaande uit de schouten van 13 dorpen in de baronie- van Breda gevestigd. Het garnizoen, magistraten en prinsgezinde burgers trokken naar het nieuwe bestuurscentrum. Daarnaast fungeerden in de stad Breda eveneens een drossaard, een leenhof en een hoofdbank, alle Spaansgezind.

      V.A.M. Beermann en j.L.M. de Lepper, 'De lotgevallen van de stad', in: F.A. Brekelmans e.a. eds., Geschiedenis van Breda.ll Aspecten VWI de stedelijke historie 1568 - 1795 (Schiedam, 1977), pp. 54-55.

      Spoedig na de Spaanse herovering plaatste Jan van Nassau-Siegen, een katholieke kleinzoon van de broer van Willem van Oranje,Jan de Oude, zich als pretendent tegenover de koning. Hij werd na een langdurig proces door de Raad van Brabant te Brussel in het gelijkgesteld. Na door de magistraat als heer van Breda erkend te zijn vernieuwde hij tot 1637 samen met een vertegenwoordiger van de Spaanse regering de magistraat van Breda.

      In 1637 wist prins Frederik Hendrik de stad definitief te heroveren, en bleef het gebied in handen van de prinsen van Oranje.

      Het kinderloos overlijden van stadhouder-koning Willem III leidde tot nieuwe moeilijkheden over de erfopvolging, ditmaal tussen Johan Willem Friso, neef van Willem III en stadhouder van Friesland en koning Frederik I van Pruisen.

      NDR inv.nr. 7938, folio 386 e.v.

      Bij de Acte van Partage in 1732 verwierf Johan Willem Carel Hendrik Friso, ofwel prins Willem IV, stad en land van Breda. Willem V zou hem opvolgen en het gebied in handen van de Oranje's houden tot aan de Franse revolutie.

      In 1793 vond al een eerste kortstondige Franse bezetting plaats. De schade aan 'zijne Hoogheids rechten en goederen' bleek zo groot dat er een speciale commissie werd ingesteld om de economische en bestuurlijke problemen in de door de Fransen bezette domeinen te inventariseren en op te lossen.

      Resoluties van de Dorneinraad, 5 april 1793, NDR inv.nr. 179,8123 en 8306

      Ruim een jaar later hadden de Fransen meer succes. ~a de nederlaag van de Oostenrijkse regering bij Fleurus in juni 1794 werden de Zuidelijke Nederlanden door de Fransen bezet. Vandaar uit bedreigden de Fransen onder meer Staats-Brabant. Eind augustus werden Gilze, Zundert, Rijsbergen, Etten en Princenhage veroverd. De commandant van de vesting Ven Geusau weigerde de stad over te geven. Pas na vertrek van prins Willem Ven zijn familie naar Engeland en op uitdrukkelijk bevel van de Staten-Generaal leverde hij de vesting op 28 januari 1795 aan de Fransen uit.

      Nadat de stadhouder met zijn familie naar Engeland was gevlucht, werden de domeinen geconfisqueerd en werd de Domeinraad opgeheven.

      De domeinen van de prins van Oranje, waaronder stad en land van Breda werden tot staatseigendom verklaard. De rekeningen van de rentmeesters werden van 1796-1810 door het 'Bureau der Nationale Domeinen, herkomstig van de vorst van Nassau' afgehoord. Dit bureau vormde een onderdeel van het departement van Financiën.

      Na 1809 viel de administratie onder de 'Directeur der registratie en Domeinen'.

      Grondgebied en benaming

      Het land van Breda grenst in het noorden aan Holland, in het oosten aan de Meierij van 's-Hertogenbosch, in het zuiden aan het land van Turnhout en het graafschap Hoogstraten en in het westen aan het markiezaat van Bergen op Zoom en het land van Steenbergen.

      De Nassaus beschouwden de stad en heerlijkheid van Breda als hun voornaamste bezitting. Uit het jaar 1474 is de volgende opsomming van hun bezittingen bekend: de stad Breda met slot, de stad Steenbergen, Roosendaal, Nispen, Etten, de Haghe (= Princenhage), Terheiden, Zonzeel (=Langeweg), Oosterhout met het huis te Strijen, Gilze, Ginneken, Alphen, Baarle, Rijsbergen, Groot en Klein Zundert en Dongen. In deze gebieden bezat de heer de hoge heerlijkheid.

      NDR inv.nr. 7938, folio 38.

      Verder bezat hij een smalheerlijkheid in Groot Zundert, de smalheerlijkheid van het goed Gageldonk en tenslotte een smalheerlijkheid en wat cijnzen en renten in de parochies Roosendaal, Nispen, Woude en de Haghe. Met het laatste zijn onderdelen bedoeld van het gecompliceerde goed van Gageldonk-Hambroek, waartoe ook goederen te Sprundel behoorden. De hertog van Brabant hield bij uitgifte van deze goederen de hoge heerlijkheid aan hem zelf. In Princenhage had Gageldonk-Hambroek een eigen Leenhof en Laathof.

      Dongen, Wagenberg en het huis te Strijen maakten eerst geen deel uit van het land van Breda, maar werden daar gaandeweg toe gerekend.

      Drossaers I, I, pp. 15-19.

      De heerlijkheid Breda was soeverein; leenhulde werd aan de hertog van Brabant afgelegd. In het gehele land gold het recht van Breda behalve binnen 'de Palen van de Hoeven van Etten'. Breda oefende de criminele rechtspraak uit in alle dorpen van het land, behalve in Oosterhout en Roosendaal, die vrije heerlijkheden waren. Men kon in beroep gaan bij de Raad van Brabant.

      De benaming 'baronie' stamt uit de tijd van Willem van Oranje. Hij betitelde zich zelf als heer en baron van Breda.

      De heerlijkheden Oosterhout en Dongen bekleedden binnen de baronie van Breda een zelfstandige positie en werden afzonderlijk beheerd (zie onder de desbefreffende domeinen).

      Steenbergen was vanaf 1287 bijna twee eeuwen lang gemeenschappelijk bezit van Breda en Bergen op Zoom. In 1458 werd het aan Breda toegewezen, maar het werd als een afzonderlijke heerlijkheid beschouwd en niet tot de baronie gerekend. De lage heerlijkheid van Roosendaal werd op 1 april 1501 overgedragen aan Engelbrecht II van Nassau.

      De volgende gegevens zijn gebaseerd op: Thomas Ernst van Goor, Beschrijving der Stadt en lande van Breda ('s-Gravenhage, 1744), pp. 352-397.

      Steenbergen werd samen met Roosendaal en Nispen afzonderlijk beheerd (zie onder dit domein). De hoofdbank van Breda diende wel als hof van appèl voor vonnissen binnen Steenbergen.

      De heerlijkheid Ginneken en Bavel omvatte de dorpen Ginneken en Bavel en de gehuchten Galder, Heusdenhout, Strijbeek en Ulvenhout. De abdij van Thorn bezat het patronaatsrecht van de kerk van Bavel.

      De rechtbank van Ginneken en Bavel bestond uit een schout (dezelfde als van Gilze), zeven schepenen en tien gezworenen.

      Alphen, Baarle-Nassau en Chaam vormden een eenheid onder één schout en één secretaris. Alphen en Chaam hadden één schepenbank. Chaam had wel een eigen financiële administratie.

      Bij Baarle-Nassau behoorden het gehucht Looveren, Uilencoten, Zonderhagen en Castelre.

      Baarle bestond uit twee rechtsgebieden: Baarle-Nassau en Baarle-Hertog. Gemeenschappelijke kosten werden omgeslagen in verhouding 2/3 en 1/3.

      De abdis van Thorn had ook hier een eigen rechtbank, naast die onder de jurisdictie van de heer van Breda.

      Gilze werd waarschijnlijk vóór het jaar 1200 geschonken aan de abdij van Thorn. Dit klooster had er veel goederen en rechten, met name een rechtbank die tot 1795 bleef bestaan. De heer van Breda had er eveneens een rechtbank, bestaande uit een schout (die tevens schout van Ginneken was) en zeven schepenen. Ook hier waren er gezworenen die de zorg voor de financiën hadden.

      Rijen, Molenschot en Hulten behoorden eveneens tot dit rechtsgebied.

      Etten behoorde van oudsher bij Breda. De rechtbank, waaronder ook Leur en Sprundel behoorden, bestond uit een schout en zeven schepenen. Voor de financiën zorgden elf gezworenen. Daarnaast kende Etten nog een rechtsgebied: Etten onder de Palen van de Hoeve. Deze jurisdictie had een eigen rechtbank en een bijzonder Landrecht, de Hoevense Charter, aan Etten in het jaar 1267 door Hendrik IV, heer van Breda, geschonken.

      Ook in Zundert was er sprake van twee rechtsgebieden: Zundert-Hertog en Zundert-Nassau. Het laatste gebied was ooit door hertogin Johanna van Brabant aan Jan van Polanen verpand onder voorwaarde dat het pand voor eenzelfde som gelost kon worden, hetgeen nooit is gebeurd.

      Terheijden kreeg in 1328 een eigen schepenbank, waarvan het rechtsgebied zich uitstrekte over Hertel, Schimmaer en Wagenberg. De rechtbank bestond uit een schout en zeven schepenen. Zeven gezworenen hadden de verantwoordelijkheid voor de dorpsfinanciën. Teteringen was een dorp van buitenpoorters onder de jurisdictie van en in hoofdzaak ook onder het bestuur van de stad Breda. Men kende een afzonderlijk financieel beheer, maar geen eigen armbestuur. Bij deze heertijkheid hoorden ook de gehuchten Lovensdijk, Molengracht en Zantbergen.

      Het gezag van de heren van Breda

      Gebaseerd op: F.A. Brekelmans, 'Bestuur en rechtspraak', in: F A. Brekelmans e.a. eds., Geschiedenis van Breda, II Aspecten van de stedelijke historie 1568 -1795 (Schiedam, 1977), p. 91-106.

      De heren van Breda waren vanaf de 12e eeuw leenroerig aan de hertog van Brabant. In de loop van de opstand en de oorlog tegen Spanje trokken de Staten-Generaal het oppergezag over de baronie van Breda aan zich. Na de Vrede van Munster in 1648 maakte het gebied deel uit van de Generaliteitslanden. De plakkaten van de Staten-Generaal waren in stad en land van kracht, behalve voor die zaken die tot de bevoegdheden van de heer behoorden. Door de hoogheid van de positie van de heer van Breda had deze echter bijna soevereine rechten in het gebied. De invloed van de landsregering was er dus vrij gering.

      Dit gold niet voor de zaken van defensie van de Republiek en de financiën van het gemene land. Hierin had de heer van Breda de Staten-Generaal of de Raad van State te gehoorzamen. Breda was een garnizoenssstad. De Raad van State had hier rechtstreeks bemoeienis met het garnizoen, de fortificatiën en de inundatiën, de heffing van belastingen, de verpachting van tienden en de bezoldiging van predikanten. De gouverneur van de vesting werd door de Staten-Generaal benoemd.

      Ook na 1648 moesten de heren van Breda leenverhef voor hun gebied blijven doen. Zij deden dit voor de Raad en Leenhof van Brabant, sinds 1591 gevestigd in Den Haag. Telkens als er een Oranjevorst stierf moest opnieuw leenhulde door of namens diens opvolger plaats hebben.

      Heerlijke rechten en bevoegdheden

      De heer had het recht tot het uitvaardigen van plakkaten, octrooien en beschikkingen. Hij had bijvoorbeeld het recht van de wind, d.w.z. hij gaf toestemming tot het oprichten van molens. Hij verleende octrooien tot het oprichten van industrieën, het houden van een bank van lening, tot het verkopen van erfgoederen, het maken van manufacturen, het leggen van een steenweg of een trekpad, het verleggen van jaarmarkten, het heffen van weggeld, van accijnzen, van brand- en lantaarngeld, de honderdste penning, het houden van loterijen en het stichten van een zoutkeet. Uit de Middeleeuwen stamde het recht cijnzen te heffen (een soort gebruiksrecht, geheven op landerijen en huizen). Deze zijn bekend onder verschillende namen: Herencijns, Lamberti-, St. Bavo- en Martinicijnzen, genoemd naar de dag waarop de cijns moet worden betaald (respectievelijk op 17 September, 1 oktober en 11 november). Hij had het recht van confiscatie van onbeheerde nalatenschappen en van 'bastaardgoederen'. Recht van de gruit en het naastingsrecht. Hij had het benoemingsrecht van het stadsbestuur, de dorpsbesturen en een groot aantal stedelijke en dorpsfunctionarissen en -ambtenaren (zie hieronder). Een belangrijke rol speelde de heer of de Domeinraad bij de admissie van notarissen. Na 'creatie' door de Raad van Brabant werden ze op aanbeveling van het stadsbestuur door de heer 'geadmitteerd'. Hierover ontstond wel eens onenigheid met de Raad van Brabant. De zogenaamde 'Blijde Incomste' bij iedere nieuwe heer bracht hoge kosten voor Breda met zich mee vanwege de vele verplichte giften, de 'curialiteiten'. Dergelijke giften werden eveneens verwacht als de heer van Breda in het huwelijk trad of kinderen kreeg. Verder hoorde de rechtspraak hen toe met bijbehorende inkomsten, zoals boeten en compositiegelden (geld betaald voor een getroffen schikking). Men had het recht tot het verlenen van gratie aan veroordeelden. In 1634 werd dit recht uitgebreid tot het hele rechtsgebied van de Raad van Brabant. Het Hof van Holland diende dergelijke gratieverleningen wel te bekrachtigen. Bij de Vrede van Munster in 1648 kreeg de heer van Breda alle kloosters, godshuizen, pastorieen en andere geestelijke goederen en beneficiën (geestelijke waardigheid met daaraan verbonden inkomsten) toegewezen.

      Bestuur en rechtspraak Stad en land.

      De drossaard was de belangrijkste ambtenaar van de heer. Hij installeerde dorps- en stadsbesturen en stelde voordrachten voor de benoemingen op. Hij had de hoge jurisdictie in de gehele baronie, behalve in de vrijheden Roosendaal en Oosterhout. Hij kondigde de plakkaten af van de Staten-Generaal en van andere overheden. Na 1637 werden de ambten van drossaard en schout in een persoon verenigd. Tevens was de drossaard voorzitter van het Leenhof. Als zijn plaatsvervanger trad een stadhouder op. De drossaard inde alle boeten en breuken, die hij sedert 1686 geheel mocht behouden. Hij had het toezicht op rentmeesters, klerken, roededragers en andere prinselijke ambtenaren. Daarnaast vervulde hij het ambt van schout. In die hoedanigheid zat hij de schepenbank in civiele en criminele zaken voor. Verder was hij kolonel van de compagnieën der burgerij en stadhouder van de lenen, d.w.z. dat hij het Leenhof voorzat. De drossaard diende een geboren Brabander te zijn. Het ambt van drossaard was zeer lucratief: in het midden der 18e eeuw werden diens inkomsten op meer dan 4774 gulden berekend, afgezien van de vacatiegelden, boeten etc. Er werd grof betaald om dit ambt te verkrijgen. De drossaard kwam gemakkelijk in conflict met de belangrijkste functionaris van de Staten-Generaal, de gouverneur van de vesting.

      Brekelmans, 'Bestuur en rechtspraak', p. 96.

      In het Leenhof van Breda hadden de drossaard en de stadhouder van de lenen zitting alsmede elf raden, inclusief de griffier. Het Leenhof had tot taak het transporteren en verheffen van leengoederen, leenrechten, het aangaan van verbintenissen, panding etc. Het leenhof bestond uit de drossaard /stadhouder van de lenen met elf raden, inclusief de griffier. De griffier van de lenen was o.a. verplicht ieder jaar een rekening op te maken van de inkomsten uit de heergewaden. De stad

      De magistraat, bestaande uit de schepenen en de binnen- en de buitenburgemeester. Zij hadden verantwoordelijkheid op het gebied van bestuur en justitie. De binnenburgemeester zat zowel de vergaderingen van het stadsbestuur als de rechtzittingen voor. twee burgemeesters, een binnen- en een buitenburgemeester. De binnenburgemeester was president van de schepenbank en voorzitter bij alle rechtszaken. Vonnissen van de schepenbank waren appellabel bij de Raad van Brabant, behalve bij criminele zaken. De binnenburgemeester bestuurde de stad. Hij convoceerde drost, schepenen en Tienmannen; hij ontving rekesten; tijdens de vergaderingen van de magistraat deed hij voorstellen en nam de stemmen op. Verder was hij overdeken van de Lakenhal en controleerde hij de maten en gewichten. De binnenburgemeester moest na twee jaar aftreden (deze regel werd dikwijls overtreden). De buitenburgemeester wisselde elk jaar. Hij was tegelijk de thesaurier van de stad. Hij beschermde het recht van de stad en de poorters. Hij moest alle stadszaken verrichten in overleg met de drossaard, de binnenburgemeester en de schepenen. Hij was verantwoordelijk voor het inleveren van alle stadsrekeningen. Hij moest zijn rekening op 9 oktober inleveren t.o.v. een heer Commissaris van de magistraat en de Tien Raden en binnen een maand sluiten. Verder behoorde bouw en onderhoud van de stadswerken tot zijn taak. De schepenbank of 'de Wet' bestond uit negen personen, acht schepenen en de binnenburgemeester. De Tien Raden of Tienmannen. Zij zijn voor het eerst in 1541 aangesteld. Zij hadden geen taak in het stadsbestuur maar vertegenwoordigden de belangen van de burgerij met name, waar het de invoering van nieuwe belastingen betreft. Zij controleerden de stadsrekeningen, assisteerden bij de verpachting van de stadsmiddelen, aanbestedingen, verkopingen etc.

      NDR inv.nr. 764, folio 179.

      Tussen de magistraat en de Tienmannen deden zich nog al eens competentiekwesties voor. Het Land

      Er waren elf ding- of rechtbanken, die slechts jurisdictie in civiele zaken hadden. Deze bestonden uit een schout, zeven schepenen en een secretaris, voor wie alle inwoners hun civiele procedures konden voeren. Tegen de vonnissen kon bij de Hoofdbank van Breda worden geappelleerd, bij welk college ook de hoge jurisdictie berustte. Alleen Oosterhout en Roosendaal hadden de lage, middelbare en hoge jurisdictie. De gemeenelands-lasten werden over alle dorpen verdeeld volgens een vaste repartitie d.d. 1712. Jaarlijks werd door de magistraat in elk dorp een staat van haar lasten (verpondingen, beden etc.) gemaakt en van de kosten. Deze werd ten overstaan van de drost of diens plaatsvervanger vastgesteld en getekend, met een ontwerp van omslag. Deze moest door de Nassause Domeinraad worden goedgekeurd. Daarna werden er door de gezworenen of de kwartiermeesters met schout en schepenen kohieren van de onroerende goederen opgesteld en aan de ontvanger gegeven. Deze zorgde verder voor de invordering en de verrekening.

      NDR inv.nr. 764, folio 173-175.

      Overkoepelende colleges, die de zaken van het land van Breda behartigden, waren verder: De Landsvergadering. Dit college werd in 1597 door prins Maurits ingesteld. Het was een vergadering van vertegenwoordigers van de elf gerechten in de baronie, onder voorzitterschap van de drossaard. Elk gerecht zond zijn schout en twee schepenen. Twee maal per jaar werd deze vergadering door de drossaard of diens plaatsvervanger te Breda bijeengeroepen. Besluiten werden bij meerderheid van stemmen genomen. De landsschrijver/secretaris notuleerde en stuurde naar alle rechtbanken een afschrift. De belangrijkste taak van dit college bestond uit het vaststellen van de repartitie der belastingen en van de gemene landsrekening. De Hoofd- en Leenbank. Zij diende als appelgerecht voor de lagere rechtsprekende colleges in het land van Breda in civiele en leenzaken. Economische situatie in Breda

      Het militair en strategisch belang van de stad Breda kwam in het voorgaande uitgebreid aan de orde. Op economisch gebied stelde de stad niet veel voor. Men hield er zich wel bezig met het brouwerijbedrijf en in mindere mate met de lakenbereiding.

      Handel speelde een grotere rol. Naast Den Bosch was Breda het centrum van de doorvoer van goederen uit Holland naar de Spaanse Nederlanden en Luik, en omgekeerd. Noord-zuidwaarts gezien hield de waterweg de Mark in Breda op. De goederen werden verder zuidwaarts vervoerd met behulp van wagens.

      Een probleem hierbij vormde de steeds voortgaande verzanding van de rivier de Mark en de Dintel. In de jaren veertig van de 18e eeuw vatte het stadsbestuur het plan op een kanaal van Terheiden naar de Moerdijk te graven om zo de vaarroute te verbeteren en de verbinding te verkorten. Het gewest Holland, hierin gesteund door 's-Hertogenbosch, wist dit initiatief uit vrees voor concurrentie te dwarsbomen.

      NDR inv.nr. 8262.

      Andere inkomstenbronnen voor de stad waren de bestedingen van het garnizoen en het sporadisch verblijf van het hof van de Nassau's of van hun gasten.

      Beerman en De Lepper 'De lotgevallen van de stad', p. 72.

      Verantwoording

      Bij de inventarisatie zijn de volgende termen gehanteerd: de stad Breda; het land van Breda en stad en land van Breda. Stad en land gezamenlijk worden ook wel 'Baronie van Breda' genoemd. In de stukken zelf wordt met 'de baronie' ook wel uitsluitend het land van Breda bedoeld.

      Er bevindt zich een aantal stads- en dorpsrekeningen in het archief (kopieën), NDR inv.nrs. 8272-8294 etc. Deze rekeningen hebben niets met het eigenlijke beheer van de heerlijkheid te maken. In veel gevallen was de raadcommissaris van de Nassause Domeinraad een van de drie partijen (naast de stadhouder van de drossaard en schout en schepenen) die de rekening moest afhoren. (In totaal revideerde de raadcommissaris in een willekeurig jaar (1774) 112 rekeningen. Hiervan is dus slechts een fractie bewaard gebleven). Vandaar dat deze onder de rubriek bestuur zijn geordend.

      Een moeilijkheid vormden de stukken in de oude inventaris Hingman inv.nrs. 1203 en 1204, die in de inventaris beschreven staan als 'Twee portefeuilles met het opschrif t Klein Zundert'. Het zijn stukken, die grotendeels behoorden tot het archief van de pastoor van Klein Zundert.

      Op 24 juli 1798 werd er op last van de Agent van Inwendige Politie beslag gelegd op een groot aantal archiefstukken betreffende de bezittingen van de abdij van Tongerlo, verbonden aan de pastorie van Klein Zundert. In 1800 zijn de stukken in handen van de Commissie van Breda gekomen.

      De Commissie van Breda was gemachtigd om op alle archiefstukken beslag te leggen die voor een goede administratie noodzakelijk waren. In het geval van Klein Zundert is men daarbij nogal rigoreus te werk gegaan. Ook in het archief van de Commissie van Breda (oude inv.nrs. 1284-1330) is een deel van het archief van de pastoor terecht gekomen. De rechtsopvolger van zowel de Commissie van Breda als van de vroegere Nassause Domeinraad was de provinciale afdeling van het Enregistrement des Domaines. Mogelijk is dit de verklaring waarom zowel in dit archief als in het archief van de Commissie van Breda zich stukken van de pastoor bevinden. Deze stukken zijn in een aanhangsel ondergebracht.

      P.T.A. Zweegers en R.J. Wols, Inventaris van de Commissie van Breda (1421) 1799-1811 (1828) ('s-Hertogenbosch, 1982) (Inventarisreeks 32), pp. 14,173-179.

      Verwante Archieven

      Stukken met betrekking tot het domein Breda in andere archieven

      Algemeen Rijksarchief Collectie van Nispen

      Het Rijksarchief in Noord-Brabant: De archieven van de rentmeesters van prins Frederik en hun opvolgers, m.n. stukken betreffende het rentambt Breda. De collectie Nassause Domeinen 1545-1810 (minuutnotulen van de Domeinraad en afgehoorde rekeningen, afkomstig uit de archieven van enige rentmeesters) De collectie Pels-Rijcken Het archief van de Raad van Brabant.

      Gemeentearchief Breda

      Streekarchief Nassau-Brabant